← België

ECLI:BE:ORGNT:2007:JUG.20070131.4

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Ondernemingsrechtbank Gent Vonnis/arrest van 31 januari 2007 ECLI nr: ECLI:BE:ORGNT:2007:JUG.20070131.4 Rolnummer: AR 1808/06 Rechtsgebied: Insolventierecht Invoerdatum: 2009-02-12 Raadplegingen: 161 - laatst gezien 2026-07-02 15:15 Fiche UTU-thesaurus: HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - INSOLVENTIE - Faillissement HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - INSOLVENTIE - Faillissement - Andere Vrije woorden: (relatief) gezag van gewijsde van vonnis i.v.m. vervroeging van datum van staking van betaling art. 619 W.Venn. (onterecht uitgekeerd dividend) art. 20 F.W. (faillissementspauliana) Tekst van de beslissing Nr. Rep. De rechtbank van koophandel van het rechtsgebied Kortrijk, provincie West-Vlaanderen, VIJFDE KAMER, rechtsprekend In de zaak nr. 1808/2006 der algemene rol Mter. Stefaan BEELE, advocaat te 8500 Kortrijk, President Kennedypark 26 A, in zijn hoedanigheid van CURATOR over het faillissement van de NV EXQUISO, met maatschappelijke zetel te 8510 Kortrijk-Marke, Putmeersstraat 2 en ingeschreven in de kruispuntbank van ondernemingen onder het nummer 0446.161.101 (failliet verklaard bij vonnis van de rechtbank van koophandel te Kortrijk op 18 januari 2005), Eiser q.q., persoonlijk pleitend, TEGEN: De heer A, aannemer, wonende te ..., Verweerder, hebbende als raadslieden Mter. Rik Honoré en Mter. Jan Benoit en pleitend Mter. Thomas Goethals, advocaten te Kortrijk. De Rechtbank heeft de verschenen partijen gehoord in de openbare zitting van 3 januari 2007 en heeft kennis genomen van hun stukken, hierbij toepassing makend van de artikelen 2, 37 en 41 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van talen in gerechtszaken. De vordering. Met dagvaarding, betekend op 18 mei 2006 vordert Mter. Stefaan Beele in zijn hoedanigheid van curator over het faillissement van de NV Exquiso, verder de curator genoemd, de veroordeling van de verweerder tot de betaling van euro 120.000,00 te vermeerderen met de vergoedende, zoniet de moratoire, rente aan de wettelijke rentevoet tot de dag van de dagvaarding en de gerechtelijke rente vanaf de dagvaarding tot de dag van de betaling en tot de betaling van de kosten van het geding. In zijn besluiten vordert de curator in ondergeschikte orde de veroordeling van de verweerder tot de betaling van euro 80.841,17, meer de vergoedende, zoniet de moratoire, rente aan de wettelijke rentevoet tot op de datum van de dagvaarding en van dan af te vermeerderen met de gerechtelijke rente tot de dag van de betaling en tot de betaling van de kosten van het geding. De feitelijke uiteenzetting en het standpunt van de partijen. De NV Exquiso werd opgericht bij notariële akte verleden voor notaris Du Faux te Moeskroen op 24 december

  1. Op het ogenblik van het faillissement van de NV Exquiso traden op als vennoten: de verweerder, eigenaar van 124 aandelen en de BVBA ATS, eigenares van 1 aandeel. De verweerder en de BVBA ATS waren eveneens de twee bestuurders van de NV Exquiso. De zaakvoerder van de BVBA ATS is de verweerder. De NV Exquiso werd, op aangifte, in staat van faillissement verklaard bij vonnis van de rechtbank van koophandel te Kortrijk, tweede kamer, gewezen op 18 januari
  2. De datum van ophouden van betalen werd vastgesteld op 17 januari
  3. Uit het proces-verbaal van de buitengewone algemene vergadering d.d. 14 januari 2005, neergelegd bij de aangifte van het faillissement, blijkt dat tot de aangifte van het faillissement werd besloten omdat het niet zinvol was als holdingmaatschappij de continuïteit van de NV Vandevelde te proberen te verzekeren gelet op het faillissement van de NV Vandevelde, uitgesproken door de rechtbank van koophandel te Oudenaarde. De NV Vandevelde werd in staat van faillissement verklaard op 7 oktober
  4. De NV Vandevelde is de werkvennootschap van de NV Exquiso. De NV Exquiso is een holdingvennootschap en bezit het grootste deel van de aandelen van de NV Vandevelde. Het faillissement van de NV Vandevelde was het onvermijdelijke gevolg van de gasramp te Ghislenghien op 30 juli 2004, waarbij het bedrijfsmateriaal van de NV Vandevelde, aldaar gebruikt bij de uitvoering van werken, quasi volledig werd vernietigd. Door dat verlies zag de NV Vandevelde zich verplicht al haar werkzaamheden te staken. Uit het proces-verbaal van ondervraging inzake faillissement opgesteld op 7 oktober 2004 bij de plaatsopneming ten gevolge van het faillissement van de NV Vandevelde blijkt dat de verweerder eveneens afgevaardigd bestuurder was van de NV Vandevelde. De curator heeft bij dagvaarding van 9 mei 2005 de vervroeging gevorderd van de datum van de staking van betaling in hoofde van de NV Exquiso en die datum vast te stellen op 15 augustus
  5. Bij vonnis van 17 januari 2006, gewezen door de tweede kamer van de rechtbank van koophandel te Kortrijk, met algemeen rolnummer 252/2005, werd die eis als ongegrond afgewezen. In het overwegend gedeelte van dat vonnis werd weerhouden wat volgt: " In casu slaagt Mter. Stefaan BEELE qq. er evenwel niet in dergelijk bewijs van ernstige en objectieve omstandigheden te leveren: de boekhoudkundige manipulaties van eind augustus 2004 kaderen misschien wel in een opzet om bepaalde accentverschuivingen teweeg te brengen, doch dit zijn niet de ernstige en objectieve omstandigheden die de wetgever blijkbaar voor ogen had om te besluiten tot een vervroegde datum van staking van betaling. Het betreft bovendien louter interne machinaties, waaraan niet de minste ruchtbaarheid werd gegeven. Dit impliceert geenszins dat dergelijke manier van handelen goed te praten valt, doch in het kader van huidige zaak, vindt de rechtbank daarin niet de elementen die zij in rechte moet aantreffen om tot een wijziging van een datum van staking van betaling over te gaan. Geen enkele schuldeiser of andere derde had ook maar enig initiatief genomen om tot dagvaarding over te gaan, laat staan dat er een vonnis voorhanden was dat zou worden uitgevoerd. Nergens bleek dat enige institutionele schuldeiser "systematisch" niet betaald werd. Na 15.8.2004 zijn er nog verschillende, zij het kleine, betalingen gebeurd aan diverse schuldeisers. Uit het PV van nazicht van schuldvorderingen blijkt dat de schulden, niet rechtstreeks veroorzaakt door het faillissement, uiteindelijk kleiner zijn dan de openstaande schulden zoals die blijken uit de balansen van de voorgaande jaren... " De curator heeft in voormeld vonnis berust. * * * De curator zet vervolgens uiteen wat volgt: De curatoren van het faillissement van de NV Vandevelde stellen vast dat de NV Vandevelde aan de NV Exquiso een uitbetaling deed van euro 160.000,
  6. Dit stemt overeen met de boekhouding van de NV Exquiso, alwaar deze betaling binnenkomt per 24 augustus
  7. Op dezelfde datum, weze 24 augustus 2004, wordt hiervan door de NV Exquiso euro 120.000,00 doorgestort aan de verweerder met mededeling "uitkering dividend". De verweerder heeft op 7 oktober 2004 aan de curatoren van de NV Vandevelde bevestigd dat het hier wel degelijk om een dividenduitkering ging. De curatoren van de NV Vandevelde stellen in hun verslag d.d. 7 oktober 2004 eveneens vast dat, eenmaal het dividend t.b.v. euro 120.000,00 ontvangen van de NV Exquiso, de verweerder de som van euro 120.000,00 betaalde aan de NV Vandevelde, terwijl de NV Exquiso op 27 augustus 2004 euro 40.000,00 betaalde aan de NV Vandevelde. De uitbetaling door de NV Exquiso aan de verweerder van een dividend t.b.v. euro 120.000,00 gebeurde niet conform de regelgeving i.v.m. de winstuitkering binnen een naamloze vennootschap, terwijl er ook geen mogelijkheden bestonden om tot dergelijke winstuitkering over te gaan. De curator vordert in deze procedure dienvolgens de veroordeling van de verweerder tot de terugbetaling van de som van euro 120.000,00 meer de vergoedende, zoniet de moratoire, rente vanaf de datum van de uitbetaling, weze 24 augustus 2004, tot de datum van de terugbetaling. Subsidiair vraagt de curator dat verweerder zou worden veroordeeld tot de betaling van de som van euro 80.841,17 in hoofdsom meer de rente. Dat bedrag is volgens de curator het deel van euro 120.000,00 waarop de verweerder in elk geval geen recht had, de dag van de betaling door de NV Exquiso van de bewuste euro 120.000,
  8. Die subsidiaire vordering baseert de curator op art. 20 F.W. * * * De verweerder van zijn kant houdt voor: Deze procedure is een verkapt hoger beroep tegen het vonnis van de tweede kamer van de rechtbank van koophandel te Kortrijk van 17 januari 2006 dat de datum van staking van betaling in het faillissement van de NV Exquiso weigerde te vervroegen. De vermelding "uitkering dividend" op het rekeninguittreksel van 24 augustus 2004 is een loutere materiële vergissing. De curator gaf dit zelfs in zijn besluiten genomen in de vorige procedure (met algemeen rolnummer 252/2005) zonder meer toe. Er is geen sprake van bedrieglijk opzet, zodat de curator in ondergeschikte orde ten onrechte art. 20 F.W. inroept. Beoordeling. 1.Het vonnis van 17 januari 2006 Het vonnis van 17 januari 2006 gewezen door de tweede kamer van de rechtbank van koophandel in de zaak met algemeen rolnummer 252/2005, is definitief geworden en heeft gezag van gewijsde. Om te beslissen of de exceptie van het gezag van het rechterlijk gewijsde kan aangenomen worden, moet men de fundamentele elementen van de twee gedingen in aanmerking nemen, en onderzoeken of de nieuwe aanspraak ingewilligd kan worden zonder het verworven voordeel van de vroegere beslissing te vernietigen (Wylleman A., "Het gezag van gewijsde: Uitdrukking van het rechterlijk gezag", T.P.R., 1988, blz. 48, nr. 24). Teneinde te oordelen of de exceptie van gewijsde aanneembaar is, moeten de grondbestanddelen van de twee rechtsvorderingen worden onderzocht en moet nagegaan worden of de nieuwe aanspraak kan worden ingewilligd zonder het voordeel van de vorige beslissing ongedaan te maken (Cass. 8 april 1998, Arr. Cass. 1998, 423) Om de draagwijdte te beoordelen van het gezag van gewijsde volstaat het geenszins de inhoud van de oorspronkelijke vordering te vergelijken met de inhoud van de nieuwe vordering, maar moet nagegaan worden wat vroeger werd betwist en beslist, in feite en in rechte, en moet worden gecontroleerd of de nieuwe vordering erop gericht is een beslissing te verkrijgen over een litigieuze vraag waarover, nadat hieromtrent een debat werd gevoerd, reeds vroeger een juridische beslissing werd genomen, zodanig dat de nieuwe eis, indien ze toegelaten is, zou tegenspreken wat reeds zeker werd beslist. In het vonnis van 17 januari 2006 werd enkel beslist dat op grond van de argumenten aangebracht door de curator de datum van staking van betaling in het faillissement van de NV Exquiso niet kon vervroegd worden. In dat vonnis werd de vraag niet beantwoord of de curator aanspraak kon maken op terugbetaling van een op 24 augustus 2004 uitgekeerd dividend van euro 120.000,00 overeenkomstig art. 619 W.Venn. Evenmin kwam de vraag aan bod of de faillissementspauliana kan worden toegepast op een deel van dat uitbetaalde bedrag. Het is niet omdat die vorderingen thans eventueel zouden worden toegestaan dat er iets zou worden afgedaan van het vonnis dat een vervoeging van de datum van de staking afwees. Die vorderingen komen voor het eerst in deze procedure aan bod. Zij zijn naar het oordeel van de rechtbank ontvankelijk. 2.De uitkering van een dividend. De verweerder wijst er terecht op dat de curator thans tevergeefs verwijst naar de vermelding "uitkering dividend" die op het rekeninguittreksel van 24 augustus 2005 vermeld staat bij de betaling van euro 120.000,
  9. Verwijzend naar die vermelding is de curator immers van oordeel dat er tot een uitkering van een dividend werd overgegaan, terwijl er aan de voorwaarden tot de uitkering van enig dividend absoluut niet werd voldaan, zodat er tot terugvordering kan worden overgegaan op grond van art.
  10. W.Venn. In de procedure gevoerd voor de tweede kamer van deze rechtbank met algemeen rolnummer 252/2005 heeft de curator besluiten neergelegd op 30 juni
  11. Op blz. 5 van die besluiten heeft hij uitdrukkelijk aangenomen dat de storting met vermelding "uitkering dividend" evenwel een storting was tot vergoeding van de debetstand in rekening-courant van de verweerder, de bestuurdersbezoldiging van de verweerder, tantièmes boekjaar 2003 toekomend aan de verweerder en verschuldigde intresten op de rekening-courant
  12. Dergelijke gerechtelijke bekentenis, met als voorwerp de al dan niet waarachtigheid van een betwist feit, moet haar gevolgen ressorteren. Een bekentenis steunt op een geldige wil om met betrekking tot een betwist (rechts)feit een verklaring te doen en een partij (die niet noodzakelijk de tegenpartij is), toe te laten die verklaring te gebruiken. De bekentenis, die zoals in deze zaak bewezen is, heeft wettelijke bewijswaarde ten aanzien van de auteur ervan: de auteur heeft de wettelijke verbintenis zijn verklaring tegen zichzelf als een bewijs te aanvaarden. (Cornelis L., "Algemene theorie van de verbintenis", nr. 196 en nr. 198). De curator kan thans dan ook niet meer betwisten dat met de vermelding "uitkering dividend" helemaal niet bedoeld werd aan de verweerder een dividend te betalen, doch dat daar enkel mee bedoeld werd dat een betaling werd uitgevoerd tot nakoming van de vorderingen van de verweerder ten overstaan van de NV Exquiso, en dit tot beloop van een bedrag van euro 120.000,
  13. 3.De faillissementspauliana. Art. 20 faillissementswet (F.W.) stelt: "Handelingen of betalingen verricht met bedrieglijke benadeling van de rechten van de schuldeisers kunnen niet worden tegengeworpen, onverschillig op welke datum zij hebben plaatsgehad". De rechtbank wijst er op dat de rechtspraak en de rechtsleer omtrent art. 448 van de oude faillissementswet ook van toepassing is op het gelijkluidend thans nieuw art. 20 F.W. De vordering op grond van art. 20 F.W. is een specifieke toepassing van de pauliaanse vordering, zoals voorzien in art. 1167 B.W. De voorwaarden tot het slagen van de pauliaanse vordering op grond van art. 1167 B.W. zijn de volgende: Het ontstaan van de schuldvordering vooraleer de bedrieglijke handeling door de schuldenaar wordt gesteld. Nadeel voor de schuldeiser. Bedrog van de schuldenaar Medeplichtigheid van een derde voor zover het rechtshandelingen onder bezwarende titel betreft. (Kruithof R. e.a., "Overzicht van rechtspraak - 1981/1992 - Verbintenissen", T.P.R. 1994, blz. 688, nr. 361). Thans wordt evenwel voorgehouden dat het bedrieglijk inzicht van de schuldenaar en de medeplichtigheid van de derde moet worden aanvaard indien de transactie een abnormaal karakter vertoont en de derde medeplichtige kennis heeft van het nadeel dat door die transactie door de andere schuldeisers van de schuldenaar wordt geleden. (Kruithof R. e.a., "Overzicht van rechtspraak - 1981/1992 - Verbintenissen", T.P.R. 1994, blz. 692, nr. 367 / Cornelis L. "Algemene theorie van de verbintenis", nr. 310 en nr. 311, met verwijzing naar rechtspraak in die zin en met enkele kritische bedenkingen). De vordering op grond van art. 20 F.W. is daarbij ook aan enkele bijzondere regels onderworpen. De collectieve rechtsvordering ex art. 20 F.W. kan enkel door de curator in het belang van de gezamenlijke schuldeisers worden uitgeoefend (kh. Brussel, 30 mei 1995, T.B.H. 1996, 45) en komt alle schuldeisers van de gefailleerde ten goede, met inbegrip van diegenen waarvan de rechten slechts na de bedrieglijke handeling zouden zijn ontstaan (Antwerpen, 26 juni 1990, R.W. 1990-91, 995). Het is duidelijk bewezen aan de hand van de voorgelegde interne jaarrekening dat er schuldeisers bestonden van de NV Exquiso, die onbetaald waren op het moment dat deze op 24 augustus 2005 overging tot de betaling in handen van de verweerder van de som van euro 120.000,00: bijvoorbeeld de ontvanger van de BTW., post 451000 van die interne rekening Daarenboven kan de curator om te bewijzen dat een handeling met bedrieglijke benadeling van de rechten van de schuldeisers en met medeplichtigheid van de derde werd verricht, thans ook volstaan met te bewijzen dat: a)deze handeling abnormaal was, en b)dat de schuldenaar gehandeld heeft met de wetenschap dat de schuldeisers zouden worden benadeeld en de derde daarvan kennis had. Kh. Luik, 18 oktober 1995, T.B.H., 1996, blz. 469 en vlg. Cass., 15 maart 1985, 15 maart 1985, Arr. Cass. 1984-85,
  14. Cass. 26 oktober 1989, R.W. 1989-90,
  15. Gent, 7de kamer, 7 november 2005, A.R. 2003/2679, inzake BVBA Apotheek Regheere t. C.F. CVBA Prochevit, onuitgegeven). Geinger H., e.a., "Overzicht van rechtspraak. Het faillissement en het gerechtelijk akkoord. 1990-1995", T.P.R.1996, blz. 1024 e.v., nr. 139-
  16. a) Het abnormale karakter van de handeling houdt in dat deze handeling een voor de bevoordeelde derde ongewoon karakter had (Cass. 26 oktober 1989, R.W. 1989-1990, 1028). Naar het oordeel van de rechtbank blijkt dat ongewoon karakter van de handeling uit wat volgt: Het staat vast dat door de gasramp te Ghislenghien, die zich voordeed op 30 juli 2004 het quasi volledig bedrijfsmateriaal van de NV Vandevelde vernield werd. De verweerder houdt in zijn besluiten zelf voor dat door die ramp het faillissement van de NV Vandevelde onvermijdelijk was geworden; na het sinister aan actieve prospectie werd gedaan naar potentiële investeerders, zodat de NV Vandevelde in september 2004 zeer dicht stond bij een belangrijke participatie door een Zweedse groep; slechts na het afhaken door die Zweedse groep de NV Vandevelde overging tot aangifte van haar faillissement; zolang de NV Vandevelde niet failliet ging er geen reden was om de boeken neer te leggen voor de NV Exquiso; de overlevingskansen van de NV Exquiso rechtstreeks afhankelijk waren van de overlevingskansen van de NV Vandevelde. Uit het proces-verbaal van de buitengewone algemene vergadering d.d. 14 januari 2005, neergelegd bij de aangifte van het faillissement van de NV Exquiso, blijkt dat tot de aangifte van het faillissement werd besloten omdat het niet zinvol was als holdingmaatschappij de continuïteit van de NV Vandevelde te proberen te verzekeren gelet op het faillissement van de NV Vandevelde. De natuurlijke persoon die zowel de NV Exquiso als de NV Vandevelde bestuurt, is dezelfde: de verweerder. De begunstigde van de betaling is de verweerder. Er ligt geen enkele ingebrekestelling voor uitgaande van de verweerder naar de NV Exquiso toe om de debetstand in diens rekening-courant of de reeds minstens 8 maanden achterstallige bestuursbezoldigingen te vereffenen (zie beginsaldo per 1 januari 2005). Andere schuldeisers worden door de NV Exquiso op dat moment niet betaald. Op 24 augustus 2005, het ogenblik waarop de NV Vandevelde, geleid door de verweerder, verwoed op zoek gaat naar potentiële investeerders, in het besef dat bij het niet vinden van die investeerders, de NV Vandevelde verplicht zal zijn haar boeken neer te leggen, en de overlevingskansen van de NV Exquiso rechtstreeks afhankelijk zijn van de overlevingskansen van de NV Vandevelde, ging de NV Exquiso over tot de betaling van de vrij belangrijke som van euro 120.000,00 in handen van de verweerder, haar eigen afgevaardigd bestuurder, ter vereffening van bedragen waarvoor niet eens een ingebrekestelling kan worden voorgelegd, terwijl andere schuldeisers niets werd betaald. Daarenboven hield die uitgevoerde storting ook nog een gedeeltelijke betaling in van bestuurdersbezoldigingen die nog niet eens verschuldigd waren (de vervaldagen gelegen na 24 augustus 2005). De betaling van 24 augustus 2005 was derhalve in die omstandigheden zonder meer ongewoon. b) De wetenschap in hoofde van de gefailleerde - dat door het uitvoeren van die betaling in handen van haar afgevaardigd bestuurder haar andere schuldeisers zouden worden benadeeld - staat volgens de rechtbank eveneens vast. De NV Exquiso kende uiteraard haar precaire en financiële situatie. Op het moment van de betaling van die bewuste euro 120.000,00 was enige participatie in de NV Vandevelde door om het even wie nog niet in het vooruitzicht. In elk geval bewijst de NV Exquiso dit niet. Haar voortbestaan was rechtstreeks afhankelijk van de overlevingskansen van de NV Vandevelde. Indien er geen inkomsten meer in het vooruitzicht waren of kwamen, dan waren de financiële middelen aanwezig op de rekening van de NV Exquiso de enige vorm om haar schuldeisers te voldoen. De NV Exquiso heeft die middelen in aanzienlijke mate aangewend om ten gunste van haar afgevaardigd bestuurder een storting uit te voeren. Mits die middelen uit haar patrimonium verdwenen, wist de NV Exquiso dat er voor de andere schuldeisers onvoldoende middelen ter beschikking bleven, zodat deze door de betaling aan de verweerder zonder meer benadeeld werden. De kleine betalingen die de NV Exquiso nog uitvoerde ten gunste van bepaalde schuldeisers na 24 augustus 2005 weerleggen geenszins bovenstaande beoordeling. En zelfs indien de NV Exquiso vooralsnog zou bewijzen dat er zich op 24 augustus 2005 reeds een eventuele participatie voor de NV Vandevelde had aangeboden, wist, minstens behoorde zij te weten, dat haar overlevingskansen nog steeds precair waren en de benadeling van haar andere schuldeisers door de betaling aan de verweerder een feit was zolang die participatie niet definitief werd. Aangenomen wordt dan ook dat de NV Exquiso wist dat door het betalen aan de verweerder op 24 augustus 2005, in de gegeven omstandigheden, haar andere schuldeisers zouden worden benadeeld. De verweerder, derde medeplichtige, die op de dag van de betaling te zijnen voordele afgevaardigd bestuurder was van de NV Exquiso, deelt zonder twijfel voormelde wetenschap, minstens behoorde hij uit hoofde van die functie voormelde wetenschap te delen, zodat ook het bewijs is geleverd van zijn medeplichtigheid aan het ongewoon karakter van de betaling door diens kennis van het nadeel dat door de bewuste betaling door de andere schuldeisers zou worden geleden. De voorwaarden tot toepassing van art. 20 F.W. zijn derhalve vervuld. De niet tegenwerpbaarheid van de handeling verwoordt zich in voorliggend geval tot de veroordeling van de derde die de aangevochten betaling ontving vanwege de NV Exquiso. De curator vordert uit hoofde van art. 20 F.W. evenwel slechts de terugbetaling van de som van euro 80.841,17 te vermeerderen met de vergoedende rente. * * * Bij gebreke aan specifieke motivering, die de toestand van de schuldeiser betreft, waarom de schuldenaar van zijn principieel recht tot kantonnement zou moeten uitgesloten worden, wordt op de eis tot uitsluiting van de mogelijkheid tot kantonnement door de Rechtbank niet ingegaan. OM DEZE REDENEN DE RECHTBANK, recht doende op tegenspraak; Alle anders luidende en / of tegenstrijdige conclusies van de hand wijzend, Verklaart de vordering van de curator ontvankelijk; Verklaart de vordering tot terugbetaling van euro 120.000,00, voor zover gesteund op art. 619 W.Venn. betreffende de terugbetaling van een onterecht uitgekeerd (interim)dividend ongegrond; Verklaart de vordering tot terugbetaling van de som van euro 80.841,17 op grond van art. 20 F.W., gegrond en veroordeelt dienvolgens de verweerder tot de betaling aan de curator van het bedrag van euro 80.841,17 (tachtig duizend achthonderd en eenenveertig euro en zeventien cent) te vermeerderen, vanaf 24 augustus 2004 tot de dag van de betaling, met de rente aan een intrestvoet, zoals bepaald bij de wet van 5 mei 1865 betreffende de lening tegen intrest, laatst gewijzigd door de programmawet van 27 december 2006, de rente vergoedende rente genoemd tot de dag van de dagvaarding, daarna gerechtelijke rente genoemd; Veroordeelt de verweerder tot de kosten van het geding en stelt deze tot op heden in hoofde van de curator vast op euro 141,15 kosten van dagvaarding; Onverminderd de toepassing van art. 1024 Ger.W.; Verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad, niettegenstaande elke voorziening en zonder borgstelling. Aldus het vonnis uitgesproken in het gerechtsgebouw II te Kortrijk in openbare terechtzitting op woensdag, EENENDERTIG JANUARI TWEEDUIZEND EN ZEVEN. Aanwezig: de heren L. Vandenbroucke, rechter; M. Vervaeke en B. Adins, rechters in handelszaken; mevrouw Ch. Busschaert, griffier. Ch. Busschaert B. Adins M. Vervaeke L. Vandenbroucke. Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.