← België

ECLI:BE:ORGNT:2007:JUG.20070308.22

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Ondernemingsrechtbank Gent Vonnis/arrest van 08 maart 2007 ECLI nr: ECLI:BE:ORGNT:2007:JUG.20070308.22 Rolnummer: AR 304/2007 Rechtsgebied: Burgerlijk recht Invoerdatum: 2008-05-07 Raadplegingen: 84 - laatst gezien 2026-07-02 15:26 Fiche UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - BIJZONDERE OVEREENKOMSTEN - Koop-verkoop - Internationale koop Vrije woorden: Weens koopverdrag toepasselijkheid reeële vestiging van de partij Tekst van de beslissing Nr. Rep. De Rechtbank van Koophandel van het rechtsgebied Kortrijk, Provincie West-Vlaanderen, EERSTE KAMER, rechtsprekend: In de zaak nr. 304/2007 der algemene rol.- De naamloze vennootschap "CASIER RECYCLING", met vennootschapszetel te 8540 Deerlijk, Sint-Elooistraat 2; ingeschreven in de Kruispuntbank van Ondernemingen onder nummer 0462.169.762; eiseres, hebbend als raadslieden meesters André en Emanuel D'Halluin, advocaten te Kortrijk, pleitend meester Emanuel D'Halluin, advocaat voornoemd; tegen : De vennootschap naar Engels recht "GLOBAL CHOICE EUROPE LIMITED, private limited company", met statutaire zetel te Stockport (Verenigd Koninkrijk); ingeschreven in het ‘Registrar of Companies for England and Wales" van het Companies House te Cardiff - Verenigd Koninkrijk onder nr. 5000807; met zetel te 1861 KC Bergen NH (Nederland), Dokter van Peltlaan 38; ingeschreven in het HR van de kamer van koophandel en fabrieken voor Noordwest-Holland onder nr. 37110092; BTW nr. NL 814.219.883 B01; verweerster, niet verschijnende. De rechtbank heeft de eisende partij gehoord in openbare zitting en heeft kennis genomen van de stukken. Toepassing is gemaakt van de art. 2, 37 en 41 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken. Bij dagvaarding van 19 december 2006 vordert de eiseres de veroordeling van de gedaagde tot de betaling van 88.319,82 EUR, met de rente tegen 10 % per jaar op 76.123,63 EUR sedert 20 oktober 2006 + de wettelijke rente op het boetebeding sedert de dagvaarding, telkens tot aan de dag van de betaling, meer de kosten van het geding. Spijt behoorlijke dagvaarding is de gedaagde vennootschap niet verschenen. De eiseres vroeg jegens haar verstek en vonnis. De rechtbank dient de uitspraak niet aan te houden in toepassing van art. 26.2 van de EEX-Verordening, nu gebleken is dat de gedaagde rechtspersoon bereikt werd zo tijdig als nodig voor haar verweer (cf. certificaat van betekening ter plekke in Nederland op 08 januari 2007). In verband met de rechtsmacht, welke ambtshalve dient onderzocht te worden gezien de gedaagde verstek laat gaan (art. 26.1 van de EEX-Verordening), dient vastgesteld te worden op basis van de overgelegde stukken, dat het geschil verband houdt met een koop-verkoop van roerende lichamelijke zaken, en dat de levering van de goederen volgens artikel 5.1 van het contract d.d. 20 april 2006 werd voorzien "ex yard Deerlijk" m.a.w. de overeengekomen plaats van levering situeert zich te Deerlijk en derhalve binnen het rechtsgebied van de rechtbank. De rechtbank beschikt zodoende over de vereiste rechtsmacht, gelet op art. 5.1.b van de EEX-Verordening. Aan de hand van de door de eisende partij gegeven uitleg en de overgelegde stukken komt de vordering alvast gegrond voor ten belope van de gevorderde factuurhoofdsom ad 76.123,63 EUR. Met betrekking tot de gevorderde rente tegen 10 % en de schadevergoeding à rato van 12 % overeenkomstig de artikelen 5 en 6 van de (Belgische) Wet van 2 augustus 2002 betreffende de bestrijding van betalingsachterstand in handelstransacties, dient in aanmerking genomen te worden dat art. 10 van het contract d.d. 20 april 2006 bepaalt dat de partijen rechtskeuze doen voor het Belgisch recht. Dit is in overeenstemming met art. 3

(1)van het Verdrag van 19 juni 1980 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst. Het Belgisch recht omvat echter ook het zg. Weens Koopverdrag van 11 april 1980 of CISG. Dat Verdrag is trouwens rechtstreeks (uit zichzelf) toepasselijk, zonder omweg via de verwijzingsregel, op grond van art. 1.1-
  1. a)CISG wanneer de staten waarin de partijen gevestigd zijn, verdragsluitende staten zijn. In dat verband moet krachtens art. 10-
  2. a)CISG gekeken worden naar de reële vestiging waarmee handel gedreven werd (H. Van Houtte e.a. (ed.), Het Weens Koopverdrag, Intersentia, 1997, nrs. 1.21 en 1.24) en in casu blijkt dit, op grond van de voorliggende gegevens, de vestiging van de gedaagde in Nederland te zijn geweest. Zowel België als Nederland zijn verdragsluitende staten ; in België is het Weens Koopverdrag in werking getreden op 1 november 1997 en in Nederland op 1 januari 1992. Tenslotte bepaalt het contract d.d. 20 april 2006 niet dat de toepassing van het Weens Koopverdrag wordt uitgesloten (zie art. 6 CISG). Het Weens Koopverdrag regelt echter niet alle aspecten van een internationale koop-verkoop (zie art. 4 CISG). En sommige aspecten zijn niet volledig geregeld : art. 78 CISG voorziet dat de koper rente verschuldigd is indien hij tekort schiet in de betaling van de prijs, maar bepaalt niet welke rentevoet dient toegepast te worden. In de rechtsleer wordt verdedigd om aan het begrip "rente" in art. 78 CISG een transnationale inhoud te geven (H. Van Houtte, Het Weens Koopverdrag in het Belgisch Recht, T.B.H., 1998, p. 344 e.v., inz. nr. 33, p. 352-353 ; K. Roox, noot onder Kh. Ieper, 29 januari 2001, R.W., 2001-2002, p. 1398 e.v., inz. nr. 8, p. 1401). Zowel Nederland als België zijn EU-lidstaten die de Richtlijn van 29 juni 2000 betreffende de bestrijding van betalingsachterstand bij handelstransacties hebben omgezet. In casu gaat het om een handelstransactie waarbij de debiteur niet tijdig betaald heeft. De door de eiseres gevorderde rente à rato van 10 % per jaar kan worden toegekend aangezien deze de rentevoet niet overstijgt die actueel voortvloeit uit de omzetting van voormelde richtlijn (in België : 11 % per jaar vanaf 1 januari 2007 in toepassing van art. 5 van de Wet van 2 augustus 2002 ; in Nederland : 10,58 % per jaar vanaf 1 januari 2007 in toepassing van art. 6:119a BW). Anderzijds kan de verkoper krachtens artikel 74 CISG, ingeval van laattijdige betaling, aanspraak maken op een bijkomende schadevergoeding wanneer de geleden schade groter is dan de toegekende interesten ; deze schadevergoeding kan forfaitair worden bedongen (cf. E. Dursin, "Raakvlakken en afgrenzing tussen het Weens Koopverdrag en het gemeen recht", in : X, Internationale aspecten in de verschillende takken van het recht, Larcier, 2005, p. 217 e.v., inz. nr. 44, p. 243), ofwel moet de verkoper zijn schade bewijzen. Gelet op de gegevens van de zaak - waaronder het ontbreken van een schadebeding in het contract d.d. 20 april 2006 - en de voorliggende stukken kan de gevorderde schadevergoeding toegekend worden ten belope van een bedrag van 2.500,00 EUR. Het méér gevorderde komt niet bewezen voor. Het kantonnement is een recht van de veroordeelde partij. De eisende partij toont niet aan waarom dit ten dezen aan de gedaagde partij zou moeten worden ontzegd. OP DEZE GRONDEN, DE RECHTBANK, Verleent verstek jegens de niet verschijnende gedaagde; Stelt vast dat ze beschikt over de vereiste rechtsmacht; Verklaart de vordering toelaatbaar en gegrond als volgt; Veroordeelt de gedaagde om aan de eiseres te betalen: EENENTACHTIGDUIZEND ZESHONDERD VIERENTACHTIG euro ACHTENNEGENTIG cent (81.684,98 EUR), met de rente tegen 10 % per jaar op 76.123,63 EUR sedert 20 oktober 2006 + de gerechtelijke rente tegen de wettelijke rentevoet op 2.500,00 EUR sedert de dagvaarding, telkens tot aan de dag van de betaling; Verwijst de gedaagde in de kosten van het geding, tot heden aan de zijde van de eiseres begroot op 416,51 EUR kosten dagvaarding en inschrijving op de rol + akte uitreiking en de eventuele uitvoeringskosten. Wijst het meer gevorderde af als ongegrond; Verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad, niettegenstaande elke voorziening en zonder borgstelling; Aldus het vonnis, uitgesproken in het gerechtsgebouw II te Kortrijk in openbare terechtzitting op acht maart tweeduizend en zeven. Aanwezig: P. Deseyne, Voorzitter; J. Corne en S. Adriaenssens, Rechters in handelszaken; P. Vanwettere, griffier. P. Vanwettere S. Adriaenssens J. Corne P. Deseyne Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.