id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Ondernemingsrechtbank Gent Vonnis/arrest van 29 maart 2007 ECLI nr: ECLI:BE:ORGNT:2007:JUG.20070329.5 Rolnummer: AR 4227/05 Rechtsgebied: Handelsrecht Invoerdatum: 2008-02-29 Raadplegingen: 420 - laatst gezien 2026-07-02 15:29 Fiche UTU-thesaurus: HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - TUSSENPERSONEN (HANDEL) - Concessie Vrije woorden: alleenverkoop Tekst van de beslissing Nr. Rep. De Rechtbank van Koophandel van het rechtsgebied Kortrijk, Provincie West-Vlaanderen, EERSTE KAMER, rechtsprekend: In de zaak nr. 4227/05 der algemene rol.- De naamloze vennootschap SAEY HOME & GARDEN, met vennootschapszetel te 8501 Kortrijk-Heule, Industrielaan 4; ingeschreven in de Kruispuntbank van Ondernemingen onder nummer 0478.739.738; eiseres, hebbende als raadslieden en pleitend meesters Bernard Leterme en Dirk Clarysse, beiden advocaat te 8500 Kortrijk, Engelse Wandeling 2 F01 L; tegen : De vennootschap naar Frans recht LE CREUSET société par actions simplifiées, (voorheen Le Creuset SA), met vennootschapszetel te Frankrijk, 02230 Fresnoy le Grand, Rue Olivier Deguise ; ingeschreven in het handelsregister van Saint-Quentin onder het nummer 0402.171.656; verweerster, hebbende als raadsman en pleitend meester Hugo Keulers, advocaat te 1000 Brussel, Tour & Taxis, Havenlaan 86c b113; Mede inzake : De naamloze vennootschap MENAGELEC, met vennootschapszetel te 8501 Kortrijk-Heule, Industrielaan 4; ingeschreven in de Kruispuntbank van Ondernemingen onder nummer 0859.558.273; vrijwillig tussenkomende partij, hebbende als raadslieden en pleitend meesters Bernard Leterme en Dirk Clarysse, beiden advocaat te 8500 Kortrijk, Engelse Wandeling 2 F01 L. I. PROCEDURE De zaak werd ingeleid bij dagvaarding, die op 12 oktober 2005 op regelmatig wijze werd betekend aan verweerster. Op 8 juni 2006 heeft de NV Menagelec (hierna kortweg: Menagelec) een verzoekschrift tot vrijwillige tussenkomst neergelegd. Partijen hebben hun middelen en besluiten voorgedragen in openbare terechtzitting van 4 januari 2007, waarna de zaak voor sluiting der debatten werd gesteld op 22 februari 2007, teneinde partijen toe te laten aanvullend te concluderen betreffende het toepasselijke recht. De zaak werd in beraad genomen op 22 februari 2007. Kennis werd genomen van het dossier van de rechtspleging. Partijen hebben elk een stukkenbundel neergelegd. Gelet op het verzoekschrift tot heropening der debatten dat op 5 maart 2007 door verweerster werd neergelegd ter griffie, en op dezelfde datum ter kennis werd gebracht van de andere partijen. Eiseres en de vrijwillig tussenkomende partij hebben schriftelijke opmerkingen geformuleerd op 8 maart 2007. De artikelen 2 en volgende van de wet van 15 juni 1935 tot regeling van het taalgebruik in gerechtszaken werd in acht genomen. II. IN FEITE Eiseres is reeds jaren actief in de sector van huishoudartikelen en keukengerei. Daarnaast heeft zij een gamma barbecues en toebehoren, en verkoopt zij verwarmingstoestellen. Verweerster stelt dat eiseres ook waterfilters verhandelt. Verweerster is een Franse onderneming actief in de productie en verkoop van kookwaren in gietijzer (kookpotten en -pannen). Zij is actief in deze sector sinds 1925. Voor de verkoop van haar producten maakt verweerster enerzijds gebruik van haar eigen filialen en anderzijds van distributeurs. De oorspronkelijke distributieovereenkomst inzake de producten van "Le Creuset" werd in 1958 gesloten tussen "Saey" (toen een PVBA) enerzijds en de vennootschappen "Le Creuset" en "Cousances" anderzijds, en betrof de verdeling van de producten in België en Luxemburg. De concessieovereenkomst werd in 1984 uitgebreid met distributie in Nederland. Het bestaan van de concessieovereenkomst en van de exclusiviteit in de Benelux wordt niet betwist. "Le Creuset" en "Cousances", de twee "Franse" vennootschappen zijn op 16/12/91 gefuseerd. De BVBA Saey bestaat thans niet meer; zij werd ontbonden onder de opschortende voorwaarde van de verwezenlijking van de splitsing van de vennootschap in twee afzonderlijke vennootschappen. Het betreft de vennootschappen NV Saey en NV Edil, beiden opgericht op 16/07/92. Alle operationele activiteiten (dus ook de concessie) werden overgedragen aan NV Saey, terwijl de NV Edil een beheersvennootschap is. Door de inbreng van de bedrijfstak van Saey NV in de "NV Saey Home & Garden" ging de distributieovereenkomst van rechtswege over naar de NV Saey Home & Garden. Eiseres benadrukt dat het een voortzetting betreft van één en dezelfde samenwerkingsovereenkomst tussen dezelfde vennootschappen. Verweerster stelt dat er in 1991 een nieuwe distributieovereenkomst ontstond door de fusie van "Le Creuset" en "Cousances" (zie verder). Eiseres stelt dat de externe verkoop sinds 1994 in handen is van Menagelec, die 99,96 % van haar aandelen heeft en de holdingmaatschappij van eiseres is. Zij stelt dat Menagelec instaat voor de verkoop van alle huishoudelijke artikelen en toestellen van Saey. Eiseres stelt dat Menagelec sindsdien haar agent is en door haar wordt vergoed op basis van een percentage op de verkopen van 5 of 10 %. Zij stelt verder dat die 5 of 10 % in winstcijfers - na aftrek van de kosten - nog gemiddeld 3,08 % bedraagt. Eiseres en Menagelec stellen dat gemiddeld 3,08 % van de winst op de omzet die eiseres realiseert bij Menagelec moet worden gesitueerd. Zij stelt dat dit aandeel dient te worden meegerekend bij de beoordeling van de redelijke opzeggingstermijn, de vervangende opzeggingsvergoeding en de billijke bijkomende vergoeding. Eiseres stelt in te staan voor al de rest, zijnde het stockbeheer, de bestellingen, de leveringen, de facturatie, ... Eiseres en Menagelec (hierna kortweg: eisers) stellen dat verweerster hiervan op de hoogte was, en zelfs uitdrukkelijk instemde met deze manier van werken. Alle vorderingen worden ingesteld door eiseres en Menagelec t.a.v. verweerster. In ondergeschikte orde stellen eisers dat er een opsplitsing moet gebeuren, waarbij Menagelec een procentueel deel vordert van eiseres, en verweerster tot vrijwaring van eiseres dient te worden veroordeeld. Verweerster stelt geen enkele rechtsband met Menagelec te hebben. Verweerster stelt evenmin iets af te weten van het feit dat eiseres met Menagelec een agentuurovereenkomst afsloot. Eiseres en verweerster hebben jarenlang samengewerkt zonder (noemenswaardige) problemen. Verweerster stelt dat zij omwille van redenen eigen aan de verkoopsstrategie (herstructurering van het verkoopsnet) besliste de distributieovereenkomst te beëindigen. Per aangetekend schrijven van 30/06/05 werd de distributieovereenkomst tussen eiseres en verweerster beëindigd door verweerster mits een opzeggingstermijn van 9 maanden (stuk 5 verweerster). Omtrent de rechtsmacht van huidige rechtbank zijn beide partijen het eens. Omtrent het toepasselijke recht daarentegen zijn partijen het niet eens. Ten gronde stellen eisers dat een opzeggingstermijn van 9 maanden absoluut onvoldoende is. Zij stellen dat - alle omstandigheden in acht genomen - verweerster een redelijke opzeggingstermijn van 36 maanden diende te eerbiedigen, zodat zij gerechtigd zijn op een vervangende opzeggingstermijn van 27 maanden. Zij begroten deze vergoeding provisioneel op 2.011.853,20 euro. Verweerster is van oordeel dat 9 maanden zekerlijk voldoende is (mede gelet op de Nederlandse en Luxemburgse wetgeving dienaangaande - zie verder). Eisers vorderen tevens een bijkomende billijke vergoeding, die zij provisioneel begroten op 2.682.470,90 euro. Verweerster stelt geen dergelijke vergoeding verschuldigd te zijn. In ondergeschikte orde vorderen eisers de aanstelling van een deskundige teneinde de vordering op grond van art. 2 en art. 3 van de wet van 27 juli 1961 inzake de eenzijdige beëindiging van de voor onbepaalde tijd verleende concessies van alleenverkoop (hierna kortweg: de concessiewet) te begroten. Eisers stellen dat - mocht de rechtbank van oordeel zijn dat niet de concessiewet, maar het Belgisch gemeen recht dient te worden toegepast - zij gerechtigd zijn op dezelfde vergoedingen op basis van het Belgisch gemeen recht. Eisers vorderen tevens de veroordeling van verweerster tot terugname van de (stock van
- de)producten van de reeksen "Formula" en "Balti" tegen de aankoopprijs ten bedrage van 42.498,88 euro. Eisers vorderen een vergoeding voor de schade die zij stellen te lijden wegens het feit dat verweerster tijdens de opzeggingstermijn haar (leverings)verplichtingen niet verder nakwam. Eisers vorderen uit dien hoofde een provisionele vergoeding ten bedrage van 12.500,00 euro. Zij vorderen tevens de veroordeling van verweerster tot het betalen van en vergoeding voor het ereloon en de kosten van de raadman, die zij ten provisionele titel op 15.000,00 euro begroten. Eisers stellen tenslotte dat - voor zover zou geoordeeld worden dat Menagelec zich niet rechtstreeks tot verweerster kan richten en zij een tussenstap dient te maken via de NV Saey Home en Garden - aan de deskundige dan de bijkomende opdracht dient te worden gegeven om de uitsplitsing te maken over deze twee vennootschappen. Eisers stellen zich vervolgens naar de wijsheid te zullen gedragen nopens de veroordeling die ten laste dient te worden gelegd van eiseres enerzijds en de vrijwaringsverplichting die dan bestaat in hoofde van verweerster anderzijds. Verweerster is van oordeel dat alle vorderingen van Menagelec ontoelaatbaar, minstens ongegrond dienen te worden verklaard. Verweerster is van oordeel dat alle vorderingen van eiseres integraal dienen te worden afgewezen als ongegrond. III. IN RECHTE III.1 Betreffende het verzoekschrift tot heropening van de debatten Verweerster vordert de heropening der debatten wegens het feit dat zij tijdens het beraad in het bezit gekomen zou zijn van een nieuw stuk, zijnde een artikel gepubliceerd in het T.B.H. van februari 2007 (p. 162-168). Art. 772 Ger.W. bepaalt: "Indien een verschijnende partij gedurende het beraad een nieuw stuk of feit van overwegend belang ontdekt, kan zij, zolang het vonnis niet uitgesproken is, de heropening van de debatten vragen." De publicatie die verweerster voorlegt, omvat vooreerst de tekst van het arrest van het Hof van Cassatie dd. 6/04/06, waarover partijen reeds (zeer) uitgebreid hebben geconcludeerd, overigens op expliciete vraag van de rechtbank. Daarna volgt een noot van P. Vandepitte en A. de Schoutheete, waarin het arrest wordt besproken. Verweerster stelt zelf dat de stelling die in dit artikel wordt geponeerd grotendeels aansluit bij de noot van D. Mertens op hetzelfde arrest, die op 4/11/06 werd gepubliceerd in het R.W. (p. 446-450), en waarover reeds werd geconcludeerd. Mogelijks volgen er nog commentaren op het bewuste arrest, doch dit is geen reden om de debatten te heropenen. De rechtbank wijst het verzoek tot heropening der debatten derhalve af als ongegrond. III.2 Betreffende de rechtsmacht Partijen zijn het er over eens dat huidige rechtbank over rechtsmacht beschikt. De vraag welke rechter kan oordelen over het voorliggend geschil tussen een Belgische handelsvennootschap en een Franse handelsvennootschap, dient beslecht te worden op grond van de Verordening (EG) 44/2001 van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (hierna kortweg: de EEX-Verordening), die in werking is getreden op 1 maart 2002 (art. 76 EEX-Verordening) en van toepassing is op rechtsvorderingen die zijn ingesteld na de inwerkingtreding ervan (artikel 66.1 EEX-Verordening). Krachtens de algemene bepaling van art. 2 EEX-Verordening worden zij die woonplaats hebben op het grondgebied van een lidstaat, ongeacht hun nationaliteit, opgeroepen voor de gerechten van die lidstaat. Zij kunnen slechts voor de rechtbanken van een andere lidstaat worden opgeroepen op één van de gronden, aangehaald in de art. 5-24 EEX-Verordening (art. 3.1 EEX-Verordening). In de dagvaarding beroept eiseres zich op art. 5.1 EEX-Verordening om te besluiten dat de Belgische rechtbanken over rechtsmacht beschikken. Volgens art. 5.1.
- a)EEX-Verordening kan een persoon die woonplaats heeft op het grondgebied van een lidstaat, ten aanzien van verbintenissen uit overeenkomst opgeroepen worden voor het gerecht van de plaats waar de verbintenis die aan de eis ten grondslag ligt, is uitgevoerd of moet uitgevoerd worden. Artikel 5.1.
- b)EEX-Verordening bepaalt: "voor de toepassing van deze bepaling en tenzij anders is overeengekomen, is de plaats van uitvoering van de verbintenis die aan de eis ten grondslag ligt: - voor de koop en verkoop van roerende lichamelijke zaken, de plaats in een lidstaat waar de zaken volgens de overeenkomst geleverd werden of geleverd hadden moeten worden; - voor de verstrekking van diensten, de plaats in een lidstaat waar de diensten volgens de overeenkomst verstrekt werden of verstrekt hadden moeten worden". Artikel 5.1.
- c)van de EEX-Verordening stipuleert dan: "punt
- a)is van toepassing indien punt
- b)niet van toepassing is". Er bestaat geen betwisting over het feit dat de overeenkomst die tussen partijen heeft bestaan een concessieovereenkomst is. Een concessieovereenkomst is een overeenkomst tot verstrekking van diensten in de zin van art. 5.1.
- b)EEX-Verordening. Huidig geschil kan derhalve behandeld worden voor het gerecht van de plaats in een lidstaat waar eiseres als concessiehouder van verweerster is opgetreden. Aangezien niet betwist wordt dat België één van de landen is waar eiseres als concessiehouder van verweerster actief was, beschikken de Belgische rechtbanken over rechtsmacht om uitspraak te doen over alle onderdelen van de vordering van eiseres, aangezien ze allen voortvloeien uit de verkoopconcessie die tussen eiseres en verweerster bestaan heeft en uit haar beëindiging. III.3 Betreffende het toepasselijke recht Hieromtrent zijn partijen het niet eens. Eisers zijn van oordeel dat het Belgisch recht en meer bepaald de concessiewet op de volledige concessieovereenkomst dient te worden toegepast. Eisers steunen zich daarvoor op de klassieke verwijzingsregels in het IPR. In ondergeschikte orde stellen eisers dat de concessiewet dient te worden toegepast op het "Belgische" deel van de concessieovereenkomst, en het Belgisch gemeen recht op het "Nederlandse" en "Luxemburgse" gedeelte van de concessieovereenkomst. Verweerster houdt voor dat de concessiewet enkel van toepassing is op het gedeelte van de concessieovereenkomst die werd uitgevoerd in België. Zij stelt dat deze bepalingen niet toepasselijk zijn op de uitvoering van de concessieovereenkomst in Nederland en Luxemburg, en dat respectievelijk het Nederlands en Luxemburgs recht dienen te worden toegepast. Verweerster steunt zich in hoofdorde op art. 4, 1° van het Verdrag van 19 juni 1980 betreffende het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst (hierna kortweg: EVO), dat als uitzondering de dépeçage toestaat voor de verschillende onderdelen van een overeenkomst. In ondergeschikte orde (indien het EVO niet van toepassing wordt verklaard) stelt verweerster dat er eveneens een opsplitsing dient te gebeuren, doch in dit geval zullen de onderdelen van de overeenkomst die betrekking hebben op Nederland en Luxemburg onderworpen zijn aan het Belgisch gemeen recht. Verweerster beroept zich op het autolimitatieve karakter van de concessiewet. Er bestaat geen geschreven overeenkomst en ook geen afspraak inzake het toepasselijk recht. Eisers stellen terecht dat het EVO niet van toepassing is aangezien de distributieovereenkomst dateert van 1958. Art. 17 EVO bepaalt immers: "Dit verdrag is in een verdragsluitende staat van toepassing op overeenkomsten die gesloten zijn nadat het voor deze staat in werking is getreden." Het argument van verweerster dat de handelsrelaties tussen partijen weliswaar teruggaan tot 1958, doch dat er een nieuwe overeenkomst ontstond in 1991 ingevolge de fusie tussen "Le Creuset" en "Les Fonderies de Cousances" kan niet worden weerhouden. De concessieovereenkomst dateert dus wel degelijk van vóór de inwerkingtreding van het EVO op 01/01/88 en het toepasselijke recht dient derhalve te worden bepaald volgens de klassieke verwijzingsregels van het IPR. Dit betekent dat het recht van toepassing is van het land waarmee de overeenkomst de nauwste en meest reële banden heeft. Meer specifiek is het recht van het land aangewezen door de economie van de overeenkomst en de omstandigheden van het geval van toepassing. Eiseres heeft haar zetel en enige vestiging in België, zowel voor logistiek als verkoop en marketing. Noch in Luxemburg, noch in Nederland zijn er vestigingen of filialen. Deze gegevens worden overigens niet tegengesproken door verweerster. Eisers stellen verder dat ook de volledige organisatie en verkoop vanuit België wordt geregeld. Het is derhalve duidelijk dat het Belgisch recht dient te worden toegepast (en niet het Nederlands en Luxemburgs recht). Het wordt niet betwist dat de Belgische concessiewet van toepassing is op het "Belgische deel". Eisers stellen dat de concessiewet dient te worden toegepast op de gehele overeenkomst. In ondergeschikte orde - nl. indien het EVO niet van toepassing wordt verklaard - beroept verweerster zich op het autolimitatieve karakter van de concessiewet. Zij stelt dat het Belgisch gemeen recht dient te worden toegepast op het "Nederlandse" en op het "Luxemburgse" deel van de concessieovereenkomst. Verweerster verwijst dienaangaande naar een recent arrest van het Hof van Cassatie van 6 april 1996 (Cass. 6 april 2006, R.W., 2006-2007, 446-450). Samengevat stelt het arrest dat op een puur externe situatie (een buitenlandse concessiehouder, een buitenlands territorium en geen enkele organisatorische of economische link met België) waarin geen rechtskeuze is gedaan voor het Belgisch recht of eventueel wel maar zonder verwijzing naar de concessiewet in het bijzonder, de (Belgische) concessiewet niet van toepassing is. Er moet dus een onderscheid gemaakt worden tussen enerzijds een concessieovereenkomst die volledig buiten het Belgisch grondgebied wordt uitgeoefend of die geen enkele band heeft met België, en anderzijds een concessie die maar voor een deel buiten het Belgisch grondgebeid wordt uitgeoefend en wel nauw verbonden is met België. De rechtbank van koophandel te Neufchâteau oordeelde dat wanneer een Belgische vennootschap in het kader van een concessieovereenkomst niet alleen in België maar ook in het buitenland verkopen realiseert, maar zij in deze landen niet over een afzonderlijke verkoopsorganisatie beschikt de concessieovereenkomst niet kan worden gekwalificeerd als een overeenkomst die wordt uitgevoerd buiten het Belgisch grondgebied (Kh. Neufchâteau, 26 februari 2002, A.R. 9685/93, aangehaald in Hollander, P., Killeste, P., Examen de jurisprudence. La loi du 27 juillet 1961 relative à la résiliation unilatérale des concessions de vente exclusive à durée indéterminée (1997-2002), T.B.H., 2003, nr. 130). In casu hebben we zekerlijk niet te maken met een puur externe situatie. De rechtbank verwijst naar de volgende feiten betreffende eiseres: - haar zetel en enige vestiging in België (geen buitenlands filiaal, ...); - de volledige organisatie en verkoop vanuit België; - de grootste afzetmarkt is België; - geen afzonderlijke verkoopsorganisaties in Nederland/Luxemburg; - het Luxemburgs deel is te verwaarlozen en wordt door één Belgische (Waalse) vertegenwoordiger bewerkt, die naast Wallonië ook Luxemburg voor zijn rekening neemt; - alles wordt besteld vanuit België en gefactureerd in België; - alles wordt geleverd in België; - de commerciële binnendienst is volledig gevestigd in België; - alle vertegenwoordigers zijn in rechtstreeks dienstverband van de Belgische concessiehouder. Besluit : De Belgische concessiewet dient te worden toegepast op de volledige concessieovereenkomst. III.4 Betreffende de ontvankelijkheid van de vorderingen van Menagelec Menagelec legde op 8/06/06 een verzoekschrift tot vrijwillige tussenkomst neer. Menagelec stelt dat zij sinds 1994 instaat voor de (volledige) externe verkoop en optrad als agent voor de verkoop van alle huishoudelijke artikelen en toestellen. In hoofdorde sluit zij zich aan bij de vorderingen ingesteld door haar dochtermaatschappij, eiseres. In ondergeschikte orde vordert zij de veroordeling van eiseres tot het betalen aan haar van dit deel van de opzeggingsvergoeding en van de billijke bijkomende vergoeding en van de eventuele andere vergoedingen dat overeenkomt met haar aandeel in de cijfers en resultaten waarop de vergoedingen in kwestie gebaseerd zijn. Zij vordert in dit verband de aanstelling van een deskundige om aan de hand van de boekhoudkundige gegevens van beide vennootschappen deze opsplitsing te maken. Verweerster stelt dat Menagelec niet over het vereiste belang, noch over de vereiste hoedanigheid beschikt teneinde deze vordering te kunnen instellen, aangezien er helemaal geen rechtsband bestaat tussen haar en Menagelec. De procespartij die beweert houder te zijn van een subjectief recht, heeft hoedanigheid en belang om de vordering in te stellen, ook al wordt dit recht betwist. Het onderzoek naar het bestaan of de draagwijdte van het subjectief recht dat door de eiser wordt ingeroepen, betreft niet de ontvankelijkheid, maar de gegrondheid van de vordering. (Cass. 26 februari 2004, R.W., 2006-2007, 133-134) De vordering van Menagelec is derhalve ontvankelijk. III.5 Betreffende de concessieovereenkomst III.5.1 Wat betreft de vordering van Menagelec t.a.v. verweerster In 1958 werd de concessieovereenkomst betreffende België en Luxemburg gesloten tussen de voorganger van eiseres en de voorgangers van verweerster. In 1984 werd tussen de voorganger van eiseres en de voorgangers van verweerster het territorium uitgebreid met Nederland. Menagelec kwam nimmer ter sprake, minstens is daar geen spoor van terug te vinden. Eiseres stelt dat Menagelec sinds 1994 de externe verkoop waarneemt, en optreedt als haar agent. Eiseres stelt dat verweerster hiervan op de hoogte was en dit zelfs goedkeurde. Verweerster stelt hier helemaal niets van af te weten, en zekerlijk dienaangaande niets te hebben goedgekeurd. Op 29/06/05 richtte verweerster een aangetekend schrijven aan eiseres (en niet aan Menagelec) waarbij ze de concessieovereenkomst opzegde. Er is hierop enkel en alleen reactie gekomen vanwege eiseres en niet van Menagelec. Er werd nimmer voorgehouden door eiseres dat Menagelec concessiehouder was. De vordering van eiseres (en dus ook de vordering van Menagelec) t.a.v. verweerster is gebaseerd op (de artikelen 2 en 3 van) de concessiewet. Menagelec is geen concessiehouder van verweerster en kan dus geen vordering richten t.a.v. verweerster op basis van de concessiewet. De vordering van Menagelec t.a.v. verweerster is derhalve ongegrond. III.5.2 Wat betreft de vordering van Menagelec t.a.v. eiseres Eiseres stelt dat de Menagelec optreedt als haar agent sinds 1994, en wordt vergoed op basis van een percentage op de verkopen van 5 % of 10 %. Eisers stellen dat gemiddeld 3,08 % van de winst op de omzet die eiseres realiseert bij Menagelec moet worden gesitueerd. Menagelec vordert - in ondergeschikte orde - schadevergoeding vanwege eiseres omwille van de schade die zij lijdt doordat de concessieovereenkomst werd beëindigd. Er wordt een agentuurovereenkomst voorgelegd (stuk 10 eiseres). De agentuurovereenkomst, die dateert van 01/01/94, heeft blijkbaar betrekking op "alle huishoudelijke artikelen en toestellen" en betreft België en Luxemburg. Menagelec, noch eiseres houden voor dat de agentuurovereenkomst werd beëindigd. Menagelec toont niet aan op basis waarvan zij schadevergoeding vordert van eiseres, noch dat zij schade lijdt. De vordering van Menagelec t.a.v. eiseres wordt ongegrond verklaard. Betreffende de vrijwaringsvordering: Eiseres stelt dat zij dienaangaande dient te worden gevrijwaard door verweerster. Gelet op het feit dat eiseres niet wordt veroordeeld tot vergoeding aan Menagelec, dient de vordering tot vrijwaring tevens te worden afgewezen als ongegrond. III.5.3 Betreffende de beëindiging van de concessieovereenkomst met een opzeggingstermijn van negen maanden Er werd hoger reeds geoordeeld dat de Belgische concessiewet van toepassing is op de ganse overeenkomst. Eiseres stelt dat verweerster de exclusieve alleenverkoopovereenkomst die bestond tussen haar en verweerster, op 30/06/05 eenzijdig beëindigd heeft zonder een redelijke opzeggingstermijn na te leven. Volgens eiseres diende verweerster, gelet op de duur van de samenwerking, de omvang van het territorium en de bekendheid van het merk, een opzeggingstermijn van 36 maanden na te leven. Zij begroot de billijke vergoeding, die verweerster haar verschuldigd is wegens de niet naleving van deze redelijke opzeggingstermijn provisioneel op 2.011.853,20 euro. Wanneer een der partijen bij een alleenverkoopconcessie voor onbepaalde tijd een einde gesteld heeft aan de overeenkomst zonder een grove tekortkoming in te roepen ten laste van de andere partij, en zonder een redelijke opzeggingstermijn te eerbiedigen, dan kan deze laatste aanspraak maken op een billijke vergoeding (art. 2 concessiewet). Deze vergoeding wordt bepaald in functie van de redelijke opzeggingstermijn die had dienen toegekend te worden. Onder redelijke termijn wordt verstaan de termijn die als voldoende dient te worden beschouwd om het de concessiehouder mogelijk te maken een andere concessie te vinden die evenwaardig is aan de opgezegde (Kileste, P. en Hollander, P., Examen de Jurisprudence, La Loi du 27 juillet 1961 relative à la résiliation unilatérale de concessions de vente exclusive à durée indéterminée (1992-1997), T.B.H., 1998, p. 22, nr. 55; Merchiers, Y., Overzicht van Rechtspraak, Algemeen handelsrecht, T.P.R., 1992, p. 901). De berekening van de opzeggingsvergoeding gebeurt op basis van de winst die de concessiehouder zou gerealiseerd hebben gedurende de opzeggingsperiode. Daarbij dient uitgegaan te worden van de gemiddelde semi-bruto-winst die de concessiehouder haalt uit de concessie. De semi-bruto-winst is de bruto-winst, verminderd met de indrukbare kosten die verbonden zijn aan de concessie (Meeussen, I., a.w., nr. 756, p. 276). De gemiddelde semi-bruto-winst wordt berekend op basis van de activiteitsperiode die zo dicht mogelijk bij het tijdstip van de verbreking ligt (Willemart, M. en Destrycker, A., a.w., nr. 72, p. 66; Brussel, 15 maart 1990, J.L.M.B., 1990, 804). Voor het bepalen van de duur van de opzeggingstermijn wordt rekening gehouden met :
(1)de duurtijd van de concessie;
(2)de uitgestrektheid van het gebied;
(3)de bekendheid en de specificiteit van de in concessie gegeven producten;
(4)het aandeel van de concessie in de totale omzet van de concessiehouder;
(5)het omzetcijfer en het bedrijfsresultaat dat de concessiehouder haalt uit de verdeling van de in concessie gegeven producten en de evolutie daarvan;
(6)de investeringen die gedaan werden, specifiek met het oog op de concessie. (Willemart, M. en Destrycker, A., De concessieovereenkomst in België, p. 55 e.v.; Kileste en Hollander, a.w., p. 23; Kileste, P. en Hollander, P., a.w., T.B.H., 2003, nr. 68, p. 429).
(1)De duurtijd: De concessie tussen eiseres en verweerster heeft ongeveer 47 jaar geduurd wat betreft België-Luxemburg; sinds 1994 (12 jaar) behoorde ook Nederland tot het territorium.
(2)De uitgestrektheid van het territorium: Het territorium van de concessie is de volledige Benelux (sinds 1994), hetgeen ongetwijfeld een uitgebreid territorium is.
(3)De bekendheid en de specificiteit van de in concessie gegeven producten: Uit de uiteenzetting van de partijen en de voorgelegde stukken is gebleken dat de producten die het voorwerp uitmaakten van de concessie behoren tot een merk met een lange traditie. Het gaat om een product dat gekend is als degelijk en dat behoorlijk prijzig is. Eiseres benadrukt dat het enige alternatief op de markt "Staub" is, maar dat dit product minder gekend is, en bovendien reeds ingenomen is door een andere concessiehouder. Verder stelt eiseres dat haar enkel de mogelijkheid rest een eigen gamma gietijzeren potten en pannen uit de bouwen, doch dit zou een gigantische investering in tijd en middelen betekenen. Eiseres stelt dat zij een volledig gamma van cook-wareproducten verdeelde en dat de producten complementair zijn: - Le Creuset voor kookgerei in gietijzer; - Lagostina voor kookgerei; - Bialetti voor antikleefpannen. Verweerster weerlegt deze gegevens niet. Deze elementen bemoeilijken het vinden van een evenwaardig alternatief. Eiseres stelt tevens dat - door het wegvallen van Le Creuset - ook de bestellingen voor de andere producten uit het gamma sterk zullen verminderen, aangezien ze in aankoop een stuk duurder zullen worden, vermits de klanten voorheen hun bestellingen groepeerden, en zodoende een (volume)korting bekwamen.
(4)Het aandeel van de concessie in de totale omzet van de concessiehouder: Er bestaan grote verschillen tussen de percentages die door eiseres en verweerster naar voor worden gebracht. Eiseres stelt dat op het niveau van de bedrijfstak "cookware" de producten van verweerster elk jaar voor meer dan 50% van de omzet staan; in het deelsegment van de vak- en detailhandel zou het om meer dan 65 % gaan. Dergelijke opdeling in segmenten kan niet worden aanvaard. Verweerster op haar beurt stelt dat het aandeel van de concessiegoederen dient te worden bepaald in functie van het geconsolideerde geheel van de groep (eiseres, NV Menagelec, NV Saey, NV Edil, NV Intersales). Eiseres is de concessiehouder en niet de hierboven opgesomde andere bedrijven. Het is derhalve duidelijk dat het aandeel van de concessie dient te worden bepaald t.o.v. het volledige bedrijf van eiseres (en niet in functie van het geconsolideerde aandeel van de groep). Eiseres stelt dat de omzet "Le Creuset" voor 2003 in dit geval staat voor 17,8% van de totale bedrijfsomzet. In 2004 bekomt ze een gelijkaardig cijfer. Verweerster heeft het over 10 % (op basis van de cijfers van de laatste 3 jaren - p. 16 synthesebesluiten verweerster). Het is derhalve duidelijk dat de concessie een eerder beperkt, doch zeker niet te verwaarlozen deel van de omzet van de concessiehouder uitmaakt.
(5)Het omzetcijfer en het bedrijfsresultaat dat de concessiehouder haalt uit de verdeling van de in concessie gegeven producten en de evolutie daarvan: Eiseres stelt dat de verkoop (ook) de laatste jaren in stijgende lijn ging. Verweerster stelt dat de verkoop stabiel of licht stijgend was en spreekt over een verlieslatende concessie. Zij wijst erop dat deze stabiliteit of lichte stijging niet wijst op een verhoogde verkoop gelet op de inflatie. Verweerster spreekt van gecumuleerde inflatie voor de periode 1988-2005 van 40 %, terwijl eiseres spreekt over 16,55 % gecumuleerde inflatie tussen 1997 en 2005. Verweerster merkt terecht op dat de (eventuele) verkopen buiten het concessiegebied dienen te worden weggezuiverd. Uit de voorgelegde gegevens blijkt dat er de laatste jaren geen grote toename was, doch eerder een stagnatie tot lichte stijging.
(6)Investeringen specifiek m.o.o. de concessie: Eiseres stelt te hebben geïnvesteerd, doch zij noemt geen enkele specifieke investering op en legt geen enkel stuk dienaangaande voor.
(7)Besluit: De rechtbank is van oordeel dat - alle aspecten in acht genomen (en zonder een doorslaggevend belang te hechten aan één bepaald aspect) - eiseres recht had op een opzeggingstermijn van 18 maand, terwijl slechts een opzeggingstermijn van negen maand werd gerespecteerd. Eiseres is derhalve gerechtigd op een vervangende vergoeding, berekend op basis van de gemiddelde semi-bruto-winst die de concessiehouder behaalde op het ogenblik van de beëindiging van de overeenkomst. De rechtbank is van oordeel dat de resultaten van de laatste drie jaar voorafgaand aan de opzegging als berekeningsbasis dienen te worden genomen. Gelet op de technische aard van de berekening acht de rechtbank de aanstelling van een deskundige aangewezen, teneinde haar te adviseren nopens de hoegrootheid van de vervangende opzeggingsvergoeding. Bij gebreke aan afdoende concrete gegevens kan thans geen provisie worden toegekend. III.6 Betreffende de billijke bijkomende vergoeding Overeenkomstig artikel 3.1 van de wet van 27 juli 1961 heeft de concessiehouder recht op een vergoeding wegens de bekende meerwaarde inzake cliënteel, die door hem is aangebracht en die aan de concessiegever verblijft na de beëindiging van het contract. Er dienen drie voorwaarden voldaan te zijn, namelijk: - het moet gaan om een aanzienlijke meerwaarde aan cliënteel; - de cliënteel moet zijn aangebracht door de concessiehouder; - de concessiegever moet na de beëindiging van de overeenkomst verder kunnen genieten van de cliënteel, die derhalve trouw blijft aan de concessiegever (Willemart, M. en Destrycker, A., a.w., nr. 83- 88 , p. 78 - 83). Eiseres berekent zelf een semi-brutowinst van 74.513,08 euro per maand (gemiddelde over de jaren 2002, 2003 en 2004) en vordert een bedrag van 2.682.470,90 euro (zijnde 36 maand x 74.513,08 euro). De meerwaarde wordt door eiseres begroot op drie jaar semi-brutowinst. Blijkbaar splitst eiseres dit dan op in drie onderdelen: (
- a)vergoeding voor aanbreng van cliënteel: 2.450.000,00 euro; (
- b)kosten gemaakt m.o.o. de exploitatie en die aan de concessiegever voordeel opleveren na het einde van de overeenkomst: 117.778,94 euro; (
- c)rouwgeld: 39.691,96 euro + 75.000,00 euro. De som van (a), (
- b)en (
- c)levert precies 2.682.470,90 euro (of drie jaar semi-brutowinst) op. (
- a)Betreffende de aanzienlijke meerwaarde inzake cliënteel die door de concessiehouder is aangebracht en aan de concessiegever verblijft na beëindiging van de overeenkomst Opdat een bijkomende vergoeding zou kunnen toegekend worden, rekening houdend met de meerwaarde aan cliënteel, moet er op het einde van de overeenkomst een aanzienlijke meerwaarde inzake cliënteel bestaan in vergelijking met de cliënteel die bestond bij de aanvang van de overeenkomst. Het moet een "opmerkelijke, gevoelige of belangrijke" meerwaarde betreffen (Crahay, P. en Jadot, F., L'indemnité de clientèle due au concessionnaire de vente, J.T., 1982, 609 e.v., nr. 17). Uit de loutere vaststelling dat verkopen van de concessiehouder niet stijgen of zelfs in dalende lijn gaan gedurende de laatste jaren, kan nochtans niet noodzakelijk besloten worden dat hij geen aanzienlijke meerwaarde aan cliënteel heeft gerealiseerd (Kileste, P., en Hollander, P., a.w., T.B.H., 2003, nr. 98, p. 440; cfr. Kileste, P., Agence et concession: deux lois interactives, J.LM.B., 2002, p. 833). Het is immers mogelijk dat, ook wanneer men rekening houdt met de daling van de verkopen, er nog een aanzienlijke meerwaarde bestaat in vergelijking met het tijdstip waarop de overeenkomst een aanvang heeft genomen. De vaststelling dat er een daling is van de verkoopcijfers zal desgevallend wel invloed kunnen hebben op het bedrag van de toegekende vergoeding (Kileste, P. en Hollander, a.w., nr. 98, p. 440). In elk geval is de vergelijking met de situatie bij het begin van de contractuele relatie dus van groot belang. Het is immers noodzakelijk de eventuele aanzienlijke meerwaarde vast te stellen in verhouding tot die toestand (Destrycker A., en Willemart, M. ,a.w., nr. 84, p. 80; Willemart, M., a.w., nr. 89, p. 78). Eiseres verklaart dat verweerster helemaal geen cliënteel had in België en Luxemburg bij aanvang van de concessie, en dat zij derhalve alleen instond voor de volledige opbouw van het cliënteel. Ook in Nederland zou er nog geen cliënteel bestaan hebben, behalve de "Blokker"- keten. Verweerster toont niet aan dat er voorheen een (aanzienlijk) cliënteel bestond, behalve wat betreft de Blokker-keten in Nederland. Voor zover er dus al enig cliënteel zou hebben bestaan vóór de omvang van de concessie dient te worden vastgesteld dat dit cliënteel in elk geval veel beperkter was dan thans het geval is. Tweede voorwaarde opdat de meerwaarde aan cliënteel aanleiding zou kunnen zijn tot het betalen van een bijkomende vergoeding, is dat deze meerwaarde door de concessiehouder moet zijn aangebracht. De loutere vaststelling dat er een toename is van cliënteel, bewijst niet dat deze klanten door de concessiehouder zijn aangebracht. Deze meerwaarde kan ook het gevolg zijn van het succes van het product van de concessiegever of van zijn inspanningen (cfr. Cass. 28 oktober 1971, Pas. 1972, I, 202). Eiseres is de enige concessiehouder voor Le Creuset in de Benelux. De vaststelling dat verweerster gedurende vele jaren de alleenverkoopconcessie aan eiseres heeft toevertrouwd, doet wel vermoeden dat, wanneer er een meerwaarde aan cliënteel is, eiseres daar enige verdienste aan heeft. Hoe verklaart verweerster immers dat zij gedurende een zo lange periode de samenwerking met eiseres zou behouden hebben, indien deze zelf geen klanten zou aangebracht hebben ? Er mag immers verondersteld worden dat zij de concessie slechts zal aangehouden hebben omdat zij daar zelf belang bij had. Het is correct dat "Le Creuset" inmiddels een sterk merk is, doch dit betekent nog niet dat het product zichzelf zomaar verkocht door de jaren heen. De derde voorwaarde in verband met de meerwaarde aan cliënteel houdt in dat de concessiegever na de beëindiging van de overeenkomst verder kán genieten van deze meerwaarde. Door sommigen wordt benadrukt dat het verwerven van de cliënteel een economische realiteit is en geen abstract juridisch begrip, zodat moet onderzocht worden of de concessiegever de cliënteel daadwerkelijk verwerft (Willemart, M., a.w., nr. 91, p. 79). Anderen zijn van oordeel dat de mogelijkheid om de cliënteel te behouden, volstaat (Kileste, P. en Hollander, P., a.w., nr. 104, p. 441; Meeussen, I., a.w., nr. 780, p. 286; Brussel, 22 november 2001, J.T., 2002, p. 242). De vaststelling dat de concessiehouder de producten verkocht onder de merknaam van concessiegever en deze laatste, na het einde van de concessie, de producten ononderbroken is blijven aanbieden in het territorium (hetgeen niet wordt betwist door verweerster), zijn elementen die laten vermoeden dat de concessiegever de cliënteel van eiseres minstens gedeeltelijk heeft verworven. Le Creuset is bekend en het betreft een specifiek product. Er is geen echte vervanging op de markt beschikbaar. Lagostina en Bialetti zijn geen echte concurrenten. Ook deze voorwaarde is derhalve vervuld. Besluit: Het is derhalve duidelijk dat er op het einde van de opzeggingstermijn een aanzienlijke meerwaarde aan cliënteel, zoals vereist cf. art. 3 concessiewet, voorhanden was. Eiseres begroot het "aandeel cliënteel" op 2.450.000,00 euro (provisioneel). Om het bedrag van de billijke bijkomende vergoeding te bepalen, in zover zij steunt op de meerwaarde inzake cliënteel, bestaat geen wettelijke of door de rechtspraak gehanteerde formule (cfr. Willemart, a.w., nr. 98, p. 86). Diverse criteria worden in aanmerking genomen. Zo onder meer het netto-resultaat van de concessiehouder gedurende de twee of drie laatste jaren van de uitbating van de concessie (Destrycker, A. en Willemart, M., a.w., nr. 93, p. 88). Soms neemt men ook een percentage van het omzetcijfer van het laatste jaar of van de laatste jaren voorafgaand aan de beëindiging van de overeenkomst (Brussel, 20 januari 1987, T.B.H., 1987, 639; Gent, 21 januari 1998, aangehaald door Kileste, P., en Hollander, P., a.w., nr. 108, p. 443). In sommige gevallen wordt ook de bruto-winst of de semi-bruto-winst in aanmerking genomen. (Destrycker, A. en Willemart, M., a.w., nr. 93, p. 89). De rechtbank is van oordeel dat, gelet op het feit dat volgens art. 3 concessiewet de bijkomende vergoeding in billijkheid dient bepaald te worden, dit niet noodzakelijk kan gebeuren op basis van één bepaald criterium, doch dat alle voormelde gegevens, naast andere, zoals de evolutie van de verkopen gedurende de laatste jaren van de overeenkomst, in aanmerking kunnen genomen worden (cfr. Kileste, P. en Hollander, P., a.w., nr. 111, p. 443). Rekening gehouden met het voorgaande wordt aan de aan te stellen deskundige, tevens opdracht gegeven om de rechtbank te adviseren over de door eiseres met de concessieproducten in de Benelux gerealiseerde omzet, de gerealiseerde bruto-winst en haar netto-resultaat gedurende de drie jaren voorafgaand aan de opzegging. Dit moet de rechtbank toelaten om met kennis van zaken uitspraak te doen over het bedrag van de gevorderde vergoeding. Bij gebreke aan afdoende concrete gegevens kan thans geen provisie worden toegekend. (
- b)Betreffende de kosten die de concessiehouder gedaan heeft m.o.o. de exploitatie van de concessie en die verweerster nog voordelen opleveren na het einde van de overeenkomst Een tweede element waarmee rekening wordt gehouden om te bepalen of de concessiehouder recht heeft op een billijke bijkomende vergoeding, heeft betrekking op de kosten die de concessiehouder gedaan heeft met het oog op de exploitatie van de concessie en die aan de concessiegever voordelen mochten opleveren na het eindigen van het contract (art. 3,2° van de wet van 27 juli 1961). Opdat de kosten in rekening zouden kunnen gebracht worden, dient aan twee voorwaarden voldaan te zijn. Er moet sprake zijn van een investering van de concessiehouder en bovendien moeten deze kosten geleid hebben tot een verrijking van de concessiegever (Destrycker, A. en Willemart, M., a.w., nr. 89, p. 84). In de mate dat de kosten tevens een aanzienlijke meerwaarde aan cliënteel zouden hebben voortgebracht, kan er geen rekening mee gehouden worden. Dit zou er dan immers toe leiden dat de concessiegever zowel de investering als het daaruit voortvloeiende resultaat zou moeten dragen (Destrycker, A. en Willemart, M., a.w., nr. 89, p. 84). Vandaar dat publiciteitskosten in principe buiten beschouwing dienen gelaten te worden. Overigens is het effect in de tijd van publiciteitskosten hoe dan ook beperkt (Brussel, 20 december 1985, T.B.H., 1987; Bricmont, G., en Philips, J.M., Commentaires des dispositions de droit belge et communautaire applicables aux concessions de vente en Belgique, nr. 43; Willemart, M., a.w., nr. 93, p. 81). Enkel publiciteitskosten die op een objectieve wijze gevolgen kunnen voortbrengen na het eindigen van de concessie, zouden in aanmerking kunnen genomen worden (Destrycker, A. en Willemart, M., a.w., nr. 89, p. 85 en de onder voetnoot 41 aangehaalde rechtsleer en rechtspraak). Eiseres vordert ter zake een vergoeding van 117.778,94 euro, doch verduidelijkt geenszins op welke kosten deze som betrekking heeft. Bovendien toont zij niet aan dat deze kosten aan verweerster nog een voordeel zouden opgeleverd hebben bij het einde van de overeenkomst, zodat bij de begroting van een eventuele billijke bijkomende vergoeding met deze kosten geen rekening kan gehouden worden. (
- c)Betreffende het rouwgeld dat de concessiehouder verschuldigd is aan het personeel dat hij verplicht is te ontslaan ten gevolge van de beëindiging van de verkoopconcessie Eiseres vermeldt dat de opzeggingstermijn voor één handelsvertegenwoordiger, Mevrouw X langer loopt dan 31/03/06. Eiseres stelt dat deze dame zich enkel bezighield met de opvolging van de producten van Le Creuset, zodat zij half mei 2006 zonder werk kwam te zitten, waarna ze werd uitbetaald. Eiseres toont echter niet aan dat deze dame zich enkel bezighield met "Le Creuset" en omwille van de beëindiging van de concessieovereenkomst diende te worden opgezegd. Bovendien nam de opzeggingstermijn pas een aanvang op 01/10/05, terwijl de opzegging zekerlijk reeds op 01/08/05 een aanvang had kunnen nemen. De vordering betreffende Mevrouw X wordt derhalve afgewezen als ongegrond. Eiseres vordert tevens schadevergoeding wegens het feit dat twee andere handelsvertegenwoordigers weliswaar in dienst blijven, doch dienen te worden omgeschoold (en daardoor gedurende twee jaar nauwelijks zouden renderen). Dit argument kan niet worden weerhouden. III.7 Betreffende de stock Wanneer in de overeenkomst van alleenverkoopconcessie niets bedongen is over de terugname van de voorraad bij het einde van de overeenkomst, is de concessiegever gehouden de nog bruikbare voorraad terug te nemen of in ieder geval hiervoor een vergoeding te betalen. De rechtsgrond hiervoor ligt in de verplichting om verbintenissen te goeder trouw uit te voeren (art. 1134, derde lid B.W; cfr. Billiet, J., Concessie en franchising; Onderzoek van contractuele rechten en verplichtingen in de concessie- en franchisingovereenkomst, XXVIste Postuniversitaire cyclus Willy Delva, nr. 33, p. 12). De veronderstelde gemeenschappelijke bedoeling van de partijen is namelijk de koppeling van de aankoop van deze waren aan het bestaan en het behoud van de overeenkomst (Willemart, M. en Destrycker, A., a.w., nr.146, p. 136). Verweerster is dan ook in beginsel gehouden de voorraad aangekochte goederen die eiseres nog bezit, terug te nemen. Dit geldt evenwel niet voor de goederen die nog zouden aangekocht zijn na het einde van de overeenkomst en voor de goederen die onverkoopbaar zouden zijn geworden (Willemart, M. en Destrycker, A., nr. 146, p. 137). Partijen zijn het erover eens dat voor een groot deel van de stock een overeenkomst werd getroffen. Eiseres wenst echter dat verweerster eveneens de stock betreffende de producten "Formula" en "Balti" terugkoopt, doch verweerster stelt dat dit gedemodeerde artikelen zijn zodat zij niet tot terugname gehouden is. Ook omtrent dit punt geven de uiteenzetting van de partijen en de door hen overgelegde stukken de rechtbank niet alle informatie die nodig is om, rekening houdend met deze principes, te bepalen of eiseres effectief aanspraak kan maken op terugname van de voorraad en zo ja, hoeveel verweerster voor deze terugname aan eiseres verschuldigd is. Er wordt aan de deskundige opdracht gegeven om de aanwezige resterende voorraad "Balti" en "Formula", die eiseres bij verweerster aankocht, op te nemen, met vermelding van de prijs waaraan ze werden aangekocht en indien mogelijk het tijdstip van aankoop. Bovendien zal zij desgevallend de goederen in voorraad opsommen die niet meer verkoopbaar zijn of nog enkel aan verminderde aankoopprijs. III.8 Betreffende de vordering tot schadevergoeding wegens het niet nakomen van verplichtingen door de concessiegever tijdens de opzeggingstermijn. Eiseres stelt in januari en februari 2006 bijbestellingen te hebben gevraagd. Eiseres stelt dat verweerster antwoordde dat de producten niet meer voorradig waren, en pas begin april 2006 (dus na het einde van de overeenkomst) terug leverbaar zouden zijn. Eiseres stelt dat verweerster echter antwoordde aan de klanten dat de producten wel nog leverbaar waren. Eiseres vordert uit dien hoofde een schadevergoeding, die zij provisioneel begroot op 12.500,00 euro. Verweerster betwist de stelling van eiseres. Verweerster benadrukt dat er nog leveringen gebeurden in de tweede helft van maart 2006, zijnde net vóór het einde van de opzeggingstermijn. Verweerster stelt verder dat zij inderdaad werd gecontacteerd door "Colruyt" (een klant van eiseres), doch dat zij leverde via eiseres en niet rechtstreeks aan "Colruyt", zodat eiseres niets "misliep". Eisers toont niet aan dat verweerster haar verplichtingen niet nakwam, minstens toont ze niet aan schade te hebben geleden. III.9 Betreffende de kosten en het ereloon van de raadsman Eiseres vordert een vergoeding voor de kosten en het ereloon van de raadsman, die zij provisioneel op 15.000,00 euro begroot. De rechtbank acht het opportuun de uitspraak omtrent dit aspect van de zaak aan te houden. III.10 Uitvoerbaarheid bij voorraad Eiseres vordert dat het vonnis uitvoerbaar wordt verklaard bij voorraad, niettegenstaande elk rechtsmiddel en zonder borgstelling en met uitsluiting van het kantonnement. De uitvoerbaarheid bij voorraad kan worden toegestaan, doch het kantonnement is een recht van de veroordeelde partij. Het kan slechts worden uitgesloten wanneer de partij die de uitsluiting ervan vordert, aantoont dat vertraging in de betaling haar aan een ernstig nadeel blootstelt (Brussel, 25 april 1997, P & B, 1997, 224; Brussel, 31 januari 1990, J.L.M.B. 1990, 994; Dirix, E. en Broeckx, K., A.P.R., Beslag, p. 196, nr. 360). Eiseres motiveert haar verzoek tot uitsluiting van het kantonnement niet en levert het bewijs van dit ernstig nadeel niet (Dirix, E., en Broeckx, K., Overzicht van rechtspraak - Beslagrecht, (1991-1996), T.P.R., 1996, nr. 42, p. 1420). OP DEZE GRONDEN, DE RECHTBANK, Wijzende op tegenspraak. Verklaart over rechtsmacht te beschikken. Wijst het verzoek tot heropening der debatten af als ongegrond. Zegt voor recht dat de Belgische concessiewet dient te worden toegepast op de volledige concessieovereenkomst. Verklaart de vorderingen van de NV Menagelec ontvankelijk, doch wijst ze af als ongegrond. Verklaart de vorderingen van de NV Saey Home & Garden t.a.v. verweerster ontvankelijk. Wijst de vordering van NV Saey Home & Garden t.a.v. verweerster tot vrijwaring voor de schadevergoeding die zij aan NV Menagelec zou dienen te betalen af als ongegrond. Zegt voor recht dat de NV Saey Home & Garden gerechtigd is op een bijkomende opzeggingsvergoeding gelijk aan 9 maanden cf. art. 2 concessiewet. Wijst de vorderingen van NV Saey Home & Garden tot het bekomen van een vergoeding voor investeringen en tot het bekomen van rouwgeld (beiden op basis van art. 3 concessiewet) af als ongegrond. Wijst de vordering van NV Saey Home & Garden tot het bekomen van schadevergoeding wegens niet naleven van de verplichtingen door verweerster af als ongegrond. Alvorens verder te oordelen: Benoemt als deskundige Mevrouw Estella VERSCHUEREN, revisor, Dorp West 8, 9080 Lochristi (tel. 09/353.70.65 fax 09/353.70.61), die zich desnoods mag laten bijstaan door een specialist ter zake, op voorwaarde dat de deskundige de conclusies van deze specialist tot de hare maakt, en die overeenkomstig de artikelen 962 tot en met 991 van het gerechtelijk wetboek, binnen zes maanden na de aanvaarding van haar taak, volgende opdracht vervult: 1. partijen aangetekend verwittigen met een tussentijd van zeven vrije dagen van plaats, dag en uur der uitvoering van zijn opdracht; partijen horen, de bescheiden vragen en alle nuttige inlichtingen inwinnen; 2. aan de hand van de door partijen voorgelegde facturen, BTW-listings en andere stukken van de boekhouding en alle andere nuttige stukken en informatie die zij bij de partijen kan opvragen, evenals op basis van de vaststellingen die zij ter plaatse doet: a. de rechtbank te adviseren nopens de hoegrootheid van de gemiddelde semi-brutowinst die eiseres op de verkoop van de producten van verweerster realiseerde in de Benelux gedurende de laatste drie jaren voorafgaand aan de opzegging van de overeenkomst; onder semi-bruto winst wordt bedoeld de bruto-winst, verminderd met de door de deskundige nader te specificeren indrukbare kosten verbonden aan de alleenverkoopconcessie; b. de rechtbank te adviseren nopens de hoegrootheid van de omzet die eiseres realiseerde op de verkoop van de producten van verweerster in de Benelux gedurende de laatste drie jaren voorafgaand aan de opzegging van de overeenkomst, en een lijst te maken van de klanten aan wie eiseres in deze periode verkocht met de gerealiseerde omzet per klant; c. de rechtbank te adviseren nopens de hoegrootheid van de gemiddelde brutowinst en de nettowinst die eiseres op de verkoop van de producten van verweerster realiseerde in de Benelux gedurende de laatste drie jaren voorafgaand aan de opzegging van de overeenkomst; d. een lijst opstellen van de producten "Formula" en "Balti", die eiseres bij verweerster heeft aangekocht en die eiseres nog in voorraad heeft, met vermelding van de data waarop eiseres ze heeft gekocht en van de prijs die ervoor werd betaald; de rechtbank te adviseren nopens het feit of deze producten nog verkoopbaar zijn of desgevallend enkel nog aan verminderde prijs. 3. antwoorden op alle vragen van partijen nuttig voor de uitvoering van deze opdracht; 4. een gemotiveerd voorverslag aan iedere partij sturen met verzoek om gemotiveerde bezwaren binnen de vijftien dagen vanaf de datum van de poststempel; deze vragen beantwoorden en het eindverslag neerleggen indien de partijen niet tot verzoening zijn gekomen; 5. op de dag der inlevering van haar eindverslag ter griffie, aan de partijen aangetekend een eensluidend verklaard afschrift van haar verslag zenden, met daarin verwerkt, haar staat van ereloon en kosten. Indien de deskundige het eindverslag niet binnen de hierboven bepaalde termijn indient, zal zij, overeenkomstig artikel 973 Ger.W., de rechtbank onverwijld kennis geven van de redenen daarvan, zelfs al zou haar verlenging van de voormelde termijn zijn toegestaan door de partijen. Verzendt de zaak naar de bijzondere rol in afwachting van de neerlegging van het verslag van de deskundige. Houdt de uitspraak over de kosten aan. Verklaart het vonnis uitvoerbaar bij voorraad, niettegenstaande elk rechtsmiddel en zonder borgstelling; Aldus het vonnis, uitgesproken in het gerechtsgebouw II te Kortrijk in buitengewone openbare terechtzitting op NEGENENTWINTIG MAART TWEEDUIZEND EN ZEVEN. Aanwezig: B. De Fleur, toegevoegd rechter ; G. Deleu en R. Dekyvere, rechters in handelszaken ; N. Bostoen, griffier. N. Bostoen R. Dekyvere G. Deleu B. De Fleur Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div