id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Ondernemingsrechtbank Gent Vonnis/arrest van 10 mei 2007 ECLI nr: ECLI:BE:ORGNT:2007:JUG.20070510.22 Rolnummer: AR 813/84 Rechtsgebied: Insolventierecht Invoerdatum: 2008-04-07 Raadplegingen: 104 - laatst gezien 2026-07-02 15:38 Fiche UTU-thesaurus: HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - INSOLVENTIE - Faillissement Vrije woorden: onverschuldigde betaling rangregeling curator Tekst van de beslissing Nr. Rep. De Rechtbank van Koophandel van het rechtsgebied Kortrijk, Provincie West-Vlaanderen, EERSTE KAMER, rechtsprekend in de zaak nr. in de zaak nr 813/84 der algemene rol Inzake het faillissement van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid J. DEWEVER & C° - SUAVIS, met vennootschapszetel te 8810 Izegem-Rumbeke, Sasstraat 10 (faillissementsvonnis dd. 15.03.1984); Gezien de P.V.'s van afrekeningsvergaderingen dd. 27 februari 2004, 23 april 2004, 18 juni 2004 en 17 juni 2005; Gezien het tussenvonnis van 15 juni 2006; Gezien de stukken van rechtspleging; Gezien de door partijen neergelegde dossiers; Gehoord de partijen in hun middelen en besluiten voorgedragen in openbare terechtzitting van 8 maart 2007, waar de zaak voor sluiting der debatten werd gesteld op 22 maart 2007, waarop de zaak in beraad werd genomen. Gelet op de wet van 15 juni 1935 tot regeling van het taalgebruik in gerechtszaken; DE FEITEN EN RETROACTEN De retroacten werden uiteengezet in het tussenvonnis van 15 juni 2006 waarbij partijen werden verzocht standpunt in te nemen omtrent de rang van de voorrechten en de rechtsgrond van de vordering waarop de curator zich steunt. DE VORDERING - STANDPUNTEN VAN PARTIJEN De RSZ is na tussenvonnis van oordeel dat : - de beschikbare middelen dienen verhoogd te worden met euro 17.847,37 meer de rente vanaf uitbetaling aan de administratie der directe belastingen, waarna de curator een nieuwe afrekening dient op te maken, waarbij haar voorrecht zoals voorzien door art. 19,4 ° Hyp. W. dient gerespecteerd te worden. De curator stelt dat : - de opmerking van de RSZ terecht is vermits haar voorrecht inderdaad eerder in rang komt dan het voorrecht van de directe belastingen. De curator vordert dat : - de Ontvanger der directe belastingen zou veroordeeld worden om het ontvangen bedrag van euro 17.847,37 terug te betalen aan de boedel. De Ontvanger der directe belastingen stelt dat : - de stukken van betaling niet meer terug te vinden zijn; - er geen sprake is van een onverschuldigde betaling vermits de schuld wel degelijk bestond; - de vordering om terugbetaling te bekomen, verjaard is; - voor zover de vordering niet verjaard is, er duidelijkheid dient verschaft te worden nopens de vraag op welke periode de bedrijfsvoorheffing slaat, inzonderheid indien deze voorheffing slaat op de periode na faillissement, deze voorheffing een schuld is van de massa en er pondspondsgewijze verdeling dient te zijn tussen de RSZ en het Sluitingsfonds. BEOORDELING
- De rangregeling Uit de voorgelegde stukken blijkt dat het door de curator betaalde loon betrekking heeft op prestaties die de werknemers hebben verricht voor het faillissement. Nu in de regel het bij art. 19, 3ºbis, Hypotheekwet gevestigde voorrecht niet van toepassing is op de sociale zekerheidsbijdragen van de werknemer en de bedrijfsvoorheffing die betrekking hebben op het loon waarop de werknemer recht had ingevolge prestaties geleverd voor het faillissement, volgt hieruit dat de curator de schuldvordering van de werknemer met betrekking tot voor het faillissement ontstane vorderingen dient te berekenen op grond van het brutoloon, verminderd met de sociale zekerheidsbijdragen van de werknemer en met de forfaitair berekende bedrijfsvoorheffing, vastgesteld op grondslag van de bruto-inkomsten verminderd met de verplichte sociale inhoudingen, en de ingehouden bedrijfsvoorheffing doorstort aan het bestuur als de rang van de respectieve voorrechten dit toestaat (Cass., 23 mei 1996, Arr.Cass., 1996, 479, concl. DE SWAEF, M.;T.B.H, 1996, 718; Cass., 21 januari 2005, R.W, 2005-06, 582, concl. THIJS, D.). Dat bij de bepaling van deze rang dient opgemerkt te worden dat het beginsel van gelijkheid tussen schuldeisers en de tussen hen bestaande rangen de openbare orde niet raakt (Cass., 20 oktober 2005, NjW 2006, afl. 141, 365). De RSZ stelt in conclusies neergelegd na tussenvonnis, waarin partijen werden verzocht standpunt in te nemen nopens hun respectieve voorrechten, dat "het bedrag dat de curator heeft gestort aan de bedrijfsvoorheffing, pondspondsgewijze diende uitbetaald te worden met haar vordering in dezelfde rang. Deze pondspondsgewijze verdeling tussen enerzijds bedrijfsvoorheffing en anderzijds haar vordering, is gebaseerd op de gelijke rang van 19,4 Hyp.W. en art. 423,2° WIB". Hieruit vloeit voort dat de R.S.Z. akkoord gaat dat er in dit geval toepassing wordt gemaakt van art. 423,2° WIB. Dat bij de bepaling van de rangregeling de curator derhalve gehouden was om naast de rang van de directe belastingen tevens de gelijke rang van de R.S.Z. in acht te nemen, hetgeen niet is gebeurd. De rangregeling dient derhalve op dit punt herzien te worden.
- De vordering van de curator De curator vordert het bedrag van euro 17.847,43 terug van de Ontvanger der directe belastingen. De rechtbank stelt vast dat de curator zich steunt op de onverschuldigde betaling. Dergelijke vordering veronderstelt dat er enerzijds sprake is van een betaling, anderzijds van het onverschuldigd karakter ervan. 2.
- De betaling De rechtbank stelt vast dat de Ontvanger der directe belastingen in eerste conclusies voorhoudt dat het niet duidelijk is aan welk ontvangkantoor de betaling exact is geschied. In laatste conclusies stelt hij dat de curator de betaling niet bewijst. De betaling is geen rechtsfeit, maar een rechtshandeling waardoor de verbintenis tenietgaat, wat tot gevolg heeft dat het bewijs van de beweerde betaling van een bedrag van meer dan 375 euro onderworpen is aan de strikte bewijsregel van art. 1341 B.W. Hierbij kan het bewijs van betaling desgevallend wel geleverd worden door een bekentenis. Behoudens bijzondere wettelijke bepaling, kan in burgerlijke zaken het stilzwijgen van een partij over een door de tegenpartij in rechte aangevoerd feit alleen een bekentenis zijn, als het gepaard gaat met omstandigheden die het een dergelijk karakter verlenen (art. 1354 en 1356 B.W; Cass., 27 februari 1998, Arr. Cass. 1998, 248; , Bull. 1998, 267). De rechtbank stelt vast dat de curator in zijn proces-verbaal van de afrekeningsvergadering en dit nadat hij per aangetekende brief alle schuldeisers die werden aanvaard in het faillissement heeft aangeschreven melding maakt van de betaling aan de Ontvanger der directe belastingen van euro 17.847,
- De Ontvanger der directe belastingen heeft als schuldeiser in het faillissement derhalve een proces-verbaal van afrekeningsvergadering verkregen. In voormeld proces-verbaal heeft de curator een betaling opgenomen in het voordeel van de Ontvanger der directe belastingen van euro 17.847,
- De rechtbank stelt vast dat de Ontvanger deze afrekening op de vergadering nimmer heeft betwist. Dat dit stilzwijgen in dit geval omstandig is en derhalve als bekentenis dient aanschouwd te worden rekening houdend met het feit dat : - de curator het bewijs voorlegt dat hij op 3 juli 1990 een bedrag van euro 17.847,43 (719.961 Bef) heeft gestort aan het sociaal secretariaat ADMB. Dit bureau stelt dat zij dit bedrag heeft doorgestort aan de Ontvanger der directe belastingen doch hiervan de bewijzen, wegens het verstrijken van een periode van tien jaar, niet meer in het bezit heeft; - de Ontvanger der directe belastingen nimmer een aanvullende aangifte heeft gedaan in het faillissement teneinde de opname van zijn vordering te bekomen. De rechtbank neemt derhalve aan dat de curator het bewijs van de betaling levert. 2.
- Het onverschuldigd karakter Het onverschuldigd karakter van een betaling veronderstelt dat er voor de betaling geen enkele oorzaak was (Cass., 8 januari 1990, Arr. Cass., 1989-90, 595). De rechtbank stelt vast dat in dit geval partijen niet betwisten dat de curator een bedrag heeft betaald dat werkelijk verschuldigd was. Uit hetgeen voorafgaat blijkt uitsluitend dat de curator aan de fiscus een betaling heeft verricht met miskenning van de rechten van de andere schuldeisers. Wanneer derhalve de curator een betaling heeft verricht aan een schuldeiser, waardoor hij de rechten van de andere schuldeisers heeft miskend, kan hij dit bedrag niet terugvorderen vanwege de Ontvanger (zie wat de voorlopig bewindvoerder betreft in een geval van samenloop Antwerpen, 2 maart 1998, A.J.T., 1998-99, 231). Bij gebrek aan het onverschuldigd karakter van de betaling, komt de vordering van de curator om terugbetaling te bekomen ongegrond voor. OM DEZE REDENEN, DE RECHTBANK, Wijzende op tegenspraak; Alle andere middelen afwijzend als ongegrond of niet ter zake dienend; Verklaart de hoofdeis ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond; Zegt voor recht dat de curator de rangregeling dient op te stellen derwijze dat rekening gehouden wordt met het voorrecht van de RSZ zoals voorzien door art. 19,4 Hyp.W.; Verklaart de tusseneis van de curator ten aanzien van de Ontvanger der directe belastingen van Roeselare, ontvankelijk doch wijst die af als ongegrond; Veroordeelt dhr. L, hetzij qq., hetzij in zijn hoedanigheid van curator over het faillissement van de pvba J. Dewever & C° - Suavis tot de volgende kosten van het geding, die in hoofde van de Ontvanger der directe belastingen begroot worden op euro 182,20 rechtsplegingvergoeding; Veroordeelt de Ontvanger der directe belastingen tot de volgende kosten van het geding, die in hoofde van de R.S.Z. begroot worden op euro 182,20 rechtsplegingvergoeding; Verklaart het vonnis uitvoerbaar bij voorraad; Aldus het vonnis uitgesproken in het gerechtsgebouw II te Kortrijk in buitengewone openbare terechtzitting van TIEN MEI TWEEDUIZEND EN ZEVEN. Aanwezig: L. Billiet, rechter ; L. Waelkens en G. Verhaeghe, rechters in handelszaken door de Voorzitter aangewezen ter vervanging van de rechters in handelszaken G. Deleu en R. Dekyvere, wettig verhinderd zijnde de uitspraak van huidig vonnis bij te wonen waarover zij mede hebben beraadslaagd (art. 779 Ger.W.) ; N. Bostoen, griffier. N. Bostoen G. Verhaeghe L. Waelkens L. Billiet Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div