id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Ondernemingsrechtbank Gent Vonnis/arrest van 06 juni 2007 ECLI nr: ECLI:BE:ORGNT:2007:JUG.20070606.19 Rolnummer: AR 3936/06 Rechtsgebied: Insolventierecht Invoerdatum: 2009-02-12 Raadplegingen: 249 - laatst gezien 2026-07-03 23:34 Fiche UTU-thesaurus: HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - INSOLVENTIE - Faillissement HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - INSOLVENTIE - Faillissement - Gevolgen - Verbintenissen Vrije woorden: niet-tegenwerpbaarheid (art. 17 en 18 F.W.) faillissementspauliana (art. 20 F.W.) vervroeging staking betaling Tekst van de beslissing Nr. Rep. De rechtbank van koophandel van het rechtsgebied Kortrijk, provincie West-Vlaanderen, VIJFDE KAMER, rechtsprekend In de zaak nr. 3936/06 der algemene rol. Arne VERSCHUERE, advocaat te 8500 Kortrijk, Koning Leopold I-straat 8/2 in zijn hoedanigheid van CURATOR over het FAILLISSEMENT van de BVBA BARBARELLA, met vennootschapszetel te 8500 Kortrijk, Spoorweglaan 29 en ingeschreven in de kruispuntbank van ondernemingen onder het nummer 0415.048.152 (in staat van faillissement verklaard bij vonnis van de rechtbank van koophandel te Kortrijk, vijfde kamer, d.d. 28.06.2006), Eiser q.q., persoonlijk pleitend, TEGEN :
- De BVBA BARBARELLA, met vennootschapszetel te 8500 Kortrijk, Spoorweglaan 29 en ingeschreven in de kruispuntbank van ondernemingen onder het nummer 0415.048.152, Eerste verweerster, 2.A, wonende te ... en ingeschreven in de kruispuntbank van ondernemingen onder het nummer ..., Tweede verweerder,
- B, huisvrouw, wonende te ..., Derde verweerster, Alle verweerders hebbende als raadsman en pleitend Mter. Peter Sustronck, advocaat te Kortrijk. De rechtbank heeft de partijen gehoord in de openbare zitting van 23 mei 2007 en heeft kennis genomen van de door de eiser q.q. neergelegde stukken, hierbij toepassing makend van de artikelen 2, 37 en 41 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van talen in gerechtszaken.
- Bij vonnis van 28 juni 2006, gewezen door deze rechtbank en deze kamer werd de BVBA Barbarella failliet verklaard en werd de eiser q.q. als curator aangesteld. Bij dagvaarding, betekend op 8 december 2006, vordert de eiser q.q. a)te zeggen voor recht dat in het faillissement van de BVBA Barbarella, het tijdstip van staking van betaling wordt vastgesteld op 1 januari 2006, b)dienvolgens, en ondermeer op grond van art. 17, art. 18 en (ondergeschikt) art. 20 F.W. - art. 263 en art. 263 Venn.W. - art. 1382 en art. 1383 B.W. voor recht vast te stellen dat een bedrag van euro 43.670,25 op 31 januari 2006 enkel kon betaald worden aan de BVBA Barbarella en elke rechtshandeling - van welke aard ook - waarbij de BVBA Barbarella gedoogde dat het bedrag van euro 43.670,25 aan tweede en derde verweerders werd uitbetaald, niet tegenstelbaar te verklaren aan de failliete boedel, tweede en derde verweerders hoofdelijk en solidair te veroordelen tot de terugbetaling aan de eiser q.q. van het bedrag van euro 43.670,25, te vermeerderen met de wettelijke rente aan 7 % vanaf 12 oktober 2006 tot de dag van de betaling. Bij beschikking van 27 december 2006 werd, op grond van art. 747 § 2 Ger.W. de conclusiekalender tussen de partijen vastgelegd en werd deze zaak voor pleidooien vastgesteld op 23 mei
- Voor de verweerders werden er geen besluiten neergelegd. Voor de verweerders verschijnt ter zitting hun raadsman. Hij heeft mondeling hun verweer voorgedragen. De eiser q.q. vordert vonnis op tegenspraak, overeenkomstig art. 747, § 2 Ger.W. de laatste alinea. Bij het vonnis van faillietverklaring van de BVBA Barbarella werd het ophouden te betalen in hoofde van de BVBA Jocos, de zogenaamde datum van staking van betaling, overeenkomstig art. 12, eerste lid F.W., bepaald op de datum van de faillietverklaring, met name op 28 juni
- De rechter-commissaris aangesteld in het faillissement van de BVBA Barbarella, de heer Jos Renard, heeft bij e-mail van 22 mei 2007 schriftelijk verslag uitgebracht en met de vordering van de eiser q.q. ingestemd. Het Openbaar Ministerie, bij monde van de heer Substituut-Procureur des Konings Nicolaas Simoens, heeft mondeling advies uitgebracht ter zitting van 23 mei 2007, waarbij hij zich aansloot bij het standpunt van de eiser q.q. Op dat advies werd gerepliceerd door de raadsman van verweerders, met onder meer verwijzing naar zijn pleidooi.
- De rechtbank stelt vast dat de vordering om te doen vaststellen dat de gefailleerde, de BVBA Barbarella, heeft opgehouden te betalen op een ander tijdstip dan blijkt uit het vonnis van faillietverklaring, ontvankelijk is, nu in voorliggende zaak de eiser q.q. binnen de zes maanden na de datum van faillietverklaring, 28 juni 2006, de dagvaarding daartoe heeft laten betekenen, namelijk op 8 december 2006 (toepassing art. 12, 5de lid, F.W.).
- Principieel geldt de staking van betaling met ingang van het faillissement (art. 12, 1ste lid F.W.). Dat tijdstip kan door de rechtbank worden gewijzigd (vervroegd), wanneer ernstige en objectieve omstandigheden ondubbelzinnig aangeven dat de betalingen reeds voor het vonnis van faillietverklaring hebben opgehouden (art. 12, 2de lid F.W.). Volgens het arrest van het Hof van Cassatie van 10 november 2006 (C.06.0274.N ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061110.2/10), randnummers 15 en 16, verwijst de uitdrukking "dat de betalingen voor het vonnis hebben opgehouden", gebruikt in art. 12, 2de lid, F.W., naar de faillissementsvoorwaarden vermeld in art. 2 F.W., waarvan de kern hierin bestaat dat de koopman definitief heeft opgehouden te betalen, wat meteen noodzakelijk inhoudt dat hij over geen krediet meer beschikt. Het feit dat de koopman nog over krediet zou beschikken zou verhinderen dat de koopman definitief heeft opgehouden te betalen. Dit heeft tot gevolg dat voor de toepassing van art. 12, 2de lid, F.W. de rechter moet vaststellen dat de koopman op duurzame wijze heeft opgehouden te betalen en dat zijn krediet is geschokt op het tijdstip waarop de rechtbank de staking van betaling vaststelt.
- De ophouding der betalingen is de vastgestelde blijvende onmogelijkheid waarin de handelaar zich bevindt, om zijn effen en opeisbare schulden te vereffenen (Gent 27 april 1995 T.R.V. 1995, 604-612), of wanneer die handelaar dus zijn kasverrichtingen heeft gestaakt. Het veronderstelt een vrij algemeen geldgebrek, onafhankelijk van het vermogen van de handelaar, veroorzaakt door een gebrek aan liquiditeit, waardoor de effen en opeisbare schulden niet betaald worden. Uit de door de eiser q.q. voorgelegde balans per 15 november 2005 blijkt een verlies van euro 8.519,
- De eiser q.q. houdt voor dat de BVBA Barbarella haar sociale bijdragen niet meer betaalde sedert 2001 aan Acerta en aan het SVMB sedert het eerste kwartaal 2004 en dat haar verhuurder reeds over een uitvoerbare titel beschikte sedert 18 mei 2005, die niet betaald raakte en op dagvaarding van die verhuurder de BVBA Barbarella failliet werd verklaard. Dat cijfermateriaal wordt niet tegengesproken. Die vorderingen dateren allemaal van veel langere tijd vóór 1 januari 2006 en zijn voor het grootste deel onbetaald gebleven tot op de faillissementsdatum, zodat de blijvende onmogelijkheid om die effen en opeisbare vorderingen te voldoen de duurzame staking van betaling in hoofde van de BVBA Barbarella op 1 januari 2006 genoegzaam bewijst. Het feit dat de BVBA Barbarella daarna toch nog enkele minieme betalingen verrichtte, waardoor haar schuldenlast niet wezenlijk wijzigde (aangroeiende rente en gerechtskosten), doet aan die beoordeling niets af.
- De staking van betaling staat niet los van het vereiste van het geschokte krediet. De staking van betaling op duurzame wijze is het gevolg van het ontbreken van krediet. Het wankelen van het krediet geeft de reden aan waarom de betaling gestaakt wordt (Verougstraete I., "Manuel de la faillite et du concordat", éd. 2003, nr. 347). De eiser q.q. wijst daaromtrent terecht op het feit dat het handelskrediet van de BVBA Barbarella dan ook reeds veel vroeger dan op 28 juni 2006 onbetwistbaar geschokt was, aangezien zij de eiser q.q. op dat punt niet eens tegenspreekt en hoegenaamd niet bewijst toen kredietwaardig te zijn geweest bij derden, die haar niets meer leenden noch voorschoten om de toestand van staking van betaling te verhinderen.
- De wet vereist een datum, dit is de dag waarop de schuldenaar zijn betalingen heeft gestaakt. Uiteraard valt dergelijke tijdsbepaling niet steeds met de evoluerende werkelijkheid samen: het ophouden van betalen gebeurt zelden van de ene dag op de andere. Rekening houdend met het feit dat het op duurzame wijze ophouden met betalen reeds dateert vanaf minstens het eerste kwartaal 2004, komt het de rechtbank aangewezen voor dat element te weerhouden als voldoende objectief en ernstig dat ondubbelzinnig aangeeft dat op 1 januari 2006 de staking van betaling in hoofde van de BVBA Barbarella ongetwijfeld was ingetreden. De datum van staking van de betaling kan dan ook teruggeplaatst worden tot 1 januari 2006, zoals gevorderd. Dit is binnen de limiet vastgelegd door art. 12, laatste lid F. W.
- De eiser q.q. stelt vervolgens een vordering lastens de tweede en de derde verweerders op de volgende gronden. De verweerders waren eigenaar, de BVBA Barbarella voor het vruchtgebruik gedurende 15 jaar en tweede en derde verweerders voor de naakte eigendom van het onroerend goed gelegen te 8500 Kortrijk, Spoorweglaan 29, ingevolge aankoop op 31 maart
- Op 31 januari 2006 gingen die eigenaars over tot de verkoop van voormeld onroerend goed. Het netto provenu van de verkoopsom, euro 74.433,70, werd volgens de verklaring van de instrumenterende notaris integraal uitbetaald aan de tweede en de derde verweerders, om die te verdelen onder de eigenaars, aan de naakte eigenaars aan wie dat provenu bij cheque was overgemaakt en aan de BVBA Barbarella waarvan haar orgaan één van die naakte eigenaars is, namelijk tweede verweerder. Aan de BVBA Barbarella werd evenwel nooit enige som betaald. De tweede en de derde verweerders hielden die som voor zich. De eiser q.q. houdt voor dat het niet uitbetalen van de waarde van het vruchtgebruik van het verkochte goed aan de BVBA Barbarella een inbreuk uitmaakt op art. 17 en art 18 F.W. en dat die handeling de boedel derhalve niet kan worden tegengeworpen. Naar het oordeel van de rechtbank valt de geviseerde handeling, zoals omschreven door de eiser q.q., niet onder de toepassing van art. 17 of art. 18 F.W. Het gaat niet om een handeling waarbij om niet wordt beschikt, niet om een betaling wegens niet vervallen schulden en niet om een vestiging van een hypotheek of pand wegens voordien aangegane schulden (art. 17 F.W.). Het gaat ook niet om gelden die tweede en derde verweerster hebben ontvangen van de BVBA Barbarella of met haar hebben gehandeld, met kennis van de staking van betaling in haren hoofde (art. 18 F.W.). In ondergeschikte orde houdt de curator voor dat op grond van art. 20 F.W. in elk geval de handeling de boedel niet kan worden tegengeworpen en dat de waarde van het vruchtgebruik aan de boedel van de BVBA Barbarella dient te worden overgemaakt. Naar het oordeel van de rechtbank is het beroep op art. 20 F.W. wel correct. Art. 20 F.W. stelt: "Handelingen of betalingen verricht met bedrieglijke benadeling van de rechten van de schuldeisers kunnen niet worden tegengeworpen, onverschillig op welke datum zij hebben plaatsgehad". De rechtbank wijst er op dat de rechtspraak en de rechtsleer omtrent art. 448 van de oude faillissementswet ook van toepassing is op het gelijkluidend thans nieuw art. 20 F.W. De vordering op grond van art. 20 F.W. is een specifieke toepassing van de pauliaanse vordering, zoals voorzien in art. 1167 B.W. De voorwaarden tot het slagen van de pauliaanse vordering op grond van art. 1167 B.W. zijn de volgende: Het ontstaan van de schuldvordering vooraleer de bedrieglijke handeling door de schuldenaar wordt gesteld. Nadeel voor de schuldeiser. Bedrog van de schuldenaar Medeplichtigheid van een derde voor zover het rechtshandelingen onder bezwarende titel betreft. (Kruithof R. e.a., "Overzicht van rechtspraak - 1981/1992 - Verbintenissen", T.P.R. 1994, blz. 688, nr. 361). Thans wordt evenwel voorgehouden dat het bedrieglijk inzicht van de schuldenaar en de medeplichtigheid van de derde moet worden aanvaard indien de transactie een abnormaal karakter vertoont en de derde medeplichtige kennis heeft van het nadeel dat door die transactie door de andere schuldeisers van de schuldenaar wordt geleden. (Kruithof R. e.a., "Overzicht van rechtspraak - 1981/1992 - Verbintenissen", T.P.R. 1994, blz. 692, nr. 367 / Cornelis L. "Algemene theorie van de verbintenis", nr. 310 en nr. 311, met verwijzing naar rechtspraak in die zin en met enkele kritische bedenkingen). De vordering op grond van art. 20 F.W. is daarbij ook aan enkele bijzondere regels onderworpen. De collectieve rechtsvordering ex art. 20 F.W. kan enkel door de curator in het belang van de gezamenlijke schuldeisers worden uitgeoefend (kh. Brussel, 30 mei 1995, T.B.H. 1996, 45) en komt alle schuldeisers van de gefailleerde ten goede, met inbegrip van diegenen waarvan de rechten slechts na de bedrieglijke handeling zouden zijn ontstaan (Antwerpen, 26 juni 1990, R.W. 1990-91, 995). Het is duidelijk bewezen aan de hand van de gegevens verstrekt door de eiser q.q. dat er schuldeisers bestonden van de BVBA Barbarella, die onbetaald waren op het moment dat deze op 31 januari 2006 overging tot de verkoop van het vruchtgebruik van het voormeld onroerend goed en daarvoor zelf niets betaald werd. Daarenboven kan de curator om te bewijzen dat een handeling met bedrieglijke benadeling van de rechten van de schuldeisers en met medeplichtigheid van de derde werd verricht, thans ook volstaan met te bewijzen dat: a)deze handeling abnormaal was, en b)dat de schuldenaar gehandeld heeft met de wetenschap dat de schuldeisers zouden worden benadeeld en de derde daarvan kennis had. Kh. Luik, 18 oktober 1995, T.B.H., 1996, blz. 469 en vlg. Cass., 15 maart 1985, 15 maart 1985, Arr. Cass. 1984-85,
- Cass. 26 oktober 1989, R.W. 1989-90,
- Gent, 7de kamer, 7 november 2005, A.R. 2003/2679, inzake BVBA Apotheek Regheere t. C.F. CVBA Prochevit, onuitgegeven). Geinger H., e.a., "Overzicht van rechtspraak. Het faillissement en het gerechtelijk akkoord. 1990-1995", T.P.R.1996, blz. 1024 e.v., nr. 139-
- a) Het abnormale karakter van de handeling houdt in dat deze handeling een voor de bevoordeelde derde ongewoon karakter had (Cass. 26 oktober 1989, R.W. 1989-1990, 1028). Naar het oordeel van de rechtbank blijkt dat ongewoon karakter van de handeling uit de feitelijke uiteenzetting: de BVBA Barbarella verkocht haar vruchtgebruik op een onroerend goed via haar orgaan, tweede verweerder, die, samen met zijn echtgenote, de gelden bestemd voor de waarde van het vruchtgebruik in ontvangst nam, maar deze niet ter beschikking stelde van de vennootschap. Het is abnormaal dat de verkoper van een nog langere tijd lopend vruchtgebruik niets ontvangt en de naakte eigenaar de volledige verkoopsom opstrijkt. b) De wetenschap in hoofde van de gefailleerde - dat door het uitvoeren van die betaling in handen van de tweede verweerder, persoonlijk optredend en niet optredend als haar orgaan, en de derde verweerster, haar andere schuldeisers zouden worden benadeeld - staat volgens de rechtbank eveneens vast. De BVBA Barbarella kende uiteraard haar precaire en financiële situatie. Die gelden afkomstig van de verkoop van haar patrimonium dienden aangewend te worden om dringende schulden te vereffenen. Dat gebeurde nu niet. Haar andere schuldeisers werden benadeeld. Indien er correct ware gehandeld, was het misschien niet tot een faillietverklaring van de BVBA Barbarella gekomen, gezien de beperkte schuldenlast van de BVBA Barbarella, die blijkt uit het tweede proces-verbaal van verificatie van schuldvorderingen door de eiser q.q. voorgelegd. De tweede verweerder en de derde verweerster, derde medeplichtigen, deelden op de dag van de ontvangst van de gelden voortkomende uit de verkoop van hun naakte eigendom en het vruchtgebruik van de BVBA Barbarella zonder twijfel voormelde wetenschap. De tweede verweerder behoorde als zaakvoerder zonder meer voormelde wetenschap te delen, terwijl de derde verweerster als echtgenoot van de zaakvoerder ook geacht wordt die wetenschap te delen. Zodoende is het bewijs geleverd van hun kennis van de bedrieglijke benadeling van de rechten van de andere schuldeisers door die ongewone handeling, namelijk door het onbetaald blijven van de waarde van het vruchtgebruik aan de BVBA Barbarella. De voorwaarden tot toepassing van art. 20 F.W. zijn derhalve vervuld. De niet tegenwerpbaarheid van de handeling verwoordt zich in voorliggend geval tot de veroordeling van de tweede en de derde verweerders om vooralsnog de waarde van dat vruchtgebruik aan de BVBA Barbarella te betalen. De eiser q.q. heeft de waarde van dat vruchtgebruik berekend op euro 43.670,
- Die berekening komt de rechtbank rechtmatig en gegrond over. Zij wordt door de verweerders overigens geenszins betwist.
- Daar hiervoor de eiser q.q. reeds bekomt wat er gevorderd wordt, dient er niet meer geoordeeld te worden over de vraag of de tweede en derde verweerders nog op andere gronden tot betaling van het gevorderde zouden gehouden zijn. OM DEZE REDENEN DE RECHTBANK, rechtsprekende bij verstek; Verklaart de vordering van de eiser q.q. ontvankelijk en gegrond; Bepaalt het tijdstip waarop de gefailleerde vennootschap, de BVBA Barbarella heeft opgehouden te betalen op 1 januari 2006; Beveelt dat dit vonnis door de griffier bij uittreksel zal worden bekend gemaakt in het Belgisch Staatsblad binnen vijf dagen na de dagtekening van dit vonnis en binnen dezelfde termijn door de eiser q.q. in dezelfde twee dagbladen of de periodieke uitgaven met regionale verspreiding waarin het faillissementsvonnis werd gepubliceerd; De kosten van de drie voormelde publicaties legt de rechtbank ten laste van de boedel; Zegt dat op grond van art. 20 F.W. het inhouden van een deel van de verkoopsom van het onroerend goed, meer bepaald de tegenwaarde van het vruchtgebruik, toekomend aan de BVBA Barbarella, niet aan de boedel van het faillissement van de BVBA Barbarella kan worden tegengeworpen; Veroordeelt de tweede en de derde verweerders solidair tot de betaling aan de eiser q.q. van het bedrag van euro 43.670,25 (drieënveertigduizend zeshonderd en zeventig euro en vijfentwintig cent), te vermeerderen met de rente vanaf 12 oktober 2006, en dit tegen de wettelijke rentevoet, zoals vastgelegd in burgerlijke en handelszaken buiten de wet van 2 augustus 2002 betreffende de bestrijding van betalingsachterstand in handelstransacties; Wijst het door de eiser q.q. anders of meer gevorderde af als ongegrond; Verwijst de tweede en de derde verweerders solidair tot de kosten en stelt deze tot op heden in hoofde van de eiser q.q. vast op euro 346,68 kosten van dagvaarding en rolstelling; Onverminderd de toepassing van art. 1024 Ger.W.; Verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad, niettegenstaande elke voorziening en zonder borgstelling. Aldus het vonnis uitgesproken in het gerechtshof II te Kortrijk in openbare terechtzitting op woensdag ZES JUNI TWEEDUIZEND EN ZEVEN. Aanwezig: de heren L. Vandenbroucke, ondervoorzitter, J. Vanbiervliet en mevrouw M. Van Eeckhout, rechters in handelszaken, mevrouw Ch. Busschaert, griffier. Ch. Busschaert M. Van Eeckhout J. Vanbiervliet L. Vandenbroucke. Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061110.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div