id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Ondernemingsrechtbank Gent Vonnis/arrest van 20 juni 2007 ECLI nr: ECLI:BE:ORGNT:2007:JUG.20070620.14 Rolnummer: AR 1041/07 Rechtsgebied: Insolventierecht Invoerdatum: 2009-02-12 Raadplegingen: 102 - laatst gezien 2026-07-02 15:49 Fiche UTU-thesaurus: HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - INSOLVENTIE - Faillissement - Gevolgen - Personen HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - INSOLVENTIE - Faillissement - Gevolgen - Verbintenissen Vrije woorden: bevrijding van de zekersteller Tekst van de beslissing Nr. Rep. De rechtbank van koophandel van het rechtsgebied Kortrijk, provincie West-Vlaanderen, VIJFDE KAMER, rechtsprekend In de zaak nr. 1041/2007 der algemene rol. De NV DEJOND, met vennootschapszetel te 2610 Wilrijk, Terbekehofdreef 55-59 en ingeschreven in de kruispuntbank van ondernemingen onder het nummer 0404.943.722, Eiseres, hebbende als raadsman Mter. Bart R. Goossens en pleitend Mter. Toon Nuyts, advocaten te Antwerpen, TEGEN : De heer A, zaakvoerder, wonende te ..., Verweerder, hebbende als raadsman Mter. Trees Vuylsteke en pleitend Mter. Pieterjan Naeyaert, advocaten te Harelbeke. De rechtbank heeft de partijen gehoord in de openbare zitting van 6 juni 2007 en heeft kennis genomen van de neergelegde stukken, hierbij toepassing makend van de artikelen 2, 37 en 41 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van talen in gerechtszaken. Met dagvaarding, betekend op 2 april 2007, vordert de eiseres de veroordeling van de verweerder tot de betaling van euro 7.000,00 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 26 december 2006 tot de dag van de betaling en met de kosten van het geding. De vordering is gebaseerd op het aval door de verweerder gegeven op de wisselbrief, geaccepteerd door de BVBA Carrosserie Constructie Bril voor een bedrag van euro 7.000,00 op vervaldag gekomen op 6 november 2006, en waarvan de eiseres de houdster is. Op 30 oktober 2006 werd de BVBA Carosserie Constructie Bril failliet verklaard door de rechtbank van koophandel te Kortrijk. Op de vervaldag van voormelde wissel bleef deze onbetaald, zodat de eiseres de verweerder aanspreekt tot de betaling van die wisselbrief op grond van art. 47van de wisselbriefwet. De verweerder betwist niet dat in hoofde van de BVBA Carrosserie Constructie Bril, betrokkene en acceptant van de bewuste wisselbrief, staking van betaling werd vastgesteld en derhalve protest van niet-betaling overbodig is geworden (art. 44 wisselbriefwet). De verweerder wijst er immers op dat hij zich als avalgever kosteloos persoonlijk zeker stelde voor de BVBA Carrosserie Constructie Bril en conform art. 72bis faillissementswet een verklaring ter griffie neerlegde, waarin hij bevestigde dat de aangegane verbintenis niet in verhouding is met zijn inkomsten en patrimonium. De verweerder verzoekt wel deze procedure te schorsen tot er uitspraak wordt gedaan over het verzoek tot bevrijding. Hij maakt vervolgens voorbehoud om aanvullend te concluderen en vraagt in ondergeschikte orde de schuld te mogen afbetalen met termijnen, na de opheffing van de schorsing van de tenuitvoerlegging. Geen schorsing van de procedure tot het bekomen van een uitvoerbare titel. Art. 24bis van de faillissementswet bepaalt enkel dat de middelen van tenuitvoerlegging worden opgeschort ten laste van de natuurlijke persoon die zich kosteloos persoonlijk zeker stelde voor de gefailleerde. In de rechtsleer wordt verdedigd dat, ten einde executiegeschillen voor de beslagrechter te vermijden, de procedure tot het verkrijgen van een uitvoerbare titel ten laste van natuurlijke personen die zich kosteloos persoonlijk zeker stelden, moet worden opgeschort. In de rechtspraak wordt die stelling niet gevolgd. Er wordt verdedigd wat volgt: De enkele omstandigheid dat krachtens het nieuwe art. 24bis van de faillissementswet de middelen van tenuitvoerlegging ten laste van de natuurlijke persoon die zich kosteloos persoonlijk zeker stelde voor de gefailleerde, tijdelijk opgeschort zijn, belet niet dat de schuldeiser een procedure tot het bekomen van een titel voert. Antwerpen 25 september 2006, zevende kamer AR 2005/3049 / Arrond. Kortrijk, 6 februari 2007, AR 2006/38/E. De rechtbank sluit zich aan bij die rechtspraak. Hoe kan er anders geoordeeld worden over de vraag tot bevrijding van de natuurlijke persoon die zich kosteloos persoonlijk zeker stelde voor de gefailleerde indien de schuldeiser nog niet over een uitvoerbare titel beschikt en de verbintenis waarvoor een uitvoerbare titel wordt nagestreefd door die zekersteller betwist wordt. Hoe kan er door de rechtbank van koophandel, gevat om over de bevrijding te oordelen, eventueel uitspraak worden gedaan over de vraag of de verbintenis(sen) van de zekersteller in verhouding is met zijn inkomsten en zijn patrimonium, indien de verbintenis(sen) in hoofde van die zekersteller niet eens vaststaan. Er anders over oordelen, impliceert dat die rechtbank van koophandel hoogstens een hypothetisch vonnis zou kunnen vellen. Het feit dat na het bekomen van een uitvoerbare titel door het voortvarend optreden van de schuldeiser met die titel executieproblemen zouden kunnen ontstaan, doordat die schuldeiser er van uitgaat dat de uitvoerbaarheid ervan niet moet worden opgeschort overeenkomstig art. 24bis faillissementswet, doet daar niets van af. Noch het feit dat de beslagrechter, eventueel gevat voor het executiegeschil, de behandeling ervan zou moeten opschorten tot de bevoegde rechtbank van koophandel gevat werd en uitspraak deed over de vraag of de zekersteller daar al dan niet kosteloos toe overging en over de vraag of er aanleiding is de gehele of gedeeltelijke bevrijding van de verbintenis toe te staan. Naar het oordeel van de rechtbank zijn er dan ook geen redenen om de beoordeling van de vordering van de eiseres op te schorten. De grond van de zaak. De partijen hebben pleitdatum verkregen mits verklaring dat de zaak in staat was en dat er geen verdere conclusies zouden worden genomen. In haar aan die verklaring voorafgaande besluiten verzette de eiseres er zich tegen om de verweerder toe te laten nog aanvullend te concluderen, nadat er over de eventuele schorsing van de procedure zou zijn geoordeeld, onder verwijzing naar het feit dat de verweerder reeds meer dan mogelijkheden genoeg gekregen had om inhoudelijk op haar vordering te reageren, maar die mogelijkheid niet te baat had genomen. De weigering van de verweerder om vroeger inhoudelijk te reageren en zijn akkoord met de verlening van een pleitdatum, en dit in voormelde omstandigheden, brengt met zich mee dat de rechtbank er van uitgaat dat de verweerder niet kan ontkennen dat voor wat de grond van de zaak betreft de voorwaarden om de eiseres een uitvoerbare titel toe te kennen op grond van het aval door de verweerder verstrekt, vervuld zijn. Na onderzoek van de door de eiseres voorgelegde stukken komt de rechtbank overigens ook tot het oordeel dat die voorwaarden inderdaad zijn vervuld en de vordering van de eiseres gegrond is. Een en ander wordt nog bevestigd doordat de verweerder dan wel weer aandringt om hem toe te laten zijn schuld te delgen met maandelijkse termijnen. Waar de eiseres zich in haar besluiten nopens de gevraagde afbetalingstermijn zich naar de wijsheid van de rechtbank gedraagt en dus principieel betwist, heeft zij zich ter pleitzitting, bij monde van haar raadsman, daarmee wel akkoord verklaard mits er niet meer dan 10 termijnen zouden worden toegekend. Luidens art. 1244, tweede lid, B.W. kan de rechter met inachtneming van de toestand van de partijen, met grote omzichtigheid en rekening houdend met de termijnen die de schuldenaar reeds genoten heeft, gematigd uitstel van betaling verlenen. In voorliggend geval wordt de verweerder gemachtigd de vordering af te betalen in maandelijkse termijnen van euro 800,00 per maand na de opheffing van de schorsing van de tenuitvoerlegging overeenkomstig art. 24bis faillissementswet. * * * Bij gebreke aan specifieke motivering, die de toestand van de schuldeiser betreft, waarom de schuldenaar van zijn principieel recht tot kantonnement zou moeten uitgesloten worden, wordt op de eis tot uitsluiting van de mogelijkheid tot kantonnement door de rechtbank niet ingegaan. OM DEZE REDENEN DE RECHTBANK, recht doende op tegenspraak; Alle anders luidende en / of tegenstrijdige conclusies van de hand wijzend; Verklaart de vordering ontvankelijk; Zegt dat er geen redenen zijn om deze procedure te schorsen of om de zaak naar de rol te verwijzen tot er uitspraak is gedaan over het verzoek van de verweerder tot zijn bevrijding overeenkomstig art. 80 faillissementswet; Wijst het door de verweerder gevorderde voorbehoud om aanvullend te concluderen af; Verklaart de vordering gegrond; Veroordeelt de verweerder om aan de eiseres te betalen de som van euro 7.000,00 (zevenduizend euro en nul cent), te vermeerderen met de rente vanaf 26 december 2006 tot de dag van de betaling, die rente moratoire rente genoemd tot de dag van de dagvaarding, daarna gerechtelijke rente genoemd, en dit tegen de wettelijke rentevoet, zoals vastgelegd in burgerlijke en handelszaken buiten de wet van 2 augustus 2002 betreffende de bestrijding van betalingsachterstand in handelstransacties; Machtigt de verweerder deze schuld te kwijten met euro 800,00 per maand, vanaf de eerste dag van de maand volgend na de definitieve beslissing omtrent de schorsing van de tenuitvoerlegging ten laste van de verweerder, overeenkomstig art. 24bis faillissementswet, echter met dien verstande dat met de eerste wanbetaling de gehele schuld ineens eisbaar wordt ten voordele van de eisende partij; Veroordeelt de verweerder tot de kosten van het geding en stelt deze tot op heden vast aan de kant van de eiseres op euro 214,40 kosten dagvaarding en rolstelling en op euro 364,40 rechtsplegingsvergoeding; Onverminderd de toepassing van art. 1024 Ger.W.; Verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad, niettegenstaande elke voorziening en zonder borgstelling; Aldus het vonnis uitgesproken in het gerechtsgebouw II te Kortrijk in openbare terechtzitting op woensdag, TWINTIG JUNI TWEEDUIZEND EN ZEVEN. Aanwezig: de heren L. Vandenbroucke, ondervoorzitter; J.Vanbiervliet en mevrouw M. Van Eeckhout, rechters in handelszaken; mevrouw Ch. Busschaert, griffier. Ch. Busschaert M. Van Eeckhout J. Vanbiervliet L. Vandenbroucke. Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.