id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Ondernemingsrechtbank Gent Vonnis/arrest van 16 juli 2007 ECLI nr: ECLI:BE:ORGNT:2007:JUG.20070716.1 Rolnummer: AR 1641/2007 Rechtsgebied: Internationaal privaatrecht Invoerdatum: 2008-05-15 Raadplegingen: 91 - laatst gezien 2026-07-02 15:54 Fiche UTU-thesaurus: GRENSOVERSCHRIJDEND RECHT - INTERNATIONAAL PRIVAATRECHT - WETBOEK IPR - Verbintenissen - Internationale bevoegdheid GRENSOVERSCHRIJDEND RECHT - INTERNATIONAAL PRIVAATRECHT - WETBOEK IPR - Rechtspersonen - Internationale bevoegdheid Vrije woorden: verweerster verschijnt niet ambtshalve onderzoek naar rechtsmacht voorlopige maatregel Tekst van de beslissing Nr. Rep. De Rechtbank van Koophandel van het rechtsgebied Kortrijk, Provincie West-Vlaanderen, EERSTE KAMER, rechtsprekend: In de zaak nr. 1641/2007 der algemene rol.- De naamloze vennootschap "SNACK FOOD POCO LOCO", met vennootschapszetel te 8800 Roeselare, Keizer Karelstraat 5; ingeschreven in de Kruispuntbank van Ondernemingen onder nummer 0453.500.734; eiseres, hebbende als raadslieden meesters Jan Van Camp en Niels Hoebeke, advocaten te Koekelberg, pleitend meester Niels Hoebeke, advocaat voornoemd; tegen : De vennootschap naar Hongaars recht "Kft TEAMCONCEPT HUNGARY", met vennootschapszetel te H-1118 Boedapest (Hongarije), Andrassy ut 28; verweerster, niet verschijnende. Toepassende artikel 2, 37 en 41 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken. Gezien de dagvaarding van 11 mei 2007 waarbij de eiseres vordert om, alvorens recht te doen en in toepassing van de artikelen 19 lid 2 en 735 Ger.W., in afwachting van de uitspraak ten gronde, jegens de gedaagde het absolute verbod op te leggen om buiten het grondgebied van de Hongaarse Republiek enig aan de overeenkomst van 5 februari 2007 ontleend recht uit te oefenen en in het algemeen aan de gedaagde het verbod op te leggen enige actieve handelsdaad te stellen met betrekking tot de producten van de eiseres buiten het grondgebied van de Hongaarse Republiek, hieronder begrepen zijnde, het te koop aanbieden of het met het oog op verkoop aanprijzen of tentoonstellen van producten van de eiseres op beurzen buiten het grondgebied van Hongarije onder verbeurte van een dwangsom van 100.000,00 EUR per overtreding na betekening van het te wijzen vonnis en met toekenning van het recht aan de eiseres om elke levering aan de gedaagde te weigeren van zodra deze zelfs maar één handeling stelt die in strijd is met het haar op te leggen verbod. Ten gronde vordert de eiseres te zeggen voor recht dat de gebiedsomschrijving, waarbinnen de gedaagde gerechtigd is haar rechten uit te oefenen, ontleend aan de overeenkomst van 5 februari 2007, beperkt is tot het grondgebied van de Hongaarse Republiek, en in het bijzonder dat de gedaagde enkel gerechtigd is de contractueel bepaalde producten van de eiseres te verkopen op het grondgebied van de Hongaarse Republiek met uitsluiting van elk ander grondgebied. Tevens vraagt zij om voor recht te zeggen dat de gedaagde bewust en te kwader trouw gehandeld heeft met miskenning van het haar toegekende territorium en de overeenkomst van 5 februari 2007 dienvolgens op die grond lastens de gedaagde te ontbinden met verwijzing van de gedaagde tot de kosten van het geding. Ten slotte vraagt zij voorbehoud om van de gedaagde de integrale vergoeding te vorderen van haar schade. Gehoord de eisende partij in haar middelen en besluiten waarbij zij jegens de niet-verschijnende gedaagde verstek en vonnis vordert conform de dagvaarding, minstens voor de bij dagvaarding gevorderde voorlopige maatregelen met verwijzing van de rest van het geschil naar een latere zitting. Op de inleidende zitting van 21 juni 2007 verklaart de eiseres, bij monde van haar raadsman, dat de rechtbank overeenkomstig art. 23 EEX-Verordening beschikt over de vereiste rechtsmacht op basis van het forumbeding dat vervat is in artikel 8 van de overeenkomst tussen partijen d.d. 5 februari 2007. De rechtbank stelt vast dat de gedaagde partij verstek maakt. Overeenkomstig art. 26.1 van de EEX-Verordening dient de rechtbank in zo'n geval zich ambtshalve onbevoegd te verklaren indien haar bevoegdheid niet berust op de EEX-Verordening. Bovendien schrijft art. 26.2 van de EEX-Verordening voor dat de rechtbank haar uitspraak moet aanhouden zolang niet vaststaat dat de gedaagde in de gelegenheid is gesteld de dagvaarding zo tijdig als met het oog op haar verdediging nodig was, te ontvangen, of dat daartoe al het nodige is gedaan. Art. 26.3 van de EEX-Verordening heeft in dat verband tot gevolg dat de rechtbank art. 19 van de Betekeningsverordening d.d. 29 mei 2000 moet toepassen. De rechtbank stelt vast dat er geen enkel document voorligt waaruit blijkt of zelfs maar kan afgeleid worden dat de dagvaarding de gedaagde partij bereikt heeft. In zulke omstandigheid is het aangewezen om niet alleen de uitspraak over de zaak zelf maar ook de uitspraak over de rechtsmacht aan te houden ; dit klemt des te meer in casu nu de eiseres zich voor de rechtsmacht baseert op een forumbeding (zie I. Bambust en T. Kruger, Artikel 19 Betekening-V° en artikel 26 EEX-V° : een juridisch practicum, R.W., 2003-2004, p. 1435-1439, inz. nr. 8). De eiseres vordert echter ook dat de rechtbank een voorlopige maatregel zou uitvaardigen. Artikel 19.3 van de Betekeningsverordening voorziet inderdaad dat het bepaalde in art. 19.1 en 19.2 van die verordening niet belet dat de rechter, in spoedeisende gevallen, voorlopige of bewarende maatregelen kan nemen. Het moet dus gaan om een spoedeisend geval. In de dagvaarding laat de eiseres in dat verband gelden : "Met haar onrechtmatige houding en handelingen dreigt gedaagde mijn verzoekster dus ernstige en wellicht onherstelbare commerciële schade te berokkenen". De eiseres voert meer bepaald aan dat de gedaagde in de distributie van de goederen waarvoor de partijen een overeenkomst met elkaar hebben afgesloten, haar toegewezen territorium te buiten gaat en zich daarbij op het terrein begeeft van andere (exclusieve) distributeurs. De rechtbank merkt op dat de oorsprong van de huidige discussie die de eiseres met de gedaagde voert, in de eerste plaats te vinden is in de omstandigheid dat bij het afsluiten van het contract d.d. 5 februari 2007, de bijlagen A en B niet ondertekend werden - en waarschijnlijk zelfs niet eens ingevuld werden, laat staan dat ze voorhanden waren -, hoewel ze precies de omschrijving dienden te bevatten van zowel de producten die de gedaagde kon verdelen (bijlage A) als het territorium waarbinnen de gedaagde kon actief zijn (bijlage B). In haar stukkenbundel legt de eiseres zelfs geen ontwerpen voor van die bewuste bijlagen A en B. Dat de eiseres in de dagvaarding zich ertoe beperkt te stellen dat "door een materiële vergissing" de bijlagen A en B ter gelegenheid van de ondertekening niet bij de akte van 5 februari 2007 waren gevoegd, wordt geheel en al voor rekening van de eiseres gelaten. De navolgende correspondentie die wordt voorgelegd vanwege de raadsman van de gedaagde, doet alvast een ander geluid horen (bundel eiseres, stukken nrs. 5, 7 en 9). Anderzijds merkt de rechtbank op dat de eiseres slechts één stuk voorlegt tot staving van haar bewering dat de gedaagde onrechtmatig handelt. Stuk nr. 11 in het bundel van de eiseres is een brief d.d. 2 mei 2007 vanwege haar Duitse distributeur PCO die beweert over exclusiviteit te beschikken voor o.a. Duitsland en Polen. In die brief wordt beweerd dat de gedaagde, door tussenkomst van een derde partij, bepaalde producten zou aangeboden hebben op de Poolse markt aan de klant "Kinoplex". De vrees wordt ook geuit dat de gedaagde, door tussenkomst van dezelfde derde partij, actief zou worden op de Duitse markt. Bewijsstukken van de door de Duitse distributeur ingeroepen exclusiviteit en van de feitelijkheden waarvan sprake in de voormelde brief, worden niet voorgelegd. Wie de derde partij is waarvan sprake, en welke haar juiste rol is in gans het gebeuren, wordt niet uitgelegd. Andere en/of overtuigende bewijsstukken van de stelling van de eiseres dat de gedaagde onrechtmatig handelt, worden evenmin voorgelegd. En nopens de aard en de juiste omvang van de "wellicht onherstelbare commerciële schade" die de eiseres beweerdelijk dreigt te ondergaan, tast de rechtbank al volledig in het duister ... Nog aangenomen dat de rechtbank, in het kader van een voorlopige beoordeling, tot de conclusie zou komen over rechtsmacht te beschikken op basis van het forumbeding dat wordt ingeroepen, om een voorlopige maatregel uit te vaardigen zoals de eiseres het vraagt, dan nog wordt onvoldoende aangetoond dat in het geheel van de hierboven geschetste omstandigheden, er spoedeisendheid voorhanden is zoals door art. 19.3 van de Betekeningsverordening wordt vereist. Conclusie van onderhavig tussenvonnis : op de vraag om een voorlopige maatregel uit te vaardigen, kan niet worden ingegaan en met betrekking tot de grond van de zaak, dient de rechtbank haar uitspraak aan te houden. OP DEZE GRONDEN, DE RECHTBANK, Wijst het verzoek om een voorlopige maatregel uit te vaardigen af; Verwijst de zaak voor het overige naar de bijzondere rol van de eerste kamer; Houdt de beslissing over de kosten aan; Verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad, niettegenstaande elke voorziening en zonder borgstelling. Aldus het vonnis, uitgesproken in het gerechtsgebouw II te Kortrijk in buitengewone openbare terechtzitting van zestien juli tweeduizend en zeven. Aanwezig: P. Deseyne, Voorzitter; J. Corne en P. Danneels, Rechters in handelszaken; P. Vanwettere, griffier. P. Vanwettere P. Danneels J. Corne P. Deseyne Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.