id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Ondernemingsrechtbank Gent Vonnis/arrest van 04 oktober 2007 ECLI nr: ECLI:BE:ORGNT:2007:JUG.20071004.9 Rolnummer: AR 2221/2007 Rechtsgebied: Handelsrecht Invoerdatum: 2008-05-15 Raadplegingen: 98 - laatst gezien 2026-07-02 16:05 Fiche UTU-thesaurus: HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - VERVOER - Wegvervoer - Internationaal vervoer - C.M.R.-Verdrag Vrije woorden: internationale bevoegdheid goederenvervoer over de weg Tekst van de beslissing Nr. Rep. De Rechtbank van Koophandel van het rechtsgebied Kortrijk, Provincie West-Vlaanderen, EERSTE KAMER, rechtsprekend: In de zaak nr. 2221/2007 der algemene rol.- De naamloze vennootschap "WIMATRANS", met vennootschapszetel te 8930 Rekkem, Transportcentrum Lar P 19; ingeschreven in de Kruispuntbank van Ondernemingen onder nummer 0446.956.204; eiseres, hebbend als raadsman meester Mieke Van Cuyck, advocaat te Gavere-Dikkelvenne, pleitend meester Maarten Ampe, advocaat te Kortrijk; tegen : De naamloze vennootschap "MADLUX", met vennootschapszetel te L-4751 Pétange (G.H.Luxemburg), Route de Longwy 165A; met btw-nummer LU19256356; verweerster, niet verschijnende. De rechtbank heeft de eisende partij gehoord in openbare zitting en heeft kennis genomen van de stukken. Toepassing is gemaakt van de art. 2, 37 en 41 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken. Bij dagvaarding van 13 juni 2007 vraagt de eisende partij de veroordeling van de gedaagde tot de betaling van 2.419,01 EUR in hoofdsom, meer de conventionele rente tegen 9,5 % op 2.050,00 EUR + de gerechtelijke rente op het verhogingsbeding ad 247,89 EUR, telkens sedert de dagvaarding tot aan de dag van de betaling en de kosten van het geding, rechtsplegingsvergoeding inbegrepen. Spijt behoorlijke dagvaarding is de gedaagde vennootschap niet verschenen. De eisende partij vroeg jegens haar verstek en vonnis cf. de dagvaarding min de hoofdsom ad 2.050,00 EUR betaald op 18 juli
- De rechtbank dient de uitspraak niet aan te houden in toepassing van art. 26.2 van de EEX-Verordening, nu gebleken is dat de gedaagde rechtspersoon bereikt werd zo tijdig als nodig voor haar verweer (cf. op 15 juni 2007 afgetekende rode ontvangkaart van de Post + certificaat van betekening op 19 juni 2007). De vordering die door de eiseres gesteld wordt, strekt ertoe betaling te bekomen van de prijs voor een internationaal transport dat in opdracht en voor rekening van de gedaagde werd uitgevoerd, welke prijs werd aangerekend en opeisbaar gesteld met een factuur d.d. 31 oktober 2006 ad 2.050,00 EUR. In de dagvaarding verklaart de eiseres dat de rechtbank bevoegd is op grond van art. 31 van het CMR-Verdrag en de algemene verkoopsvoorwaarden van de eiseres. Bedoeld wordt dat de rechtbank beschikt over de vereiste "rechtsmacht". Dit is mede van belang in zoverre de internationale bevoegdheid of de rechtsmacht in beginsel beoordeeld en bepaald moet worden op basis van het voorwerp van de vordering zoals dit door de eisende partij in de dagvaarding wordt aangebracht (Gent, 15 mei 2002, T.B.H., 2003, 155). In dat verband schrijft art. 26.1 EEX-Verordening immers voor dat, wanneer de verweerder met woonplaats op het grondgebied van een lidstaat wordt opgeroepen voor een gerecht van een andere lidstaat en niet verschijnt, dat gerecht zich ambtshalve onbevoegd moet verklaren indien zijn bevoegdheid niet berust op de verordening. Echter dient één en ander onmiddellijk gepreciseerd te worden, gezien de bepalingen van de EEX-Verordening betreffende de rechterlijke bevoegdheid - inzonderheid art. 23 EEX-Verordening dat de vormvoorwaarden bepaalt onder dewelke een overeenkomst tot aanwijzing van een bevoegd gerecht door de partijen kan gesloten worden - in casu niet van toepassing zijn, behoudens art. 26 van de EEX-Verordening dat "in ieder geval" moet toegepast worden (art. 71.2-a, in fine, EEX-Verordening). Immers, de EEX-Verordening laat de verdragen onverlet waarbij de lidstaten partij zijn en die, voor bijzondere onderwerpen, o.m. de rechterlijke bevoegdheid regelen (art. 71.1 EEX-Verordening). Het CMR-Verdrag is zo'n 'lex specialis' die de algemene bevoegdheidsbepalingen van de EEX-Verordening primeert (cf. Hof van Justitie, 28 oktober 2004, R.W., 2005-2006, 756 ; Oberster Gerichtshof Oostenrijk, 7 januari 2003, Eur. Vervoerr., 2003, afl. 5, 658). Art. 31.1 CMR-Verdrag voorziet in een cumulatieve bevoegdheidsregeling waar het bepaalt dat alle rechtsgedingen waartoe het onderworpen vervoer aanleiding geeft, door de eisende partij kunnen gebracht worden : hetzij voor de gerechten van een bij het verdrag partij zijnd land, bij beding tussen de partijen aangewezen ; hetzij voor de gerechten van het land waar de gedaagde zijn gewone verblijfplaats, zijn hoofdzetel of het filiaal of het agentschap heeft, door bemiddeling waarvan de vervoerovereenkomst is gesloten ; hetzij voor de gerechten van het land waar de plaats is gelegen van inontvangstneming of van aflevering der vervoerde goederen. Uit de slotzin van art. 31.1 CMR-Verdrag ("zij kunnen voor geen andere gerechten worden gebracht") volgt echter dat die regeling tegelijk ook exclusief van aard is, derwijze dat art. 31 CMR-Verdrag derogeert aan de rechtsmachtregels van de EEX-Verordening, dewelke buiten toepassing blijven (M.L. Hendrikse en Ph. H.J.G. Van Huizen (ed.), CMR : Internationaal vervoer van goederen over de weg, Zutphen, 2005, nr. 12.1.5, p. 243-244). De bevoegdheid van de rechtbank van koophandel te Kortrijk kan in casu niet verantwoord worden met beroep op de tweede mogelijkheid van art. 31.1 CMR-Verdrag, gezien de gedaagde een ingezetene van het Groot Hertogdom Luxemburg is en blijkens de voorliggende gegevens ook aldaar haar handelsbedrijvigheid voert. De bevoegdheid van de rechtbank van koophandel te Kortrijk kan in casu ook niet verantwoord worden met beroep op de derde mogelijkheid van art. 31.1 CMR-Verdrag, gezien volgens de voorgelegde stukken noch de plaats van inontvangstneming noch de plaats van aflevering der vervoerde goederen zich in België situeren. Blijft dan de stelling van de eiseres dat het forumbeding van art. 49 van haar zgn. "algemene voorwaarden" tot gevolg heeft dat de rechtbank van koophandel te Kortrijk rechtsmacht heeft om van het geschil kennis te nemen, meer bepaald op grond van de eerste mogelijkheid van art. 31.1 CMR-Verdrag. Nazicht van de voorgelegde stukken leert de rechtbank dat het niet gaat om ‘klassieke' factuurvoorwaarden, maar dat de eiseres zich beroept op de "Algemene voorwaarden der expediteurs van België 1980", gepubliceerd in de Bijlage tot het Belgisch Staatsblad van 24 juli 1980 onder nr.
- Van die voorwaarden komt enkel een verwijzing voor op de litigieuze factuur ; de voorwaarden zelf zijn niet afgedrukt op (de keerzijde van) de factuur (bundel eiseres, stuk nr. 1). Afgezien van de vraag indien er terzake wilsovereenstemming tussen de partijen werd bereikt, stelt de rechtbank in de eerste plaats vast dat de tekst van art. 49 der bewuste voorwaarden als volgt luidt : "Behoudens scheidsrechterlijk beding of overeenkomst, zullen alle uit een geschil tussen de expediteur en zijn opdrachtgever voortvloeiende rechtsvorderingen, zelfs bij wijze van vrijwaring en zelfs in geval van meerdere verweerders, voor de Rechtbank van Koophandel van de plaats waar de expediteur zijn hoofdhuis in België gevestigd is gebracht worden. De expediteur alleen is nochtans steeds gemachtigd het geschil voor de ratione loci bevoegde rechtbank te brengen" (bundel eiseres, stuk nr. 2 - cursiveringen door de rechtbank). Uit de tekst van art. 49 volgt derhalve dat de rechtbank van de plaats waar de eiseres haar hoofdvestiging heeft in België, bij uitsluiting bevoegd wordt gemaakt voor alle geschillen die voortvloeien uit - wat in casu moet aanzien worden als - een aan het CMR-Verdrag onderworpen vervoersovereenkomst, tenzij de eiseres - en zij alleen - zelf ervoor zou kiezen om zich tot een andere rechtbank te wenden (waarbij de rechtbank in het midden laat wat bedoeld wordt met "de ratione loci bevoegde rechtbank"). Dergelijk beding is nietig op grond van art. 41 CMR-Verdrag, want in strijd met art. 31.1 CMR-Verdrag dat de ladingbelanghebbenden de keuze laat om de vordering te brengen voor de in die bepaling opgesomde rechtsmachten (Gent, 5 februari 2007, T.G.R., 2007, 176; Gent, 14 september 2005, T.B.H., 2006, 728). Conclusie : deze rechtbank beschikt niet over de rechtsmacht om van het geschil kennis te nemen. OP DEZE GRONDEN, DE RECHTBANK, Verleent verstek jegens de niet verschijnende gedaagde; Stelt vast over geen rechtsmacht te beschikken om van de vordering kennis te nemen ; Verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad, niettegenstaande elke voorziening en zonder borgstelling. Aldus het vonnis, uitgesproken in het gerechtsgebouw II te Kortrijk in openbare terechtzitting op vier oktober tweeduizend en zeven. Aanwezig: P. Deseyne, Voorzitter; G. Leroy, rechter in handelszaken en J. Decorte, plaatsvervangend Rechter in handelszaken; P. Vanwettere, griffier. P. Vanwettere J. Decorte G. Leroy P. Deseyne Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div