id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Ondernemingsrechtbank Gent Vonnis/arrest van 10 oktober 2007 ECLI nr: ECLI:BE:ORGNT:2007:JUG.20071010.16 Rolnummer: AR 650/07 Rechtsgebied: Burgerlijk recht Invoerdatum: 2009-02-12 Raadplegingen: 129 - laatst gezien 2026-07-02 16:07 Fiche UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - VERBINTENISSEN UIT OVEREENKOMST - Nakoming verbintenis - Ontbinding BURGERLIJK RECHT - VERBINTENISSEN UIT OVEREENKOMST - Nakoming verbintenis - Schadevergoeding - Wegens niet-naleving BURGERLIJK RECHT - VERBINTENIS UIT ONRECHTMATIGE DAAD - Begroting schade - Algemene beginselen schadebepaling - Schadebeperking Vrije woorden: schadebeperkingsplicht Tekst van de beslissing Nr. Rep. De rechtbank van koophandel van het rechtsgebied Kortrijk, provincie West-Vlaanderen, VIJFDE KAMER, rechtsprekend In de zaak nr. 650/2007 der algemene rol. De NV CASTELLINO PRODUCTIONS, met vennootschapszetel te 8531 Harelbeke-Hulste, Brugsesteenweg 42 en ingeschreven in de kruispuntbank van ondernemingen onder het nummer 0464.090.560, Eiseres, hebbende als raadsman Mter. Xavier D'Hulst en pleitend Mter. Stefaan Desrumaux, advocaten te Kortrijk, TEGEN : Mevrouw A, handeldrijvende onder de benaming "...", wonende te ... en met uitbating te ... en ingeschreven in de kruispuntbank van ondernemingen onder het nummer ..., Verweerster, hebbende als raadsman en pleitend Mter. Johan Vynckier, advocaat te Kortrijk-Marke. De rechtbank heeft de partijen gehoord in de openbare zitting van 12 september 2007 en heeft kennis genomen van de neergelegde stukken, hierbij toepassing makend van de artikelen 2, 37 en 41 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van talen in gerechtszaken.
- De vordering. Met dagvaarding, betekend op 27 februari 2007, vordert de eiseres de veroordeling van de verweerster tot de betaling van euro 25.238,92, te vermeerderen met de conventionele rente van 9,5 % op euro 21.790,05 vanaf 8 februari 2007 tot de dag van de betaling, met de gerechtelijke rente op euro 2.500,00 tot de dag van de betaling en met de kosten van het geding. In haar laatste synthesebesluiten vordert de eiseres de ontbinding van de overeenkomst met de verweerster gesloten, de veroordeling van de verweerster tot een provisiesom van euro 7.500,00 ten titel van schadevergoeding, de rest van de zaak naar de rol te verzenden in afwachting van volledige duidelijkheid over de hoegrootheid van de geleden schade.
- Korte schets van de feiten en het standpunt van de partijen. De eiseres en de verweerster sloten in de tweede helft van 2006 meerdere overeenkomsten tot het leveren door de eiseres van een aantal kledingsstukken aan de verweerster met als leveringstermijnen: eind 2006/begin
- Daar stond een betalingsverplichting van de verweerster tegenover van een totale som van euro 22.094,
- De eiseres heeft de bestellingen in productie genomen en is de levering ervan gestart. Nadat de eiseres kennis nam van de onmogelijkheid in hoofde van de verweerster de aangegane betalingsverplichtingen na te komen - mits het bekomen van een kredietlijn -, vorderde de eiseres levering tegen rembours, waarop door de verweerster niet volledig kon worden ingegaan. In haar inleidend dagvaardingsexploot vordert de eiseres de betaling van de waarde van de door haar geproduceerde kledij, die zij nog in bezit heeft, te vermeerderen met de rente en het verhogingsbeding, zoals in haar algemene verkoopsvoorwaarden bedongen. In dat dagvaardingsexploot d.d. 27 februari 2007 heeft de eiseres de verweerster expliciet uitgenodigd de goederen alsnog af te halen tegen rembours gesteld dat, indien dit niet gebeurt binnen de maand vanaf de dag van de dagvaarding, zij voorbehoud maakte voor standgeld en de eventuele verbreking (van de overeenkomsten), aan de verweerster voorgesteld, ten einde dat laatste tegen te gaan, binnen de maand te laten weten, dat zij geen aanspraak meer maakte op de afname van de producten en dat zij verkoos dat de goederen door de eiseres verkocht werden aan derden, voorgehouden dat zij alsdan die doorverkoop zou proberen en de eventueel bekomen verkoopprijs in mindering zou gebracht mogen worden. Op 15 maart 2007, dit is binnen de door de eiseres aan de verweerster gegunde beslissingstermijn, heeft de raadsman van de verweerster bij niet-vertrouwelijke brief laten weten dat zij geen aanspraak meer maakte op de afname van de goederen, zij er bijgevolg geen bezwaar tegen had dat die goederen door de eiseres aan derden werden verkocht, waarna die verkoopprijs in mindering zou komen van de vordering van de eiseres. In haar besluiten heeft de eiseres vervolgens de ontbinding van de overeenkomsten, aangegaan met de verweerster, en een provisie van euro 7.500,00 schadevergoeding gevorderd. Zij verwijst daarbij naar art. 10 van haar factuurvoorwaarden, waar een forfaitaire schadevergoeding van 20 % van de waarde werd bedongen bij de ontbinding van de overeenkomst. In geval de goederen reeds in productie zijn, is er in fine van dat artikel bedongen, dat in dat geval de eiseres recht heeft op integrale schade(vergoeding), en dit uitsluitend volgens haar keuze. Zij kiest thans voor de betaling van integrale schadevergoeding, waarop zij thans de toekenning van een provisie vordert. De verweerster wijst er in haar besluiten op dat zij de eiseres reeds euro 8.234,54 heeft betaald, de eiseres geen aanspraak kan maken op de toepassing van de factuuraanhorigheden, de eiseres geen recht heeft op enig standgeld, geen enkel gegeven bekwam omtrent de pogingen van de eiseres om de bewuste koopwaar te gelde te maken, op heden niet kan veroordeeld worden tot de betaling van welke schadevergoeding dan ook omdat er nog niets gekend is over de nakoming van de schadebeperkingsverplichting in hoofde van de eiseres (de manier waarop en de bedragen tegen dewelke de goederen werden doorverkocht) en de zaak dienvolgens naar de rol dient verwezen te worden tot de eiseres de nodige toelichtingen heeft verstrekt en de koopwaar heeft doorverkocht. De eiseres brengt in haar laatste besluiten voorlopig geen standgeld in rekening, maakt geen toepassing meer van de factuurvoorwaarden alwaar rente en verhogingsbeding zijn in opgenomen en gaat akkoord dat er inderdaad rekening moet gehouden met minstens de door de verweerster betaalde bedragen. Nopens voormelde betalingen houdt de eiseres bij haar schadeberekening immers rekening, niet met het bedrag van euro 8.234,54, de effectieve door de verweerster reeds betaalde som, doch wel met een bedrag van euro 8.415,17, het effectieve betaalde bedrag, vermeerderd met de kortingen die de verweerster bij de betalingen kon in rekening brengen. Aan de kritiek door de verweerster geuit op de samenstelling van de vordering van de eiseres wordt dus deels tegemoetgekomen. De eiseres gaat evenwel niet akkoord dat er thans niet over de toekenning van een provisie op haar schade kan worden geoordeeld. Zij wijst op wat volgt: Haar schade bestaat uit gederfde winst en de gemaakte kosten, wat gelijk staat met prijzen overeengekomen met de verweerster, te verhogen met bijkomende opslagkosten en bijkomende andere administratieve lasten. De waarde van de niet afgenomen kledingsstukken bedraagt euro 13.679,00 (bedrag bestelling = euro 22.094,17 te verminderen met euro 8.415,17). Zij deed pogingen om de niet door de verweerster afgenomen goederen (ongeveer een 750 kledingsstukken) te verkopen, wat tot op vandaag niet lukte. Zij raamt de opbrengst bij doorverkoop einde dit jaar, aan opkopers, op euro 2,00 per kledingsstuk, zodat daaruit slechts een bedrag zal gepuurd worden van hoogstens euro 1.500,
- Dit alles impliceert volgens de eiseres dat een veroordeling tot de betaling van een provisie van euro 7.500,00 als rechtmatig dient weerhouden te worden.
- Beoordeling. De eiseres stelt terecht dat de verweerster wanprestatie pleegt. Er is geen betwisting over dat feit, en de rechtbank stelt vast, dat de verweerster inderdaad wanprestatie pleegde door haar afnameverplichtingen niet na te komen. Die wanprestatie, zonder aanwijsbare reden naar de kwaliteit van de koopwaar toe, is in hoofde van de koper op zich reeds voldoende ernstig om de ontbinding van de koopovereenkomsten te rechtvaardigen. De verweerster heeft evenwel nooit de overeenkomsten "verbroken". Haar wanprestatie geeft enkel aanleiding tot het ontbinden van de overeenkomsten, waartoe de rechtbank met dit vonnis overgaat. En volledig terecht maakt de eiseres aanspraak op een vergoeding van de schade die deze ontbinding in haren hoofde heeft veroorzaakt. De verweerster wijst er evenwel van haar kant eveneens volledig terecht op dat de eiseres ook verplichtingen dient na te komen bij de beëindiging van die overeenkomsten. De ontplooiing van het vereiste van redelijkheid en billijkheid in de uitvoering van contracten (art. 1134, 3° B.W.) heeft aan de schadebeperkingsplicht een ruimere plaats gegeven in de relatie tussen de contractanten bij betwisting. De schuldeiser die het slachtoffer is van de contractuele wanprestatie van zijn schuldenaar, mag door zijn passieve houding de veroorzaakte schade niet zomaar laten toenemen en mag de positie van zijn schuldenaar niet onredelijk verzwaren: ook op hem rust de last de schade waarvoor zijn schuldenaar moet instaan te beperken. De sanctie bij niet nakoming van de schadebeperkingsplicht is dan een vermindering van het recht van de benadeelde schuldeiser om aanspraak te maken op de vergoeding van de schade die hij had kunnen vermijden. Deze verplichting om de schade te beperken kan, in bepaalde omstandigheden, een benadeelde schuldeiser dwingen het contract te beëindigen. Als meest verregaand voorbeeld wordt verwezen naar de ontbinding van de handelskoop van goederen die aan snelle prijsschommelingen onderhevig zijn (art. 1657 B.W.) (Stijns S., "De gerechtelijke en de buitengerechtelijke ontbinding van overeenkomsten", blz. 609 en 610, nrs. 468 en 469). Een contractant dient zoveel als mogelijk de schade waarvoor zijn wederpartij moet instaan te beperken (Dirix E. in de noot onder Rb. Hasselt, 26 februari 1979, "De schadebeperkingsplicht van de benadeelde", R.W. 1979-80, blz. 2928, nr. 13). In de voorliggende zaak ontving de eiseres reeds op 15 maart 2007 het akkoord van de verweerster dat zij de niet afgenomen kledingsstukken mocht herverkopen, zodat toen reeds tot de herverkoop kon worden overgegaan. De eiseres toont vooralsnog niet aan dat zij toen en de weken daarna, als benadeelde partij, in alle redelijkheid en billijkheid heeft gehandeld. Zij legt geen bewijs voor dat zij haar andere klanten en / of opkopers de kans bood om die kledingsstukken aan te kopen, zij het aan een tamelijk gereduceerde prijs, bijvoorbeeld om als aanbod bij zomeropruimingen dienst te doen. Er ligt niets voor in verband met een eventuele fabrieksverkoop waarop de verweerster allusie maakt. Op vandaag zijn die kledingsstukken nog steeds niet herverkocht en meent de eiseres thans haar toevlucht te moeten zoeken tot een opkoper die amper 10 % van de waarde van de kledij zou wensen te betalen. Waarde die de verweerster eveneens en vooralsnog wenst te betalen, zodat deze door de eiseres in de herverkoop van de kledingstukken best betrokken wordt. Vooraleer de rechtbank oordeelt of in deze zaak over de vraag of de eiseres dient gesanctioneerd te worden en in welke mate, door de vermindering van de vergoeding van de schade die zij had kunnen vermijden door vroeger dan thans over te gaan tot herverkoop van de kledingsstukken en om de eiseres toe te laten de opbrengst van de geplande herverkoop in rekening te brengen bij de berekening van haar schadevergoeding, wordt de eiseres uitgenodigd alle elementen omtrent de voormelde punten voor te leggen en wordt de zaak naar de rol verstuurd. Dit belet evenwel niet dat de eiseres op dit ogenblik reeds aanspraak kan maken op een provisie op haar schadevergoeding. In art. 10 van de algemene verkoopsvoorwaarden van de eiseres is er bedongen dat bij ontbinding lastens de koper de eiseres hoe dan ook recht heeft op een forfaitaire schadevergoeding van 20 % van de waarde van de kledingsstukken waaromtrent de overeenkomst ontbonden is. Die 20 % vertegenwoordigt in die hypothese, naar het oordeel van de rechtbank, de verloren winst in hoofde van de eiseres en de vergoeding waarop zij recht heeft voor de kosten voor het tot stand brengen van de door de rechtbank ontbonden overeenkomsten. Zelfs in het utopische geval dat de eiseres bij de herverkoop van de bewuste kledingsstukken evenveel zou ontvangen als de prijs overeengekomen met de verweerster, dan nog heeft de eiseres recht op die forfaitaire schadevergoeding. Er anders over oordelen zou met zich brengen dat zij geen vergoeding zou ontvangen voor de verloren winst en de vergoeding voor inspanningen geleverd naar aanleiding van de thans ontbonden overeenkomsten. In voorliggend geval staat het vast dat de waarde van de niet afgenomen kledingsstukken euro 13.679,00 bedraagt. Een provisie van 20 % op dat bedrag, of dus euro 2.735,80 wordt thans toegekend. * * * Bij gebreke aan specifieke motivering, die de toestand van de schuldeiser betreft, waarom de schuldenaar van zijn principieel recht tot kantonnement zou moeten uitgesloten worden, wordt op de eis tot uitsluiting van de mogelijkheid tot kantonnement door de rechtbank niet ingegaan. OM DEZE REDENEN DE RECHTBANK, recht doende op tegenspraak; Alle anders luidende en / of tegenstrijdige conclusies van de hand wijzend; Verklaart de heromschreven vordering ontvankelijk en in de volgende mate gegrond; Ontbindt ten laste van de verweerster de overeenkomsten tot aankoop van kledij, gesloten tussen de eiseres en de verweerster in de tweede helft van 2006 voor wat de tot op heden door de verweerster niet afgenomen kledingsstukken betreft; Zegt voor recht dat de eiseres de door haar daardoor opgelopen schade kan verhalen op de verweerster en veroordeelt de verweerster thans tot de betaling van een bedrag van euro 2.735,80 (tweeduizend zevenhonderd vijfendertig euro en tachtig cent), als provisie op de totale schadevergoeding; Verzendt de rest van het geschil naar de rol ten einde de partijen toe te laten de stukken voor te brengen en te concluderen over de hoegrootheid van de verder toe te kennen schadevergoeding; Verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad, niettegenstaande elke voorziening en zonder borgstelling; Aldus het vonnis uitgesproken in het gerechtsgebouw II te Kortrijk in openbare terechtzitting op woensdag, TIEN OKTOBER TWEEDUIZEND EN ZEVEN. Aanwezig: de heren L. Vandenbroucke, ondervoorzitter, P. De Poot en P. Matton, rechters in handelszaken, mevrouw Ch. Busschaert, griffier. Ch. Busschaert P. Matton P. De Poot L. Vandenbroucke. Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div