← België

ECLI:BE:ORGNT:2007:JUG.20071024.20

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Ondernemingsrechtbank Gent Vonnis/arrest van 24 oktober 2007 ECLI nr: ECLI:BE:ORGNT:2007:JUG.20071024.20 Rolnummer: AR 1823/06 Rechtsgebied: Internationaal privaatrecht Invoerdatum: 2009-02-17 Raadplegingen: 142 - laatst gezien 2026-07-02 16:13 Fiche UTU-thesaurus: GRENSOVERSCHRIJDEND RECHT - INTERNATIONAAL PRIVAATRECHT - WETBOEK IPR - Algemene bepalingen - Rechterlijke bevoegdheid Vrije woorden: forumbeding in factuurwoorwaarden (+ CISG) Tekst van de beslissing Nr. Rep. VONNIS Rechtbank van koophandel te Kortrijk VIJFDE KAMER In de zaak nr. 1823/2006 der algemene rol. De NV CROP'S, met vennootschapszetel te 8710 Ooigem, Oostrozebeeksestraat 160 en ingeschreven in de kruispuntbank van ondernemingen onder het nummer 0417.502.549, Eiseres, hebbende als raadsman Mter. Piet Lombaerts, advocaat te Harelbeke en pleitend Mter. Piet Lombaerts voornoemd en Julie Vanneste, advocaten te Harelbeke, TEGEN : De vennootschap naar Amerikaans recht THE HAIN CELESTIAL GROUP, Corporate Headquarters, met zetel te Melville, NY 11747 (Verenigde Staten van Amerika), 58 South Service Road, Verweerster, hebbende als raadsman Mter. Antoine de le Court en pleitend Mter. Axelle Steurs, advocaten te Brussel, De rechtbank heeft de partijen gehoord in de openbare zitting van 26 september 2007 en heeft kennis genomen van de neergelegde stukken, hierbij toepassing makend van de artikelen 2, 37 en 41 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van talen in gerechtszaken.

  1. De vorderingen. Met dagvaarding, betekend op 24 februari 2006, vordert de NV Crop's wat finaal in haar samenvattende conclusie als volgt wordt omschreven: de veroordeling van de vennootschap naar Amerikaans recht The Hain Celestial Group, verder in het overwegend deel van dit vonnis de vennootschap HCG genoemd, tot de betaling van: een bedrag gelijk aan de tegenwaarde in Euro aan de hoogste koers op de datum van de betaling van een bedrag van 165.253,10 USD, te vermeerderen met de gerechtelijke rente gelijkgesteld aan de rentevoet vastgesteld overeenkomstig de wet van 2 augustus 2002, vanaf 1 juni 2007 tot de dag van de uiteindelijke betaling, een bedrag gelijk aan de tegenwaarde in Euro aan de hoogste koers op de datum van de betaling tot de vergoeding van de opslagkosten, begroot op 9.393,00 USD, te vermeerderen met de gerechtelijke rente vanaf 24 februari 2006 tot de dag van de uiteindelijke betaling, een bedrag gelijk aan de tegenwaarde in Euro aan de hoogste koers op de datum van de betaling van een bedrag van 150.000,00 USD, te vermeerderen met de gerechtelijke rente vanaf 24 februari 2006 tot de dag van de uiteindelijke betaling, de kosten van het geding. Daarenboven vordert de NV Crop's dat de kapitalisatie van de rente bevolen wordt op 1 juni
  2. Korte schets van de feiten en het standpunt van de partijen. In de loop van 2005 kwam tussen de partijen een overeenkomst tot stand waarbij de NV Crop's er zich toe verbond stoomsoepen en stoomgroenten te leveren aan de vennootschap HCG, die er zich op haar beurt toe verbond die goederen af te nemen en te betalen. 15 containers stoomgroenten werden door de NV Crop's probleemloos geleverd. 3 containers stoomgroenten, die klaarstonden, werden door de vennootschap HCG niet verder afgenomen. De factuur door de NV Crop's opgesteld voor de tegenwaarde van de niet geleverde stoomgroenten, een bedrag van 77.412,34 USD, is het eerste punt van discussie tussen de partijen. De NV Crop's heeft 2 containers stoomsoepen op transport gezet voor de vennootschap HCG. Die containers werden evenwel de toegang tot de Verenigde Staten van Amerika geweigerd en werden geretourneerd. Een en ander tengevolge van strengere invoermaatregelen na vaststelling van vogelgriep in Europa en het feit dat er kippenvlees in de soepen was verwerkt. De facturen voor die twee containers door de NV Crop's opgesteld, voor een totale som van 55.344,84 zijn niet betaald en vormen een tweede onderdeel van de betwisting. De vennootschap HCG had een raming gemaakt van de hoeveelheden van de stoomsoepen en de stoomgroenten en volgens de NV Crop's zich tot afname van die hoeveelheden verbonden: 7 containers stoomsoepen, waarvan 2 de toegang tot de Verenigde Staten van Amerika geweigerd werden en 5 niet werden afgeroepen, en 40 containers stoomgroenten, waarvan 15 stuks geleverd werden, 3 stuks voor levering in de magazijnen van de NV Crop's een tijdlang klaarstonden en 22 niet werden afgeroepen. Voor die 27 niet afgenomen containers (5 stoomsoepen en 22 stoomgroenten) vordert de NV Crop's een schadevergoeding, de betaling van 25 % van hun waarde of 150.000,00 USD. Of er al dan niet overeenkomsten van onbepaalde duur werden gesloten, wat er effectief besteld werd, en welke schade uit een eventuele wanprestatie voortvloeit, is nog een punt van betwisting tussen de partijen. De vennootschap HCG werpt vooreerst op dat de stukken van het bundel van de NV Crop's dienden vertaald te worden, betwist vervolgens de rechtsmacht van de Belgische rechtbanken en voert omtrent de grond van de zaak aan dat zij afnam waartoe zij zich verbonden had en betaalde waartoe zij gehouden was, zodat de vordering als ongegrond moet worden afgewezen.
  3. Beoordeling. I. Vertaling van de stukken. Alhoewel het in het belang van de partijen geboden is enkel bescheiden over te leggen die gesteld zijn in de taal van de rechtspleging en desnoods over te gaan tot de voorlegging van een vertaling van de bescheiden in een andere taal gesteld, valt dit voorschrift evenwel niet onder de sanctie van art. 40 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken. Dit voorschrift volgt uit de overweging dat magistraten in rechtscolleges met een eentalig taalstatuut enkel die taal moeten kennen. Het is echter enkel een praktisch voorschrift voor een goede rechtsbedeling (Lindemans L., A.P.R., "Taalgebruik in gerechtszaken", nr. 165). Wanneer de rechtbank de taal machtig is van de voorgelegde bescheiden, zoals in voorliggende zaak, gebiedt niets de schorsing van de behandeling van de zaak tot de voorgelegde stukken vertaald werden. De opgeworpen exceptie wordt in deze zaak als niet ter zake dienend terzijde geschoven. II. De rechtsmacht van de rechtbank. De internationale rechtsmacht van de rechtbank wordt betwist door de vennootschap HCG, met zetel in de Verenigde Staten van Amerika, die gedagvaard wordt om te verschijnen voor de Belgische rechter door de NV Crop's met zetel in België. De verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (verder EEX-VO), is enkel toepasselijk in de betwistingen tussen bewoners van de lidstaten, derhalve niet in onderhavige betwisting. Er is evenmin een internationaal verdrag toepasselijk dat de rechtsmacht regelt bij een betwisting tussen partijen met woonplaats in België en in de Verenigde Staten van Amerika. Derhalve is overeenkomstig art. 2 van de wet van 16 juli 2004 houdende het wetboek van internationaal privaatrecht (veder IPR genoemd) van toepassing. Overeenkomstig art. 6 § 1 IPR zijn de Belgische rechters bevoegd, wanneer de partijen rechtsgeldig zijn overeengekomen om een Belgische rechter bevoegd te maken, in de zin van rechtsmacht toe te kennen. De NV Crop's verwijst naar art. 11 van haar factuurvoorwaarden met een exclusief forumbeding ten voordele van het vredegerecht te Oostrozebeke of de rechtbanken te Kortrijk, en besluit tot de rechtsmacht en de bevoegdheid van de gevatte rechtbank. De vennootschap HCG stelt daartegenover dat de partijen niet zijn overeengekomen om een Belgische rechter bevoegd te maken voor de tussen hen te rijzen betwistingen en verwijst in dat verband naar de inhoud van de overeenkomsten die zij aan de NV Crop's heeft overgemaakt ter ondertekening en waarbij bedongen werd dat elke betwisting voor de rechtbanken van de staat New York zouden gebracht worden. De rechtbank merkt op dat onderaan het ontwerp van de door de vennootschap HCG voorgelegde overeenkomsten telkens aan de NV Crop's gevraagd wordt om twee exemplaren van de overeenkomst uit te printen, er een van te ondertekenen, een exemplaar terug te zenden en een exemplaar te houden voor de eigen documentatie. Geen enkele keer ging de NV Crop's in op die herhaalde uitnodiging vanwege de vennootschap HCG. Daaruit volgt dat de NV Crop's niet akkoord ging om de inhoud van de overeenkomsten te accepteren. De kringredenering van de vennootschap HCG dat het stilzwijgen van de NV Crop's als akkoord met de voorgelegde ontwerpen moet worden weerhouden, kan niet gevolgd worden. Want of de NV Crop's nu tekende zoals gevraagd, of dat nu juist niet deed omdat zij het niet eens was met het voorgelegde ontwerp, blijkbaar zou telkens aangenomen moeten worden dat de NV Crop's akkoord ging, wat uiteraard niet kan. Of tussen de partijen een rechtsgeldige overeenkomst tot stand kwam nopens de jurisdictieclausule, moet worden onderzocht volgens het toepasselijke recht aangewezen uit hoofde van art. 98 IPR (Erauw J. en Fallon M., "De nieuwe wet op het internationaal privaatrecht - wet van 16 juli 2004", Kluwer 2004, blz. 92). Art. 98 IPR bepaalt dat het recht toepasselijk op de contractuele verbintenis wordt vastgesteld door het Verdrag inzake het recht van toepassing op verbintenissen uit overeenkomst, gesloten te Rome op 19 juni 1980 (EVO). Bij gebrek aan uitdrukkelijke rechtskeuze door de partijen, wordt de overeenkomst volgens art. 4 van voormeld verdrag, beheerst door het recht van het land waarmee zij het nauwst verbonden is, vermoedelijk het land waar de partij die de kenmerkende prestatie moet verrichten haar gewone verblijfplaats of haar hoofdbestuur heeft. De rechtbank neemt aan dat de kenmerkende prestatie bij koop-verkoop deze is waarvoor betaald wordt, in voorliggende betwisting, de leveringsplicht van de goederen (Verlinden J. "De toepassing van de artikelen 3 en 4 van het EVO door de rechter", T.B.H. 2003, 132, nr. 2.1.) De NV Crop's heeft haar hoofdbestuur in België. De overeenkomst wordt derhalve beheerst door het Belgische recht. Naar Belgisch recht wordt op vandaag aangenomen dat krachtens art. 25, titel IV W.Kh., de rechter, inzake handelsverrichtingen, uit de aanneming van de factuur een feitelijk vermoeden kan putten en er het bewijs kan in vinden dat de schuldenaar zijn akkoord heeft gegeven met de in de factuur vermelde verbintenis en de daarbij meegedeelde factuurvoorwaarden. Dat is eveneens het geval wanneer de aangenomen factuur is gestuurd in uitvoering van de overeenkomst tussen de partijen maar daarvan afwijkende verbintenissen inhoudt. (Gent, 18/10/1978, R.W. 1979/80, 591 en Cass. 27/1/2000, R.W. 2000/2001, 353). Indien derhalve nog zou moeten aangenomen worden dat de NV Crop's akkoord ging met de voorwaarden van de vennootschap HCG doordat zij uitvoering gaf aan de bestellingen zonder uitdrukkelijk protest tegen de voorwaarden die de bestellingen vergezelden, dan moet uit de houding van de vennootschap HCG, die 22 facturen van de NV Crop's protestloos aanvaardde, het akkoord van de vennootschap HCG met die voorwaarden, waaronder een forumbeding, worden afgeleid. Het feit dat de vennootschap HCG die facturen betaalde voordat haar de voorwaarden bereikten, omdat de facturen eerst per fax werden overgemaakt, doet niets terzake. Vooraleer de vennootschap HCG immers de tweede en de daarop volgende 21 andere facturen betaalde kreeg zij de eerste en daaropvolgende facturen in origineel overgemaakt, met een Engelstalige verwijzing op de voorzijde van die facturen naar de voorwaarden op de keerzijde vermeld, alwaar die voorwaarden eveneens in de Engelse taal afgedrukt stonden. De vennootschap HCG kon dus tijdig kennis nemen van die factuurvoorwaarden en deze eventueel protesteren. Zij deed dit niet, zodat uit het gebrek aan protest haar akkoord met de overgemaakte factuurvoorwaarden moet worden aangenomen. Daarenboven wordt in het Belgische recht, in navolging van de rechtspraak van het Hof van Justitie, een in de algemene factuurvoorwaarden opgenomen bevoegdheidsbeding als rechtsgeldig in de internationale handel weerhouden, overeenkomstig art. 23 EEX-VO, mits bepaalde voorwaarden zijn voldaan (Veurne, 28 mei 2003, R.W. 2004-2005, 24). Er moet een voldoende lange handelsrelatie tussen de partijen bestaan, voorafgaandelijk aan de transactie waarover het geschil loopt en de algemene voorwaarden waarop de partij zich beroept zijn steeds dezelfde gebleven. Aan die voorwaarden is in voorliggend geval voldaan. Sedert april 2005 tot 15 september 2005 ontving de vennootschap HCG 17 facturen voor diverse leveringen stoomgroenten. Die transacties gaan vooraf aan de transacties waarvoor thans betaling wordt gevorderd en telkens werden dezelfde factuurvoorwaarden afgedrukt op de overgemaakte facturen. De rechtbank volgt de vennootschap HCG niet waar zij verwijst naar het voormeld vonnis van de rechtbank van koophandel te Veurne van 28 mei 2003, waar een vierde voorwaarde is opgenomen, namelijk dat de partij aan wie de algemene voorwaarden worden tegengeworpen, er daadwerkelijk moet mee geconfronteerd zijn geworden, in het raam van eerdere handelsbe-trekkingen en wel in die zin dat er in de loop van de handelsrelatie daadwerkelijk naar die voorwaarden is verwezen of dat er naar gehandeld werd. Het Hof van Beroep te Gent, gevat in de beroepsprocedure tegen voormeld vonnis, heeft in het arrest van 11 oktober 2004, met rolnummer 2603/2003, inzake NV Frans Bijttebier-Bouckaert t. B.V. Nooteboom International gesteld dat de eerste rechter ten onrechte zijn rechtsmacht had in twijfel getrokken. Letterlijk stelt het Hof: "Voor de tegenstelbaarheid van de factuurvoorwaarden in de (internationale) handel is niet vereist, dat - naast de expliciete kennisgeving in een taal gekend door beide partijen in de opeenvolgende facturen waaronder partijen hun handelsrelaties hebben verder gezet - de contractant in de loop van de handelsrelatie nog eens uitdrukkelijk naar de algemene voorwaarden verwijst bijvoorbeeld een orderbevestiging, een begeleidende brief bij het versturen van een factuur of in een aanmaning of hiervan voordien heeft gebruik gemaakt in een eerdere procedure. De (internationale) handel vereist het bestaan van standaardvoorwaarden, die de afspraken tussen partijen nader concretiseren en regelen (zie o.a. I. Couwenberg, Algemene voorwaarden in internationale overeenkomsten, TPR 1993 pg. 200, nr. 1 - K. Broeckx, Recente ontwikkelingen inzake het Europees bevoegdheids- en executieverdrag, CBR Jaarboek 1997-98, Maklu 1998, 41). Zo is het in de handel algemeen gebruikelijk ‘de betaling' en hierbij aansluitend voor het geval zich een wanbetaling zou voordoen ook ‘de invordering van factuur en de gevolgen van een wanbetaling' nader te regelen en af te spreken in algemene factuurvoorwaarden. Het komt dan ook de medecontractant toe, tegen de algemene factuurvoorwaarden ‘betreffende de betaling en invordering' op te komen, zo hij de handelsbetrekkingen niet wil verder zetten onder de voorwaarden, waarvan hij kennis kreeg." En verder "Nooteboom International BV heeft over de loop van de handelsrelatie deze algemene factuurvoorwaarden ‘betreffende de betaling en invordering' van de facturen niet tegengesproken. Het Hof weerhoudt dan ook haar instemming met het forumbeding, dat de bevoegdheid van de Belgische rechter voorziet voor de invordering van de facturen, die zij onbetaald liet". De rechtbank neemt derhalve aan dat overeenkomstig art. 6 IPR de partijen rechtsgeldig zijn overeengekomen om de rechtsmacht en bevoegdheid van het vredegerecht te Oostrozebeke en van de rechtbanken van Kortrijk aan te nemen voor alle geschillen, zodat de gevatte rechtbank exclusief rechtsmacht en bevoegdheid heeft. III. De grond van de zaak. A. Het toepasselijke recht. Partijen betwisten niet dat het geschil betrekking heeft op een internationale koop-verkoop van roerende lichamelijke zaken, met name stoomgroenten en stoomsoepen, gesloten na 1 november 1997, zodat het verdrag van 11 april 1980 houdende het recht voor de internationale koop-verkoop van roerende lichamelijke zaken (Het Weens Koopverdrag of CISG) van toepassing is. Partijen zijn immers in verschillende staten gevestigd: de NV Crop's in België, de vennootschap HCG in de Verenigde Staten van Amerika. Beide staten zijn verdragsluitende staten (art. 1, 1) a) CISG). Uit niets blijkt dat partijen bij het sluiten van de overeenkomst de toepassing van dit verdrag hebben uitgesloten (art. 6 CISG). In de algemene factuurvoorwaarden van de NV Crop's is er wel bedongen dat het Belgische recht uitsluitend op de overeenkomst van toepassing is, met uitsluiting van het CISG. Maar overeenkomstig art. 18 CISG is een gedraging van de wederpartij tegenover een aanbod tot het sluiten van een overeenkomst, waaruit instemming met het aanbod blijkt, aanvaarding van het aanbod. Bij het plaatsen van de bestellingen door de vennootschap HCG heeft de NV Crop's gereageerd door de uitvoering ervan, wat aanvaarding van het aanbod en de totstandkoming van de overeenkomst impliceert. Met algemene voorwaarden na de totstandkoming van het contract meegedeeld kan geen rekening gehouden worden, wanneer deze betrekking hebben op het toepasselijke materiële recht, reeds in werking vooraleer die algemene voorwaarden werden meegedeeld [Van Houtte H., Erauw J., Wautelet P., (eds.), "Het Weens Koopverdrag", nr. 3.60]. Met de eenzijdig door de NV Crop's opgedrongen uitsluiting van het CISG na het sluiten van de overeenkomsten kan dan ook geen rekening gehouden worden. Het CISG heeft rechtstreekse gelding en moet als dusdanig worden toegepast [Van Houtte H., Erauw J., Wautelet P., (eds.), "Het Weens Koopverdrag", nr. 1.10]. B. De betwisting nopens de stoomsoepen. Er kan niet redelijk aan getwijfeld worden dat de partijen een koopovereenkomst sloten tot het leveren van 8 containers stoomsoepen. Bij e-mail van 20 juni 2005 liet de vennootschap HCG aan de NV Crop's een idee doorsturen van het volume soepen dat zou afgenomen worden tussen september 2005 en juni
  4. In de bijlage is er sprake van 7 containers. Bij e-mail van 2 augustus 2006 liet de NV Crop's aan de vennootschap HCG, vooraleer de productie te starten, het volume aan soepen bevestigen dat zou geladen worden: 20 ton per soep of 2 containers, wat voor de vier soorten een minimum van 80 ton (8 containers) betekende, maximum in twee ladingen tussen september 2005 en januari
  5. Bij e-mail van 3 augustus 2005 liet de vennootschap HCG aan de NV Crop's vervolgens weten dat ze 20 ton zouden bestellen in de vier variëteiten. Zij liet uitschijnen dat zij 80 ton nodig had gedurende het eerste jaar, maar wenste geen levering van dat volledige volume tussen september en januari. Zij zou twee containers van elk nodig hebben op de volgende data: 1 augustus, 15 november, 15 januari en 15 maart. Op 4 augustus 2005 liet de NV Crop's aan de vennootschap HCG weten dat het zo in orde was: 10 ton per product tot november 2005, wat inhield dat er vier containers zouden geproduceerd en geladen worden. De NV Crop's wees er op dat de ontwikkeling van de verpakkingen gebaseerd was op een minimum van 20 ton per product en vroeg aan de vennootschap HCG, voor het geval dat het niet mogelijk was 80 ton voor maart 2006 af te nemen, de verbintenis op zich te nemen om de kosten te betalen voor de ontwikkeling van de verpakkingen. Bij e-mail van 16 augustus 2005 bevestigde de vennootschap HCG dat er 30.000 verpakkingen voor elk van de 4 variëteiten van de soepen mochten worden besteld. Art. 18, 1) in fine CISG bepaalt dat het stilzwijgen of niet reageren op zichzelf niet als aanvaarding van een aanbod geldt. Evenwel is het mogelijk dat het stilzwijgen wegens begeleidende omstandigheden als aanvaarding moet worden geïnterpreteerd [Van Houtte H., Erauw J., Wautelet P., (eds.), "Het Weens Koopverdrag", nr. 3.32 en 3.33]. In voorliggend geval heeft de vennootschap HCG vooreerst zelf een raming gemaakt voor de levering van 7 containers stoomsoepen en dit met vrij nauwkeurige leveringsdata. Zij heeft vervolgens niet afwijzend gereageerd op het feit dat de NV Crop's om bevestiging vroeg dat er 8 containers zouden worden geleverd, doch heeft enkel gevraagd de voorgestelde leveringsdata te wijzigen. Zij heeft ten slotte bij de discussie over de kost van het verpakkingsmateriaal niet betwist dat er tegen november 2005 4 containers geproduceerd en geladen moesten worden en heeft op de vraag of zij de kosten voor de ontwikkeling van de verpakkingen zou ten laste nemen als de 8 containers niet afgenomen werden voor maart 2006 niet afwijzend gereageerd, doch haar akkoord gegeven om meteen verpakkingen voor 4 ton stoomsoepen te laten aanmaken (30.000 verpakkingen per 4 variëteiten met een gewicht van 340 gram per verpakking = 40.800 kg). In die omstandigheden neemt de rechtbank aan dat er een wilsovereenstemming tussen de partijen tot stand kwam over de levering van 8 containers stoomsoepen. Nu er slechts betwisting bestaat over 7 containers stoomsoepen, met name over de betaling van 2 containers die over en weer naar de Verenigde Staten van Amerika werden verscheept en over een schadevergoeding voor de afzegging van 5 containers stoomsoepen, kan de eerste betwisting omtrent het al dan niet bestaan van een koopovereenkomst omtrent die 7 containers niet verder aan de orde zijn. Nopens de eerste twee containers stoomsoepen die over en weer naar de Verenigde Staten van Amerika werden verscheept, aanvaardt de rechtbank niet dat thans de eventuele tekortkoming begaan door de NV Crop's in de nakoming van haar verbintenissen ten aanzien van één van de afleveringen bij een overeenkomst strekkende tot opeenvolgende afleveringen van zaken, nog als verantwoording voor de ontbindendverklaring van die (deel)afleveringen dient weerhouden te worden (art. 73, 1° CISG). De vennootschap HCG heeft de levering van die 2 containers immers niet ontbonden verklaard. Zij heeft zich in tegendeel verbonden om tot uitvoering van haar betalingsverbintenis over te gaan. Zij verbond er zich toe om de bewuste twee containers stoomsoepen die de Verenigde Staten van Amerika niet binnen mochten, te betalen. Bij e-mail van 22 november 2005 heeft zij die verbintenis tot betaling van de terug te zenden containers op zich genomen. In die omstandigheden was de NV Crop's bereid de containers terug in ontvangst te nemen. De hoofdsom van de facturen nrs. 01/609480 en 01/609663 voor een totaal bedrag van 55.344,84 USD is derhalve verschuldigd. Nopens dat bedrag is rente verschuldigd en kan er een schadeloosstelling toegekend worden. Art. 5 en 6 van de wet van 2 augustus 2002 betreffende de bestrijding van de betalingsachterstand bij handelstransactie bedingt dat, tenzij partijen niet anders zijn overeengekomen, er aanspraak kan worden gemaakt op rente aan een rentevoet aldaar bepaald en op een redelijke schadeloosstelling voor relevante invorderingskosten. Zoals hiervoor aangenomen is het in de handel algemeen gebruikelijk de betaling en, hierbij aansluitend voor het geval zich een wanbetaling zou voordoen, ook de invordering van de factuur en de gevolgen van een wanbetaling nader te regelen en af te spreken in algemene factuurvoorwaarden. De stilzwijgend aanvaarde factuurvoorwaarden van de NV Crop's leggen in art. 5 de rentevoet van 10 % vast bij wanbetaling. Partijen zijn dus een rentevoet overeengekomen. Enkel die overeengekomen rentevoet kent de rechtbank toe. Als redelijke schadeloosstelling voor relevante invorderingskosten kan een verhoging van het factuurbedrag met 10 % aangenomen worden, zoals gevorderd, doch slechts tot een maximum bedrag van euro 2.500,
  6. Door toekenning van een redelijke schadeloosstelling voor relevante invorderingskosten kan er evenwel geen rechtsplegingsvergoeding worden toegekend (art. 6 van de voornoemde wet van 2 augustus 2002). De vennootschap HCG heeft verder geen stoomsoepen meer afgenomen, alhoewel zij zich tot afname van nog minstens 5 containers had verbonden, zoals hiervoor door de rechtbank aangenomen. De waarde van die niet afgenomen goederen bedraagt volgens de NV Crop's 5 keer de waarde van een enkele container stoomsoepen, geredelijk geraamd op 27.600,00 USD, conform de uitgeschreven facturen voor de twee containers die over en weer naar de Verenigde Staten van Amerika werden verscheept. Als schadevergoeding vordert de NV Crop's 25 % van 5 x 27.600,00 USD. Er ligt geen stuk voor waarbij blijkt dat de vennootschap HCG overging, binnen redelijke termijn, tot de ontbinding van de overeenkomst voor de toekomst, nadat zij had vastgesteld dat de tekortkoming in de nakoming van de verplichtingen ten aanzien van een der deelleveringen door de NV Crop's, haar gegronde redenen gaf om te concluderen dat er ten aanzien van de toekomstige afleveringen een wezenlijke tekortkoming zou plaatsvinden [ art. 73, 2) CISG + Van Houtte H., Erauw J., Wautelet P., (eds.), "Het Weens Koopverdrag", nr. 3.32 en 3.33] De facturen voor de eerste leveringen van de stoomsoepen dateren van september
  7. Slechts op 22 november 2005 liet de vennootschap HCG bij e-mail weten dat zij afzag van verdere afname van de stoomsoepen. In de aanhef van die e-mail is bevestigd dat zij reeds meer dan een maand oplossingen zocht voor de problemen waarmee ze geconfronteerd werd in verband met de eerste leveringen stoomsoepen. Haar reactie, meer dan een maand na de kennisname van een eventuele gegronde reden om te concluderen dat ten aanzien van toekomstige afleveringen zich ook een wezenlijke tekortkoming zou manifesteren, kan derhalve niet als "binnen redelijke termijn" worden weerhouden. Overigens is door niets bewezen dat ook voor die vijf nog te leveren containers stoomsoepen de nodige certificaten zouden ontbreken betreffende het kippenvlees in de soepen verwerkt, meer specifiek nopens de afwezigheid van mogelijkheid tot contaminatie met vogelgriep. De weigering van de vennootschap HCG de stoomsoepen verder af te nemen is in die omstandigheden als wanprestatie in hoofde van de vennootschap HCG te weerhouden. Zij dient tot schadevergoeding veroordeeld te worden. De vennootschap HCG betwist evenwel terecht dat de schadevergoeding van de NV Crop's 25 % van de waarde van die stoomsoepen zou bedragen. Overeenkomstig art. 1231 B.W. matigt de rechtbank het forfaitaire strafbeding, voorzien in art. 13 van de factuurvoorwaarden van de NV Crop's, omdat naar haar oordeel die som kennelijk het bedrag te boven gaat dat de partijen konden vaststellen om de schade wegens niet-uitvoering van de overeenkomst te vergoeden. De rechtbank stelt vast dat de NV Crop's een dergelijk percentage van 25 % aan werkelijke schade ook niet bewijst. Zij toont geen enkele werkelijke schade aan. Waar de vennootschap HCG akkoord gaat met een schadevergoeding van hoogstens 10 %, kent de rechtbank dat percentage toe, of een bedrag van (5 x 27.600,00 USD) x 10 % = 13.800,00 USD. C. De betwisting nopens de stoomgroenten. In verband met de stoomgroenten houdt de NV Crop's voor dat er een overeenkomst tot stand kwam voor de levering van 40 containers stoomgroenten. In de e-mail van de vennootschap HCG van 15 juli 2005 is er sprake van een "spreadsheet" met een volume aan 40 containers stoomgroenten, zoals geraamd door de vennootschap HCG. Daarbij staat evenwel te lezen dat het om een algemene leidraad gaat die volgens de noden kan worden aangepast aan de verkoop. Daarop volgend heeft de NV Crop's op 15 juni 2005 bevestigd dat zij de productie van 18 containers stoomgroenten zou opstarten, er een evaluatie zou komen rond 15 augustus en indien noodzakelijk nieuwe productie zou opgestart worden. Een engagement om 18 containers te bestellen en af te nemen voor het einde van het jaar werd vooropzet. Er volgde geen reactie vanwege de vennootschap HCG. De productie werd opgestart. 15 containers stoomgroenten werden afgeroepen en geleverd. 3 containers stoomgroenten werden niet afgeroepen. Op 23 december 2005 heeft de NV Crop's aan de vennootschap HCG bevestigd dat zij op verzoek van de vennootschap HCG en met de goedkeuring van die laatste een hoeveelheid stoomgroenten heeft vervaardigd, waarvan er nog 93.355 eenheden te leveren waren. De vennootschap HCG heeft daarop nooit tijdig en aantoonbaar gereageerd naar de NV Crop's toe. Zij heeft die bevestiging derhalve niet in twijfel getrokken. Hiervoor wees de rechtbank op de inhoud van art. 18, 1) in fine CISG dat bepaalt dat het stilzwijgen of niet reageren op zichzelf niet als aanvaarding van een aanbod geldt, en op het feit dat het evenwel mogelijk is dat het stilzwijgen wegens begeleidende omstandigheden als aanvaarding moet worden geïnterpreteerd [Van Houtte H., Erauw J., Wautelet P., (eds.), "Het Weens Koopverdrag", nr. 3.32 en 3.33]. Die omstandigheden zijn in voorliggende betwisting duidelijk. Er wordt vooreerst door de vennootschap HCG een raming opgegeven van een bepaalde hoeveelheid groenten die mogelijks besteld en geleverd zouden kunnen worden. Wanneer de NV Crop's vervolgens een concreet aantal van die eventueel te bestellen aantallen containers groenten naar voor schuift die bij haar in productie zullen gaan met de bevestiging dat zij een engagement verwacht van de vennootschap HCG om die aantallen op te nemen, ontstaat er een koopovereenkomst over minstens dat aantal in productie te nemen hoeveelheden, indien de wederpartij niet afwijzend antwoordt vooraleer de productie van die eenheden aanvangt. Vervolgens wordt aangenomen dat in handelszaken het ontbreken van enig tijdig protest tegen aanspraakbevestigingen verbintenisscheppend werkt. Het niet reageren bij de ontvangst van een brief geldt als vermoeden van aanvaarding van de inhoud ervan (Cass. 06/12/1985, R.W. 1985-86, 2916). Er kan derhalve nu niet meer in twijfel getrokken worden dat de 93.355 afgewerkte eenheden stoomsoepen in elk geval door de vennootschap HCG besteld werden. Het zijn die eenheden die de NV Crop's factureerde op 23 december 2005 (haar factuur nr. 01/612999). Naar het oordeel van de rechtbank is er in die omstandigheden wel een intentie geweest van de vennootschap HCG om stoomgroenten af te nemen gedurende een langere periode dan thans werd uitgevoerd. Evenwel is er nooit een sluitende overeenkomst aangegaan omtrent concrete hoeveelheden stoomgroenten, méér dan 18 containers. Waar de NV Crop's een schadevergoeding vordert voor 22 containers stoomgroenten die zij niet kon leveren aan de vennootschap HCG, wijst de rechtbank die vordering af omdat naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen wordt en niet kan aangenomen worden dat de vennootschap HCG er zich toe had verbonden om dergelijke hoeveelheden aan te kopen. Daarnaast heeft de vennootschap HCG wel de verplichting op zich genomen als koper 18 containers soepgroenten af te nemen en te betalen. Zij nam 15 containers af en betaalde 15 containers. Zij weigert zonder reden de laatste 3 containers stoomgroenten af te nemen en te betalen. De NV Crop's maakt terecht aanspraak op de betaling van de laatste drie containers stoomgroenten, een bedrag van 77.412,34 USD, zoals aangerekend op 23 december 2005 met de factuur nr. 01/612990 van de NV Crop's. De NV Crop's maakt terecht aanspraak op de rente op die som, evenwel aan een rentevoet van 10 %, zoals conventioneel vastgelegd tussen de partijen. Als redelijke schadeloosstelling voor relevante invorderingskosten werd hiervoor reeds een maximumbedrag van euro 2.500,00 toegekend. Het feit dat meerdere facturen in een invorderingsprocedure zijn betrokken, wijzigt volgens de rechtbank die kosten niet. Een bijkomende vergoeding wordt niet toegekend. Voor de opslag van die drie containers stoomgroenten vordert de NV Crop's een vergoeding van 9.393,00 USD voor de niet afgehaalde stoomgroenten, voorwerp van de factuur nr. 01612990, (dus niet voor de stoomsoepen) en dit voor de periode van 1 januari 2006 tot 6 november
  8. Er kan niet redelijk betwist worden dat de NV Crop's die speciaal voor de Amerikaanse markt verpakte stoomgroenten niet meer kon verkopen / niet direct kon doorverkopen, tenzij mits het aanbrengen van nieuwe verpakkingen en dus mits bijkomende kosten. Evenmin kan er volgens de rechtbank betwist worden dat die drie containers stoomgroenten op 23 december 2005 klaarstonden ter levering, met labels bestemd voor de Amerikaanse markt, en waarvan in de brief van 23 december 2005 van de NV Crop's werd gemeld dat zij verder in stock werden gehouden voor de vennootschap HCG. Indien de vennootschap HCG die 3 containers stoomgroenten had afgenomen, waartoe zij zich naar het oordeel van de rechtbank had verbonden, zouden de kosten van opslag bij de NV Crop's niet zijn veroorzaakt. Die kosten staan in oorzakelijk verband met de wanprestatie van de vennootschap HCG en dienen vergoed te worden. Noch de periode van de opslag van de goederen, noch de eenheidsprijs per pallet per dag worden door de vennootschap HCG betwist. De rechtbank kent dienvolgens het bedrag gevorderd voor de kosten van opslag, een bedrag van 9.393,00 USD, integraal toe. D. De kapitalisatie van de rente. Opdat interesten van kapitalen intrest zouden kunnen opbrengen, dienen ze vervallen te zijn. Bovendien moeten deze intresten voor een jaar verschuldigd zijn of, met andere woorden een geheel jaar gelopen hebben (Cass. 18 maart 1983, R.W., 1983-84, 80). Tenslotte moet de kapitalisatie bedongen zijn in een bijzondere overeenkomst of in een specifiek op de kapitalisatie gerichte gerechtelijke aanmaning. De bijzondere overeenkomst, waarin de kapitalisatie van de interesten wordt bedongen, kan slechts betrekking hebben op de interesten die op het ogenblik van het sluiten van die overeenkomst reeds vervallen en verschuldigd zijn (Van Oevelen, A., "Recente ontwikkelingen in de wetgeving en rechtspraak inzake de sancties bij contractuele wanprestatie", XXVIste Postuniversitaire cyclus Willy Delva 1999-2000, p. 29, nr. 26). De gerechtelijke aanmaning waarvan sprake in art. 1154 B.W. kan de vorm aannemen van een ter griffie neergelegde conclusie (art. 32 en 746 Ger.W.) voor zover door die conclusie de aandacht van de schuldenaar op de kapitalisatie van de intrest in het bijzonder gevestigd wordt. (Van Ommeslaghe, P., "Les obligations, Examen de jurisprudence", R.C.J.B. 1988, n. 215, p. 126 - Kruithof, R., Bocken, H., De Ly, F., De Temmerman, B., "Overzicht van rechtspraak, Verbintenissen, (1981-1992)", T.P.R., 1994, nr. 350, p. 658). De bepaling van art. 1154 B.W. heeft enkel betrekking op geldschulden en niet op waardeschulden. Daaruit volgt dat art. 1154 B.W. niet op schadevergoedingen wegens contractuele en/of buitengewone contractuele aansprakelijkheid toepasselijk is, zolang de feitenrechter die waardeschulden niet bij vonnis/arrest in geldschulden heeft omgezet (Cornelis L., Algemene theorie van de verbintenis", nr. 455 - Kruithof, R., Bocken, H., De Ly, F., De Temmerman, B., "Overzicht van rechtspraak, Verbintenissen, (1981-1992)", T.P.R., 1994, nr. 350, p. 660). De voorwaarden voor kapitalisatie van de interest zijn in voorliggend geval deels vervuld: Er is aanduiding van het bedrag van de vervallen intresten dat als berekeningsgrondslag wordt beschouwd waardoor vastgesteld kan worden dat het wel degelijk om vervallen intresten voor een geheel jaar gaat (Bergen, 2 december 1996, J.T., 1997, 272; Van Oevelen t.a.p.): de rente op de facturen daterend van september en december 2005 tot 31 mei
  9. Er is een gerechtelijke aanmaning in de vorm van besluiten ter griffie neergelegd. De kapitalisatie van de rente op de schadevergoeding wegens contractuele aansprakelijkheid, met name de kosten voor opslag en de vergoeding wegens het niet afnemen van 5 containers stoomsoepen, kan niet worden toegekend. Die waardeschulden worden door dit vonnis pas omgezet in geldschulden. E. Overzicht van de toegekende bedragen De vordering wordt gegrond verklaard voor: - de hoofdsom van de facturen: 132.757,19 USD - de interesten vanaf de vervaldata van de facturen tot 31 mei 2007: 19.114,02 USD 151.871,21 USD - te vermeerderen met de verdere bedongen rente aan 10 % op dat bedrag vanaf 1 juni 2007 - de vergoeding voor relevante invorderingskosten: euro 2.500,00 - de vergoeding voor het niet afnemen van 5 containers stoomsoepen: 13.800,00 USD - de kosten voor de opslag van de stoomgroenten: 9.393,00 USD 23.193,00 USD - te vermeerderen met de gerechtelijke rente vanaf 24 februari 2006 aan een rentevoet buiten de wet op de handelstransacties - de kosten van dagvaarding en rolstelling. Bij gebreke aan specifieke motivering, die de toestand van de schuldeiser betreft, waarom de schuldenaar van zijn principieel recht tot kantonnement zou moeten uitgesloten worden, wordt op de eis tot uitsluiting van de mogelijkheid tot kantonnement door de rechtbank niet ingegaan. OM DEZE REDENEN DE RECHTBANK, recht doende op tegenspraak; Alle anders luidende en / of tegenstrijdige conclusies van de hand wijzend; Verklaart over rechtsmacht te beschikken en bevoegd te zijn om over de betwisting te oordelen; Verklaart de vordering ontvankelijk en in volgende mate gegrond; Veroordeelt de vennootschap naar Amerikaans recht The Hain Celestial Group om aan de NV Crop's te betalen, op grond van factuurschulden en de daarop vervallen rente, een bedrag gelijk aan de tegenwaarde in Euro aan de hoogste koers op de datum van de betaling van een bedrag van 151.871,21 USD (honderd eenenvijftig duizend achthonderd eenenzeventig dollar en eenentwintig dollarcent), te vermeerderen met de gerechtelijke rente aan de bedongen rente-voet van 10 % op die volledige som, vanaf 1 juni 2007 tot de dag van de uiteindelijke betaling; Veroordeelt de vennootschap naar Amerikaans recht The Hain Celestial Group om aan de NV Crop's te betalen een bedrag van euro 2.500,00 wegens redelijke schadeloosstelling voor alle relevante invorderingskosten; Veroordeelt de vennootschap naar Amerikaans recht The Hain Celestial Group om aan de NV Crop's te betalen, wegens opslagkosten en vergoeding voor het niet afnemen van 5 containers stoomsoepen, een bedrag gelijk aan de tegenwaarde in Euro aan de hoogste koers op de datum van de betaling van een bedrag van 23.193,00 USD (drieëntwintig duizend honderd drieënnegentig dollar en nul dollarcent), te vermeerderen vanaf 1 juni 2007 tot de dag van de uiteindelijke betaling met de gerechtelijke rente en dit tegen de wettelijke rentevoet, zoals vastgelegd in burgerlijke en handelszaken buiten de wet van 2 augustus 2002 betreffende de bestrijding van betalingsachterstand in handelstransacties; Wijst het door de NV Crop's meergevorderde af als ongegrond; Veroordeelt de vennootschap naar Amerikaans recht The Hain Celestial Group tot de kosten van het geding en stelt deze tot op heden vast aan de kant van de NV Crop's op slechts euro 742,23 kosten dagvaarding en rolstelling; Onverminderd de toepassing van art. 1024 Ger.W.; Verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad, niettegenstaande elke voorziening en zonder borgstelling; Aldus het vonnis, gewezen door de vijfde kamer van de rechtbank van koophandel te Kortrijk, samengesteld als volgt : Ch. Busschaert, griffier. P. Matton, rechter in handelszaken. P. De Poot, rechter in handelszaken. L. Vandenbroucke; ondervoorzitter. Vonnis uitgesproken in het gerechtsgebouw II te Kortrijk in openbare terechtzitting op woensdag, VIERENTWINTIG OKTOBER TWEEDUIZEND EN ZEVEN. Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.