← België

ECLI:BE:ORGNT:2007:JUG.20071108.11

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Ondernemingsrechtbank Gent Vonnis/arrest van 08 november 2007 ECLI nr: ECLI:BE:ORGNT:2007:JUG.20071108.11 Rolnummer: AR 1668/2007 Rechtsgebied: Overige - Financieel recht Invoerdatum: 2008-05-15 Raadplegingen: 96 - laatst gezien 2026-07-02 16:17 Fiche UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - BEVOEGDHEID - Materiële bevoegdheid GERECHTELIJK RECHT - BEVOEGDHEID - Materiële bevoegdheid - Rechtbank van koophandel HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - FINANCIEEL RECHT - Effect - Titel aan toonder Vrije woorden: verzet op titels aan toonder Tekst van de beslissing Nr. Rep. VONNIS In de zaak nr. 1668/2007 der algemene rol.- De heer C, geboren te .. op .., wonende te X; eiser, hebbend als raadsman meester Guido Rammelaere, advocaat te Gent, pleitend meester Ellen De Geeter, advocaat te Kortrijk; tegen : Mevrouw S, geboren te .. op .., wonende te X doch verblijvende te Y; verweerster, hebbend als raadsman meester Jan Kempinaire, pleitend meester Andy Van Pachtenbeke, advocaten te Kortrijk; De Rechtbank heeft de partijen gehoord in openbare zitting en heeft kennis genomen van de stukken. Toepassing is gemaakt van de artikel 2, 37 en 41 der wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken. Met dagvaarding d.d. 06 juni 2007 vordert de eiser dat de verweerster zou veroordeeld worden om gemeenschappelijke effecten, uitgegeven door Argenta, waarvan hij aanvoert dat zij ze vervreemd heeft, in bewaring te geven "op een rekening" van notaris Saey met standplaats te Deerlijk. Hij vordert tevens haar veroordeling tot de kosten van de verzetsprocedure en alle kosten van huidig geding. Op de pleitzitting van 11 oktober 2007 betwistte de verweerster voor elk ander verweer de volstrekte bevoegdheid van deze rechtbank, voorhoudende dat alleen de rechtbank van eerste aanleg te Kortrijk ten dezen genoemde bevoegdheid heeft. De exceptie wordt opgeworpen vóór elk ander verweer (art. 854 Ger.W.) en de verweerster deelt tevens mee welke rechter volgens haar bevoegd is (art. 855 Ger.W.), zodat de exceptie op ontvankelijke wijze wordt opgeworpen. De eiser heeft op de exceptie van onbevoegdheid door de verweerster voorgedragen, geen verwijzing gevorderd naar de arrondissementsrechtbank, zodat de rechtbank gehouden is om zelf uitspraak te doen over de bevoegdheid (art. 639 Ger.W.). De eiser meent dat deze rechtbank bevoegd is om kennis te nemen van zijn vordering op grond van artikel 588, 7° Ger.W. Luidens artikel 588, 7° Ger.W. doet de Voorzitter van de rechtbank van koophandel op verzoekschrift uitspraak op de vordering ingesteld krachtens artikelen 5, 10 en 12 van de Wet van 24 juli 1921 betreffende het onopzettelijk verlies van het bezit van effecten aan toonder. De onderhavige vordering is echter geen vordering welke op verzoekschrift gebracht wordt bij de Voorzitter van de rechtbank van koophandel. De artikelen 10 en 12 van de Wet van 24 juli 1921 op de ongewilde buitenbezitstelling van de titels aan toonder werden trouwens bij art. 7 van de Wet van 22 juli 1991 opgeheven met ingang van 1 juli 1992. Weliswaar is artikel 5 van de Wet van 24 juli 1921 nog in voege, maar dit kan de eiser geen soelaas brengen vermits dit niet hetgeen is wat hij in onderhavige zaak vordert. Volgens de dagvaarding verklaart de eiser "een vordering tot terugeising in te stellen overeenkomstig artikel 26 van de wet van 24 juli 1921". De rechtbank die bevoegd is om kennis te nemen van een revindicatievordering betreffende toondereffecten waarvan men onvrijwillig buiten het bezit is gesteld, wordt aangewezen overeenkomstig de gemeenrechtelijke regels. Ingevolge de wijzigingen van de Wet van 24 juli 1921 door de Wet van 22 juli 1991 geldt dit sinds 1 juli 1992 trouwens ook wanneer de opheffing van het verzet wordt gevorderd. In tegenstelling tot de vroegere procedure inzake opheffing (art. 29 van de Wet van 24 juli 1921) gaat het niet meer om een aan de rechtbank van koophandel toegewezen bevoegdheid, zodat deze alleen nog in eerder uitzonderlijke gevallen zal bevoegd zijn, met name op grond van art. 573, 1° Ger.W. wanneer het geschil zich stelt tussen 2 kooplieden en een handeling betreft die door de wet als daad van koophandel wordt aangemerkt. Dit is eveneens de regel voor een revindicatievordering. De algemene bevoegdheid van de rechtbank van koophandel onderstelt dat de eiser en de verweerder handelaar zijn (of minstens de verweerder : cf. art. 573, 2de alinea, Ger.W.) en dat het geschil in hun persoon het gevolg is van het verrichten van een daad van koophandel of van het bestaan van een verbintenis die per relationem van commerciële aard geworden is (Kh. Hasselt, 18 maart 1997, R.W., 1997-1998, 751). Uit de gegevens van de zaak blijkt dat géén der partijen handelaar is en dat hun geschil voortspruit uit de echtelijke moeilijkheden waarin zij gewikkeld zijn en waaromtrent een echtscheidingsprocedure hangende is. De exceptie van onbevoegdheid is derhalve terecht zodat de zaak dient te worden verwezen naar de rechtbank van eerste aanleg te Kortrijk. OP DEZE GRONDEN, DE RECHTBANK, Rechtsprekend op tegenspraak; Verklaart zich volstrekt onbevoegd; Toepassing makend van artikel 660 Ger.W.; Verwijst de zaak naar de rechtbank van eerste aanleg te Kortrijk; Verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad, niettegenstaande elke voorziening en zonder borgstelling; Aldus het vonnis, gewezen door de eerste kamer van de rechtbank van koophandel te Kortrijk, samengesteld als volgt : P. Vanwettere, griffier. G. Leroy, rechter in handelszaken. J. Corne, rechter in handelszaken. P. Deseyne, voorzitter. Vonnis uitgesproken in het gerechtsgebouw II te Kortrijk in openbare terechtzitting op acht november tweeduizend en zeven. Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.