id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Ondernemingsrechtbank Gent Vonnis/arrest van 21 november 2007 ECLI nr: ECLI:BE:ORGNT:2007:JUG.20071121.42 Rolnummer: AR 457/07 Rechtsgebied: Burgerlijk recht Invoerdatum: 2009-02-12 Raadplegingen: 101 - laatst gezien 2026-07-02 16:22 Fiche UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - VERBINTENISSENRECHT- ALGEMENE BEGINSELEN - Modaliteiten - Voorwaardelijke verbintenis - Opschortende voorwaarde Vrije woorden: milieuproblematiek Tekst van de beslissing Nr. Rep. VONNIS Rechtbank van koophandel te Kortrijk VIJFDE KAMER In de zaak nr. 457/07 der algemene rol. De NV UNICORN CARPETS, met vennootschapszetel te 8710 Wielsbeke-Ooigem, Vaartstraat 50 en ingeschreven in de kruispuntbank van ondernemingen onder het nummer 0449.812.754, Eiseres op hoofdeis, Verweerster op tegeneis, hebbende als raadsman en pleitend Mter. Johan Timmermans, advocaat te Brussel, TEGEN : De NV BMVH, met vennootschapszetel te 8830 Hooglede, Brugsesteenweg 141 A en ingeschreven in de kruispuntbank van ondernemingen onder het nummer 0477.042.931, Verweerster op hoofdeis, Eiseres op tegeneis, hebbende als raadslieden Mters. Frank De Langhe en Tony Leeuwerick, advocaten te Waregem en pleitend Mter. Tony Leeuwerick, voornoemd. De rechtbank heeft de partijen gehoord in de openbare zitting van 24 oktober 2007 en heeft kennis genomen van de neergelegde stukken, hierbij toepassing makend van de artikelen 2, 37 en 41 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van talen in gerechtszaken. 1. De vorderingen. Met dagvaarding, betekend op 7 februari 2007, vordert de NV Unicorn Carpets de veroordeling van de NV BMVH tot de betaling van euro 300.000,00, te vermeerderen met de moratoire rente vanaf 7 september 2006, met de gerechtelijke rente vanaf de dagvaarding en met de kosten van het geding. Met haar besluiten vordert de NV Unicorn Carpets daarnaast de veroordeling van de NV BMVH tot de kosten van juridische bijstand, begroot op euro 7.000,00 te vermeerderen met de gerechtelijke rente. Met haar besluiten vordert de NV BMVH, bij tegeneis, de veroordeling van de NV Unicorn Carpets tot de betaling van euro 25.000,00, minstens tot de vergoeding van de erelonen begroot conform de tarifering voorzien in het ontwerp KB van 21 april 2007. 2. Korte schets van de feiten en het standpunt van de partijen. Op 28 maart 2006 sloten de partijen een onderhandse overeenkomst, benoemd "verkoop-overeenkomst onder schorsende voorwaarde", waarbij de NV BMVH er zich toe verbond een fabrieksgebouw, gelegen aan de Vaarstraat te Wielsbeke, aan te kopen van de NV Unicorn Carpets tegen de som van euro 2.150.000,00, waarop een voorschot van euro 100.000,00 diende betaald te worden tegen 15 april 2006 en betaald werd in de handen van notaris Callens te Lendelede, die het voorschot op een rubriek rekening diende te plaatsen. In fine op de eerste bladzijde van die verkoopovereenkomst is bedongen: "Ingeval van niet-vervulling der voorwaarde binnen de voormelde termijn, zal de verkoop geacht worden nooit te zijn afgesloten en zal het betaalde voorschot aan de koper teruggegeven worden met de rubriekintresten". Op blz. 2 van de overeenkomst verbinden de partijen er zich toe, voor de ondertekening van de authentieke akte, zo spoedig mogelijk voor de notaris te verschijnen, en uiterlijk twee maanden na het "vervallen" van de opschortende voorwaarden. Op blz. 4 van de onderhandse verkoopovereenkomst is er verder bedongen wat volgt: " Bodemsaneringsdecreet.. Deze verkoop (
- is)gedaan onder de volgende schorsende voorwaarden: 1).
- a)Dat nadat de notaris navraag zal gedaan hebben bij de verkoper en bij de gemeente nopens exploitatievergunningen en/of vergunningen van (de vroegere) commodo- en incommodo die zouden afgeleverd geweest zijn voor het goed, er zal blijken dat geen oriënterend onderzoek verplicht is; de verkoop is dan gedaan onder schorsende voorwaarde van het bekomen van het bodemattest waaruit blijkt - hetzij dat voor het verkochte goed geen gegevens beschikbaar zijn; - hetzij dat voor het verkochte goed geen bodemverontreiniging werd vastgesteld. De verkoper verbindt zich ertoe dit bodemattest zonder uitstel aan te vragen. De verkoper moet de inhoud ervan meedelen aan de koper per aangetekend schrijven binnen de 4 maanden te rekenen vanaf heden ten ware de notariële koopakte voordien reeds zou verleden worden. .
- b)en als er daaruit blijkt dat er een oriënterend onderzoek nodig is, het resultaat van dat onderzoek gunstig zou zijn derwijze dat geen beschrijvend onderzoek en geen sanering nodig zij; ofwel als er een beschrijvend onderzoek nodig is dat dan dat laatste gunstig zou zijn in die zin dat er niet tot sanering moet worden overgegaan. 2)Dat uiteindelijk een gunstig bodemattest bekomen wordt nadat om aan de wet te voldoen gehandeld is zoals hierboven gezegd. De eigendom van het verkochte goed gaat over zoals elders in onderhavige overeenkomst bepaald, maar in elk geval niet voor de datum waarop de koper op de hoogte gebracht is van de inhoud van het uiteindelijk bodemattest en voorzover dit attest voldoet aan hoger bepaalde voorwaarden. Indien de inhoud van dat attest aan de gestelde vereisten voldoet, zal hij geacht worden deel uit te maken van onderhavige verkoopovereenkomst. Op 14 juli 2006 grijpt er een telefonische bespreking plaats tussen de partijen. De inhoud ervan en de gemaakte afspraken worden door de partijen op een elkaar tegensprekende wijze voorgesteld. Op 20 juli 2006 heeft de NV Unicorn Carpets een SMS-bericht verstuurd aan de NV BMVH met de vraag waar de aanvullende garantie bleef van euro 200.000,00, gezien het nodige gedaan werd, na het gesprek de vrijdag voordien, om het beschrijvende onderzoek van de bodem uit te voeren. Die gelden werden gevraagd om zekerheid te hebben dat de inspanningen van de NV Unicorn Carpets zouden worden gecompenseerd. Op 22 juli 2006 stuurde de NV BMVH bij e-mail een verlenging van de verkoopovereenkomst aan de NV Unicorn Carpets. In die e-mail wijst de NV BMVH op enkele inschrijvingen en beslagen op het onroerend goed, voorwerp van de verkoopsovereenkomst. Zij wijst ook op het volgende: "Verder zou het onroerend goed ook vervuild zijn en zou een beschrijvend bodemonderzoek gebeuren. Onder voorbehoud en opschortende voorwaarde van integrale oplossing van de milieuproblematiek (dit is opstelling bodemsaneringsvoorstel en gepaste waarborgstelling t.v.v. OVAM) ben ik bereid de periode voor het vervullen van de opschortende voorwaarde te verlengen met 2 maanden vanaf heden. Ik begrijp tevens dat het pand gebruikt kan worden tijdens de sanering." Op 24 juli 2006 laat de makelaar van de NV Unicorn Carpets aan de NV BMVH weten dat diens e-mail, om de verlening te accepteren van 2 maand in goede orde is ontvangen. Gepolst werd of het bedrag van euro 200.000,00 reeds was overgeschreven. Bij fax van 25 juli 2006, om 13.04 u. verstuurd, liet de NV Dexia Bank aan de makelaar van de NV Unicorn Carpets weten dat in opdracht van de NV BMVH euro 200.000,00 gestort werd op de rekening van notaris Christine Callens, met de mededeling: "BMVH - Bijkomend voorschot Ooigem industriegebouw". Op 25 juli 2006 heeft de NV Unicorn Carpets om 16.59 u. vervolgens een e-mail gezonden aan de NV BMVH met een inhoud die als volgt kan worden samengevat: Er wordt eerst verwezen naar een ontmoeting op 26 juni 2006 tussen de partijen en de bodemsaneringdeskundige. Daaromtrent heeft de NV Unicorn Carpets afsluitend letterlijk gesteld wat volgt: "Vermits u op 26 juni werd op de hoogte gebracht dat Unicorn niet zal in staat zijn een gunstig bodemattest voor te leggen en vermits het gebrek daaraan een schorsende voorwaarde is voor de uitvoering van de verkoopovereenkomst die we afsloten op 28 maart, begreep ik dat onze overeenkomst onder voorwerp was geworden." Vervolgens wijst de NV Unicorn Carpets op het telefoongesprek van 14 juli 2006 en geeft zij haar visie van de toen gemaakte afspraken: -ondanks de saneringplicht zou de aankoop toch doorgaan; -er komt bijkomende garantie van euro 200.000,00 voor de kosten; -bij annulering van de verkoop is de NV BMVH euro 300.000,00 verschuldigd aan de NV Unicorn Carpets; Daarna stelt de NV Unicorn Carpets dat de e-mail van 22 juli 2006 van de NV BMVH geenszins beantwoordt aan de mondelinge overeenkomst van 14 juli, omdat in die e-mail geen sprake is van een bijkomende garantie en de NV Unicorn Carpets voor een onmogelijke opdracht wordt geplaatst, want de voorwaarden zijn niet realiseerbaar binnen de 2 maanden. De NV Unicorn Carpets besluit haar e-mail ondermeer letterlijk als volgt: "Ik reken er op dat u per kerende het nodige doet om dit misverstand recht te zetten." Op 30 augustus 2006 is er een bijeenkomst van de NV Unicorn Carpets, haar makelaar en de NV BMVH. Op 7 september 2006 heeft er vervolgens een bespreking plaats tussen de NV Unicorn Carpets, de NV BMVH en haar raadsman. Van de inhoud van die bijeenkomst en die bespreking heeft de NV Unicorn Carpets in haar e-mails van 8 september 2006 melding gemaakt. Bij brief van de raadsman van de NV BMVH werd dat alles betwist. Verdere briefwisseling tussen de raadslieden van de partijen bracht geen soelaas, met huidige procedure en de voormelde wederzijdse vorderingen tot gevolg. 3. Beoordeling. 3.A. De opschortende voorwaarden in verkoopsovereenkomst. De partijen zijn het grondig oneens over het feit hoe de opschortende voorwaarden, opgenomen In hun verkoopsovereenkomst moeten worden begrepen. Uit de lectuur van de verkoopsovereenkomst blijkt dat de partijen onzorgvuldig waren bij de redactie ervan zodat er niet kon verhinderd worden dat er betwisting ontstond over de inhoud, de zin en de draagwijdte van de te leveren prestaties. Het komt in de eerste plaats toe aan de partijen om hun verbintenissen, bij geschil, te interpreteren en nader te bepalen. Indien de partijen niet tot een vergelijk komen, dient de rechter de bedoeling van de partijen bij de totstandkoming van de overeenkomst te zoeken, eerder dan zich aan de letterlijke zin van de gebruikte bewoordingen te houden. De rechter zal ondermeer in aanmerking nemen, de wijze waarop de verbintenis / overeenkomst werd uitgevoerd vooraleer het interpretatiegeschil is gerezen (Cornelis L., "Algemene theorie van de verbintenis", nr. 228). In voorliggende zaak stelt de rechtbank vast dat in fine van de eerste bladzijde van de overeenkomst verwezen is naar het feit dat bij de niet-vervulling der voorwaarde "binnen de voormelde termijn" de verkoop geacht wordt nooit te zijn afgesloten. "Voormeld" in de onderhandse akte is op die plaats enkel de datum van de betaling van een voorschot. Het niet uitvoeren van een betalingsverbintenis is geen voorwaarde bij een koopovereenkomst. De vervulling van de voorwaarde binnen een bepaalde termijn kan volgens de rechtbank maar betrekking hebben op andere voorwaarden naderhand in de overeenkomst vermeld en waarnaar verwezen wordt in de voorlaatste zin van de eerste bladzijde van de overeenkomst. De rechtbank heeft het gissen naar welke termijn partijen bedoeld hebben. In de overeenkomst zijn er nog twee termijnen vermeld: deze voor de mededeling van de inhoud van het bodemattest: binnen de 4 maanden na de datum van de onderhandse akte; en deze voor het verlijden van de authentieke akte: 2 maanden na het "vervallen" (bedoeld wordt "vervullen") van de opschortende voorwaarden. Naar het oordeel van de rechtbank kan met de term "niet-vervulling der voorwaarde binnen de voormelde termijn", enkel verwezen zijn naar de termijn van 4 maanden na de datum van de onderhandse akte. De termijn van 2 maanden betreft immers een termijn nadat de voorwaarden vervuld zijn. Het is vervolgens duidelijk dat de schorsende voorwaarden omtrent het bodemsaneringdecreet vermeld onder 1).
- a)en b), hiervoor letterlijk weergegeven, niet toepasselijk zijn. Er moet in casu tot sanering worden overgegaan, wat reeds vaststond sedert minstens 26 juni 2006. Dit gegeven wordt door de partijen niet betwist. Naar het oordeel van de rechtbank kan er met de voorwaarde onder 2) "Dat uiteindelijk een gunstig bodemattest bekomen wordt nadat om aan de wet te voldoen gehandeld is zoals hierboven gezegd", niet aangenomen worden dat daarmee ook de wettelijk opgelegde saneringsverplichting zou inbegrepen zijn. De termen "zoals hierboven gezegd", kunnen inderdaad maar verwijzen naar het punt 1) daarvoor, alwaar er met geen woord sprake is van een uit te voeren sanering, maar er juist van uitgegaan wordt dat uit alle eventueel voor te leggen documenten zou blijken dat er juist niet gesaneerd moet worden. Naar het oordeel van de rechtbank moet de voorwaarde waaronder de partijen overgingen tot aankoop dan ook zo gelezen worden dat de NV Unicorn Carpets er zal voor zorgen dat binnen de vier maanden na het ondertekenen van de verkoopsakte documenten zullen worden voorgelegd, waaruit blijkt dat het onroerend goed, voorwerp van de verkoop, niet dient te worden gesaneerd. Die interpretatie van de voorwaarden van de overeenkomst sluit perfect aan bij de houding van de NV Unicorn Carpets die deze heeft aangenomen nadat kenbaar werd dat de onder voorwaarde verkochte percelen dienden gesaneerd te worden. In haar e-mail van 25 juli 2006 heeft de NV Unicorn Carpets immers letterlijk aangenomen: "Vermits u op 26 juni werd op de hoogte gebracht dat Unicorn niet zal in staat zijn een gunstig bodemattest voor te leggen en vermits het gebrek daaraan een schorsende voorwaarde is voor de uitvoering van de verkoopovereenkomst die we sloten op 28 maart, begreep ik dat onze overeenkomst zonder voorwerp was geworden." Het gebrek aan een gunstig bodemattest wordt door de NV Unicorn Carpets zelf dus zonder meer als schorsende voorwaarde weerhouden, die niet vervuld is op 26 juni 2006, zodat de NV Unicorn Carpets aanvaardt dat de overeenkomst niet kan doorgaan. Dit houdt in hoofde van de NV Unicorn Carpets een buitengerechtelijke bekentenis in. Ook in haar besluiten geeft de NV Unicorn Carpets toe dat een nieuwe gewijzigde overeenkomst tussen de partijen tot stand kwam, wat impliceert dat partijen hadden aangenomen dat de oorspronkelijke overeenkomst was komen te vervallen. De interpretatie van de schorsende voorwaarden van de overeenkomst zoals deze door de NV BMVH werd gedaan, komt de rechtbank dan ook correct over, zodat de verbintenissen van de overeenkomst gesloten tussen de partijen op 28 maart 2006, wegens het niet vervullen van de toen opgenomen schorsende voorwaarden, niet dienen uitgevoerd te worden. Ze dienen als vervallen te worden beschouwd. 3. B. De overeenkomst uit hoofde van de e-mail van de NV Unicorn Carpets van 25 juli 2006 Het is correct dat de NV BMVH niet tijdig heeft gereageerd op de e-mail van de NV Unicorn Carpets van 25 juli 2006, waarbij deze melding maakte van de inhoud van een nieuwe mondelinge overeenkomst die kort daarvoor telefonisch zou zijn gesloten. Uit het uitblijven van enige reactie op die e-mail van de kant van de NV BMVH, kan evenwel geen wilsovereenstemming van de NV BMVH worden afgeleid met de inhoud van dat e-mailbericht. De redenering van de NV Unicorn Carpets volgen, leidt immers tot een kringredenering. In dat e-mailbericht van 25 juli 2006 heeft de NV Unicorn Carpets uiteengezet wat volgens haar wel zou zijn overeengekomen tijdens dat telefoongesprek en heeft zij betwist wat de NV BMVH haar had laten weten op 22 juli 2006, omdat dit laatste niet zou beantwoorden aan wat er mondeling was overeengekomen. De NV Unicorn Carpets besluit die e-mail met de volgende zinsnede: "Ik reken erop dat u per kerende het nodige doet om dat misverstand recht te zetten." Zij nodigt derhalve de NV BMVH uit om te bevestigen dat wat zij als inhoud van het telefoon-gesprek naar voor schuift, correct is. Uit het stilzwijgen van de NV BMVH op die e-mail kan er dus niet afgeleid worden dat de NV BMVH het met de inhoud van die e-mail eens was. De NV BMVH was nu immers juist uitgenodigd om haar akkoord met die inhoud per kerende over te maken. Haar stilzwijgen impliceert derhalve dat zij niet akkoord ging met die inhoud. Dat stilzijgen kan dan ook niet uitgelegd worden in de zin dat de NV BMVH akkoord ging. Tevergeefs wijst de NV Unicorn Carpets nog op het feit dat de NV BMVH de euro 200.000,00, die zij in de e-mail van 22 juli 2006 als bijkomende garantie vroeg te betalen, daadwerkelijk betaalde, zodat uit die betaling het akkoord van de NV BMVH met de inhoud van die e-mail moet worden afgeleid. Er mag immers niet uit het oog verloren worden dat de NV Unicorn Carpets reeds op 20 juli 2006 per SMS een aanvullende garantie van euro 200.000,00 vroeg, haar makelaar op 24 juli nogmaals tot betaling van die som aandrong en de bevestiging van de betaling van die euro 200.000,00 door de NV Dexia Bank op 25 juli 2007 reeds bij fax op het kantoor van de makelaar was toegekomen om 13.04 u. Dit is enkele uren voordat de NV Unicorn Carpets haar e-mail van 25 juli 2006 aan de NV BMVH had overgemaakt (16.59 u.). Dit houdt in dat de NV BMVH opdracht gaf die euro 200.000,00 te betalen, na vroegere verzoeken van de NV Unicorn Carpets en haar makelaar én voordat de NV BMVH kennis kon nemen van de inhoud van de e-mail van de NV Unicorn Carpets van 25 juli 2006. Het verstrekken van de betalingsopdracht door de NV BMVH aan haar bankinstelling impliceert dus helemaal niet dat zij akkoord ging met de inhoud van de e-mail van de NV Unicorn Carpets van 25 juli 2006. De betaling van die euro 200.000,00 voorafgaand aan de ontvangst van de e-mail van de NV Unicorn Carpets van 25 juli 2006 kan genoegzaam gesteund zijn op het akkoord van de NV BMVH om nog bijkomend te betalen ten einde de NV Unicorn Carpets toe te laten zich te richten naar de voorschriften van het bodemsaneringdecreet. De NV BMVH was bereid nog bijkomend een som geld te storten om de NV Unicorn Carpets zekerheid te verschaffen. Dit houdt nog niet in dat de NV BMVH daarmee niet op haar standpunt bleef dat alles in orde diende gebracht te worden binnen de 2 maand na 22 juli 2006, de door haar gestelde bijkomende termijn voor het vervullen van de opschortende voorwaarde. En ook de naderhand geleverde inspanningen van de NV BMVH om op de bewuste site activiteiten te ontwikkelen, kunnen eenvoudig verklaard worden door haar verwachtingen dat binnen de 2 maand, termijn zoals door haar nog toegestaan, alles toch nog in orde zou komen. Die genomen voorbereidingen bewijzen evenmin het akkoord van de NV BMVH met de inhoud van de e-mail van de NV Unicorn Carpets van 25 juli 2006. Uit de reactie van de NV Unicorn Carpets op het voorstel tot verlenging van de periode van 2 maanden vanaf 22 juli 2006 voor het vervullen van de opschortende voorwaarde, met name afwijzing door de NV Unicorn Carpets van dat voorstel, volgt dat er daaromtrent evenmin enige overeenkomst is ontstaan tussen de partijen. In elk geval was die periode van 2 maand verstreken per 22 september 2006. Uit niets blijkt dat voorafgaand aan die datum de vervulling van de opschortende voorwaarde vervuld was. De situatie was nog identiek aan deze per 26 juni 2006, situatie die de NV Unicorn Carpets in haar e-mail van 25 juli 2006 bestempelde en erkende als deze waarbij er niet was voldaan aan de schorsende voorwaarden in de overeenkomst opgenomen. De conclusie dringt zich op: zelfs indien zou aangenomen worden dat er een nieuwe overeenkomst tot stand kwam op grond van het voorstel van de NV BMVH van 22 juli 2006, dan is de daarbij bedongen opschortende voorwaarde evenmin tijdig vervuld en gaat ook die overeenkomst te niet. Ook in deze hypothese vervallen de verbintenissen van de partijen. De vordering van de NV Unicorn Carpets tot de betaling van schadevergoeding lastens de NV BMVH voor wanprestatie nopens in hoofde van deze laatste vervallen verbintenissen, is dan ook ongegrond. 3. C. De tegeneis. Het enkele feit zich in rechte te voorzien kan hoegenaamd niet worden aangezien als tergend en roekeloos. Het is onvoldoende hierin een zinloze betwisting te zien, zonder dat tevens wordt aangetoond dat het voeren van deze procedure het oogmerk had de tegenstrever te tergen, voortvloeiend uit kwaad opzet of hatelijkheid ten aanzien van de tegenpartij (Brussel, 16 december 1997, T.B.B.R., 1999, 472), en met een ongepaste handeling uit te dagen, én dat het middel op zich roekeloos zou zijn, dit is lichtzinnig zonder acht te slaan op de gevolgen waarvan ieder normaal zorgvuldig en bezonnen persoon zich zou hebben onthouden (Brussel, 27 juni 1997, J.T., 1997, 688). Uit het oordeel dat de vordering van de NV Unicorn Carpets ongegrond is, kan niet besloten worden dat deze zich schuldig gemaakt heeft aan procesrechtsmisbruik. Dit onderdeel van de tegeneis wordt als ongegrond afgewezen. Nopens de vergoeding voor de kosten van de juridische bijstand, wijst de rechtbank op wat volgt: Overeenkomstig art. 1017 Ger.W., art. 1018, 6° Ger.W. en art. 1022 Ger.W. heeft de in het gelijk gestelde partij aanspraak op een rechtsplegingsvergoeding, als compensatie ("invorderbare kost") voor het verrichten van bepaalde materiële akten. Volgens de Koninklijk Commissaris voor de Gerechtelijke Hervorming (Parl. St., Kamer, 1966-1967, nr. 59 N. 49, pp. 147-148) kan een partij, dankzij de rechtsplegingsvergoeding, bepaalde bedragen die zij zelf voor haar verdediging moet uitgeven, ten laste van de tegenpartij terugbetaald krijgen (cf. arrest Arbitragehof d.d. 14 oktober 1999, Belgisch Staatsblad, 29 december 1999). Met inachtneming van de bepalingen van het K.B. van 30 november 1970 wordt aan de NV BMVH in deze zaak de rechtsplegingsvergoeding ten laste van de NV Unicorn Carpets toegekend. Naar het oordeel van de rechtbank werd het systeem van de rechtsplegingsvergoeding precies ingesteld om prestaties te vergoeden als degene welke door de NV BMVH aan de orde zouden kunnen worden gesteld en waarvoor zij meent een (supplementaire) schadevergoeding te mogen vorderen. Het is niet aan de rechtbank om de thans nog steeds actueel geldende tarieven van de rechtsplegingsvergoeding te bekritiseren noch om ze aan te vullen met schadevergoedingen, om aldus te komen tot bedragen die beantwoorden aan één of andere economische realiteit. Ook dit onderdeel van de tegenvordering wordt als ongegrond afgewezen. * * * Bij gebreke aan specifieke motivering, die de toestand van de schuldeiser betreft, waarom de schuldenaar van zijn principieel recht tot kantonnement zou moeten uitgesloten worden, wordt op de eis tot uitsluiting van de mogelijkheid tot kantonnement door de rechtbank niet ingegaan. OM DEZE REDENEN DE RECHTBANK, recht doende op tegenspraak; Alle anders luidende en / of tegenstrijdige conclusies van de hand wijzend; Verklaart de hoofdeis en de tegeneis ontvankelijk, doch wijst de beide vorderingen af als ongegrond; Veroordeelt de NV Unicorn Carpets tot de kosten van het geding en stelt deze tot op heden vast aan de kant van de NV BMVH op euro 371,84 geïndexeerde rechtsplegingsvergoeding. Onverminderd de toepassing van art. 1024 Ger.W.; Verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad, niettegenstaande elke voorziening en zonder borgstelling; Aldus het vonnis uitgesproken in het gerechtsgebouw II te Kortrijk in openbare terechtzitting op woensdag EENENTWINTIG NOVEMBER TWEEDUIZEND EN ZEVEN. Aanwezig : de heren L. Vandenbroucke, ondervoorzitter, P. De Poot en P. Matton, rechters in handelszaken, mevrouw Ch. Busschaert, griffier. Ch. Busschaert P. Matton P. De Poot L. Vandenbroucke Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div