← België

ECLI:BE:ORGNT:2007:JUG.20071226.3

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Ondernemingsrechtbank Gent Vonnis/arrest van 26 december 2007 ECLI nr: ECLI:BE:ORGNT:2007:JUG.20071226.3 Rolnummer: AR 2388/06 Rechtsgebied: Handelsrecht Invoerdatum: 2009-02-12 Raadplegingen: 132 - laatst gezien 2026-07-02 16:34 Fiche UTU-thesaurus: HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - VENNOOTSCHAPPEN - Vennootschappen met rechtspersoonlijkheid: gemeenschappelijke bepalingen - Oprichting - Oprichtersaansprakelijkheid Vrije woorden: failliet verklaard binnen 3 jaar na oprichting Tekst van de beslissing Nr. Rep. VONNIS Rechtbank van koophandel te Kortrijk VIJFDE KAMER In de zaak nr. 2388/2006 der algemene rol. Mter. Guy MAESEELE en Mter. Edith PATTYN, advocaten te 8550 Zwevegem, Kortrijkstraat 83, in hun hoedanigheid van CURATOREN over het FAILLISSEMENT van de BVBA BEWO, met vennootschapszetel te 8570 Anzegem, Grote Leiestraat 151, ingeschreven in de kruispuntbank van ondernemingen onder het nummer 0478.514.658 en failliet verklaard bij vonnis van de rechtbank van koophandel te Kortrijk op 26 april 2005, Eisers q.q, ter terechtzitting verschijnend via Mter. Edith Pattyn voornoemd, TEGEN : De heer A, geboren te ... op ..., thans wonende te ..., Verweerder, hebbende als raadsman Mter. Claude Van Marcke en pleitend Mter. Caroline Lannoy, advocaten te Anzegem. De rechtbank heeft de partijen gehoord in de openbare zitting van 5 december 2007 en heeft kennis genomen van de door hen neergelegde stukken, hierbij toepassing makend van de artikelen 2, 37 en 41 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van talen in gerechtszaken. Met dagvaarding, betekend op 21 juni 2006, vorderen de eisers q.q. de veroordeling van de verweerder tot de volledige aanzuivering van het passief van de BVBA Bewo, een bedrag voorlopig vastgesteld op euro 205.291,54, te vermeerderen met de gerechtelijke rente vanaf 21 juni 2006 tot de dag van de betaling en met de kosten van het geding. De eisers q.q. zetten uiteen dat de verweerder bij notariële akte van notaris Saey te Deerlijk op 4 oktober 2002 de éénhoofdige BVBA BEWO heeft opgericht, met een maatschappelijk kapitaal van euro 18.600,00, volledig onderschreven door de verweerder en voor 1/3de door deze volgestort. De handelsactiviteit van de BVBA Bewo bestond in de verkoop en de verhuring van benodigdheden voor het inrichten van werven en het inrichten zelf van de werven (verhuring en plaatsing van bouwsteigers) en alle daarmee verband houdende activiteiten. Op 26 april 2005 werd de BVBA Bewo in staat van faillissement verklaard. De eisers q.q. werden aangesteld als curatoren. Zij stelden vast dat de BVBA Bewo in staat van faillissement werd verklaard binnen de drie jaar na haar oprichting. Naar het oordeel van de eisers q.q. is de verweerder jegens de belanghebbende, dus ook tegenover hen, gehouden voor de verbintenissen van de BVBA Bewo, naar een verhouding door de rechtbank vast te stellen, omdat het maatschappelijk kapitaal van de BVBA Bewo kennelijk ontoereikend was voor de normale uitoefening van de voorgenomen bedrijvigheid over twee jaar (art. 229, 5° W.Venn.). Zij vorderen thans de provisionele veroordeling van de verweerder tot de volledige aanzuivering van het tot op vandaag vaststaande passief van de BVBA Bewo. De verweerder betwist de voormelde feitelijke gegevens niet. Hij betwist evenwel de stelling van de eisers q.q. dat het maatschappelijk kapitaal bij de oprichting kennelijk ontoereikend was voor de voorgenomen bedrijvigheid van de BVBA Bewo over ten minste twee jaar. De verweerder houdt voor dat het financieel plan, dat bij de oprichting van de BVBA Bewo aan de instrumenterende notaris werd overhandigd, de slaagkansen van de vennootschap correct heeft ingeschat. Er werd een omstandige analyse gemaakt van de rendabiliteit, de financierings-behoefte, de te verwachten verkoopsopbrengsten, personeelskosten, financiële en uitzonderlijke kosten. De oorzaken van het faillissement zijn volgens de verweerder niet de zwakke financiële onderbouw, doch de tegenslagen de BVBA Bewo overkomen die onmogelijk te voorzien waren: de firma All- Scaff weigerde verhuurd materiaal te betalen (een vordering van euro 103.505,45 werd op 23 november 2004 ingeleid) en terug te bezorgen; daardoor was de BVBA Bewo verplicht bijkomend materieel te huren; de klacht van de NV Layher, wegens vermeende diefstal; de bedrieglijke praktijken van een zekere heer D, een tijdlang zaakvoerder van de BVBA Bewo; de medische problemen van de verweerder bij de oprichting van de vennootschap; het onvoldoende rendement van de vertegenwoordiger van de BVBA Bewo, die ontslagen werd wegens dringende redenen en die dat ontslag met succes voor de arbeidsrechtbank heeft betwist. * * * De verweerder wijst er terecht op dat bij de beoordeling van de oprichtersaansprakelijkheid men zich moet hoeden voor een beoordeling post factum. Er mag inderdaad geen rekening gehouden worden met appreciatie-elementen waarvan de oprichters geen kennis konden hebben op het ogenblik van de oprichting (Luik, 5 mei 1995, J.L.M.B. 1997, 626 / Kh. Dendermonde 16 juni 1995, V & F 1998, 502 / Luik, 4 april 2000, J.L.M.B. 2002, 820). Hoogstens kan de rechtbank overgaan tot een marginale toetsing, daar elke onderneming een zeker risico inhoudt. Het in ogenschouw te nemen kapitaal behelst ook niet enkel het maatschappelijk kapitaal, maar alle beschikbare middelen, zoals in voorliggend geval de toe te stane leningen op korte en lange termijn (Luik, 4 april 2000, J.L.M.B. 2002, 820 / Gent, 10 oktober 2001, TRV 2002, 454). Het financieel plan werd volgens de verweerder opgesteld rekening houdend met het zakencijfer dat op het ogenblik van de oprichting normaal voorzienbaar was, het beschikbaar gestelde kapitaal en met de leningen voorzien op korte en lange termijn. Het voorgelegde financiële plan is indrukwekkend en schijnbaar correct. Onderzoek ervan geeft evenwel aan dat de gebudgetteerde marges van het plan compleet verkeerd zijn. De rechtbank maakt hieronder de vergelijking tussen het financieel plan en de eerste balans per 31 maart

  1. Plan Balans
  2. kapitaal volstort euro 18.600,00 euro 6.200,00
  3. investeringen euro 75.465,00 euro 99.164,84
  4. kredieten euro 54.999,00 euro 48.027,16 Volgens het financieel plan, rekening houdend met het volstort kapitaal tot beloop van euro 18.600,00 zou er het eerste balansjaar (oktober 2002 - maart 2004 = anderhalf kalenderjaar) een liquiditeitstekort zijn van euro 14.611,
  5. Op zich is dat wel niet voldoende om te besluiten tot de aansprakelijkheid van de oprichters (Luik, 4 april 1000, J.L.M.B. 2002, 820). Maar de oprichter van de in casu éénhoofdige BVBA diende er zich dus maar al te zeer van bewust te zijn dat er geen liquiditeitsoverschot zou zijn en dat de volstorting van het toegezegde kapitaal een must was. Het kapitaal werd niet volstort bij de oprichting, wat betekent dat de liquiditeit nog slechter was dan voorzien, of nog, dat van meet af aan het financieel plan verkeerd was, want er werd geen rekening gehouden met het aan de enige oprichter bekende feit dat het kapitaal niet zou volstort worden, zoals voorgehouden, dat hij zijn opgenomen verplichting niet zou nakomen en dat dus andere financiële middelen dienden voorzien te worden, wat niet het geval was. Daarnaast werd er het eerste jaar euro 23.699,94 meer geïnvesteerd en werd er euro 6.971,84 minder krediet ontvangen dan gepland. Die investeringen hebben niets te zien met de door de verweerder ingeroepen feiten die zich na de oprichting hebben gemanifesteerd. Zij hebben niets te zien met aanschaf van steigers, die zouden zijn gestolen of de leasing van een voertuig voor een vertegenwoordiger. Die twee voormelde items komen niet voor in de investeringstabel van de eerste balans per 31 maart
  6. Waar er diende te worden in geïnvesteerd kon dus perfect en met het correcte bedrag in het financieel plan worden opgenomen. Bij de oprichting kon ook perfect worden opgenomen welke leningen er konden bekomen worden. De rechtbank stelt ook vast dat de realiteit mijlen ver af staat van het financiële plan. Er kan bijvoorbeeld gewezen worden op de volgende cijfergegevens: Plan Balans Omzet euro 323.000,00 euro 862.026,98 Handelsgoederen euro 161.500,00 euro 717.177,64 Diensten euro 132.700,00 euro 289.120,19 Resultaat euro - 3.148,00 euro - 241.950,18 Financiële kost euro 4.218,00 euro 43.563,90 De gebudgetteerde marges (30 % bekomen tegenover 50 % geraamd) zijn compleet verkeerd, de omzetten en de kosten liggen in de realiteit veel hoger. Kortom, de rechtbank stelt zich de vraag op welke reële gegevens men zich dan wel heeft gebaseerd bij het opstellen van het financieel plan. Het financieel plan werd blijkbaar opgemaakt met compleet verkeerde hypothesen en strookt helemaal niet met de realiteit. Terwijl het toch perfect mogelijk is de huurprijs van steigers na te gaan en de verhuurprijs ervan op de markt te controleren. De marges zijn vaststelbaar. Rekening houdend met de reële cijfers (zie groot verschil tussen het voorziene en het bereikte resultaat), waren de financiële middelen voorzien bij de oprichting van de BVBA Bewo kennelijk (in grote mate, zonder enige twijfel) ontoereikend voor de normale uitoefening van de activiteiten over ten minste twee jaar. De verweerder stuurt aan op een deskundigenonderzoek ten einde deze te laten zeggen of het financieel plan van de BVBA Bewo voldoende sterk was onderbouwd en of het maatschappelijke kapitaal kennelijk toereikend was. De rechtbank gaat niet in op die vraag, daar dit een ongeoorloofde bevoegdheidsdelegatie naar de deskundige toe inhoudt (art. 11 Ger.W.), en de rechtbank aan de hand van de voorgelegde bescheiden zelf kan nagaan of de verweerder al dan niet aan de gestelde voorwaarden heeft voldaan, zoals blijkt uit de beoordeling hiervoor. Dit alles impliceert evenwel niet dat de verweerder als oprichter van de BVBA Bewo zonder meer aansprakelijk is voor alle verbintenissen van de vennootschap en moet instaan voor het volledige passief van het faillissement van de BVBA Bewo. Er moet rekening gehouden worden met de gebeurtenissen die na de oprichting van de BVBA Bewo mee het passief van de BVBA Bewo in de hand hebben gewerkt. En door de ziekte van de zaakvoerder van de BVBA Bewo en diens werkonbekwaamheid, die door de eisers q.q. niet wordt ontkend voor en kort na de periode tijdens de oprichting van de BVBA Bewo, én door de problemen die ontstonden door de praktijken begaan door de heer D, evenmin ontkend door de eisers q.q., én door het ongegrond verklaren van het ontslag wegens dringende redenen van de vertegenwoordiger H, zijn er ongetwijfeld vorderingen ontstaan lastens de BVBV Bewo of heeft deze betalingen waarop zij recht had mislopen, waardoor het tot haar faillietverklaring en grotere aangroei van het passief is gekomen. De financiële consequenties van de hiervoor gemelde en zich naderhand manifesterende feiten kunnen niet ten laste gelegd worden van de oprichter van de vennootschap. De rechtbank kan dan ook niet aanvaarden dat de verweerder aansprakelijk moet gesteld worden voor het volledige passief van het faillissement van de BVBA Bewo. De hoegrootheid van die financiële consequenties kunnen door de rechtbank ook onmogelijk cijfermatig correct worden ingeschat, temeer de eisers q.q. thans slechts een onvolledig beeld kunnen verstrekken van dat passief, gezien de nog hangende betwistingen nopens de schuldvorderingen ingediend in het passief van de BVBA Bewo. Het komt de rechtbank dan ook aangewezen over de verweerder hic et nunc slechts te veroordelen tot een provisiesom van euro 50.000,
  7. * * * Op de eis tot uitsluiting van de mogelijkheid tot kantonnement gaat de rechtbank niet in bij gebrek aan specifieke motivering, die de toestand van de schuldeiser betreft, waarom de schuldenaar van zijn principieel recht tot kantonnement zou moeten worden uitgesloten. OM DEZE REDENEN DE RECHTBANK, recht doende op tegenspraak; Alle anders luidende en / of tegenstrijdige conclusies van de hand wijzend; Verklaart de vordering ontvankelijk en thans in de volgende mate gegrond; Veroordeelt de verweerder om aan de eisers q.q. te betalen de provisiesom van euro 50.000,00 (vijftig duizend euro en nul cent), te vermeerderen met de rente aan de wettelijke rente zoals vastgelegd in burgerlijke en handelszaken buiten de wet van 2 augustus 2002 betreffende de bestrijding van betalingsachterstand in handelstransacties, vanaf 21 juni 2006 tot de dag van de betaling; Wijst het meergevorderde naar de rol, tot de eisers q.q. een globaal beeld van het passief van het faillissement van de BVBA Bewo hebben voorgelegd; Houdt de beslissing omtrent de kosten van het geding aan; Onverminderd de toepassing van art. 1024 Ger.W.; Verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad, niettegenstaande elke voorziening en zonder borgstelling; Aldus het vonnis uitgesproken in het gerechtsgebouw II te Kortrijk in openbare terechtzitting van woensdag, ZESENTWINTIG DECEMBER TWEEDUIZEND EN ZEVEN. Aanwezig : de heren L. Vandenbroucke, ondervoorzitter ; P. De Poot en P. Matton, rechters in handelszaken ; mevrouw Ch. Busschaert, griffier. C. Busschaert P. Matton P. De Poot L. Vandenbroucke Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.