← België

ECLI:BE:ORGNT:2008:ARR.20081027.10

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Ondernemingsrechtbank Gent Vonnis/arrest van 27 oktober 2008 ECLI nr: ECLI:BE:ORGNT:2008:ARR.20081027.10 Rolnummer: Rechtsgebied: Burgerlijk recht - Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-09-01 Raadplegingen: 117 - laatst gezien 2026-07-02 18:11 Fiche Het KB van 26 september 1996 betreffende de algemene uitvoeringsregels en aannemingsvoorwaarden is niet van toepassing na de definitieve oplevering . De opdrachtgever kan dus na de definitieve oplevering zich niet beroepen op de afwezigheid van verweer tegen de gebreken opgenomen in een proces verbaal van vaststelling overeenkomstig artikel 20 §2 A.A.V. en heeft niet het recht na de definitieve oplevering ambtshalve maatregelen te bevelen overeenkomstig artikel 48 A.A.V. UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - BIJZONDERE OVEREENKOMSTEN - Bouwrecht - Andere PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - OVERHEIDSOPDRACHTEN - Algemeen (overheidsopdrachten) PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - OVERHEIDSOPDRACHTEN - Aanneming werken Vrije woorden: overheidsopdrachten - definitieve oplevering - niet toepassing KB 26 september 1996 Tekst van de beslissing De vierde kamer van de Rechtbank van Koophandel te Dendermonde velt na beraad het volgende vonnis in de zaak van: A/07/00325 in de zaak van: STAD B., vertegenwoordigd door haar College van Burgemeester en Schepenen met burelen gevestigd te ...... eisende partij, voor wie optreedt Mr.Bergans Jan, advocaat te 3583 Beringen (Paal), Acacialaan 44;- tegen NV A.S., met zetel te ........., verwerende partij, voor wie optreedt Mr. Nijs Josef, advocaat te 9200 Dendermonde, Noordlaan 82 -

  1. Gelet op de inleidende dagvaarding dd. 1 februari
  2. Gehoord partijen in hun uiteenzettingen ter zitting van 29 september
  3. Kennis werd genomen van het dossier van rechtspleging en van de door de partijen overgelegde conclusies en bundels. Nageleefd de bepalingen van de wet van 15/06/1935 op het gebruik van de talen in rechtszaken. 1.Voorwerp van de vordering De vordering strekt ertoe de verwerende partij zich te horen veroordelen tot het betalen aan de eisende partij de som van euro 11.858,00, meer de verwijlintresten vanaf de datum van ingebrekestelling dd. 20/04/2005 tot aan de datum van dagvaarding en vanaf dan de gerechtelijke intresten tot de datum van algehele betaling, meer de kosten van het geding. De rechtsplegingvergoeding wordt begroot op euro 1.100,
  4. Dit alles middels vonnis uitvoerbaar bij voorraad, niettegenstaande de aanwending van welkdanig rechtsmiddel en zonder het vermogen tot kantonnement. 2.Relevante feiten Op 30 april 1999 worden de werken voor het leveren en plaatsen van een multifunctionele sportvloer in de sporthal te K. gegund aan de verwerende partij. Deze werken zijn definitief beëindig op 26 augustus
  5. In 2000 worden er oneffenheden in de vloer vastgesteld, die door de verwerende partij vlak wordt gelegd. In 2004 worden er opnieuw oneffenheden vastgesteld, ditmaal van grotere aard en te benoemen als ‘bulten'. De verwerende partij heeft voor herstel een offerte overgemaakt op 17 december 2004 voor een bedrag van euro 9.801,
  6. Op 20 april 2005 stelt de gemeente een brief op met daaraan gevoegd een proces-verbaal van tekortkoming dd. 18 maart
  7. Hierin wordt gesteld: ‘Tijdens het plaatsbezoek, op 18 maart 2005, in de sporthal "C.", .........., heb ik vastgesteld dat de multifunctionele polyurethaan sportvloer niet meer voldoet aan de voorschriften zoals bepaald in het bestek W9821/1T SPORTVLOER K.. ... In de achterste helft van de hal, links van het midden, zijn er ernstige vervormingen merkbaar. Zij maken het normale gebruik van verschillende speelvelden onmogelijk.' In de begeleidende brief wordt de stelling van de verwerende partij omschreven, met name dat de egalisatie een toevoer van vocht krijgt waardoor de ongebonden kalk van de egalisatie gaat calcineren, en uitzetten en de sportvloer wordt omhooggedrukt.' De gemeente schrijft dat zij deze eenzijdige stelling betwisten en verwijst naar de garantie die werd verleend, met name een garantie van 7 jaar ALL IN. Er wordt verwezen naar de bepalingen van de AAV. Deze brief wordt op 22 april 2005 door de post afgestempeld. Op 12 mei 2005 betwist de verwerende partij haar aansprakelijkheid en stelt zij voor om een deskundige aan te stellen. Op 17 mei 2005 stelt de gemeente dat de termijn tot repliek verstreek op 9 juni 2005 en verwijst naar een reactie van 17 mei
  8. De gemeente stelt dat deze reactie buiten termijn is, zodat er geen rekening mee kan gehouden orden. In het College van Burgemeester en Schepenen van 19 mei 2005 wordt een nieuw relaas gegeven van de feiten en vastgesteld dat de verwerende partij niet binnen de termijn van 15 kalenderdagen haar verweer heeft overgemaakt, waarop zij de werken tot herstel aanbesteden. Op 20 mei 2005 maakt de gemeente deze beslissing aan de verwerende partij over. De verwerende partij verdedigt zich per brief van 15 juni
  9. De werken worden uitbesteed aan de firma L. die voor een bedrag van euro 11.858,00 de sportvloer hersteld. Deze wordt voorlopig opgeleverd op 9 augustus
  10. 3.Standpunt van de partijen 3.1 De eisende partij stelt dat het verweer laattijdig is om redenen dat de bepalingen van de AAV niet werden nageleefd en zij niet binnen de 15 kalenderdagen na 22 april 2005 heeft gereageerd. De eisende partij stelt dat deze bepaling wel degelijk van toepassing is omdat het artikel impliceert dat het bestuur maatregelen kan treffen tegen de aannemer bij niet uitvoering van de opdracht. Gelet op het feit dat de opdracht een effen vloer was, heeft verwerende partij zich niet aan de opdracht gehouden. Bovendien werd een garantie van 7 jaar gegeven. Eisende partij stelt verder dat de verwerende partij een resultaatsverbintenis heeft. Verder stelt eisende partij dat er geen bewijs wordt geleverd van de vreemde oorzaak. Tenslotte verwijst eisende partij naar de zevenjarige waarborg én artikel 3 van de Algemene Aannemingsvoorwaarden. Overeenkomstig artikel 48 § 3, 4° van de AVV kon het bestuur dan ook ambtshalve maatregelen treffen. Tenslotte motiveert de eisende partij de uitvoerbaarheid bij voorraad omdat de overheid moet vaststellen dat er bedrijven in de loop van de aanbestedingsprocedure failliet gaan en zij dan geen verhaal meer hebben. 3.2 De verwerende partij stelt dat het KB van 26 september 1996 betreffende de algemene uitvoeringsregels en aannemingsvoorwaarden niet van toepassing is, nu dit KB enkel tijdens de uitvoeringsfase van opdrachten geldt. Ondergeschikt stelt de verwerende partij dat het stilzwijgen enkel betrekking heeft op de vastgestelde feiten en niet op de mogelijke aansprakelijkheid. Verwerende partij erkent dat zij een resultaatsverbintenis heeft, doch stelt dat de werken werden aanvaard, zodat zij zich heeft gekweten van haar resultaatsverbintenis. Uiterst ongeschikt wijst de verwerende partij erop dat de problematiek wordt veroorzaakt door opstijgend vocht, waarvoor zij niet kan aansprakelijk worden gesteld. In het bestek was immers niet voorzien dat er grondwerken moesten gebeuren. Betreffende de 7-jarige garantie stelt de verwerende partij dat de eisende partij een verkeerde premisse neemt en dat zij zich niet heeft verbonden om alle mogelijke herstellingen, ongeacht de oorzaak, te dekken. Ook op grond van artikel 39 AAV kan de verwerende partij niet gehouden zijn omdat deze aansprakelijkheid slechts geldt tot aan de definitieve oplevering, fase die reeds voorbij is. Tenslotte wijst de verwerende partij erop dat zij herhaaldelijk heeft aangedrongen op de aanstelling van een deskundige doch dat de eisende partij niet tot een dergelijke maatregel wenste over te gaan. Verwerende partij betwist tenslotte de uitvoerbaarheid bij voorraad. 4.Beoordeling
  11. Eisende partij steunt haar vordering in grote mate op een aantal bepalingen uit de bijlage van het koninklijk besluit van 26 september 1996 betreffende de algemene uitvoeringsregels en aannemingsvoorwaarden. De verwerende partij betwist de toepasbaarheid van dit koninklijk besluit en stelt dat dit enkel geldt in de uitvoeringsfase van de werken. De rechtbank is van oordeel dat dit koninklijk besluit inderdaad niet van toepassing is. Uit het geheel van de wetsbepalingen blijkt dat het koninklijk besluit tot doel heeft diverse discussies tussen de inschrijver en de aanbestedende overheid tijdens de uitvoering van de opdracht te regelen. Dit wordt ingegeven door het feit dat de inschrijver winst wenst te maken, de aanbestedende overheid binnen de voorziene en gecontracteerde budget het werk te realiseren. Het forfaitair karakter van de opdracht werkt discussie en procedures met betrekking tot betaling van al dan niet in het bestek voorziene werken in de hand. (LENDERS, C., ‘Kroniek van rechtspraak: uitvoering van overheidsopdrachten - de algemene aannemingsvoorwaarden (1998-2003), T.B.O. 2004, nr. 2, blz. 111) Ook de betiteling van het koninklijk besluit wijst in die richting. Grondige lezing van het koninklijk besluit en het verslag aan de Koning doen eveneens besluiten tot het niet toepasbaar zijn na definitieve oplevering van de werken. Immers artikel 20 AAV hanteert duidelijk incidenten die zich voordoen tijdens de uitvoering van de werken. De argumentatie van de eisende partij als dat het een overheidsopdracht betreft, is niet overtuigend om deze specifieke wetgeving toepasselijk te maken Uit de stukken blijkt dat de werken op 18 september 2000 definitief werden opgeleverd. Na deze datum is het gemeen recht van toepassing. Dit impliceert dat het bestuur ten onrechte de artikelen 20 § 2, 47 en 48 AVV heeft toegepast. Er is van enig laattijdig verweer dan ook geen sprake.
  12. Vervolgens gaat de rechtbank na of het door de aannemer ingeroepen verweer, al dan niet gegrond is. De gemeente beroept zich op de resultaatsverbintenis in hoofde van de aannemer, die erin bestaat om een multifunctionele sportvloer te leveren en te plaatsen. Uit de stukken blijkt dat bij het beëindigen van de werken, er een multifunctionele sportvloer werd geleverd en geplaatst, zodat het niet duidelijk is in welke zin er een inbreuk op de resultaatsverbintenis zou zijn. De aannemer stelt dat door de aanvaarding van de werken, de gemeente heeft aanvaard dat er een correcte levering en plaatsing is gebeurd, terwijl de gemeente stelt dat, ingeval er een resultaatsverbintenis is, de schuldenaar van een resultaatsverbintenis, die het beoogde resultaat niet verwezenlijkt, vermoed wordt aansprakelijk te zijn, vermits hij zich niet presteerde hetgeen waartoe hij zich verbond. Tot aan de oplevering blijft de aannemer aansprakelijk voor iedere tekortkoming aan zijn contractuele verplichtingen. Hij heeft er zich toe verbonden om een werk uit te voeren overeenkomstig de plannen, het bestek en de regels der kunst. De eindoplevering houdt onder meer de bevestiging dat het werk is uitgevoerd naar bestek en voorwaarden en naar de regels van goed vakmanschap; hierdoor is de aannemer ontheven van alle aansprakelijkheid voor de al dan niet zichtbare gebreken van het bouwwerk. (BAERT, Privaatrechtelijk Bouwrecht, Kluwer Antwerpen, V.I. 133-134) Dit betekent meteen ook het einde van de overeenkomst en de aannemer is verder enkel aansprakelijk op grond van de artikelen 1792-2270 BW en de verborgen gebreken. Op dat ogenblik heeft ook de resultaatsverbintenis van de aannemer een einde genomen. Het is immers onmogelijk om ab infinitum een resultaatsverbintenis op te leggen. De aannemer heeft gepresteerd conform de overeenkomst en kan dan ook niet meer aangesproken worden op louter en alleen een inbreuk op de resultaatsverbintenis. Dit impliceert meteen dat de aannemer géén vreemde oorzaak dient te bewijzen, doch dat de gemeente dient te bewijzen dat de ‘bulten'-vorming een fout is in hoofde van de aannemer. De rechtbank is van oordeel dat de gemeente maar al te gemakkelijk de fout in de schoenen van de aannemer schuift. Ten onrechte verwijst zij naar het feit dat ook de grondvoorzieningen in de opdracht van de aannemer was vervat. De gemeente blijft in het ongewisse over wat deze grondvoorzieningen inhouden en probeert ten onrechte en tegen de stukken in voor te houden dat dit eveneens de behandeling van de ondervloer bevat. Onder punt 3 van de administratieve technische bepalingen (derde deel van het aanbestedingsdocument) staat gestipuleerd: ‘het verwijderen van de sportvloer zal zodanig gebeuren dat de ondervloer minimaal beschadigd worden...' Waar de aannemer stelt dat net deze ondervloer aanleiding tot de problemen geeft, kan moeilijk gesteld worden dat deze ondervloer in het bestek zat vervat, wel integendeel, de ondervloer mocht niet beschadigd worden. Voor de aannemer was het ook onmogelijk om voorafgaandelijk aan de inschrijving na te gaan of de ondergrond geschikt was om een sportvloer op te plaatsen. Opgemerkt dient te worden dat het om de vervanging van een sportvloer ging, zodat de aannemer van een deugdelijke ondervloer kon uitgaan. Uit het geheel der stukken blijkt niet dat de aannemer enige aansprakelijkheid ten laste kan gelegd worden. De gemeente bewijst dit niet. De gemeente heeft enkel vastgesteld dat de sportvloer bulten vertoonde en heeft vervolgens eenzijdig de werken laten uitvoeren door een derde aannemer. Op die manier heeft zij elke tegensprekelijke vaststelling onmogelijk gemaakt. Zij heeft overigens dit eveneens onmogelijk gemaakt door zich te beroepen op een wetgeving die op dat ogenblik niet meer op de relatie tussen partijen toepasbaar was. De gemeente beperkt zich ertoe om te stellen dat er met de ondergrond geen problemen zijn, doch bewijst zulks niet. De aannemer heeft in 2004 - bij het vaststellen van de bulten - onmiddellijk naar opstijgend vocht verwezen en de gemeente heeft dit gewoonweg afgedaan als zijnde niet juist, maar heeft dit onderzocht, laat staan bewezen. Uit de voorliggende stukken kan dan ook geen aansprakelijkheid van de verwerende partij weerhouden worden.
  13. Rest dan de vraag of de gemeente zich kan beroepen op de waarborg gegeven naar aanleiding van de inschrijving. De aannemer heeft immers een waarborg verleend, als volgt geformuleerd: ‘Op deze vloer geven wij volgende garantie (min. 12 maanden: 7 JAAR ALL IN). Eisende partij stelt dat dit impliceert dat de verwerende partij instaat voor alle mogelijke gebreken van de vloer, ook deze waarvoor haar geen aansprakelijkheid/fout treft. Verwerende partij stelt dat dit betekent dat zij, bij schade veroorzaakt door haar toedoen of haar tekortkomingen en wanneer zij dus waarborg dient te geven, zal herstellen en dat in deze herstelling alles is inbegrepen (all in), zoals verplaatsingskosten, werkuren, materiaal (e.d.m.). De rechtbank sluit zich aan bij de interpretatie zoals door de verwerende partij geformuleerd. Het is onmogelijk dat een aannemer zomaar een waarborg zou geven voor om het even welk gebrek aan een bouwwerk, ook al heeft hij met dit gebrek geen enkele band. De vordering van de eisende partij wordt dan ook integraal als ongegrond afgewezen. OM DEZE REDENEN DE RECHTBANK Rechtdoende op tegenspraak, alle verdere meer uitgebreide of strijdige conclusies verwerpende als zijnde niet gegrond of niet ter zake dienend. Verklaart de vordering ontvankelijk doch wijst ze af als ongegrond. Veroordeelt de eisende partij tot de kosten van het geding in hare hoofde niet te begroten. Begroot de kosten in hoofde van de verwerende partij op euro 1.100,00 rechtsplegingvergoeding. Verklaart het vonnis uitvoerbaar bij voorraad niettegenstaande alle verhaal en zonder borgstelling. Dit vonnis is gewezen door de Rechtbank van Koophandel te Dendermonde, vierde kamer, samengesteld uit mevrouw Roets V., als Kamervoorzitter, de Rechters in Handelszaken, de heren Van Verdeghem B. en Geeurickx P., op de openbare terechtzitting van ZEVENENTWINTIG OKTOBER TWEEDUIZEND EN ACHT, uitgesproken door mevrouw Roets V., in aanwezigheid van mevrouw Van Geert M., Griffier. M. Van Geert P. Geeurickx B. Van Verdeghem V. Roets Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.