id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Ondernemingsrechtbank Gent Vonnis/arrest van 06 mei 2008 ECLI nr: ECLI:BE:ORGNT:2008:JUG.20080506.8 Rolnummer: AR 2198/07 Rechtsgebied: Handelsrecht Invoerdatum: 2008-09-30 Raadplegingen: 139 - laatst gezien 2026-07-02 17:25 Fiche UTU-thesaurus: HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - VERVOER - Wegvervoer - Internationaal vervoer - C.M.R.-Verdrag Vrije woorden: verjaring - compensatie Tekst van de beslissing RECHTBANK VAN KOOPHANDEL K O R T R I J K T W E E D E K A M E R Terechtzitting van 6 mei
- V O N N I S Nr. Rep. In de zaak met het rolnummer A/07/
- TRANSPORTS DANDOY NV; met zetel te 1090 Brussel, Dieleghemsteenweg 86 ; ingeschreven in de Kruispuntbank van Ondernemingen onder het Ondernemingsnummer 0416.790.192; Eisende partij, hebbende als raadsman Mr. Frans Ponet, advocaat te 2018 Antwerpen, Van Putlei 9, voor wie pleit Mr. E. Nauwelaerts. T E G E N : D.C.R.L. CVBA; met zetel te 8930 Menen - Rekkem, Transportcentrum LAR C 12; ingeschreven in de Kruispuntbank van Ondernemingen onder het Ondernemingsnummer 0440.505.803; Verwerende partij, hebbende als raadsman en pleitend Mr. Frank Heffinck, advocaat te 8501 Kortrijk - Bissegem, Meensesteenweg 347 velt de rechtbank het volgend vonnis. De rechtbank heeft de partijen gehoord in de openbare terechtzitting d.d.. 22 april
- Tevens is er kennis genomen van de overtuigingsstukken die door de partijen worden aangewend. Hierbij is telkens toepassing gemaakt van de artikelen 2, 37 en 41 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van talen in gerechtszaken.
- De feiten. DANDOY TRANSPORTS NV. voert een aantal transporten uit in opdracht van D.C.R.L. CVBA. en maakt daarvoor facturen op tussen 31.7.2001 en 31.8.2001 voor een totaal in hoofdsom van 1.229,8 euro . Daarin zit ook een transport waartoe opdracht werd gegeven om op 24.8.2001 een vracht olie te laden te Antwerpen en op 27.8.2001 te leveren te Gretz (Fr) evenals de retourvracht van dezelfde lading. Het betreft 30 europaletten met een gezamenlijk gewicht van 24 ton. Waar uit de vrachtbrief blijkt dat de vervoerder de goederen in goede staat ontvangen heeft, wordt de vracht blijkbaar bij aankomst geweigerd omwille van volgende motief: " 27.8.01: totale lading geweigerd. Paletten omgevallen. Kartons zijn ingedeukt aan de basis (te zwaar). Niet te lossen." D.C.R.L. CVBA. geeft opdracht aan DANDOY TRANSPORTS NV. om de lading retour mee te nemen. Op de vrachtbrief bij retour merkt de chauffeur op: "alle paletten waren omgevallen en de chauffeur heeft ze allemaal moeten hermaken zonder hulp". De opdrachtgever van D.C.R.L. CVBA. laat op 29.8.2001 weten aan D.C.R.L. CVBA. dat de wagen is aangekomen met de retourvracht. Volgens hen is dit te wijten aan de rijstijl van de chauffeur: er wordt immers sedert jaren in dezelfde verpakking geleverd, en nog nooit waren er problemen. Waar er geen lekkages opgetreden zijn is de klant tevreden met euro 743,68 (= 30.000 BEF) voor het herstuwen van de paletten en het vervangen van de dozen, waar nodig. Daarenboven is de klant niet bereid het transport te betalen. D.C.R.L. CVBA. stuurt een fax naar DANDOY TRANSPORTS NV. waarin wordt gemeld dat op de wagen een aantal paletten en diverse kartons verschoven waren, waarschijnlijk door een bruusk manoeuvre van de chauffeur. Hierdoor is schade ontstaan en werden de goederen geweigerd. D.C.R.L. CVBA. houdt DANDOY TRANSPORTS NV. dan ook verantwoordelijk voor de ontstane kosten, zijnde de schade alsmede het transport heen en terug. De kosten worden geraamd op euro 743,68 (= 30.000 BEF) en het transport op euro 694,10 (= 28.000 BEF). D.C.R.L. CVBA. vraagt de zaak door te geven aan de verzekering. Dat gebeurt blijkbaar want DANDOY TRANSPORTS NV. stuurt dit door en D.C.R.L. CVBA. krijgt op 30.8.2001 een fax vanwege de CMR-verzekeraar van DANDOY TRANSPORTS NV. die stelt dat na onderzoek van de documenten in haar bezit, zij zich niet akkoord kunnen verklaren met de aanspraken van D.C.R.L. CVBA.: de oorzaak van de problemen is te zoeken in het feit dat de goederen inadequaat werden geconditioneerd op de paletten: de onderste kartons werden ingedeukt door het gewicht van de bovenliggende kartons, waardoor de paletten gingen "liggen". Het is nergens bewezen dat een bruusk manoeuvre aan de oorzaak hiervan zou hebben gelegen. De afzender van de goederen reageert op 3.9.2001 dat de goederen in dezelfde verpakking werden herverpakt en nu zonder enig probleem ter plaatse aankwamen. De verzekeraar blijft bij zijn standpunt. Partijen blijven over en weer argumenteren, doch uiteindelijk factureert de klant een bedrag van 743,68 euro aan D.C.R.L. CVBA. op 15.2.
- D.C.R.L. CVBA. factureert dit door aan DANDOY TRANSPORTS NV., vermeerderd met de annulatie van de transportkosten wat het totaal op 1.583,54 euro brengt. Deze facturatie brengt geen reactie teweeg bij DANDOY TRANSPORTS NV., doch evenmin betaling. Een herinnering op 26.7.2002 levert evenmin iets op. Dezelfde dag heeft DANDOY TRANSPORTS NV. evenwel reeds laten dagvaarden in betaling van de openstaande facturen, vermeerderd met schadebeding en intresten. D.C.R.L. CVBA. laat weten aan de raadsman van DANDOY TRANSPORTS NV. dat er een factuur werd toegestuurd voor een bedrag van 1.583,54 euro die nooit werd betwist. Na compensatie van dit bedrag met de openstaande facturen, is er een saldo in het voordeel van D.C.R.L. CVBA. van 353,74 euro .
- Het vonnis van de eerste rechter. De eerste rechter stelt in haar vonnis van 9.5.2007 vast dat noch de facturen van DANDOY TRANSPORTS NV., noch de facturen van D.C.R.L. CVBA. geprotesteerd werden. Bij gebreke aan een snelle en adequate reactie op de uitgestuurde facturen, oordeelt de eerste rechter dat de beide vorderingen als vaststaand en onbetwist kunnen worden beschouwd. Bovendien kunnen ze conform art. 1290 BW gecompenseerd worden. Schadebeding en conventionele intresten worden gelimiteerd tot resp. 10 en 5%. De gerechtskosten worden bij helften verdeeld terwijl de RPV's worden gecompenseerd.
- Het hoger beroep. Bij gerechtsdeurwaardersexploot van 27.7.2007 wordt door DANDOY TRANSPORTS NV. hoger beroep aangetekend. Dit gebeurt op grond van volgende grieven: Waar niet dient te worden geprotesteerd tegen een zgn. schadefactuur, hoefde DANDOY TRANSPORTS NV. geenszins te reageren toen zij de factuur van D.C.R.L. CVBA. ontving. Deze factuur is dan ook geenszins aanvaard, zodat er geen compensatie kan worden doorgevoerd. De vordering van D.C.R.L. CVBA. is bovendien verjaard conform art. 30 1 a CMR. Waar de goederen werden geleverd op 29.8.2001, trad de verjaring bijgevolg in op 30.8.2002, terwijl de vordering slechts werd ingesteld op 5.5.
- DANDOY TRANSPORTS NV. was trouwens niet aansprakelijk voor de vermeende schade: er werd immers geen geldig voorbehoud gemaakt op de vrachtbrief waaruit de schade aan de goederen zou kunnen worden afgeleid. Overigens voorziet art. 17 4 b CMR in een ontheffing van een eventuele aansprakelijkheid in zoverre de schade het gevolg zou zijn van gebrekkige verpakking en/of stuwing. Er ligt tenslotte geen enkel bewijs voor van schade aan goederen. Bijgevolg moet de vordering zo wie zo worden afgewezen. Bijgevolg vordert DANDOY TRANSPORTS NV. dat haar oorspronkelijke vordering zou worden gegrond verklaard en dat de tegeneis van D.C.R.L. CVBA. als onontvankelijk, minstens ongegrond zou worden afgewezen. D.C.R.L. CVBA. vraagt de bevestiging van het vonnis a quo. Nopens de gerechtskosten merkt zij op dat zij eigenlijk gelijk gekregen heeft van de eerste rechter, daar zij steeds de compensatie heeft ingeroepen. Bijgevolg moest DANDOY TRANSPORTS NV. tot de kosten worden veroordeeld. Subsidiair worden schadebeding en intresten betwist. Ook de meerkost van de dagvaarding in hoger beroep moet ten laste van DANDOY TRANSPORTS NV. blijven, nu een verzoekschrift het hoger beroep ook kon inleiden, doch veel goedkoper.
- In rechte. 4.
- De stilzwijgende aanvaarding van de factuur van 21.2.
- Bij de beoordeling van de oorspronkelijke tegeneis, moet er van uit gegaan worden, dat de vordering van D.C.R.L. CVBA. een "schadebestek"-factuur betreft, d.w.z. dat het niet gaat om een primaire verbintenis, doch om een secundaire of afgeleide verbintenis uit overeenkomst die normaliter geen aanleiding kan geven tot het opmaken van een factuur. (Troch K., Overzicht van rechtspraak betreffende het bewijs in handelszaken (1988-1999), D.A.O.R., 2001, n° 58, p. 125 n° 104) De wezenlijke functie van de factuur is het bevestigen van 'primaire' verbintenissen uit overeenkomst zoals de levering van goederen of het presteren van diensten. 'Secundaire' verbintenissen uit overeenkomsten (schadevergoedingen na wanprestatie) of vergoedingen uit onrechtmatige daad geven daarentegen geen aanleiding tot het opmaken van facturen. Onechte facturen dienen niet te worden geprotesteerd. De afwezigheid van protest tegen een onechte factuur impliceert in beginsel geen aanvaarding noch van enige aansprakelijkheid noch van het bestaan en de omvang van de schade. (Brussel 8 oktober 1999, T.B.B.R. 2000 (verkort), 468) In tegenstelling tot Dirix-Ballon ( De Factuur, Story, 1985, p. 102 n° 214), stelt M.E. Storme ("Bewijs- en verbintenisrechtelijke beschouwingen omtrent het stilzitten van de aangesprokene bij een factuur en bij andere vormen van aanspraakbevestiging", T.B.H., 1991, p. 490 e.v.) dat dergelijke factuur, in bepaalde gevallen wèl moet worden geprotesteerd. Het gaat hier om gevallen waarin de aangesprokene de kans heeft gekregen te reageren op een behoorlijke, en in beginsel tegensprekelijke vaststelling van de schade en haar oorzaken. (cfr. de kritiek op het vonnis van Kh. Brussel, 10.8.89, T.B.H., 1991, 506-507) In casu werd DANDOY TRANSPORTS NV. wel uitgenodigd om tegen uiterlijk 30.8.2001 een expert te sturen indien zij dat wenste: in die optiek zou voorgaande rechtsleer toepassing kunnen vinden. DANDOY TRANSPORTS NV. ging evenwel niet op die uitnodiging in (terecht of ten onrechte: zie verder). In het licht van de voorgaande briefwisseling kan evenwel niet gesteld worden dat de factuur "stilzwijgend aanvaard" werd: er was reeds voorafgaandelijk duidelijk dat DANDOY TRANSPORTS NV. het niet eens was met de zienswijze van D.C.R.L. CVBA. nopens het principe van de aansprakelijkheid. 4.2 De verjaring van de tegeneis. DANDOY TRANSPORTS NV. stelt dat de tegeneis verjaard is, aangezien deze pas werd ingesteld bij besluiten van 5.5.
- Bijgevolg moet de rechtbank onderzoeken of deze verjaring effectief heeft plaatsgevonden. Waar D.C.R.L. CVBA. dit niet deed, zal de rechtbank derhalve moeten onderzoeken of de briefwisseling die naderhand gevoerd is, geen schorsing van de verjaring met zich meebracht. De schorsing van de verjaring door een schriftelijke vordering aan een vervoerder gericht wordt mede beheerst door de wet van het gerecht waarvoor de zaak aanhangig is (art. 32, lid 2 en 3 C.M.R.). Uit de strekking van het C.M.R.-Verdrag, d.i. de procedures snel af te handelen en elk uitstel te vermijden, volgt dat de gevallen waarin de schorsing van de verjaring wordt aanvaard niet te ruim mogen worden uitgelegd (art. 32, lid 3 C.M.R.).(Cass. (1e k.) AR C.99.0524.N ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20020530.8, 30 mei 2002 (B.J. / Hannover International België e.a.), Arr. Cass. 2002, afl. 5, 1394; http://www.cass.be (9 juli 2002); , Pas. 2002, afl. 5-6, 1252; , R.H.A. 2004, afl. 2, 128; , R.W. 2002-03 (verkort), afl. 16, 621 en http://www.rwe.be (2 januari 2003), concl. DUBRULLE, G.; , T.B.H. 2002, afl. 10, 823) Een schriftelijke vordering in de zin van art. 32, lid 2 CMR dient een omschrijving van de aard van de schade of verlies te omvatten, aanduidingen te bevatten omtrent de omvang van de schade en een aansprakelijkheidsstelling in te houden ten aanzien van de geadresseerde, dit alles gestaafd met stukken, zodat de aangesproken vervoerder met kennis van zaken standpunt zou kunnen innemen. ( Antwerpen (4e bis k.) 17 oktober 2005, R.H.A. 2006, afl. 3, 226). Uit de stukken die werden medegedeeld, blijkt dat de oorspronkelijke schade slechts een raming was, en trouwens nog gegeven werd zonder tegensprekelijke expertise. Een telexbericht waarbij de vervoerder uitgenodigd wordt om aan een expertise deel te nemen en waarin de vordering niet eens gespecificeerd of toegelicht wordt, stelt de vervoerder niet in staat zijn aansprakelijkheid te beoordelen en kan dus niet worden beschouwd als een schriftelijke vordering, in de zin van art. 32, par. 2 C.M.R.( Antwerpen 1 februari 1999, R.H.A. 1999, 156) Naderhand was er van enige schade geen sprake meer, dit tot de facturatie door de klant aan D.C.R.L. CVBA.. Daarop factureerde D.C.R.L. CVBA. deze schade vermeerderd met de transportkosten, door aan DANDOY TRANSPORTS NV.. Een 'factuur' schaderekening is een schriftelijke vordering als bedoeld in art. 32, par. 2 C.M.R.( Kh. Antwerpen 30 januari 1998, T.B.H. 1998, 771, noot J.L.) De toezending van de herstelfactuur aan experten - en niet aan de vervoerder - is niet verjaringschorsend: artikel 32, lid 2 CMR-Verdrag laat aan duidelijkheid niets over vermits dit artikel bepaalt dat de schorsing loopt totdat de vervoerder deze vordering schriftelijk afwijst, hetgeen impliceert dat het de vervoerder is aan wie de vordering dient te worden gericht, hierin begrepen de documenten ter staving van de vordering, opdat met kennis van zaken de vervoerder standpunt zou kunnen innemen en eventueel de vordering schriftelijk zou kunnen afwijzen zodat de schorsing van de verjaring ophoudt te lopen. ( Antwerpen (4e k.) 18 maart 2002, R.H.A. 2003, afl. 3, 259.) Op grond van de tekst van art. 32, 2, Verdrag betreffende de overeenkomst tot internationaal vervoer van goederen over de weg (C.M.R.), op 19 mei 1956 gesloten te Genève en goedgekeurd bij Wet 4 september 1962, volgens welke een schriftelijke vordering de verjaring van de rechtsvordering waartoe een aan dat Verdrag onderworpen vervoer aanleiding kan geven, schorst tot aan de dag waarop de vervoerder de vordering schriftelijk afwijst en de daarbij gevoegde stukken terugzendt, kan naar hun aard of inhoud geen onderscheid worden gemaakt tussen de stukken waarvan in die bepaling sprake is.( Cass. AR 7066, 27 september 1984 (F.G. en M. Graindorge N.V. / R.E. De Luycker), Arr. Cass. 1984-85, 159; , Bull. 1985, 135; , Pas. 1985, I, 135) Om de schorsing te doen ophouden, wordt er dus wel degelijk vereist dat de vordering schriftelijk wordt afgewezen en dat de stukken worden teruggestuurd. In zoverre de raadsman van DANDOY TRANSPORTS NV. op 18.8.2002 liet weten dat zijn cliënte zich nog steeds verzette tegen enige compensatie, en bovendien verwees naar het schrijven van de verzekeraar, werd de factuur van D.C.R.L. CVBA. geenszins teruggestuurd. Bijgevolg bleef de schorsing van de verjaring, die binnen het jaar na levering van de goederen was beginnen lopen, gehandhaafd tot op 5.5.2003 de tegeneis werd ingesteld. Deze is derhalve niet verjaard. 4.
- De gegrondheid van de tegeneis. DANDOY TRANSPORTS NV. heeft geen opmerkingen gemaakt bij ontvangst van de goederen. De bestemmeling daarentegen weigerde de goederen te aanvaarden omdat de paletten omgesmeten waren. Dit blijkt uit het voorbehoud dat op de CMR werd vermeld. Voor wat betreft de beoordeling van de schade, kan enkel rekening worden gehouden met de CMR van het eerste transport, en niet met de retour-CMR: deze betreft immers een ander transport en werd enkel door de aangestelde van DANDOY TRANSPORTS NV. ingevuld. In zoverre deze opmerkingen had m.b.t. het oorspronkelijke transport, dienden deze dus op de eerste vrachtbrief te worden genoteerd, wat evenwel niet gebeurde... De vervoerder is gehouden door een resultaatsverbintenis. Overeenkomstig art. 8 C.M.R. moet hij de zichtbare staat van de verpakking controleren en desgevallend voorbehoud maken om de vrijstellingsgrond uit art. 17.4B C.M.R. te kunnen inroepen. ( Vred. Jumet 3 januari 1995, J.L.M.B. 1996, 196 en http://jlmbi.larcier.be (11 oktober 2005). Om te genieten van de ontheffing van art. 17, lid 4, litt. b C.M.R. dient een vervoerder het feit en niet slechts de mogelijkheid van gebrekkige verpakking aan te tonen. Hij moet dit bewijzen door te vergelijken met de kwaliteiten die voor deze goederen normale verpakking moet hebben, zonder dat zijn opmerking gemaakt na het schadegeval zou volstaan. (Kh. Gent 14 februari 1984, T.B.H. 1984, 722) Wanneer bewezen is dat de verpakking de gebruikelijke is, aangepast aan het vervoer en dat de schade waarschijnlijk aan een andere oorzaak te wijten is, kan de vervoerder zich niet ontheffen van zijn aansprakelijkheid op grond van art. 17, 4 b en/of d C.M.R.-Verdrag.(High Court (Queens' Bench Division) (G.B.) 12 oktober 1979, Eur. Vervoerr. 1984, 411) Waar de klant van D.C.R.L. CVBA. verklaart dat dit de gebruikelijke verpakking is, die nog nooit aanleiding gaf tot enig probleem, wordt dit door DANDOY TRANSPORTS NV. niet tegengesproken. Overigens werd dezelfde lading kort na de feiten, herverpakt en herstufft opnieuw naar de bestemmeling vervoerd, ditmaal zonder problemen. Vandaar dat de rechtbank in het kader van de resultaatsverbintenis van DANDOY TRANSPORTS NV., samen met D.C.R.L. CVBA. aanneemt dat de oorzaak van de schade inderdaad te zoeken is in de rijstijl van de chauffeur. Voor wat betreft de hoegrootheid van de schade, gaat DANDOY TRANSPORTS NV. nu allerhande opmerkingen maken. Het stuk ligt voor waarbij zij werd uitgenodigd om een tegensprekelijke expertise te komen doen van de schade, waarop zij evenwel niet is ingegaan. Zij is dan ook slecht gekomen om de schade nu te gaan betwisten, temeer daar zij niet reageerde op de factuur die werd toegestuurd. Hierboven werd wel gesteld dat uit voorgaande briefwisseling gebleken was dat zij niet akkoord was met het principe van de aansprakelijkheid, doch het was pas voor het eerst op 13.11.2001 in twijfel werd getrokken, aangezien de schade "door geen enkel stuk werd gestaafd". Waar de klant van D.C.R.L. CVBA. op dit schrijven reageert en stelt dat de schade wel bewezen was aan de hand van een expertise, reageert DANDOY TRANSPORTS NV. niet meer, noch op de haar later toegestuurde factuur, die dezelfde bedragen herneemt. Bijgevolg zijn de schadebedragen aanvaard. 4.
- De compensatie. Van wettelijke schuldvergelijking is er slechts sprake indien beide vorderingen - zo de aanspraak op vracht, als de vordering tot schadevergoeding - zeker en opeisbaar zijn. (Antwerpen (4e k.) 26 juni 2000, R.H.A. 2001, afl. 3, 217) Als de opdrachtgever van de vervoerder zijn schuldvordering wegens ladingschade met vrachtpenningen heeft verrekend en de transporteur daarmee heeft ingestemd, heeft contractuele schuldvergelijking plaatsgevonden en moet de eis tot betaling van de vracht dan ook worden afgewezen.(Antwerpen (4e bis k.) 17 oktober 2005, R.H.A. 2006, afl. 3, 226) Waar de schade niet meer betwist werd, moet de compensatie geacht zijn onmiddellijk in te treden. Bijgevolg resteert er nog een saldo van 353,74 euro in het voordeel van D.C.R.L. CVBA.. Dit bedrag dient vermeerderd met het schadebeding ad 10 % en de conventionele en gerechtelijke intresten vanaf 21.2.2002 tot de dag der volledige betaling ad 5%. 4.
- De gerechtskosten. D.C.R.L. CVBA. heeft gelijk waar zij stelt dat zij eigenlijk gelijk gekregen heeft voor de eerste rechter, zodat de gerechtskosten ten laste van DANDOY TRANSPORTS NV. dienen te vallen. Waar het eerste vonnis bijgevolg wordt aangepast, zijn meteen ook de nieuwe tarieven van toepassing. OM DEZE REDENEN, DE RECHTBANK, alle andere conclusies afwijzend als niet dienend. Rechtsprekend op tegenspraak. Verklaart het hoger beroep ontvankelijk doch grotendeels ongegrond. Bevestigt het vonnis a quo grotendeels, zij het op andere gronden, en hervormt het in zoverre dat er compensatie heeft plaatsgevonden op 21.2.
- Veroordeelt bijgevolg DANDOY TRANSPORTS NV. om na compensatie te betalen de som van 353,74 euro , meer 35,37 euro schadebeding alsmede de conventionele en gerechtelijke intresten à 5% tot de dag der volledige betaling. Veroordeelt DANDOY TRANSPORTS NV. tot de kosten van beide aanleggen, in hoofde van D.C.R.L. CVBA. begroot op 400 euro RPV eerste aanleg en 400 euro RPV hoger beroep. Verklaart huidig vonnis uitvoerbaar bij voorraad. Aldus het vonnis, gewezen door de rechtbank van koophandel te Kortrijk, tweede kamer, samengesteld als volgt : - P. Van Iseghem, rechter, voorzitter van de kamer, - H. Depoorter, rechter in handelszaken, - F. Desmet, rechter in handelszaken, en uitgesproken in het gerechtsgebouw II te Kortrijk in openbare terechtzitting van dinsdag, zes mei tweeduizend en acht door de voorzitter van de kamer, bijgestaan door K. Engels, griffier. K. Engels F. Desmet H. Depoorter P. Van Iseghem Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20020530.8 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.