← België

ECLI:BE:ORGNT:2008:JUG.20080521.8

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Ondernemingsrechtbank Gent Vonnis/arrest van 21 mei 2008 ECLI nr: ECLI:BE:ORGNT:2008:JUG.20080521.8 Rolnummer: AR 1564/07 Rechtsgebied: Handelsrecht Invoerdatum: 2009-02-12 Raadplegingen: 230 - laatst gezien 2026-07-02 17:30 Fiche UTU-thesaurus: HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - VENNOOTSCHAPPEN - Maatschap, tijdelijke en stille vennootschap - Ontbinding en vereffening HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - VENNOOTSCHAPPEN - Besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid - Bestuur Vrije woorden: aansprakelijkheid van de vereffenaar voor fiscale schulden Tekst van de beslissing Nr. Rep. VONNIS In de zaak nr. 1564/07 der algemene rol DE BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën, met kabinet te 1000 Brussel, Wetstraat 12, vertegenwoordigd door de Juridische Cel van de Administratie der Directe Belastingen te Brugge, met kantoren te 8000 Brugge, G. Vincke-Dujardinstraat 4, Eiser, hebbende als raadsman Mter. Francis Werbrouck, advocaat te Roeselare en pleitend Mter. F. Hazebrouck, advocaat te Kortrijk, TEGEN : De heer A, wonende te ... Verweerder, hebbende als raadslieden Mters. Johan Speecke en Ann Voet en pleitend Mter. Ph. Renier, advocaten te Kortrijk. De rechtbank heeft de partijen gehoord in de openbare zitting van 23 april 2008 en heeft kennis genomen van de neergelegde stukken, hierbij toepassing makend van de artikelen 2, 37 en 41 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van talen in gerechtszaken. 1.De vordering en wat voorafging. Met dagvaarding betekend op 20 september 2000 werd A door de Belgische Staat gedagvaard voor de rechtbank van eerste aanleg te Kortrijk, waarbij lastens hem gevorderd werd: voor recht te zeggen dat hij als vereffenaar van de BVBA Cavero, persoonlijk gehouden is tot betaling van de belasting en nalatigheidsintresten verschuldigd door de BVBA Cavero in vereffening, ingevolge de aanslagen in de vennootschapsbelasting voor het aanslagjaar 1992 ingekohierd onder artikel 3948627 en voor het aanslagjaar 1993 ingekohierd onder artikel 854004406 zoals die zal blijken na bezwaar en uitputting van alle rechtsmiddelen, voor recht te zeggen dat hij persoonlijk aansprakelijk is voor de onbetaalde aanslagen in de vennootschapsbelasting ingekohierd in hoofde van de BVBA Cavero onder de artikels 3948627 en 854004406 zoals die zal blijken na bezwaar en uitputting van alle rechtsmiddelen en dit ten belope van het bedrag dat hij van de vennootschap heeft ontvangen bij de afsluiting van de vereffening van voornoemde vennootschap zijnde het volledige bedrag van de aanslagen, zijn veroordeling tot de kosten van het geding met inbegrip van de geïndexeerde rechtsplegingsvergoeding. Met vonnis gewezen door de rechtbank van eerste aanleg te Kortrijk op 5 juni 2007 werd deze betwisting naar deze rechtbank verzonden wegens materiële onbevoegdheid van de gevatte rechtbank. De uitspraak omtrent de kosten werd door de verwijzende rechtbank "aangehouden". Met zijn vorige besluiten en zijn synthesebesluiten vordert de Belgische Staat de ingestelde eis ontvankelijk en gegrond te verklaren. 2. Beknopte omschrijving van de feitelijke gegevens en het standpunt van de partijen. De BVBA Cavero werd op 24 januari 1996 vervroegd ontbonden en in vereffening gesteld. A, zaakvoerder-vennoot van de BVBA Cavero verklaarde zich te beschouwen als persoonlijk gebonden tot de betaling van het ganse passief van de BVBA Cavero en tot uitvoering van alle verbintenissen van de BVBA Cavero. De vereffening van de BVBA Cavero werd bij beslissing van de buitengewone algemene vergadering der aandeelhouders dan ook op 24 januari 1996 meteen gesloten verklaard. Op het ogenblik van de in vereffeningstelling waren aanslagen betreffende de vennootschapsbelasting lastens de BVBA Cavero gevestigd, waarop verschuldigd bleef: artikel 3948627 aanslagjaar 1992 : euro 8.840,78 + rente tot september 2000 + kosten = euro 8.938,85 artikel 8554004406, aanslagjaar 1993 : euro 7.637,48 + rente tot september 2000+ kosten = euro 8.580,03 Er werd bezwaar aangetekend tegen die aanslagen. Bij vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Brugge dd. 27 april 2004, waartegen geen rechtsmiddel werd aangewend, zijn de voormelde aanslagen definitief verschuldigd. De Belgische Staat vordert thans te zeggen voor recht dat A gehouden is tot de betaling van die twee belastingsaanslagen. A houdt voor dat de vordering van de Belgische Staat verjaard is. Inkomstenbelastingen verjaren op grond van het W.I.B.

(1992)door verloop van 5 jaren vanaf de datum waarop ze dienen betaald te worden, dit is binnen de twee maanden te rekenen vanaf de verzending van het aanslagbiljet (art. 413 W.I.B./ 1992). De voornoemde aanslagbiljetten werden aan de BVBA Cavero als volgt toegestuurd: aanslagjaar 1992, verzonden op 20 augustus 1993, zodat de verjaring principieel tussen is gekomen op 20 oktober 1998, aanslagjaar 1993, verzonden op 17 november 1995, zodat de verjaring principieel is tussengekomen op 17 januari
  1. Die verjaring kan slechts overeenkomstig de principes van art. 2244 B.W. worden gestuit: dagvaarding voor het gerecht, een bevel tot betaling of een beslag. Volgens A zijn er geen verjaringsstuitende daden tijdig tussengekomen, zodat de vordering als verjaard dient te worden afgewezen. De Belgische Staat wijst op art. 49 van de programmawet van 9 juli 2004 die aan de door de administratie van de belastingen betekende dwangbevelen eveneens verjaringsstuitende werking heeft verleend. "Niettegenstaande het dwangbevel de eerste akte van de rechtstreekse vervolgingen is in de zin van de artikelen 148 en 149 van kb van het W.I.B. 1992, moet het dwangbevel ook geïnterpreteerd worden als verjaringsstuitende akte in de zin van art. 2244 B.W., zelfs indien de betwiste belastingsschuld geen zeker en vaststaand karakter heeft." Op grond van die wetsbepaling besluit de Belgische Staat dat de dwangbevelen betekend op 14 mei 1998 en op 11 augustus 2000 verjaringsstuitende werking hebben en de vordering derhalve niet verjaard is. A is het daar niet mee eens. In de voorliggende zaak werden er volgens hem immers geen bevelen tot betalen betekend, op straffe van uitvoerend beslag - gezien de hangende bezwaarprocedures - doch enkel bevelen met de vermelding dat de tenuitvoerlegging slechts zal volgen na de definitieve afhandeling van het bezwaar en dat het exploot de tenuitvoerlegging bijgevolg nog niet inleidt. Anders gezegd, de bewuste dwangbevelen vallen volgens A niet onder de toepassing van art. 49 van de programmawet van 9 juli
  2. A houdt verder voor dat de Belgische Staat door de invoering van art. 49 van de programmawet van 9 juli 2004 art.
  3. E.V.R.M. en art. 1 van het Eerste Aanvullend Protocol heeft geschonden, wat de Belgische Staat dan weer betwist.
  4. Beoordeling. In twee arresten van het Hof van Cassatie gewezen op 17 januari 2008 (F.07.0057.N ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080117.12./8 en F.06.0082.N ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080117.13/1) werd het artificiële onderscheid tussen dwangbevelen op straffe van uitvoerend beslag of met de vermelding dat er slechts tenuitvoerlegging zal volgen na de definitieve afhandeling van het bezwaar, van de hand gewezen. In het arrest F.07.0057.N ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080117.12/9 besluit het hof als volgt: 1.Krachtens artikel 2244 van het Burgerlijk Wetboek, voor de wijziging door de Programmawet van 9 juli 2004, wordt de verjaring gestuit door een dagvaarding voor het gerecht, een bevel tot betaling of een beslag, betekend aan hem die men wil beletten de verjaring te verkrijgen.
  5. Luidens het toepasselijk artikel 410 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen
(1992), voor zijn wijziging bij de wet van 15 maart 1999, kan de belasting nochtans slechts door middelen van tenuitvoerlegging worden ingevorderd, voor zover zij overeenstemt met het bedrag van de aangegeven inkomsten of, wanneer zij ambtshalve werd gevestigd bij niet-aangifte, voor zover zij niet meer bedraagt dan de laatste belasting welke, voor een vorig aanslagjaar, definitief gevestigd werd ten laste van een belastingschuldige. Krachtens deze bepaling kan slechts het daarin omschreven onbetwistbaar verschuldigde gedeelte van de ingekohierde belastingschuld door alle middelen van tenuitvoerlegging worden ingevorderd. Krachtens artikel 149, eerste lid, van het koninklijk besluit tot uitvoering van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen
(1992), doet de ontvanger, ingeval een belastingschuldige zijn belastingen niet heeft gekweten binnen de termijnen van artikel 413 van dit wetboek, hem een dwangbevel betekenen tot betaling binnen 24 uren, op straffe van tenuitvoerlegging door beslag. 3.Inzake belastingen is een dwangbevel een middel van tenuitvoerlegging dat voor zijn geldigheid een uitvoerbare titel veronderstelt en een uitvoerbare beslagmaatregel voorafgaat. Er kunnen geen middelen van tenuitvoerlegging worden aangewend om het met een bezwaar of beroep bestreden gedeelte van de ingekohierde belastingschuld in te vorderen. 4.Hieruit heeft het Hof in zijn arresten van 10 oktober 2002 en 21 februari 2003 afgeleid dat een betalingsbevel betekend voor een aldus betwiste belastingschuld niet geldig kan zijn en geen stuitende werking heeft. 5. Artikel 49 van de Programmawet van 9 juli 2004, dat werd opgenomen onder Hoofdstuk XII met als opschrift "Interpretatie van de toepassing van artikel 2244 van het Burgerlijk Wetboek, op het vlak van de inkomstenbelastingen", bepaalt thans dat niettegenstaande het dwangbevel de eerste akte van de rechtstreekse vervolgingen is in de zin van de artikelen 148 en 149 van het koninklijk besluit tot uitvoering van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen
(1992), het dwangbevel ook moet geïnterpreteerd worden als een verjaringstuitende akte in de zin van artikel 2244 van het Burgerlijk Wetboek, zelfs indien de betwiste belastingschuld geen zeker en vaststaand karakter heeft. Uit die wetsbepaling volgt dat een dwangbevel of bevel tot betalen dat wordt betekend voor een betwiste belastingschuld en bijgevolg geen bevel kan inhouden om de belastingschuld te betalen binnen 24 uren, niettemin een geldige verjaringstuitende akte uitmaakt, zelfs als er geen onbetwistbaar verschuldigde gedeelte is als bedoeld in artikel 410 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen
(1992)en de betekening ervan gebeurt met het oog op het stuiten van de verjaring. 6.De wet die betreffende een punt waar de rechtsregel onzeker of betwist is, een oplossing geeft die door de rechtspraak had kunnen worden aangenomen, is een interpretatieve wet. Een interpretatieve wet kan de geïnterpreteerde wet evenwel onmogelijk wijzigen, opheffen of aanvullen. Ze kan tevens niet aan een begrip met een algemene draagwijdte een verschillende betekenis geven naar gelang van de materie waarin het wordt toegepast. 7.Artikel 49 van de Programmawet van 9 juli 2004 verleent aan het begrip "bevel tot betalen" in artikel 2244 van het Burgerlijk Wetboek een verschillende betekenis door inzake inkomstenbelastingen het begrip bevel tot betalen zo uit te leggen dat ook betwiste belastingschulden die geen zeker en vaststaand karakter hebben, het voorwerp kunnen uitmaken van een bevel tot betalen dat verjaringstuitende werking heeft. 8.Artikel 49 van de Programmawet van 9 juli 2004 is derhalve geen interpretatieve wetsbepaling. Deze nieuwe bepaling moet echter wel door de rechter met terugwerkende kracht worden toegepast overeenkomstig de bedoeling van de wetgever. Uit de parlementaire voorbereiding van deze wetsbepaling blijkt immers duidelijk dat bij de wetgever de zekere bedoeling voorzat om door middel van een maatregel met terugwerkende kracht de rechten van de Schatkist te vrijwaren in de nog hangende procedures waarin de betwiste belasting op grond van het door het Hof ingenomen standpunt, dreigde te verjaren of waarin de verjaring reeds was ingetreden. 9.Het middel dat uitgaat van de foutieve juridische veronderstelling dat artikel 49 van de Programmawet van 9 juli 2004 uitsluitend stuitende werking toekent aan een bevel tot betalen dat de belastingschuldige beveelt om binnen 24 uur te betalen, op straffe van tenuitvoerlegging door beslag, faalt naar recht. De rechtbank sluit zich aan bij het voormelde en huidige standpunt van het Hof van Cassatie. Derhalve wordt er stuitende werking toegekend aan de dwangbevelen in deze zaak betekend op 14 mei 1998 en op 11 augustus 2000. De rechtbank neemt vervolgens aan dat de wetgever door de invoering van art. 49 van de programmawet van 9 juli 2004 geenszins het E.V.R.M. heeft geschonden. Art. 6 E.V.M.R. verhindert weliswaar iedere inmenging van de overheid in een gerechtelijke procedure waarin deze partij is en geeft aanleiding tot een evenredigheidstoets. Maar het komt de rechtbank toe die evenredigheidstoets uit te voeren tussen enerzijds het algemeen belang dat de wetgever behartigt en de individuele belangen die hij bedreigt. De rechten van een belastingsplichtige zijn volgens de rechtbank niet op een disproportionele wijze beperkt door de gevolgen van de terugwerkende kracht van een maatregel die de rechten van de schatkist moet vrijwaren. De vordering is zoals gesteld dan ook niet als verjaard af te wijzen. Bij gebreke aan specifieke motivering, die de toestand van de schuldeiser betreft, waarom de schuldenaar van zijn principieel recht tot kantonnement zou moeten uitgesloten worden, wordt op de eis tot uitsluiting van de mogelijkheid tot kantonnement door de rechtbank evenwel niet ingegaan. OM DEZE REDENEN DE RECHTBANK, alle andere niet ontmoete conclusies afwijzend als niet dienend, Rechtsprekend op tegenspraak; Verklaart de vordering van de Belgische Staat ontvankelijk en gegrond; Zegt voor recht dat A als vereffenaar van de BVBA Cavero, persoonlijk gehouden is tot betaling van de belasting en nalatigheidsintresten verschuldigd door de BVBA Cavero in vereffening, ingevolge de aanslagen in de vennootschapsbelasting voor het aanslagjaar 1992 ingekohierd onder artikel 3948627 en voor het aanslagjaar 1993 ingekohierd onder artikel 854004406 zoals die zal blijken na bezwaar en uitputting van alle rechtsmiddelen, A persoonlijk aansprakelijk is voor de onbetaalde aanslagen in de vennootschapsbelasting ingekohierd in hoofde van de BVBA Cavero onder de artikels 3948627 en 854004406 zoals die zal blijken na bezwaar en uitputting van alle rechtsmiddelen en dit tot beloop van het bedrag die hij van de vennootschap heeft ontvangen bij de afsluiting van de vereffening van voornoemde vennootschap zijnde het volledige bedrag van de aanslagen, Verwijst de zaak terug naar de rechtbank van eerste aanleg te Kortrijk om uitspraak te doen omtrent de kosten, daar dit onderdeel werd "aangehouden" en niet verzonden werd naar deze rechtbank; Aldus het vonnis, gewezen door de rechtbank van koophandel te Kortrijk, vijfde kamer, samengesteld als volgt: - L. Vandenbroucke, ondervoorzitter, voorzitter van de kamer, - J. Vanbiervliet, rechter in handelszaken, - I. Deleenheer, rechter in handelszaken, en uitgesproken in het gerechtsgebouw II te Kortrijk in openbare terechtzitting van woensdag, EENENTWINTIG MEI TWEEDUIZEND EN ACHT, door de voorzitter van de kamer, bijgestaan door Ch. Busschaert, griffier. Ch. Busschaert I. Deleenheer J. Vanbiervliet L. Vandenbroucke Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080117.12 ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080117.13 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.