id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Ondernemingsrechtbank Gent Vonnis/arrest van 11 juni 2008 ECLI nr: ECLI:BE:ORGNT:2008:JUG.20080611.13 Rolnummer: AR 907/07 Rechtsgebied: Handelsrecht Invoerdatum: 2009-02-12 Raadplegingen: 118 - laatst gezien 2026-07-02 17:38 Fiche UTU-thesaurus: HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - VENNOOTSCHAPPEN - Naamloze vennootschap - Vennootschapsvordering en minderheidsvordering - Minderheidsvordering Tekst van de beslissing Nr. Rep. VONNIS In de zaak nr. 907/07 der algemene rol. De heer A, geboren te ... op ..., wonende te ..., overeenkomstig art. 566 W. Venn. als bijzonder lasthebber aangesteld bij eenparig besluit d.d. 20.02.2007 tussen de heer A, voornoemd, mevrouw B, bediende, wonende te ... en mevrouw C, meewerkende echtgenote, wonende te ..., Eiser, hebbende als raadsman en pleitend Mter. Jonathan Huysentruyt, advocaat te 8500 Kortrijk, TEGEN :
- mevrouw D, geboren te ... op ..., wonende voorheen te ..., thans te ... en ingeschreven in de kruispuntbank van ondernemingen onder het nummer ..., Eerste verweerster, hebbende als raadsman en pleitend Mter. Arnoud Declerck, advocaat te 8530 Harelbeke, 2.mevrouw E, geboren te ... op ..., wonende te ..., Tweede verweerster, hebbende als raadslieden Mter. Hilde Verhaeghe en Mter. Peter Sustronck, beiden advocaat te 8500 Kortrijk, en pleitend Mter. Hilde Verhaeghe voornoemd, 3.de heer F, geboren te ... op ..., wonende te ..., Derde verweerder, hebbende als raadsman en pleitend Mter. Arnoud Declerck, advocaat te 8530 Harelbeke,
- de NV HERMANIUM in vereffening, met vennootschapszetel thans te 8560 Wevelgem, Kortrijkstraat 12 en ingeschreven in de kruispuntbank van ondernemingen onder het nummer 0451.622.892, Vierde verweerster, hebbende als raadsman en pleitend Mter. Veerle Carron, advocaat te 8870 Izegem. De rechtbank heeft de partijen gehoord in de openbare zitting van 14 mei 2008 en heeft kennis genomen van de neergelegde stukken, hierbij toepassing makend van de artikelen 2, 37 en 41 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van talen in gerechtszaken.
- De vorderingen. Met dagvaardingen, betekend op 23 maart 2007, en de synthesebesluiten, neergelegd op 7 maart 2008, vordert A, als aandeelhouder van de NV Hermanium en bijzonder lasthebber aangesteld door B en C, eveneens aandeelhouders van de NV Hermanium, de hoofdelijke veroordeling van D en E tot de betaling aan de NV Hermanium van het bedrag van euro 485.741,84, te vermeerderen met de gerechtelijke rente aan de wettelijke rentevoet vanaf 23 maart 2007, de hoofdelijke veroordeling van D en F tot de betaling aan de NV Hermanium van het bedrag van euro 6.968,53, de veroordeling van de NV Hermanium tot de kosten door hem voorgeschoten en die niet zijn inbegrepen in de kosten waartoe de verweerders worden veroordeeld, provisioneel begroot op euro 1,00, de hoofdelijke veroordeling van de verweerders tot de kosten van het geding. Met haar besluiten vordert E, bij tegeneis, de veroordeling van de eiser tot de betaling, wegens tergend en roekeloos geding, van een schadevergoeding van euro 2.500,00, te vermeerderen met de gerechtelijke rente.
- Korte schets van de feitelijke omstandigheden van de betwisting. vader was gehuwd met D. Hij is overleden op 30 november
- De kinderen A, E, C B en P zijn uit dat huwelijk geboren. P is overleden op 3 augustus
- Bij testament liet hij zijn nalatenschap na aan zijn ouders. Maurice en D waren gehuwd onder het wettelijk huwelijksvermogensstelsel. Bij akte van gift onder echtgenoten heeft vader D begiftigd met het grootst mogelijk beschikbaar deel van zijn nalatenschap, namelijk 1/4de in volle eigendom. Bij het overlijden van vader, die de ontbinding van de huwgemeenschap tussen hem en D en het openvallen van diens nalatenschap met zich brengt, is D, als langstlevende gerechtigd op 5/8 in volle eigendom en op 3/8 in vruchtgebruik van de totaliteit van het gemeenschappelijk vermogen. A, E, C en B hebben elk een aandeel van 3/32ste in naakte eigendom. Tot dat huwlijksvermogen van vader en D behoorden, ondermeer de aandelen in de NV Herman, werkvennootschap - frisdranken en fruitsappen Puck -, en in de patrimoniumvennootschap, de NV Hermanium. De NV Herman werd failliet verklaard bij vonnis van de rechtbank van koophandel te Kortrijk op 28 juni
- De NV Hermanium werd in vereffening gesteld op 5 juli
- Het kapitaal van de NV Hermanium is verdeeld over 7.893 aandelen. Overeenkomstig art. 31 van de statuten van de NV Hermanium zijn alle rechten, verbonden aan aandelen in onverdeeldheid, zoals in casu, geschorst. Tussen D en haar vier kinderen is er betwisting ontstaan over de vereffening-verdeling van de voormelde nalatenschap en de ontbonden huwgemeenschap. Die betwisting heeft geleid tot een procedure vereffening-verdeling, die uitmondde in een tussenvonnis gewezen door de rechtbank van Eerste Aanleg te Kortrijk op 5 december 2006 en waarbij notaris Sabine Destrooper werd aangesteld om over te gaan tot vereffening-verdeling. Alle in die vereffeningsprocedure betrokken partijen hebben in dat tussenvonnis berust. Betreffende de aandelen van de NV Hermanium werd in dat tussenvonnis bij wijze van voorlopige maatregel (artikel 19, tweede lid, Ger.W.) beslist dat D tot aan de uiteindelijke verdeling alle rechten kan uitoefenen verbonden aan de aandelen genummerd 1 tot en met 4933, overeenstemmend met haar aandeel van 5/8 in volle eigendom, terwijl A, B en C de rechten kunnen uitoefenen verbonden aan telkens één aandeel; Verder werd in voormeld vonnis de vordering van D tot omzetting in volle eigendom van haar vruchtgebruik betreffende onder meer de aandelen van de NV Hermanium waarvan haar kinderen de onverdeelde naakte eigendom hebben, ontvankelijk verklaard. De werkzaamheden van de aangestelde notaris Destrooper zijn op heden nog niet beëindigd. * * * De eiser verwijt D, E en F, voormalige echtgenoot van E, bestuursfouten te hebben gemaakt tijdens de uitoefening van hun mandaat in de raad van bestuur van de NV Hermanium die tot schade in hoofde van de NV Hermanium hebben geleid. De eiser vordert in het inleidend dagvaardingsexploot de veroordeling van D, E en F tot de betaling van euro 617.461,94 schadevergoeding. In de synthesebesluiten vordert zij nog slechts de veroordeling tot de betaling van euro 485.741,84 en euro 6.968,
- De aangeklaagde fouten zijn terug te brengen tot: het niet innen van een vordering van euro 446.208,34, toegestaan bij leningsovereenkomst van 23 december 2000 aan de NV Herman, toegestaan zonder enige garantie tot terugbetaling en waarvan de niet terugbetaling vaststaat, gezien het tussengekomen faillissement van de NV Herman. Het niet vorderen van rente op laattijdig terugbetaalde gelden. * * * Bij tegeneis vordert E blijvend de veroordeling van de eiser tot de betaling van 2.500,00 schadevergoeding wegens tergend en roekeloos geding omdat de eiser kennis diende te hebben van het feit dat de vordering ontoelaatbaar en ongegrond was en omdat de eis enkel bedoeld is om haar verder onder druk te zetten en op kosten te jagen. Dit alles voortspruitend uit het ongegronde waanidee dat zij door haar ouders zwaar zou zijn bevoordeeld en blijvend bevoordeeld worden. * * * De NV Hermanium gedraagt zich in de betwisting naar de wijsheid van de rechtbank.
- Beoordeling. De ontoelaatbaarheid van de vordering. De vordering gesteld door de eiser betreft een minderheidsvordering. Art. 562 W. Venn. bepaalt dat de minderheidsvordering voor rekening van de vennootschap wordt ingesteld door één of meer aandeelhouders, die, op de dag waarop de algemene vergadering zich uitspreekt over de aan de bestuurders te verlenen kwijting, effecten bezitten die ten minste 1 % vertegenwoordigen van de stemmen verbonden aan het geheel van de op die dag bestaande effecten, of op diezelfde dag effecten bezitten die een gedeelte van het kapitaal vertegenwoordigen ter waarde van ten minste euro 1.250.000,
- De verweerders houden voor dat de eiser niet aan de voormelde voorwaarden voldoet. Zoals hiervoor uiteengezet zijn de aandelen van de NV Hermanium op dit ogenblik in onverdeeldheid. Overeenkomstig art. 31 van de statuten van de NV Hermanium zijn de rechten verbonden aan de aandelen in onverdeeldheid geschorst. De rechten van alle aandelen van de NV Hermanium zijn derhalve geschorst. Bij tussenvonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Kortrijk d.d. 5 december 2006 werd, ter voorlopige regeling, overeenkomstig art. 19, 2° Ger.W., aan D de uitoefening van de rechten van 4.933 aandelen van de NV Hermanium toegekend en aan A, B en C, thans optredend via hun bijzondere lasthebber, het recht toegekend om gebruik te maken van de rechten verbonden aan minstens één aandeel van de NV Hermanium vanaf de dag van de uitspraak tot de dag van de uiteindelijke verdeling. In dat vonnis werd berust. Een aandeelhouder die het stemrecht verbonden aan één aandeel ten voorlopige titel mag uitoefenen tot de vereffening-verdeling een einde stelt aan de onverdeeldheid van de aandelen van de NV Hermanium, kan niet gelijk gesteld worden met de bezitter van aandelen van ten minste 1 procent van het geheel van de bestaande aandelen. Het samenvoegen van de stemrechten van A, B en C tot 3 eenheden maken nog steeds geen 1 % uit van de 7.893 aandelen van de NV Hermanium. Evenmin vertegenwoordigen die drie aandelen een deel van het kapitaal ter waarde van ten minste euro 1.250.000,
- Daaruit volgt dat de eisende partij geenszins voldoet aan de ontvankelijkheidsvereiste gesteld door art. 562 W. Venn. De eiser beseft dit ten volle en wijst er op dat de vereffening-verdeling, overeenkomstig art. 883 B.W. een declaratoir karakter heeft en dat deze zal terugwerken tot de datum waarop ze is ontstaan, hetzij op 30 november 2002, de dag van het overlijden van vader. Dit gegeven kan evenwel niet verhinderen dat op de dag waarop de algemene vergadering zich uitsprak over de aan de bestuurders te verlenen kwijting, de eisende partij niet beschikte over de stemrechten die 1 % vertegenwoordigen van het geheel van de op die dag bestaande aandelen. De eiser verkreeg bij tussenvonnis hoop en al de stemrechten van 3 aandelen te voorlopige titel toegekend. In dat vonnis werd berust. Het gezag van gewijsde van die uitspraak respecterend, kan niet anders dan worden aangenomen dat de eiser geen 1 % van de stemmen van de aandelen van de NV Hermanium vertegenwoordigt op de dag dat de bestuurders kwijting werden verleend. Die situatie kan niet wijzigen wanneer de eiser declaratoir het eigendomsrecht verwerft van minstens of méér dan 1 % van de aandelen. De bewuste stemming ging blijkbaar reeds door op 5 juli 2007 en is een feit. Art. 883 B.W. sluit volgens de rechtbank niet uit dat er regelingen worden getroffen omtrent het uitoefenen van stemrechten verbonden aan aandelen, waarmee de betrokken partijen zich blijkbaar hebben akkoord verklaard. Enig rechtsmiddel werd immers niet aangewend tegen de door de rechtbank opgelegde regeling. De bepaling krachtens dewelke iedere mede-erfgenaam geacht wordt alleen en onmiddellijk te zijn opgevolgd in alle goederen die in zijn kavel worden toebedeeld kan naderhand die regeling niet beïnvloeden. En daar de voorwaarden voor de toelaatbaarheid worden beoordeeld op het ogenblik waarop de vordering wordt ingesteld (Cass. 4 januari 1968, Arr .Cass. 1968, 599 / Cass. 4 december 1989, Arr .Cass. 1989-90, 467 / Antwerpen, 15 januari 2001, R.H.A., 2001, afl.1,22 / Luik, 16 maart 2000, DAOR 2001, afl. 57, p. 65), heeft uitstel om over de ontvankelijkheid van de vordering te oordelen tot nadat de verffening-verdeling heeft plaatsgevonden, geen enkele zin en dient besloten te worden dat de vordering van de eiser als niet ontvankelijk moet worden afgewezen. De tegeneis. E vordert bij tegeneis de veroordeling van de eisende partij tot de betaling van een schadevergoeding wegens tergend en roekeloos geding. Het enkele feit zich in rechte te voorzien kan hoegenaamd niet worden aangezien als tergend en roekeloos. Het is onvoldoende hierin een zinloze betwisting te zien, zonder dat tevens wordt aangetoond dat het voeren van deze procedure het oogmerk had de tegenstrever te tergen, voortvloeiend uit kwaad opzet of hatelijkheid ten aanzien van de tegenpartij (Brussel, 16 december 1997, T.B.B.R., 1999, 472), en met een ongepaste handeling uit te dagen, én dat het middel op zich roekloos zou zijn, dit is lichtzinnig zonder acht te slaan op de gevolgen waarvan ieder normaal zorgvuldig en bezonnen persoon zich zou hebben onthouden (Brussel, 27 juni 1997, J.T., 1997, 688). E toont niet aan dat de procedure gevoerd werd om haar onder druk te zetten of om haar op kosten te jagen. Uit het oordeel dat de vordering van de eisende partij ontoelaatbaar is, kan niet besloten worden dat zij zich schuldig gemaakt heeft aan procesrechtsmisbruik. De tegeneis wordt als ongegrond afgewezen. De kosten van het geding. De kosten van het geding worden ten laste gelegd van de eiser. Die kosten beperken zich aan de kant van de verweerders D, E en F tot de door hen gevorderde rechtsplegingsvergoedingen. Er is geen discussie over het feit dat het basisbedrag aan rechtsplegingsvergoeding euro 7.000,00 bedraagt. De eiser dringt aan op een herleiding van de rechtsplegingsvergoeding tot een bedrag van euro 2.500,00, terwijl de verweerders aandringen op een verhoging van het bedrag. De eiser toont niet aan waarom in zijnen hoofde het basisbedrag niet van toepassing zou zijn. Het kennelijk onredelijk karakter van de situatie wordt niet aangetoond: geen procesmisbruik benaderende situatie, geen deels in het gelijk en deels in het ongelijk gestelde partijen / geen sterk uiteenlopende economische toestand van de partijen (I Samoy en V. Sagaert, "De wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van kosten en erelonen van advocaten", R.W. 2007-2008, 688, nr. 50 - 52). Evenmin tonen de verweerders aan waarom zij zouden gerechtigd zijn op méér dan het basisbedrag aan rechtsplegingsvergoeding. Het onredelijke karakter van de situatie wordt niet bewezen. Verder blijkt uit niets enig procesmisbruik en van een disproportionele verhouding in de financiële toestand van de partijen ligt evenmin een bewijs voor. De basisbedragen aan rechtsplegingsvergoeding worden derhalve toegekend. De aan elke verwerende partij (tenzij aan de NV Hermanium die niets vordert), en die beroep doet op een afzonderlijke raadsman wordt euro 7.000,00 toegekend of dus in totaal 2 keer euro 7.000,
- Nu de vordering niet wordt toegewezen kan de eiser overeenkomstig art. 567 W.Venn. evenmin aanspraak maken op de terugbetaling door de NV Hermanium van de voorgeschoten bedragen die niet zijn inbegrepen in de kosten waartoe de verweerders worden veroordeeld. OM DEZE REDENEN DE RECHTBANK, recht doende op tegenspraak; Alle anders luidende en / of tegenstrijdige conclusies van de hand wijzend; Verklaart de vordering van de eiser niet ontvankelijk; Veroordeelt de eiser tot de betaling van al de kosten van het geding, deze aan de kant van D en F samen vastgesteld op euro 7.000,00 rechtsplegingsvergoeding en deze aan de kant van E vastgesteld op euro 7.000,00 rechtsplegingsvergoeding; Onverminderd de toepassing van art. 1024 Ger.W. Verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad, niettegenstaande elke voorziening en zonder borgstelling; Aldus het vonnis, gewezen door de rechtbank van koophandel te Kortrijk, vijfde kamer, samengesteld als volgt: - L. Vandenbroucke, ondervoorzitter, voorzitter van de kamer, - J. Vanbiervliet, rechter in handelszaken, - K. Govaerts, rechter in handelszaken, en uitgesproken in het gerechtsgebouw II te Kortrijk in openbare terechtzitting van woensdag elf juni tweeduizend en acht door de voorzitter van de kamer, bijgestaan door L. Goossens, adjunct-griffier. L. Goossens K. Govaerts J. Vanbiervliet L. Vandenbroucke Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div