← België

ECLI:BE:ORGNT:2008:JUG.20080926.10

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Ondernemingsrechtbank Gent Vonnis/arrest van 26 september 2008 ECLI nr: ECLI:BE:ORGNT:2008:JUG.20080926.10 Rolnummer: Rechtsgebied: Handelsrecht Invoerdatum: 2010-09-01 Raadplegingen: 104 - laatst gezien 2026-07-02 17:59 Fiche Inzake CMR-contracten wordt de ondervervoerder geacht gesubstitueerd te zijn in de rechten van de contractueel gebonden hoofdvervoerder. De ondervervoerder is niet zomaar een uitvoeringsagent van de hoofdvervoerder, maar komt integendeel als het ware in de plaats van de hoofdvervoerder in de contractuele relatie met de opdrachtgever. De opdrachtgever beschikt alzo over een rechtstreeks vorderingsrecht ten aanzien van de ondervervoerder, en blijft ook tegenover de hoofdvervoerder al zijn rechten behouden. UTU-thesaurus: HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - VERVOER HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - VERVOER - Wegvervoer HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - VERVOER - Wegvervoer - Internationaal vervoer - C.M.R.-Verdrag Vrije woorden: vervoer - CMR Tekst van de beslissing . S. Ltd , verzekeraar naar vreemd recht, met zetel te...........................,

  1. M., verzekeraar naar vreemd recht, met zetel te ..........................,
  2. k... gmbH, vennootschap naar vreemd recht, met zetel te................, eiseressen, met woonstkeuze bij hun raadslieden, vertegenwoordigd door Mr. F. Melis in eigen naam en loco Mr. L. Verbeke, beiden advocaat te 8200 Brugge, Diksmuidse Heerweg nr
  3. t e g e n:
  4. N.V. N.L., met maatschappelijke zetel te ............., eerste verweerster, vertegenwoordigd door Mr. W. Weckhuysen loco Mr. E. Clijmans, advocaat te 2000 Antwerpen, Schermersstraat
  5. N.V. D.R., met maatschappelijke zetel te ........., tweede verweerster, vertegenwoordigd door Mr. G. Preckler loco Mr. A. Poelmans, advocaat te 2000 Antwerpen, Lange Gasthuisstraat
  6. De vijfde kamer van de rechtbank van koophandel te Dendermonde velt na beraadslaging het volgende vonnis. I. DE PROCEDURE De vordering van eiseressen werd ingeleid bij dagvaarding, die aan eerste verweerster betekend werd bij geregistreerd exploot d.d. 15 oktober 2007 van Peter Verheyden, plaatsvervangend gerechtsdeurwaarder van Christiane Otten, gerechtsdeurwaarder te Dendermonde, en die aan tweede verweerster betekend werd bij geregistreerd exploot d.d. 15 oktober 2007 van Lydia Mampaey, gerechtsdeurwaarder te Willebroek. Op de zitting van 5 september 2008 werden de partijen gehoord in hun middelen en besluiten. De stukken van de rechtspleging, zoals vermeld op de inventaris van het dossier van de rechtspleging, alsook de overtuigingstukken werden ingezien. De bepalingen van de Wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken werden in acht genomen. II. VOORWERP VAN DE VORDERING Overeenkomstig hun tweede en tevens synthesebesluiten, neergelegd ter griffie op 28 april 2008, strekt de vordering van eiseressen ertoe: - eerste en tweede verweerster solidair, minstens in solidum, te veroordelen om te betalen aan eiseressen de hoofdsom van 12.430,00 euro, te vermeerderen met de moratoire rente (aan de wettelijke rentevoet) vanaf 4 januari 2005 tot heden en met de gerechtelijke rente vanaf heden tot aan de datum van betaling; - de in het ongelijk gestelde partij te veroordelen tot de kosten van het geding, hierin begrepen de geïndexeerde rechtsplegingsvergoeding. III. UITEENZETTING VAN DE FEITEN Op 26 maart 2004 werd tussen eiseres sub 3 en eerste verweerster een logistieke dienstenovereenkomst afgesloten. (st. 1 eerste verweerster) In het kader van deze overeenkomst stond eerste verweerster o.m. in voor het vervullen van douaneformaliteiten, de opslag, en het wegtransport van een partij fotografische goederen van Melsele (België) naar de geadresseerde W...., gevestigd te Lappeenranta (Finland). Op 4 januari 2005 werden deze goederen in opdracht van eerste verweerster door tweede verweerster opgeladen teneinde door laatstgenoemde partij getransporteerd te worden naar Lappeenranta. De betreffende CMR-vrachtbrief 57715479 die eiseres sub 3 als afzender en tweede verweerster als werkelijke vervoerder vermeldt, werd door tweede verweerster voor 59 kartons fotografische goederen zonder enig voorbehoud in ontvangst genomen en afgetekend. (st. 3 eiseressen) Door tweede verweerster werd tevens een eigen vrachtbrief ANTFI-43222 uitgegeven. Bij de aflevering van de goederen te Lappeenranta op 12 januari 2005 werd vastgesteld dat er 8 van de 59 kartons ontbraken. Terzake werd door de geadresseerde een voorbehoud geformuleerd op de door tweede verweerster uitgegeven vrachtbrief. (st. 4 eiseressen) Op 8 februari 2005 maakte eiseres sub 3 een schade-afrekening, gebaseerd op haar ter attentie van W........ opgestelde factuur nr. 90578260 d.d. 31 december 2004 (st. 1 eiseressen), ten bedrage van 11.930,00 euro over aan eiseres sub
  7. (st. 5 eiseressen) Op 8 februari 2005 ondertekende eiseres sub 3 eveneens een subrogatie-akte waarbij zij al haar rechten en belangen m.b.t. de voormelde verloren kartons ten aanzien van derden overdroeg aan eiseres sub
  8. (st. 6 eiseressen) Op 14 november 2005 richtte de raadsman van eiseres sub 1 een schriftelijke vordering ten bedrage van 11.930,00 euro m.b.t. het verlies van de betrokken kartons tot tweede verweerster. (st. 7 eiseressen) Op 2 januari 2006 richtte de raadsman van eiseres sub 1 een schriftelijke vordering ten bedrage van 11.930,00 euro m.b.t. het verlies van de betrokken kartons tot eerste verweerster. (st. 8 eiseressen) IV. SAMENVATTING VAN DE STANDPUNTEN VAN DE PARTIJEN IV.
  9. De stelling van eiseressen - De rechtbank van koophandel te Dendermonde is territoriaal bevoegd, gelet op art. 10.2 van de logistieke dienstenovereenkomst en art. 31.1 CMR-Verdrag. - Eiseres sub 1 treedt op als "leidend verzekeraar" en is dienvolgens gerechtigd de belangen van de overige verzekeraar, eiseres sub 2, mee te vertegenwoordigen. - Eerste verweerster is als bewaarnemer aansprakelijk voor het verlies van de 8 kartons. - Indien de rechtbank van oordeel is dat het verlies zich voorgedaan heeft tijdens het wegtransport, dient eerste verweerster solidair met tweede verweerster veroordeeld te worden als wegvervoerder. - Gelet op de bijgebrachte subrogatie-akte is eiseres sub 1 wel degelijk vorderingsgerechtigd. - Tweede verweerster heeft nooit de opgegeven gewichten van de verdwenen goederen (en dus de omvang van de schade) betwist, meer nog zij heeft deze in tempore non suspecto aanvaard en kan daar thans niet meer op terug komen. - Bij gebreke aan concrete elementen aan te brengen door eerste en tweede verweerster, kan men niet anders dan besluiten dat het verlies enkel mogelijk was door de medeplichtigheid van de aangestelde(n) van eerste of tweede verweerster. Derhalve dient elk beroep op de in art. 23.3 CMR-Verdrag vervatte aansprakelijkheidsbeperking alsook op de in art. 27 CMR-Verdrag opgenomen intrest te worden verworpen. IV.
  10. De stelling van eerste verweerster - Gelet op art. 13 van de logistieke dienstenovereenkomst dient de rechtbank van koophandel te Dendermonde zich territoriaal onbevoegd te verklaren en de zaak te verwijzen naar de rechtbank van koophandel te Antwerpen. - Eiseres sub 2 toont niet aan dat zij de vereiste hoedanigheid of het vereiste belang heeft om de vordering in te stellen. - Uit de stukken van eiseressen zelf blijkt dat het manco is ontstaan nadat de bewaarnemingsverbintenis van eerste verweerster een einde had genomen. - Eerste verweerster is enkel opgetreden als commissionair-expediteur. Ingevolge art. 48 van de Algemene Voorwaarden der Expediteurs van België is de vordering van eiseressen verjaard. - Indien de rechtbank per impossibile van oordeel zou zijn dat eerste verweerster is opgetreden als vervoerder, wordt de gebeurlijke aansprakelijkheid van eerste verweerster, bij gebreke aan opzet in haren hoofde, beperkt overeenkomstig art. 23 CMR-Verdrag. IV.
  11. De stelling van tweede verweerster - De vordering van eiseres sub 1 is onontvankelijk, gelet op het feit dat niet bewezen wordt dat de cessie-akte rechtsgeldig tot stand is gekomen, en er geen betalingsbewijs wordt voorgebracht. - De vordering van eiseres sub 2 is onontvankelijk, aangezien zij op geen enkele wijze aantoont dat zij de hoedanigheid heeft van medeverzekeraar, laat staan dat zij schadepenningen heeft betaald. - Indien de cessie-akte rechtsgeldig tot stand gekomen is, heeft eiseres sub 3 al haar rechten overgedragen aan eiseres sub 1 waardoor haar vordering onontvankelijk is. - Eiseressen falen in hun bewijslast om de aard en de omvang van hun vordering te bewijzen. - Het is niet bewezen dat tweede verweerster wetens en willens een fout beging, laat staan dat zij hierbij met opzet handelde in de zin van art. 29.1 CMR-Verdrag. Art. 23.3 CMR-Verdrag is derhalve toepasselijk. V. BEOORDELING
  12. De betwisting van de territoriale bevoegdheid werd door eerste verweerster tijdig opgeworpen want als eerste argument. Er moet een onderscheid worden gemaakt tussen de internationale rechtsmacht van de rechtbanken, waarvan de regeling zich in het CMR-Verdrag bevindt voor rechtsvorderingen die voortspruiten uit een internationaal vervoer, en de nationale bevoegdheidsregeling die zich in het Gerechtelijk Wetboek bevindt (Kh. Antwerpen, 22 december 1995, R.H.A., 1996, 235). Nu het in casu een vervoer van België naar Finland betreft, is niet in betwisting dat de Belgische rechtbanken internationale rechtsmacht bezitten. Derhalve bevinden, wat de Belgische rechtbank betreft, de bevoegdheidsregelen zich in het Gerechtelijk Wetboek. Voor de territoriale bevoegdheid is de gedinginleidende akte in dubbel opzicht het referentiepunt. Enerzijds moet de territoriale bevoegdheid beoordeeld worden op het ogenblik van de gedinginleiding, anderzijds moet dat gebeuren aan de hand van wat in de gedinginleidende akte is gesteld, zodat de rechter de beweringen van de eisende partij in dat verband niet op hun juistheid moet controleren. (Kh. Kortrijk, 14 december 1998, A.J.T., 1998-1999, 975; Gent, 6 maart 2001, D.A.O.R., 2001, afl. 57, 60) Als, zoals in casu het geval is, in de dagvaarding geen melding wordt gemaakt van enige bevoegdheidsclausule, moet de bevoegdheid worden beoordeeld aan de hand van de bepalingen van artikel 624 Ger.W. (Kh. Hasselt, 18 maart 1997, R.W., 1997-98, 751 en Kh. Gent, 22 februari 2001, T.G.R., 2001, 292) Art. 624,1° Ger.W. bepaalt dat de eiser kan dagvaarden voor de rechter van de woonplaats van de verweerder of van één van de verweerders. De maatschappelijke zetel van eerste verweerster is gevestigd te Beveren-Waas. Deze rechtbank is dan ook territoriaal bevoegd.
  13. Gelet op de op 8 februari 2005 door eiseres sub 3 ondertekende subrogatie-akte, waarin eiseres sub 3 verklaart al haar rechten en belangen ten aanzien van derden m.b.t. het verlies van de voormelde kartons overgedragen te hebben aan eiseres sub 1, en het feit dat in de tweede en tevens synthesebesluiten, neergelegd ter griffie op 28 april 2008 in naam van alle eiseressen, bevestigd wordt dat eiseressen sub 1 en 2 als verzekeraars een verzekeringsvergoeding van 11.930,00 euro uitbetaalden aan eiseres sub 3, heeft eiseres sub 1 overeenkomstig art. 17 Ger.W. hoedanigheid en belang om haar vordering in te dienen. Nu de kwestieuze subrogatie-akte slechts de identiteit vermeldt van eiseres sub 1, die volgens eiseressen het verzekerde risico voor 90% heeft onderschreven, kan worden aangenomen dat deze optrad als leidend verzekeraar en zodoende op basis van een mandaat van eiseres sub 2 heeft gehandeld en tevens in haar naam en voor haar rekening haar aandeel in de schade vergoedde, gelet op de omstandigheid dat eiseressen gezamenlijk de vordering ten laste van eerste en tweede verweerster uitbrachten en in de voormelde tweede en tevens synthesebesluiten, genomen in naam van alle eiseressen, wordt gesteld dat eiseres sub 1 optrad als leidende verzekeraar en in die hoedanigheid het schadedossier afhandelde, wat minstens geldt als expliciete bevestiging van een stilzwijgend mandaat. (Kh. Antwerpen, 27 september 1999, T.R.S., 1999, Deel 3b, nr. 458; RUBENS, P., 'Subrogatie in transportverzekeringen - Overzicht van rechtspraak 1975-1999', T.B.H., 2000, 758) Uit het voorgaande volgt dat eiseres sub 2 overeenkomstig art. 17 Ger.W. eveneens hoedanigheid en belang heeft om haar vordering in te dienen. De verzekeraar treedt in de rechten van zijn verzekerde ten belope van het door hem betaalde bedrag en niet meer. De verzekerde die door de verzekeraar schadeloos gesteld is, kan rechten uitoefenen m.b.t. de rente die de vervoerder eventueel verschuldigd is tot de dag van de betaling van de verzekeringsvergoeding. (Brussel, 2 juni 1999, R.H.A., 1999, 329; Gent, 28 oktober 1980, R.H.A., 1981-82, 169; Kh. Brussel, 7 november 1996, R.H.A, 1998, 308; ROELAND, S., 'Subrogatie van verzekeraars en tenaamstelling van proceduredocumenten', in Liber amicorum Lionel Tricot, Antwerpen, Kluwer Rechtswetenschappen, 1988, 458) Terzake behoudt eiseres sub 3 dus een belang, als bedoeld in art. 17 Ger.W. Uit wat voorafgaat volgt dat de vordering, ingesteld door eiseressen, ontvankelijk is.
  14. Zowel op de CMR-vrachtbrief 57715479 als op de door tweede verweerster uitgegeven vrachtbrief ANTFI- 43222 werd vermeld dat de vervoerde goederen bestaan uit 59 kartons fotografische goederen. Gelet op de beperkte omvang van de vervoerde goederen en het feit dat het waardevolle goederen betreft, acht de rechtbank het uitgesloten dat het op de voormelde vrachtbrieven vermelde aantal kartons niet met de realiteit overeenstemde. Hieruit volgt dat het niet-betwiste verlies van de 8 kartons zich voorgedaan moet hebben tijdens het wegvervoer door tweede verweerster van Melsele naar Lappeenranta. Eiseressen houden voor dat eerste verweerster opgetreden is als vervoerder, terwijl eerste verweerster stelt dat zij enkel opgetreden is als commissionair-expediteur. Het onderscheid tussen beide hoedanigheden m.b.t. vervoer ligt hoofdzakelijk hierin dat de commissionair-expediteur een vervoerovereenkomst met een derde afsluit in eigen naam doch voor rekening van zijn opdrachtgever, terwijl de vervoerder in beginsel de vervoeropdracht zelf uitvoert of zich desgevallend laat vervangen door een ondervervoerder; in dat laatste geval wordt gesproken van een commissionair-vervoerder, die met de vervoerder wordt gelijkgesteld. (Kh. Brussel, 10 augustus 1989, T.B.H., 1990, 637) Art. 1 van de logistieke dienstenovereenkomst die op 26 maart 2004 tussen eiseres sub 3 en eerste verweerster gesloten werd luidt, vrij vertaald, als volgt: "KMPIE [afkorting voor Konica Minolta Photo Imaging Europe] verbindt zich ertoe onder de voorwaarden bepaald in deze overeenkomst de organisatie en de verstrekking van Logistieke Diensten, zoals hierna gedefinieerd, toe te vertrouwen aan NL-BE [afkorting voor Nyk Logistics (Belgium)]. In de uitvoering van deze overeenkomst zal NL-BE derhalve de fysieke distributie van de Producten in Europa organiseren en uitvoeren en instaan voor de inklaring bij de douane, de opslag en het vervoer, m.a.w. het distributieproces in het kader van deze overeenkomst tot de levering aan de Europese filialen en verdelers. Indien KMPIE daarom verzoekt zal NL-BE bij gelegenheid deze diensten ook buiten Europa verstrekken. Beide partijen zijn het erover eens dat NL-BE bij de uitvoering van de overeenkomst in verschillende hoedanigheden zal optreden, en ondermeer als goederenbehandelaar, wegvervoerder, expediteur,douane-inklaarder en fiscaal vertegenwoordiger." Art. 3 van de betreffende overeenkomst stipuleert, vrij vertaald, o.m.: "Het "Verdrag betreffende de overeenkomst tot internationaal vervoer van goederen over de weg (C.M.R.)" ondertekend te Genève op 19 mei 1956 zal van toepassing zijn op alles wat betrekking heeft op het vervoer van de goederen;" Art. 7 van de betreffende overeenkomst bepaalt, vrij vertaald: "NL-BE kan de uitvoering van eender welke van haar contractuele verplichtingen krachtens deze overeenkomst geheel of ten dele toevertrouwen aan derden zonder voorafgaande schriftelijke instemming vanwege KMPIE. NL-BE blijft aansprakelijk voor deze onderaannemers." Uit de hiervoor aangehaalde artikels van de logistieke dienstenovereenkomst d.d. 26 maart 2004 blijkt naar het oordeel van de rechtbank ten genoege van recht dat eerste verweerster de vervoeropdracht zelf heeft aanvaard, zodat zij dient te worden aangemerkt als vervoerder, op wie het CMR-Verdrag van toepassing is.
  15. Op grond van art. 17.1 CMR-Verdrag is de vervoerder aansprakelijk voor het geheel of gedeeltelijk verlies van de goederen, ontstaan tussen het ogenblik van de inontvangstneming van de goederen en het ogenblik van de aflevering. In casu is eerste verweerster opgetreden als hoofdvervoerder en tweede verweerster als ondervervoerder. Inzake CMR-contracten wordt de ondervervoerder geacht gesubstitueerd te zijn in de rechten van de contractueel gebonden hoofdvervoerder. De ondervervoerder is niet zomaar een uitvoeringsagent van de hoofdvervoerder, maar komt integendeel als het ware in de plaats van de hoofdvervoerder in de contractuele relatie met de opdrachtgever. De opdrachtgever beschikt alzo over een rechtstreeks vorderingsrecht ten aanzien van de ondervervoerder, en blijft ook tegenover de hoofdvervoerder al zijn rechten behouden. (PONET, F. en WILLEMS, E., 'De overeenkomst van internationaal wegvervoer - C.M.R. - Overzicht van internationale rechtspraak 1991-1995', T.B.H., 1998, 698) De hoofdvervoerder en de toegetreden ondervervoerder zijn hoofdelijk aansprakelijk. (Antwerpen, 3 oktober 2005, Eur. Vervoerr., 2006, 284; Kh. Antwerpen, 17 december 1999, R.H.A., 1999, 448)
  16. Door de geadresseerde werd inzake het ontbreken van 8 van de 59 kartons een rechtsgeldig voorbehoud in de zin van art. 30.1 CMR-Verdrag geformuleerd op de door tweede verweerster uitgegeven vrachtbrief. Wanneer een voorbehoud op de vrachtbrief te algemeen en niet gedetailleerd is, wat in casu het geval is, heeft de schadelijder de verplichting omvang en aard van de schade te bewijzen, hetgeen meestal gebeurt aan de hand van tegensprekelijke schadevaststellingen. Nu evenwel eerste en tweede verweerster vóór de gedinginleidende dagvaardingen nooit het bestaan zelf van het gedeeltelijk verlies van de getransporteerde goederen noch de omvang ervan - waaromtrent zij middels de voormelde schriftelijke vorderingen dd. 14 november 2005 en 2 januari 2006 gedetailleerd geïnformeerd werden - betwistten, kan eiseressen niet ten laste worden gelegd dat zij niet lieten overgaan tot tegensprekelijke schadevaststellingen. Eerste en tweede verweerster handelen in dit kader in strijd met art. 30.5 CMR-Verdrag en moeten zelf de gevolgen dragen van de afwezigheid van tegensprekelijke schadevaststellingen. (zie in dezelfde zin: Kh. Gent, 14 februari 1984, T.B.H., 1984, 722)
  17. Indien de schade voortspruit uit het opzet van de vervoerder of uit zijn schuld, welke volgens de wet van het gerecht waar de vordering aanhangig is met opzet gelijk gesteld wordt, heeft de vervoerder overeenkomstig art. 29.1 CMR-Verdrag niet het recht om zich te beroepen op de bepalingen die zijn aansprakelijkheid uitsluiten of beperken of die de bewijslast omkeren. Luidens art. 29.2 CMR-Verdrag geldt hetzelfde bij opzet of schuld van de ondergeschikten van de vervoerder of van alle andere personen, van wier diensten hij voor de bewerkstelling van het vervoer gebruik maakt, wanneer deze ondergeschikten of deze andere personen handelen in de uitoefening van hun werkzaamheden. Uit de feitelijke gegevens - waarbij frappant is dat eerste en tweede verweerster nooit enige verklaring konden geven voor het verlies van de 8 ontbrekende kartons - blijkt naar het oordeel van de rechtbank dat de enige mogelijke oorzaak van het feit dat er op 12 januari 2005 slechts 51 in plaats van 59 kartons afgeleverd werden te Lappeenranta, is dat tijdens het transport van Melsele naar Lappeenranta één van de aangestelden van tweede verweerster 8 kartons heeft gestolen of minstens zijn medewerking hiertoe moet hebben verleend teneinde deze 8 kartons te laten verdwijnen. (zie in dezelfde zin: Gent, 7 februari 2007, Eur. Vervoerr., 2007, afl. 6, 774) Uit wat voorafgaat volgt dat eerste en tweede verweerster zich overeenkomstig art. 29 CMR-Verdrag niet kunnen beroepen op de toepassing van art. 23.3 CMR-Verdrag, die hun aansprakelijkheid voor een schadevergoeding had kunnen beperken tot 8,33 rekeneenheden voor elk ontbrekend kilogram brutogewicht. In casu werd door de rechtbank immers aanvaard dat er sprake was van diefstal, hetgeen juist opzet vereist. De wil om te schaden en zich zelf te bevoordelen was bij de dief wel degelijk voorhanden.
  18. Art. 23.1 CMR-Verdrag bepaalt dat de schadevergoeding voor geheel of gedeeltelijk verlies van de goederen berekend wordt naar de waarde van de goederen op de plaats en het tijdstip van de inontvangstneming. Eerste en tweede verweerster zijn derhalve solidair gehouden tot betaling van een schadevergoeding van 11.930,00 euro aan eiseressen sub 1 en 2, die in de rechten van eiseres sub 3 zijn gesubrogeerd, met inachtneming van de percentages waarvoor eiseressen sub 1 en 2 bij de verzekering betrokken zijn en die in de gedinginleidende dagvaardingen en in dit vonnis worden opgegeven.
  19. Krachtens art. 27.1 CMR-Verdrag kunnen rechthebbenden intresten vragen op de schadevergoeding die hen verschuldigd is. Deze intresten, gerekend aan vijf procent per jaar, beginnen te lopen vanaf de dag waarop de vordering schriftelijk bij de vervoerder werd ingediend of, indien dit niet is geschied, vanaf de dag waarop de vordering in rechte aanhangig is gemaakt. In casu beginnen de vergoedende intresten derhalve te lopen vanaf 14 november
  20. De CMR-intrest van 5% is van toepassing op de periode vóór én na het instellen van de vordering in rechte. (Antwerpen, 4 oktober 1999, R.H.A., 2000, 125) Ook in geval van opzet van de vervoerder blijft de rente van 5% toepasselijk. Art. 29 CMR-Verdrag in verband met de doorbreking van de aansprakelijkheids- beperking voorziet slechts repercussie voor specifieke bepalingen van hoofdstuk IV, waaronder niet de imperatieve intrestvoet conform art. 27 CMR-Verdrag. (Antwerpen, 30 oktober 2000, Gheys Trprt./Levi Strauss & Co., onuitg.) Nu eiseres sub 3 naar eigen zeggen reeds op 8 februari 2005 een verzekeringsvergoeding ten bedrage van 11.930,00 euro ontving van eiseressen sub 1 en 2, terwijl de eerste schriftelijke vordering dateert van 14 november 2005, kan eiseres sub 3 geen aanspraak maken op vergoedende intresten. Eiseressen sub 1 en 2 zijn, met inachtneming van de percentages waarvoor zij bij de verzekering betrokken zijn en die in de gedinginleidende dagvaardingen en in dit vonnis worden opgegeven, gerechtigd op vergoedende intresten aan een rentevoet van 5% op het bedrag van 11.930,00 euro vanaf 14 november 2005 - vanaf 15 oktober 2007 (de dag van de gedinginleidende dagvaardingen) als gerechtelijke vergoedende intresten aan een rentevoet van 5% - tot de dag van algehele betaling. VI. BESLISSING De rechtbank doet recht op tegenspraak en op grond van alle bovenstaande redenen, alle verdere en meer uitgebreide of strijdige conclusies verwerpende als zijnde niet gegrond of niet terzake dienend. Ze verklaart de vordering van eiseressen sub 1 en 2 ontvankelijk en in de hierna bepaalde mate gegrond, doch ongegrond en afgewezen voor het overige. Ze veroordeelt eerste en tweede verweerster solidair tot betaling aan eiseressen sub 1 en 2, met inachtneming van de percentages waarvoor eiseressen sub 1 en 2 bij de verzekering betrokken zijn en die in de gedinginleidende dagvaardingen en in dit vonnis worden opgegeven, van de som van 11.930,00 euro, te vermeerderen met vergoedende intresten aan een rentevoet van 5% vanaf 14 november 2005 - vanaf 15 oktober 2007 als gerechtelijke vergoedende intresten aan een rentevoet van 5% - tot de dag van algehele betaling. Ze verklaart de vordering van eiseres sub 3 ontvankelijk, doch ongegrond. Ze veroordeelt eerste en tweede verweerster tot de kosten van het geding, in hoofde van eiseressen begroot op 234,54 euro dagvaardingskosten en 1.100,00 euro rechtsplegingsvergoeding. Dit vonnis is gewezen door de rechtbank van koophandel te Dendermonde, vijfde kamer, samengesteld uit rechter M. Verbruggen, als voorzitter en de rechters in handelszaken H. Cornelis en A. Demecheleer en op de openbare terechtzitting van 26 september 2008 uitgesproken door rechter M. Verbruggen in aanwezigheid van S. Van Nuffel, e.a. adjunct-griffier. S. Van Nuffel A. Demecheleer H. Cornelis M. Verbruggen Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.