← België

ECLI:BE:ORGNT:2008:JUG.20081013.9

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Ondernemingsrechtbank Gent Vonnis/arrest van 13 oktober 2008 ECLI nr: ECLI:BE:ORGNT:2008:JUG.20081013.9 Rolnummer: Rechtsgebied: Burgerlijk recht Invoerdatum: 2010-09-01 Raadplegingen: 192 - laatst gezien 2026-07-02 18:05 Fiche De overeenkomst van overdracht van handelszaak houdt geen samenwerking in doch een effectieve overdracht van de handelszaak, inbegrepen de benaming van de handelszaak, het cliënteel, ... De wet van 19 december 2005 betreffende de precontractuele informatie bij commerciële samenwerkingsovereenkomsten is dan ook niet van toepassing op dergelijke overeenkomst. UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - VERBINTENISSEN UIT OVEREENKOMST - Totstandkoming overeenkomst - Algemeen BURGERLIJK RECHT - VERBINTENISSEN UIT OVEREENKOMST - Totstandkoming overeenkomst - Precontractuele aansprakelijkheid Vrije woorden: Wet van 19 december 2005 betreffende de precontractuele informatie bij commerciële samenwerkingsovereenkomsten - toepassingsgebied Tekst van de beslissing De vierde kamer van de Rechtbank van Koophandel te Dendermonde velt na beraad het volgende vonnis in de zaak van: A.R. A/07/02608 Inzake BVBA P.T., met zetel te ......................, eisende partij, voor wie optreedt Mr.Billiet Johan, advocaat te 1050 Brussel, Louizalaan 146 bus 9, 1050 Brussel;- tegen 1.BVBA B.U., met zetel ........., ondernemingsnummer .........; 2.B.U., wonende te ......, verwerende partijen, voor wie optreedt Mr.Van Den Eynde Dominique, advocaat te 9300 Aalst, Priesterdaensplein

  1. Gelet op de inleidende dagvaarding dd. 12 juni
  2. Gelet op het akkoordvonnis van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Dendermonde dd. 14 september 2007 waarbij de zaak wordt verzonden naar de Rechtbank van Koophandel te Dendermonde. Gehoord partijen in hun uiteenzettingen ter zitting van 15 september
  3. Kennis werd genomen van het dossier van rechtspleging en van de door de partijen overgelegde conclusies en bundels. Nageleefd de bepalingen van de wet van 15/06/1935 op het gebruik van de talen in rechtszaken. Voorwerp van de vordering De vordering strekt ertoe met toepassing van de Wet betreffende de precontractuele informatie de nietigheid van de overeenkomst vast te stellen, dan wel krachtens het gemeen recht de ontbinding van de overeenkomst lastens de BVBA B.U. uit te spreken en verder beide verwerende partijen in solidum te veroordelen tot terugbetaling van alle door haar ontvangen vergoedingen hetzij euro 118.980,48; meer een schadevergoeding van euro 277.012,68, meer de gerechtelijke intresten vanaf 28 september 2006, de moratoire intresten vanaf 1 juni 2007 en de gerechtelijke intresten vanaf 12 juni 2007 tot de dag der effectieve betaling. De eisende partij vraagt uitdrukkelijk voorbehoud voor elke schadevergoeding en de veroordeling van de verwerende partijen tot de kosten van het geding met inbegrip van de rechtsplegingvergoeding begroot op euro 5.000 en alle gerechtsdeurwaarderskosten inbegrepen de kosten van vaststellingen ten bedrage van euro 580,
  4. In de syntheseconclusie van 18 augustus 2008 begroot eisende partij haar kosten als volgt: 1.dagvaarding euro 302,99 2.rechtsplegingvergoeding euro 7.000,00 3.gerechtsdeurwaardervaststellingen: euro 580,72 3.1.p.v. dd. 1 juni 2007 3.2.p.v. dd. 4 juni 2007 3.3.p.v. dd. 21 juni 2007 - bewarend beslag euro 1.379,12 Dit alles middels vonnis uitvoerbaar bij voorraad, niettegenstaande de aanwending van welkdanig rechtsmiddel en zonder het vermogen tot kantonnement. In hun syntheseconclusies van 14 augustus 2008 begroten de verwerende partijen de rechtsplegingvergoeding op euro 7.
  5. Relevante feiten Op 28 september 2006 sloten partijen een overeenkomst van verkoop van handelszaak waarbij de volledige handelszaak onder de benaming BVBA B.U. aan de eisende partij werd overgedragen. Deze handelszaak heeft als voorwerp prefab dakspanten en bestaat uit cliënteel, handelsnaam en uithangbord; beplanting; handelsorganisatie; materieel, meubilair, machines, het gereedschap en de werktuigen; de voorraden omvattende handelsgoederen en grondstoffen; de vergunningen; de lopende contracten. De eigendomsoverdracht ging over op 1 januari 2007 en geschiedde tegen een welbepaalde prijs, bestaande uit een vaste prijs voor de materiële bestanddelen, de voorraden en bestelorders én een variabele prijs voor de goodwill in de periode van 1 januari 2007 tot 31 december
  6. In de bijlage van deze overeenkomst is gestipuleerd dat het onroerend goed waar de handelszaak is gevestigd, geen eigendom is van de overlater en de overnemer tot 28 februari 2007 gebruik kan maken van de lokalen. Op 1 januari 2007 sloten partijen een samenwerkingsovereenkomst waarbij de BVBA B.U. voor een periode van één maand zou optreden als free-lance verkoper, nl. de aanbreng van nieuwe klanten en de verkoop van dakspanten en houtskeletbouw. Uit de voorliggende facturatie blijkt dat de BVBA B.U. gedurende een aantal maanden effectief klanten heeft aangebracht. Op een bepaald ogenblik is er blijkbaar een kortsluiting tussen partijen en wordt eisende partij de toegang tot de nijverheidsgebouwen ontzegd. Uit de begeleidende stukken blijkt dat eisende partij het gebouw dient te ontruimen, vermits er een nieuwe eigenaar is en de overlater geen rechten in het onroerend goed meer heeft. De overlater gaat over tot een ‘uitverkoop' van bepaalde zaken, waartegen de eisende partij een stakingsvordering start. De stakingsrechter stelt vast dat er een inbreuk is op artikel 2 en 47 van de Wet op de Handelspraktijken, met name door het te koop aanbieden van goederen zonder prijsvermelding én de aanbieding van de goederen onder de benaming uitverkoop. Uiteindelijk gaat eisende partij over tot dagvaarding in nietigverklaring van de overeenkomst tot overdracht van de handelszaak. Standpunt van de partijen * De eisende partij stelt dat de Wet van 19 december 2005 van toepassing is. Deze wet is niet beperkt tot franchise-overeenkomsten doch op elke commerciële samenwerkingsovereenkomst, ook de litigieuze overeenkomst. Gelet op de toepasbaarheid van deze wet, is de overeenkomst nietig om redenen dat niet aan de verplichtingen van deze wet is voldaan, meer bepaald werd geen schriftelijke voorafgaandelijk document meegedeeld. De eisende partij stelt eveneens dat het gemeen recht van toepassing is, meer bepaald dat de overeenkomst behept is met bedrog. De verwerende partijen hebben een voor eisende partij nadelige overeenkomst afgesloten om reden dat er een te hoog bedrag werd betaald voor de handelszaak, waar de kosten ongelimiteerd bleven stijgen. Er is sprake van opzettelijk verlenen van foutieve en onvolledige informatieverstrekking, meer bepaald strookt het voorgebrachte cijfermateriaal niet met de gegevens die achteraf uit de balansen bleken. Ook het cliënteel zou niet aanwezig zijn. Eisende partij werd in het ongewisse gelaten omtrent de gegevens voor de correcte beoordeling van de commerciële samenwerkingsovereenkomst. Vervolgens hebben verwerende partijen niet voldaan aan hun leveringsplicht, hetgeen mede blijkt uit het feit dat eisende partij toegang tot de handelszaak werd ontzegd. * De verwerende partij betwist de toepasbaarheid van de Wet van 19 december 2005, nu dit enkel geldt voor franchise. In casu betreft het overname van de handelszaak. Daarnaast stelt verwerende partij dat eisende partij geen fout aantoont. Het ingeroepen stakingsbevel is onvoldoende om tot een fout in hoofde van verwerende partijen te besluiten. Beoordeling * De wet van 19 december 2005 Eisende partij beroept zich op de wet van 19 december 2005 betreffende de precontractuele informatie bij commerciële samenwerkingsovereenkomsten. Artikel 2 van deze wet omschrijft haar toepassingsgebied als commerciële samenwerkingsovereenkomsten gesloten tussen twee personen, die elk in eigen naam en voor eigen rekening werken, waarbij de ene persoon het recht verleent aan de andere, die daarvoor een vergoeding van welke aard dan ook, rechtstreeks of onrechtstreeks betaalt, om bij de verkoop van producten of de verstrekking van diensten een commerciële formule te gebruiken onder één of meerdere van de volgende vormen: 4.een gemeenschappelijk uithangbord 5.een gemeenschappelijke handelsnaam; 6.een overdracht van know how 7.een commerciële of technische bijstand' Dit toepassingsgebied is breder dan enkel de franchise, wat ook uitdrukkelijk de bedoeling van de wetgever was. (CLAEYS, S., ‘Precontractuele informatie bij commerciële samenwerkingsovereenkomsten.', NjW 2006, nr. 3, blz. 291) Gelet op de brede omschrijving van de commerciële samenwerkingsovereenkomsten, omvat de wet franchisecontracten, distrubitiecontracten, licentiecontracten, makelaarscontracten, brouwerijcontracten, partnerschapsovereenkomsten, ... en ook alle eventueel nieuwe formules die zich in de toekomst zouden kunnen ontwikkelen om in een samenwerkingsverband het recht op gebruik van naam, knowhow, uithangbord of commerciële en technische bijstand te verlenen. (idem, nr. 34, blz. 298) In het Frans recht vallen ook de huur van een handelszaak onder de wet (Cass. (fr.) 10 februari 1998, J.C.P. 1998, nr. 23, 894) in de zin van uitbating van een handelszaak in eigen naam en voor eigen rekening. De vraag stelt zich op het stuk dat partijen hebben benaamd als zijnde overeenkomst van verkoop van handelszaak onder deze wet kan vallen. De rechtbank is van oordeel dat zulks niet het geval is. In de overkomst wordt immers de eigendom van de handelszaak overgedragen. In artikel 1 staat uitdrukkelijk gestipuleerd: ‘De OVERNEMER krijgt de volle eigendom en het genot van de bestanddelen, hiervoor opgesomd, vanaf 01/01/2007 ...' Dit impliceert dat de overeenkomst geen samenwerking viseert, doch een effectieve overdracht van de handelszaak, ingebrepen de benaming van de handelszaak, het cliënteel, ... Het contract onderscheidt zich uitdrukkelijk van het beoogde toepassingsgebied van de Wet van 19 december 2005 dat betrekking heeft op een samenwerking, die grosso modo kan omschreven worden als een ‘onbenoemde overeenkomst die intuitu personoae wordt aangegaan tussen twee of meer partijen die met een animus cooperandi voor een zekere duur samen zekere middelen zullen aanwenden en een zeker ondernemingsrisico zullen delen teneinde een bepaald gemeenschappelijk doel samen te verwezenlijken' (r. De heemtuinen, ‘De samenwerkingsovereenkomst' in A. BENOIT-MOURY en K. GEENS, la coöperator entre entreprisens, De samenwerkingsovereenkomst tussen ondernemingen., Brussel, Bruylant, Antwerpen, Kluwer, 1993, 74) In casu is er geen sprake van een gemeenschappelijk delen van middelen en een gemeenschappelijk doel en ondernemingsrisico. In casu gaat het ondernemingsrisico over op de eisende partij, die alleen instaat voor het bereiken van het doel, zijnde een winstgevende onderneming. Van enige duurzame samenwerking is geen sprake. De Wet van 19 december 2005 is dan ook niet van toepassing. * Het gemeen recht - Bedrog Eisende partij beroept zich tevens op bedrog in het kader van de precontractuele informatieverplichtingen. Bedrog is de opzettelijk veroorzaakte dwaling. Het is, overeenkomstig artikel 1116 BW een oorzaak van nietigheid van de overeenkomst en dit ingeval de kunstgrepen die door één der partijen zijn gebruikt, van dien aard zijn dat de andere partij, zonder die kunstgrepen, klaarblijkelijk het contract niet zou hebben aangegaan. De bedrogen partij moet het bestaan van het bedrog in al zijn bestanddelen bewijzen. Dit bewijs mag worden geleverd met alle middelen rechtens, (art. 1353 BW) (Cass. 25 februari 2000, Arr. Cass. 2000, 478) en meer bepaald ook met vermoedens afgeleid uit feiten daterend van voor of na de contractsluiting (Cass. 13 december 1979, Arr. Cass. 1979-80, 466) Men moet dus het bewijs leveren van het bestaan van de kunstgrepen. (DE BOECK, A., ‘De wilsgebreken dwaling en bedrog vandaag responsabilisering en ankerplaats voor de precontractuele informatieverplichting' in VAN RANSBEECK, R., Wilsgebreken, Brugge, Die Keure, Reeks Business and Economics, 2006, blz. 97) De eerste voorwaarde heeft betrekking op het materieel bestanddeel van het bedrog, met name de aangewende kunstgrepen, manoeuvres of listen. Er bestaat ter zake geen wettelijke definitie en de rechtbank dient dan ook te oordelen over de inhoud van het begrip kunstgreep. In de praktijk wordt het begrip ruim geïnterpreteerd. Kunstgrepen zijn niet alleen handelingen of daden, maar kunnen ook leugens en bedrieglijke verklaringen zijn. Ook de verzwijging kan een kunstgreep zijn. (zie Cass. 28 april 1961, Pas. 1961, I, 925, noot HAYOIT DE TERMICOURT) Volgens de eisende partij bestaat het bedrog erin dat de kooptransactie een nadelige overeenkomst voor haar inhoudt, daar waar zij stelt een te hoog bedrag voor de transactie te hebben betaald. De rechtbank stelt vast dat de eisende partij ter zake geen bewijs naar voren brengt. Er worden cijfers van na de overeenkomst voorgelegd. Evenmin wordt enig bewijs van de zogenaamd ongelimiteerde kosten voorgelegd. De bewering van de eisende partij is dan ook niet bewezen. Verder verwijst de eisende partij dat de verwerende partijen zich meermaals schuldig hebben gemaakt aan het opzettelijk verlenen van foutieve onvolledige informatieverstrekking. Het voorgebrachte cijfermateriaal strookt niet met de gegevens zoals achteraf uit de balansen is gebleken. Uit hetgeen voorligt blijkt helemaal niet welke cijfergegevens werden meegedeeld op het ogenblik van de contractsluiting. De eisende partij verwijst naar een prognose, terwijl verwerende partij stelt dat de boekhouding van de laatste jaren werd voorgelegd. Thans achterhalen wat voorgelegd is geworden, is onmogelijk geworden, wegens het gebrek aan schriftelijke neerslag. De stelling van de eisende partij wordt op dit punt dan ook niet bewezen. Vervolgens wordt verwezen naar een klant H.M. of D., die volgens verwerende partij klanten zijn/waren en volgens eisende partij geen klanten zijn. Bij de overeenkomst werd geen klantenlijst gevoegd, zodat niet kan worden nagegaan of op het ogenblik van de contractsluiting deze firma's al dan niet bij het cliënteel werden gerekend. Ook dit punt is niet bewezen. Verder verwijst de eisende partij naar het feit dat zij in het ongewisse werd gelaten omtrent de gegevens voor de correcte beoordeling van de overeenkomst: de precieze aard van de activiteiten, de ervaring, de jaarrekeningen, de historiek, de staat en de vooruitzichten van de markt, lasten en investeringen. De eisende partij stelt met andere woorden dat zij een overeenkomst heeft ondertekend zonder zich ook maar op één punt te informeren. Blijkbaar heeft de eisende partij blindelings getekend. Het gaat dan ook niet op om achteraf zich op bedrog te beroepen, waar zij zelf - op het ogenblik van de contractsluiting - niet heeft geïnformeerd. Bovendien stelt de verwerende partij het tegenovergestelde, met name dat alle nodige documenten werden voorgelegd. De eisende partij faalt volledig in haar bewijslast. De vordering tot nietigverklaring op grond van bedrog wordt als ongegrond afgewezen. * De leveringsplicht Tenslotte beroept de eisende partij zich op de niet naleving van de leveringsplicht en beroept zich op het feit dat de toegang tot de gebouwen werd verhinderd. Deze argumentatie kan niet worden gevolgd, waar blijkt dat eisende partij slechts tot 28 februari 2007 toegang tot de gebouwen kreeg. (zie bijlage 3 van de overeenkomst - stuk 6 eisende partij) Al evenmin kan de eisende partij zich niet op de handelingen gesteld op 1, 4 en 21 juni 2007 beroepen daar waar deze dateren van na de periode dat zij toegang tot de nijverheidsgebouwen kreeg. Uit de stukken blijkt ten andere nergens dat er goederen werden verkocht die deel uitmaakten van het overgedragen handelsfonds. De vaststelling dat de verwerende partijen nog actief zouden zijn in de overgelaten handelsactiviteit en derhalve het niet concurrentiebeding schenden, blijkt al evenmin ergens uit. Ook op dit punt wordt de vordering ongegrond verklaard. OM DEZE REDENEN DE RECHTBANK Rechtdoende op tegenspraak, alle verdere meer uitgebreide of strijdige conclusies verwerpende als zijnde niet gegrond of niet ter zake dienend. Verklaart de vordering ontvankelijk doch wijst ze af als ongegrond. Veroordeelt de eisende partij tot de kosten van het geding in hare hoofde niet te begroten. Begroot de kosten in hoofde van de verwerende partij op euro 7.000 rechtsplegingvergoeding. Verklaart het vonnis uitvoerbaar bij voorraad niettegenstaande alle verhaal en zonder borgstelling. Dit vonnis is gewezen door de Rechtbank van Koophandel te Dendermonde, vierde kamer, samengesteld uit mevrouw Roets V., als Kamervoorzitter, de Rechters in Handelszaken, de heren Van Verdeghem B. en Geeurickx P., op de openbare terechtzitting van DERTIEN OKTOBER TWEEDUIZEND EN ACHT, uitgesproken door mevrouw Roets V., in aanwezigheid van mevrouw Van Geert M., Griffier. M. Van Geert P. Geeurickx B. Van Verdeghem V. Roets Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.