id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Ondernemingsrechtbank Gent Vonnis/arrest van 12 november 2008 ECLI nr: ECLI:BE:ORGNT:2008:JUG.20081112.10 Rolnummer: AR 2337/06 Rechtsgebied: Insolventierecht Invoerdatum: 2009-02-12 Raadplegingen: 198 - laatst gezien 2026-07-02 18:18 Fiche UTU-thesaurus: HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - INSOLVENTIE - Faillissement Vrije woorden: aansprakelijkheid van de curator igv. intrekking faillissement in beroep Tekst van de beslissing Nr. Rep. VONNIS In de zaak nr. 2337/2006 der algemene rol. Meester Jonathan HUYSENTRUYT, advocaat te 8500 Kortrijk, Deerlijksestraat 36, voormalig curator over het faillissement van mevrouw A, failliet verklaard bij vonnis van de vijfde kamer van de rechtbank van koophandel te Kortrijk, doch waarvan de faillietverklaring werd ingetrokken bij arrest van de zevende kamer van het Hof van Beroep te Gent op 22 januari 2007, Eiser op hoofdeis, Verweerder op tegeneis, persoonlijk pleitend en hebbende als raadslieden, Meester Geert Martens en Hans Spriet en pleitend Meester Petra Rotsaert, advocaten te Brugge, TEGEN: Mevrouw A, handelaar, gedomicilieerd te ..., doch verblijvende te ..., Verweerster op hoofdeis, Eiseres op tegeneis, In persoon verschijnend, hebbende als raadsman Mter. Elfri De Neve en pleitend Meester Saskia Goethals, advocaten te Oudenaarde. MEDE IN ZAKE : De heer Procureur des Konings bij de rechtbank van Eerste aanleg te Kortrijk, het ambt waarnemend van OPENBAAR MINISTERIE - ter zitting vertegenwoordigd door de heer David Lathouwers, gerechtelijk stagiair in het parket te Kortrijk, bij beslissing de dato 26 maart 2008 van de Procureur-generaal bij het Hof van beroep te Gent aangeduid om, met ingang van 1 april 2008, het ambt van openbaar ministerie bij het parket van de Procureur des Konings bij de rechtbank van eerste aanleg geheel uit te oefenen. De rechtbank heeft de partijen gehoord in de openbare zitting van 15 oktober 2008 en heeft kennis genomen van de door hem neergelegde stukken, hierbij toepassing makend van de artikelen 2, 37 en 41 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van talen in gerechtszaken. Bij vonnis van 31 mei 2006 werd A bij verstek in staat van faillissement verklaard. Mter. Jonathan Huysentruyt werd als curator aangesteld, verder in dit vonnis "de curator" genoemd. Bij vonnis van 29 september 2006 werd het verzet tegen voormeld verstekvonnis ontvankelijk verklaard, doch als ongegrond afgewezen. Bij arrest van 22 januari 2007 werd de oorspronkelijke vordering tot faillietverklaring van A ontvankelijk, doch ongegrond verklaard, werd het faillissement van A ingetrokken en werd de curator van zijn aanstelling ontheven. In dat arrest werd A veroordeeld tot de betaling van de staat van kosten en ereloon van de curator en werden de partijen verwezen naar de eerste rechter voor de begroting van de onkosten- en ereloonstaat van de curator. In huidige procedure vordert de curator de begroting van zijn onkosten- en ereloonstaat en de veroordeling van A tot de betaling ervan. Concreet vordert de curator de veroordeling van A tot de betaling van euro 5.329,27, bedrag te compenseren met de som van het door de curator gerealiseerde actief, euro 1.385,
- Bij tegeneis vordert A finaal: De curator te veroordelen om A te herstellen in haar oorspronkelijke toestand zoals die bestond voor het faillissement, doch aangezien dit door de fout en nalatigheid van tegenpartij onmogelijk is geworden, deze te veroordelen om aan A te betalen, onder voorbehoud van vermeerdering of vermindering in de loop van het geding, de som van euro 299.345,30, meer de interesten aan de wettelijke interestvoet vanaf de faillissementsdatum van 31 mei 2006, minstens vanaf de datum van het arrest van het Hof van beroep van 22 januari 2007, sommen deels te verminderen met de schadeposten die staan voor het louter verlies van het handelsfonds Cosy Nostra, ten bedrage van euro 94.280,00 mits A terug in het bezit kan gesteld worden van deze handelszaak binnen de maand na de uitspraak. Te zeggen voor recht dat de daden van de curator gesteld tot verbreking van het huurcontract met betrekking tot de horeca-uitbating Cosy Nostra van onwaarde worden verklaard en aldus te zeggen voor recht dat A onmiddellijk terug bezit kan nemen van deze handelszaak en van al wat zich daar nog bevindt. Te zeggen voor recht dat elke betaling of compensatie zoals door de curator aan de brouwerij Haacht uitgevoerd of toegestaan van onwaarde te verklaren en de curator te veroordelen tot terugbetaling van deze bedragen aan A, met inbegrip van de waarborgsommen; De curator te verplichten de roerende goederen zoals nog in zijn bezit evenals het volledige faillissementsbundel met inbegrip van alle stukken en documenten zoals door A aan de curator toevertrouwd bij de opening van het faillissement, terug aan A te bezorgen en dit binnen de 8 dagen na uw tussen te komen vonnis, onder verbeurte van een dwangsom van 250,00 euro per dag vertraging vanaf de betekening; Minstens aan A in de huidige stand van het geding reeds een provisie toe te kennen van euro 250.000,00 - dit teneinde toe te staan de schade te beperken en waardoor zij een nieuwe handelszaak kan opstarten teneinde inkomsten te verwerven, dan wel ‘t Ganzenhof te herstellen, waardoor de schade overigens minder oploopt. En ter begroting van de verdere schade, dan wel voor zover de rechtbank de schade onvoldoende bewezen acht, dan wel voor zover de rechtbank bepaalde vorderingen van A onvoldoende bewezen zou achten, onverminderd de toekenning van de voormeld gevorderde provisie,
- EEN DESKUNDIGE AAN TE STELLEN MET ALS OPDRACHT: Na te gaan of het mogelijk is om A geheel of gedeeltelijk te herstellen in haar oorspronkelijke toestand zoals deze bestond voor het faillissement met betrekking tot de zaak Cosy Nostra, dit onder meer door contact op te nemen met de betrokken derden zoals de brouwerij en de huidige huurder teneinde na te gaan of er op dit punt een vergelijk kan worden getroffen. Verder na te gaan op welke punten de oorspronkelijke toestand niet kan hersteld worden en alsdan deze schade te begroten ondermeer bestaande uit het verlies van goederen, voorraden, uitrusting en meubilair. De schade te begroten die A geleden heeft door het tijdelijke dan wel definitief verlies van het handelsfonds COSY NOSTRA, de verloren roerende goederen en de schade aan onroerende goederen, evenals de winstderving die ze hierdoor geleden heeft. Het faillissementsbundel, in te zien en aan de hand van de boekhouding en de aankoopfacturen vast te stellen in hoeverre deze overeenstemmen met de inventaris die de curator heeft laten opstellen, deze inventaris te vergelijken met alle overige vergelijkingspunten en overige inventarissen dan wel verklaringen en zich hierbij alle inlichtingen laten verschaffen teneinde een globaal beeld te bekomen van alle goederen die aanwezig waren op datum van het faillissement en die op datum na herroeping van het faillissement niet meer aanwezig waren. Hierbij na te gaan in hoeverre de roerende goederen die momenteel nog aanwezig zijn in de destijds geëxploiteerde handelsfondsen op datum van het faillissement al dan niet aanwezig waren op deze plaatsen en al dan niet werden opgenomen door de curator. Waarbij de deskundige zich alle stukken dient te laten overhandigen hij derden, waaronder de brouwerij en de huurders, teneinde te kunnen onderzoeken op welke gronden zij beweren eigenaar te zijn. Het faillissementsbundel in te zien teneinde na te gaan welke inspanningen de curator geleverd heeft tot behoud van het handelsfonds, de roerende goederen en de rechten in afwachting van de uitspraak van het Hof van Beroep en bij vaststelling van een gebrek aan inspanning de schade te begroten die door het gebrek aan deze inspanningen werd veroorzaakt. Het faillissementsbundel in te zien teneinde na te gaan welke inspanningen de curator geleverd heeft om schade te vermijden aan de onroerende goederen en hierbij na te gaan niet alleen welke materiële daden werden gesteld door of voor rekening van de curatele maar ook in hoeverre deze goederen voldoende dan wel oververzekerd of dubbel verzekerd werden. Wat betreft restaurant ‘t GANZENHOF te MEULEBEKE, Meerlaanstraat 5, Een deskundige aan te stellen met als opdracht: Ter plaatse te gaan in het genoemde pand; De oorspronkelijke waarde van het onroerend goed en de roerende goederen en inrichting te ramen op de dag voorafgaand aan het faillissement; De commerciële waarde van de uitbating te ramen op de dag voorafgaand aan het faillissement; De schade aan het onroerend goed alsook aan de inboedel te beschrijven; De oorzaak van deze schade te bepalen; Voorzover de rechtbank zou oordelen dat middels deze conclusie het bewijs niet geleverd werd dat de schade aan het restaurant ‘t Ganzenhof onbestaande was voorafgaand aan het faillissement en aldus volgens de rechtbank het bewijs niet geleverd zou zijn dat de schade aan 't Ganzenhof zoals vastgesteld in stuk 11 haar oorzaak vindt in verwaarlozing en wanbeheer waarvoor de curator verantwoordelijkheid draagt, aan de hand van de vaststellingen, het bundel en inlichtingen die hij zal inwinnen te bepalen of deze toestand van verwaarlozing al dan niet bestond voor de datum van het faillissement, dan wel ontstaan is na het faillissement; Aldus en alsdan na te gaan of deze schade geheel of ten dele te wijten is aan verwaarlozing zoals opengelaten ramen, gebrek aan verwarming, waterinfiltratie of andere schade door niet herstelde stormschade zo o.m. ingevolge de stormen van juli 2006, december 2006, januari 2007 en augustus 2006, gebrek aan onderhoud of welke andere reden of nalatigheid ook en hierbij na te gaan op welke wijze en met welke frequentie het pand door de curator werd gecontroleerd en bezocht tijdens het faillissement; De schade te begroten aan onroerend goed en meubilair; De wijze, duur en de kostprijs van herstelling te bepalen alsook de eventuele minwaarde; De genotsderving te bepalen; De technische aansprakelijkheden voor de genoemde schade vast te leggen; De exploitatiewaarde van de zaak te hegroten Hiertoe in het kader van de rest van de opdracht de boeken van deze exploitatie in te zien; Een raming te maken van het commercieel verlies en de winstderving van A tijdens het faillissement en erna; De kostprijs te bepalen voor de heropstart van een dergelijke zaak, bestaande uit de te voeren publiciteit, inkoop basisgoederen, aanwervingskosten personeel, promotionele acties evenals te ramen hoelang de zaak met verlies zal dienen te draaien om terug winstgevend te worden en dit verlies in de aanloopperiode te ramen; De volledige schade te beschrijven en te begroten die A heeft geleden door de teloorgang van het handelsfonds; Te antwoorden op alle nuttige vragen van partijen en zich door partijen of door derden alle nuttige inlichtingen laten verschaffen of doen verschaffen Opdracht aan te vullen met de gebruikelijke bedingen. Wat betreft de herberg COSY NOSTRA te BRUGGE, Sint-Jansstraat 3, Een deskundig accountant aan te stellen met als opdracht: Ter plaatse te gaan in het genoemde pand; De waarde van het handelsfonds van het café voor het faillissement te bepalen, evenals de huidige waarde; Hiertoe in het kader van de rest van de opdracht de boeken van deze exploitatie in te zien; De goederen te beschrijven die achtergebleven zijn in het pand; Aan de hand van de voor te leggen stukken en vaststellingen de waarde van de verloren gegane goederen te ramen; De volledige schade te beschrijven en te begroten die A heeft geleden door teloorgang van het handelsfonds; De schade aan het onroerend goed alsook aan de inboedel te beschrijven; De oorzaak van deze schade te bepalen; De schade te begroten; De wijze, duur en de kostprijs van herstelling te bepalen alsook de eventuele minwaarde; De genotsderving te bepalen; De technische aansprakelijkheden voor de genoemde schade vast te leggen; De exploitatiewaarde van deze zaak te begroten; Een raming te maken van het commercieel verlies en de winstderving van A zowel tijdens het faillissement en erna; Een raming te maken van het commercieel verlies en de winstderving van A tijdens het faillissement en erna; De kostprijs te bepalen voor de heropstart van een dergelijke zaak, bestaande uit de te voeren publiciteit, inkoop basisgoederen, aanwervingskosten personeel, promotionele acties evenals te ramen hoelang de zaak met verlies zal dienen te draaien om terug winstgevend te worden en dit verlies in de aanloopperiode te ramen; Te antwoorden op alle nuttige vragen van partijen, de nodige en nuttige inlichtingen en stukken inwinnen bij derden of derden verplichten op de hem gestelde vragen te antwoorden en de door hem gevraagde stukken voor te leggen. II. AANVULLEND BEWIJS A toe te laten tot het bewijs met alle middelen van recht, getuigen inbegrepen, van de hierna vermelde feiten, behoudens voor die feiten waarvan u zou oordelen dat deze reeds door onderhavige besluiten en de neergelegde stukken bewezen zijn:
- Dat A van bij de aanvang van het faillissement aan de curator meermaals gevraagd heeft om het handelsfonds Cosy Nostra verder uit te baten;
- Dat er onmiddellijk na het faillissement 10-tallen gegadigden waren voor de overname van de huurceel van de Cosy Nostra, die een grote overnameprijs wilden betalen en telkenmale werden afgewimpeld door de curator;
- A toe te laten het bewijs te leveren van de inrichting van de Cosy Nostra, zowel met betrekking tot meubilair, kunstwerken als inrichting, als voorraden, als uitgevoerde werken en dit teneinde een beeld te geven van de florissante standingvolle en lucratieve horecazaak aan de vooravond van het faillissement;
- A toe te laten het bewijs te leveren van de inrichting van 't Ganzenhof, zowel met betrekking tot meubilair, kunstwerken als inrichting, als voorraden, als uitgevoerde werken en dit teneinde een beeld te geven van de florissante standingvolle en lucratieve horecazaak aan de vooravond van het faillissement; III. AFSTAPPING Ter plaatste af te stappen en zich te vergewissen van de feitelijke actuele toestand van het pand Cosy Nostra, St. Janstraat 3 te 8000 Brugge en het pand 't Ganzenhof, Meerlaanstraat 5 te 8760 Meulebeke. IV SOMMATIES De curator te sommeren: zijn verdere reactie en antwoorden en deze van zijn verzekeringsmaatschappij voor te leggen in antwoord op de ingebrekestellingen vervat in de stukken 2, 4, 7 en 8 van A en zijn verdere intenties tot schaderegeling dienaangaande te laten gelden; te melden waarom hij een deel van de inboedel in de zaak Cosy Nostra liet staan en een ander deel stockeerde, niettegenstaande hij wist of kon weten op basis van het oorspronkelijk overnamecontract dat de volledige inboedel toebehoorde aan A (stuk 12); te melden waarom hij nadat hij het huurcontract verbroken had met de brouwerij deze achtergelaten goederen in de Cosy Nostra liet en niet ging ophalen; te melden waarom hij de inventarisatie van de Cosy Nostra liet plaatsvinden in afwezigheid van A en zonder haar hiertoe uit te nodigen; te melden waarom de curator weigerde tot inventarisatie over te gaan op verzoek van A in de stockeringsplaats; het schattingsverslag voor te leggen van de goederen afhankelijk van de boedel, zo roerende als onroerende, zo lichamelijke als onlichamelijke; te melden op welke wijze hij de betwiste schuldvordering van de brouwerij Haacht heeft behandeld en meer bepaald hoe hij ten aanzien van de brouwerij Haacht heeft gehandeld na het schrijven van Meester Missault d.d. 14 juli 2006 (stuk 26) waarin de schuldvordering van de brouwerij werd betwist en een schuldvordering op basis van een vonnis op de brouwerij Haacht werd kenbaar gemaakt; de stukken uit het faillissementsbundel voor te leggen waaruit de vorderingen en de aanspraken ten aanzien van de brouwerij Haacht blijken met inbegrip van het vonnis waarbij de brouwerij Haacht veroordeeld werd tot betaling aan A, met inbegrip van de stukken met betrekking tot de waarborg en met inbegrip van de aangifte van schuldvordering van de brouwerij Haacht en de reactie van de curator op deze vordering gegeven de betwisting van A (stuk 26); verduidelijking te bieden met overzicht van de drankenvoorraad, de waardebepaling van de prijs van dranken en leeggoed en de reden waarom hij aan een dergelijke lage prijs van euro 500 ,00 de drankvoorraad verkocht; de volledige boekhouding van de handelszaken zowel deze gevoerd voor het faillissement en door de curator opgevraagd als deze gevoerd tijdens het faillissement voor te leggen; En bovendien en onder alle omstandigheden: Te zeggen voor recht dat A de naam Cosy Nostra en 't Ganzenhof als haar eigendom mag beschouwen ter exploitatie van horecazaken; De curator te veroordelen tot het doen van rekening-verantwoording van alle door hem beheerde gelden tijdens het faillissement; De curator te veroordelen tot teruggave aan A van alle stukken, boekhoudingen, dossiers, documenten, contracten, briefwisseling, procedurestukken, verzekeringen, gerecupereerde gelden en huurwaarborgen en alle roerende materieel waarvan hij bezit heeft gekregen ingevolge de faling zoals nog in het bezit en waartoe hij gehouden is ten gevolge van de intrekking van het faillissement; Bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad niettegenstaande alle verhaal en zonder de mogelijkheid van borgstelling of kantonnement, dit aangezien elke verdere vertraging in betaling aan A van een definitieve, voorlopig definitieve, dan wel provisionele schadevergoeding, haar onherstelbare schade toebrengt, waarbij zij reeds vanaf 2006 in extreme armoede verkeert door extreme onrecht zoals aan haar aangedaan en zij de schade nog enigszins kan beperken indien zij zonder verwijl opnieuw haar zaken kan opstarten zonder een lange procedure Hof van Beroep af te wachten en het bovendien onbillijk zou zijn dat zij in het faillissement met een onmiddellijk uitvoerbaar vonnis geconfronteerd werd waardoor zij van al haar tegoeden inkomsten en exploitaties werd ontnomen, zonder thans een uitvoerbaar vonnis te kunnen bekomen ter remediëring van het haar aangedane onrecht. De curator te veroordelen tot de kosten van het geding, in hoofde van A begroot op euro 20.000,00 bij veroordeling van tegenpartij en euro 1.000,00 bij veroordeling van A, gelet op de financiële draagkracht van A, de complexiteit van de zaak en het kennelijk onredelijk karakter van de situatie. I. DE HOOFDEIS. Bij arrest van het Hof van Beroep van 22 januari 2007, dat het faillissment van A heeft ingetrokken, werd definitief bepaald dat A gehouden is de kosten en het ereloon van de curator te vergoeden. Dit principe wordt door A derhalve nodeloos betwist. Nopens de aangerekende en de door A betwiste beheerskosten oordeelt de rechtbank als volgt: - Uit niets blijkt dat de curator op 1 juni 2006 meteen kennis had van de lopende verzekeringen. Het feit dat in het arrest van het Hof van Beroep van 22 januari 2007 bevestigd wordt dat de activa verzekerd waren, bewijst die kennis van dat feit in hoofde van de curator geenszins. De curator deed het nodige om de goederen, afhangend van het faillissement meteen te verzekeren. Het feit dat dit ten tweede male gebeurde kan hem niet ten kwade geduid worden. Integendeel. De door de curator betaalde verzekeringspremies dienen als beheerskosten te worden weerhouden. - Nadat de curator overeenkomstig art. 46, § 1 F.W. aan de NV Brouwerij Haacht liet weten de huurovereenkomst van het café Cosy Nostra, gelegen te Brugge, Sint Jansstraat 3, alwaar A een horecazaak uitbaatte, niet verder uit te voeren, kwam er aan die overeenkomst een einde en diende de curator de goederen van de gefailleerde uit het gehuurde handelspand te verwijderen en te bewaren. Dit is één van de beheerstaken van de curator die niet kon kiezen voor de vlugge realisatie van de stofferende huisraad, gezien het rechtsmiddel door A aangewend tegen haar faillietverklaring. A verwijt de curator zelfs een beheersfout te hebben gemaakt door niet alle goederen uit het bewuste handelspand verwijderd te hebben. De kosten voor ontruiming van het pand en de opslag van die bewuste goederen maakt volgens het oordeel van de rechtbank dan ook een beheerskost uit, die dient vergoed te worden. Bij het opstellen van zijn vordering hield de curator rekening met de door hem tijdens zijn beheer van het ingetrokken faillissement ontvangen gelden. Uit niets blijkt dat de curator andere sommen ontving dan deze vermeld in zijn stukken. De curator verrekende de aan hem verschuldigde som met wat hij aan gelden tijdens het ingetrokken faillissement ontving. De vordering van de curator komt de rechtbank dan ook als gegrond over. Alvorens A evenwel te veroordelen tot de betaling van wat de curator toekomt, komt het de rechtbank passend over de tegeneis van A te ontmoeten en definitief vast te leggen, waarna, na compensatie tussen de hoofdeis en wat aan A mogelijks uit hoofde van haar tegeneis verschuldigd is, enige veroordeling tot betaling mogelijks aan de orde is. II. DE TEGENEIS; A. De tegeneis betreft de door A aangehaalde fouten in de uitvoering van taak als curator. 1.Vooreerst verwijt A de curator het pand 't Ganzenhof te Meulebeke verwaarloosd te hebben door het niet verwarmd of verlucht te hebben en niets gedaan te hebben tegen waterinfiltraties die ontstonden door stormen in de periode van 31 mei 2006 tot 22 januari 2007, periode waarin de curator het beheer over de boedel voerde. A dient de fout van de curator, het oorzakelijk verband tussen die fout en de schade te bewijzen. Het bewijs van fout kan niet verstrekt worden door te wijzen op de toestand van het pand en de inboedel op 22 maart 2007, datum waarop A door gerechtsdeurwaarder Luc Beckers een plaatsbeschrijving liet opmaken van het pand met de inboedel en deze te vergelijken met de beweerdelijk perfecte en juist gerenoveerde toestand van het pand op het ogenblik van het openvallen van het faillissement. Naar het oordeel van de rechtbank kan een pand met inboedel in een periode van een kleine 8 maanden (juni 2006 tot januari 2007) niet in die mate degraderen van een perfect onderhouden staat, zoals A meent te moeten voorhouden, tot de toestand waarin de gerechtsdeurwaarder het op 22 maart 2007 heeft aangetroffen en heeft beschreven. Een dak wordt volgens de rechtbank immers niet overwoekerd met onkruid en planten gedurende één enkele zomerperiode. Volgens de rechtbank rotten de onderkant van deuren niet en zijn niet in de beschreven erbarmelijke toestand door enkele maanden (één herfstseizoen en het begin van het winterseizoen) vocht. Opstijgend vocht in de muren is naar het oordeel van de rechtbank niet te wijten aan gebrek aan verwarming en onderhoud in een pand, doch aan gebrek aan aanwezigheid van een vochtkering in die muren. De verwijzing door A naar een schattingsverslag van 21 mei 2004, bewijst de toestand niet van het pand met de inboedel op 31 mei
- De verwijzing door A naar het proces-verbaal van boedelbeschrijving die de curator liet opstellen is evenmin dienstig. In dat proces-verbaal wordt de aanwezigheid van activa beschreven, doch niet de toestand van die activabestanddelen, noch de waarde van die activabestanddelen. Naar het oordeel van de rechtbank kan er ook niet worden ingegaan op het onbetrouwbaar bewijsmiddel via getuigenverhoor om de perfecte staat van het pand en de inboedel te bewijzen, daar A de bewijzen van de gerenoveerde toestand van het pand zonder meer in haar boekhouding moet aantreffen en deze dan ook kan voorleggen. In haar beroepsbesluiten (blz. 4 bovenaan), neergelegd voor het Hof van Beroep te Gent op 15 december 2006 in de zaak met A.R. 2006/2753, heeft A erkend dat zij beschikt over een volledige boekhouding, maar dat zij deze nooit heeft overgemaakt aan de curator. De stukken van de beweerde renovatie van het pand moeten zich dan ook in die boekhouding bevinden, in het bezit zijn van A, en kunnen door haar dus voorgelegd worden, wat A evenwel niet doet. Uit die houding van A kan de rechtbank maar besluiten dat er van enige recente renovatie en perfecte toestand van het pand met inboedel per 31 mei 2006 geen bewijs wordt of kan worden geleverd. Wat naar het oordeel van de rechtbank wel vaststaat, op grond van onderzoek van de stukken door de partijen voorgebracht, is dat er minstens schade aan het pand is ontstaan door een storm die op 18 januari 2007 over het pand heeft geraasd, met minstens het ontstaan van glasbreuk in een dakraam door een vallende tak, waardoor regenwater het pand kon indringen. Of die glasbreuk en andere dakdoorboringen te wijten is aan eerdere stormen en eerdere stormen andere schade aan het pand veroorzaakten is volgens de rechtbank niet bewezen. Waar de curator slechts op 22 januari 2007 ontheven werd van zijn aanstelling was het zijn plicht om na de voormelde storm van 18 januari 2007 het pand te bezichtigen om eventuele stormschade op te sporen en de gevolgen daarvan te neutraliseren. Dat deed hij evenwel niet, zodat de fout van de curator dienaangaande als bewezen weerhouden wordt. De rechtbank stelt evenwel vast dat het causaal verband tussen de voormelde fout van de curator en de volgens A daardoor beweerdelijk ontstane schade doorbroken werd door de houding van A zelf. Op 22 januari 2007 werd de curator ontheven van zijn aanstelling. Vanaf die dag verkreeg A van rechtswege het beheer over haar goederen terug (art. 16 F.W. a contrario). Het is niet bewezen dat A bij de curator aandrong op de eerdere overhandiging van de sleutels van het pand, dan de dag waarop deze werden doorgegeven door de curator aan de raadsman van A op 14 februari
- Om het pand te betreden en te bezichtigen waren er blijkbaar geen sleutels van doen. In het proces-verbaal van 22 maart 2007 staat te lezen dat de buitendeur van de veranda gedeeltelijk open staat ... Daaruit leidt de rechtbank af dat A vanaf minstens 23 januari 2007 het beheer van haar pand en inboedel opnieuw ter harte kon nemen. Dit is amper 5 dagen na de storm van 18 januari 2007, waaromtrent de rechtbank aanneemt dat de curator de gevolgen daarvan foutief niet heeft ontmoet. Op 22 maart 2007 staat volgens het door gerechtsdeurwaarder Luc Beckers toen opgemaakte proces-verbaal van vaststelling van het pand met inboedel vast dat toen nog steeds: in de keuken water op de vloer staat, in de living-woonplaats het op twee plaatsen binnenregent via het plafond en het in de eethoek regent op de tafel, stoelen en antieke meubelen, in de bijkeuken de tocht van buiten voelbaar is, in de veranda de buitendeur gedeeltelijk openstaat, in de badkamer het glas van het dakraam gebroken is en het aldaar binnenregent, Daaruit blijkt dat A sedert 23 januari 2007, toen zij het beheer over de inboedel terug verwierf, tot en met 22 maart 2007 de zaken op hun beloop liet en zelf ook helemaal niets deed om aan de ontstane situatie te remediëren. Zij liet de door de storm in het pand ontstane mogelijkheden tot waterinfiltratie ongemoeid, zodat waterschade kon ontstaan en / of uitbreiden. Zij deed dus ook helemaal niets om de gevolgschade die ontstond door de storm op 18 januari 2007 te neutraliseren. Daaruit volgt dat de schade die op 22 maart 2007 vastgesteld werd en die veroorzaakt werd door waterinfiltraties, waarvan enkel aangenomen wordt dat deze ontstonden per 18 januari 2007 - vroegere infiltraties zijn door niets bewezen - zonder meer het gevolg is van het feit dat vanaf 23 januari 2007 A zelf niets deed om schadebeperkende maatregelen te treffen. Enige onderzoeksmaatregel (deskundigenonderzoek of afstapping) nopens de huidige toestand van het pand met inboedel brengt dan ook niets bij tot de beoordeling van dit onderdeel van de tegeneis. De vordering tot de betaling van schadevergoeding ontstaan in het pand 't Ganzenhof, te wijten aan een fout van de curator wordt dan ook als ongegrond afgewezen. 2.Vervolgens verwijt A de curator dat hij haar handelszaak te Brugge, Sint-Jansstraat 3, door zijn wijze van handelen liet verloren gaan en die handelszaak ook niet verzilverde. Uit de voorgelegde stukken blijkt dat de NV Brouwerij Haacht de eigenares was van de handelszaak die werd uitgebaat aan de Sint-Jansstraat 3 te Brugge en die A uitbaatte onder de benaming Cosy Nostra. In de handelshuurovereenkomst die de NV Brouwerij Haacht sloot op 8 oktober 1998 met F, is in art. 1 gestipuleerd dat de partijen het er over eens zijn dat de handelszaak de uitsluitende eigendom is en blijft van de NV Brouwerij Haacht. Uit art. 19 van diezelfde overeenkomst is te onthouden dat alle voorwerpen dienende tot de uitbating, al dan niet eigendom van de NV Brouwerij Haacht kunnen zijn. Waar A naderhand, en wel op 23 oktober 2001, een overeenkomst "tot overdracht van een handelsfonds" ondertekent met F, meent zij ten onrechte dat zij alles wat het handelsfonds uitmaakt, overnam. F kan evenwel geen activa overlaten die hem niet toebehoren. De partijen begrepen zulks volkomen. Zij bedongen in hun overdracht tot overeenkomst immers ook dat de volledige overnameprijs betrekking heeft op de goederen dienstig voor de uitbating van de handelszaak en waarvan een detail wordt gehecht aan die overeenkomst. In dat detail zijn niet opgenomen: de benaming of het cliënteel. Naar het oordeel van de rechtbank volgt daaruit dat A enkel heeft overgenomen wat dienstig was tot de uitbating en geenszins de handelszaak als zodanig. De curator kon derhalve de handelszaak, eigendom van de NV Brouwerij Haacht, niet te gelde maken of verloren laten gaan. Het kan de curator dus ook niet als fout aangerekend worden dat hij geen kandidaat overnemers van de handelszaak heeft opgespoord, laat staan dat hij niet overging tot verkoop van de handelszaak. Elk getuigenverhoor daaromtrent is dan ook niet zinvol. * * * Een andere vraag is of de curator al dan niet foutief handelde door de handelshuurovereenkomst, die A op 7 december 2001 had overgenomen van F, met toestemming van de NV Brouwerij Haacht, niet over te dragen aan derden of deze in eigen beheer verder te zetten. Art. 46, § 1 van de faillissementswet bepaalt: "Na hun ambtsaanvaarding beslissen de curators onverwijld of zij de overeenkomsten die gesloten zijn voor de datum van het vonnis van faillietverklaring en waaraan door dat vonnis geen einde wordt gemaakt, al dan niet verder uitvoeren. De partij die de overeenkomst met de gefailleerde heeft gesloten, kan de curators aanmanen om die beslissing binnen vijftien dagen te nemen. Indien geen verlenging van termijn is overeengekomen of indien de curators geen beslissing nemen, wordt de overeenkomst geacht door toedoen van de curators te zijn verbroken vanaf het verstrijken van deze termijn; de schuldvordering van de schade die eventueel verschuldigd zou zijn aan de medecontractant wegens de niet-uitvoering, wordt opgenomen in de boedel. Indien de curators beslissen de overeenkomst uit te voeren, heeft de medecontractant recht, ten laste van de boedel, op de uitvoering van de verbintenis in zoverre zij betrekking heeft op prestaties geleverd na het faillissement.". De rechtbank stelt vast dat de curator reeds op 15 juni 2006 werd aangemaand om standpunt in te nemen of hij de handelshuurovereenkomst al dan niet verder wenste te zetten. Zonder beslissing van de curator was de handelshuurovereenkomst zonder meer, op grond van de wettelijke regeling uit hoofde van art. 46 faillissementswet, als verbroken te beschouwen na 30 juni
- Zelfs zonder enig handelen vanwege de curator kwam de handelshuurovereenkomst zonder meer ten einde. Op de vraag die de curator aan de NV Brouwerij Haacht op 14 juni 2006 richtte tot samenspraak werd door de NV Brouwerij Haacht negatief geantwoord, zodat de handelshuurovereenkomst enkel kon worden behouden mits de curator zich verbond om de handelshuur als boedelschuld ten laste te nemen. Uit niets blijkt dat de curator bij machte was om die verbintenis na te komen. Activa waren toen niet voor handen en kwamen naderhand niet in voldoende mate voorhanden. De huurwaarborgen waarvan A gewaagt, konden en kunnen voor de betaling van huurgelden niet worden aangewend. In de brief van de raadsman van A van 30 juni 2006 wordt enkel verzocht geen onomkeerbare handelingen te stellen. De verbreking van de handelshuurovereenkomst was toen evenwel onvermijdbaar, tenzij derden zich voor de boedelschulden wilden engageren, waarvan evenwel geen sprake was in die brief. De curator wijst er ook terecht op dat hij, bij gebrek aan boekhouding, achtergehouden door A, niet kon nagaan of de exploitatie van de handelszaak via derden al dan niet niet verlieslatend was. In die omstandigheden heeft de curator gehandeld als een normaal redelijk handelend curator in dezelfde omstandigheden, zelfs al werd hem toen het verzet tegen het verstekvonnis van faillietverklaring aangekondigd. De verbreking van de huurovereenkomst kwam er hoe dan ook uit hoofde van de wet. De vordering van A tot haar herstel in haar rechten als handelshuurster is ongegrond. Er is geen fout in hoofde van de curator te weerhouden, waardoor A aanspraak zou kunnen maken lastens de curator voor de door de faillissementsverklaring in haren hoofde ontstane schade. Elke onderzoeksmaatregel naar de ontstane schade of afstapping door de rechtbank (buiten het arrondissement Kortrijk ?) is in die omstandigheden niet zinvol. Verder blijkt uit niets dat de curator enige betaling heeft uitgevoerd ten gunste van de NV Brouwerij Haacht, of waarborgsommen heeft geïnd. De vordering van A op dit punt is daarom reeds als ongegrond af te wijzen. De rechtbank volgt vervolgens A niet waar deze voorhoudt dat zij bij de curator tevergeefs had aangedrongen tot de voortzetting van de handelsactiviteiten, daarin begrepen het verder zetten van de handelshuurovereenkomst, en de daaruit afgeleide fout van de curator. Art. 47 van de faillissementswet voorziet dat de curator, maar ook iedere belanghebbende de rechtbank kan verzoeken om machtiging te verlenen opdat de handelsverrichtingen van de gefailleerde voorlopig, geheel of gedeeltelijk worden voortgezet door de curators of onder hun toezicht door de gefailleerde of een derde. De gefailleerde zelf is de eerste die geviseerd wordt door de term ‘"iedere belanghebbende" (B. Vander Meulen en D. Vercruysse, "Praktische gids voor faillissementscuratoren",nr. 395). Indien de curator er inderdaad niet toe geneigd was, na overweging van de argumenten door A aangebracht, de rechtbank te verzoeken om machtiging tot de voortzetting van de handelsactiviteiten, daarin begrepen het verder zetten van de handelshuurovereenkomst, dan stond het A vrij, overeenkomstig de faillissementswetgeving zonder meer zelf het initiatief daartoe te nemen. Zij deed dit niet en liet de termijn tot stellingname die tegenover de NV Brouwerij Haacht diende te worden gerespecteerd, voorbijgaan. In die omstandigheden kan ook dit verwijt tegen de curator niet weerhouden worden. A heeft zelf niet ten gepaste tijde actie ondernomen. Getuigenverhoor nopens het aandringen van A tot voortzetting van de handelszaak Cosy Nostra is terzake dan ook niet dienend.
- Ontbrekende activa. A verwijt de curator vervolgens dat bepaalde activa die tot haar patrimonium behoorden, haar niet werden terugbezorgd na de intrekking van haar faillietverklaring. Bij het opmaken van de inventaris van boedelbeschrijving nopens de activa in de handelsuitbating Cosy Nostra, heeft de curator beroep gedaan op gerechtsdeurwaarder Paul De Smedt te Brugge. Overeenkomstig art. 516 tweede alinea Ger.W. kan een gerechtsdeurwaarder aangesteld worden tot vaststelling van materiële feiten. Door bepaalde rechtsleer wordt aangenomen dat de vaststellingen van zuiver materiële (zintuiglijk waarneembare) feiten, gedaan door een gerechtsdeurwaarder op verzoek van een particulier binnen zijn territoriale bevoegdheid in beginsel authentieke akten vormen, tenzij de gerechtsdeurwaarder de vaststellingen louter als privé-persoon deed (Storme M.E., "De bewijswaarde van het proces-verbaal van vaststelling van materiële feiten door een gerechtsdeurwaarder op verzoek van particulieren - art. 516 Ger.W.) en aanverwante vragen", R.W. 1994-1995, blz.348, nr. 14) , wat terzake niet kan worden weerhouden. De onjuistheid van de inhoud van die authentieke akte zou door A derhalve door middel van de valsheidsprocedure moeten worden geleverd, waartoe A niet overgaat. Derhalve moet wat in het proces-verbaal is opgenomen als correct worden weerhouden. Zelfs als de hiervoor bedoelde vaststelling geen authentieke of bijzonder wettelijke bewijswaarde heeft, moet worden aangenomen dat die vaststelling geldt als inlichting, die de rechtbank minstens aanvaardt als een objectief gegeven en die als met de waarheid strokend door de rechtbank wordt weerhouden. De opmerkingen van A, maanden na de boedelbeschrijving gemaakt, dat er heel wat meer goederen aanwezig waren op de dag van het openvallen van het faillissement en het opstellen van de inventaris worden door de rechtbank dan ook niet gevolgd. Getuigenverhoor daaromtrent komt de rechtbank niet zinvol over. Naar het oordeel van de rechtbank kan er zich op heden geen enkele getuige nog herinneren welke specifieke voorwerpen er wel of juist niet aanwezig waren de periode voorafgaand aan de faillissementsverklaring, thans meer dan twee jaar geleden, en of deze zich al dan niet nog in het pand bevonden bij het opstellen van de inventaris door de daartoe aangezochte gerechtsdeurwaarder. Het uitgangspunt tot het onderzoek en de beoordeling of de goederen die de curator in de Cosy Nostra heeft aangetroffen aan A opnieuw ter hand werden gesteld is volgens de rechtbank dan ook de inhoud van het proces-verbaal opgesteld op 15 juni 2006 door Paul De Smedt, gerechtsdeurwaarder te Brugge. De rechtbank stelt vast, aan de hand van het proces-verbaal van vaststelling, opgesteld door gerechtsdeurwaarder Luc Beckers te Kortrijk op 27 december 2007, nopens de goederen door de curator in verzekerde bewaring gegeven bij de NV Volutra te Harelbeke en die afkomstig waren van de handelszaak Cosy Nostra, dat op dat proces-verbaal niet alle goederen zijn opgenomen die waren opgenomen in het proces-verbaal van boedelbeschrijving van 15 juni 2006, buiten de voorraad dranken door de curator te gelde gemaakt. Prima facie werden derhalve niet al de goederen die dienstig waren voor de uitbating van de handelszaak Cosy Nostra en die geen eigendom waren van de NV Brouwerij Haacht terug ter beschikking gesteld van A. Vooraleer verder te oordelen over dit onderdeel van de tegeneis heropent de rechtbank de debatten, ten einde de partijen toe te laten: een lijst op te stellen van de goederen, buiten de door de curator verkochte voorraad dranken, die opgenomen werden in het proces-verbaal van boedelbeschrijving van 15 juni 2006 en die niet opgenomen werden in het proces-verbaal van vaststelling van 27 december 2007, te concluderen over de redenen van het onderscheid tussen de twee lijsten van goederen, een waardebepaling uit te werken nopens de ontbrekende goederen. * * * B. De tegeneis betreft ook de volgende items.
- Het eigendomsrecht van de handelsbenamingen Cosy Nostra en 't Ganzenhof. Uit iets blijkt dat het eigendomsrecht van de voornoemde handelsbenamingen het voorwerp uitmaken van enige betwisting tussen de partijen. Het komt de rechtbank toe te oordelen over betwistingen en geen uitspraak te doen bij wege van algemene en als regel geldende beschikking (art. 6 Ger.W.) Dit onderdeel van de tegeneis, wordt als ongegrond afgewezen.
- De gevorderde rekening-verantwoording door de curator te doen. De curator heeft in zijn stukkenbundel de volledige afrekening van zijn beheer van het ingetrokken faillissement van A opgenomen. Aldaar zijn de gerealiseerde activa en de gemaakte beheerskosten opgenomen. Aan de hand van die stukken doet de curator reeds rekening-verantwoording, is dit onderdeel van de tegeneis zonder voorwerp en dient het als ongegrond te worden afgewezen.
- Teruggave goederen, stukken, documenten, boekhouding en gerecupereerde gelden. Hiervoor werd prima facie geoordeeld dat aan A niet alle goederen terug ter beschikking werden gesteld die werden opgenomen in de inventaris van boedelbeschrijving bij het openvallen van haar naderhand ingetrokken faillissement en dat alvorens te beslissen over enige schadevergoeding daaromtrent de debatten worden heropend. A kan niet én schadevergoeding vorderen én de teruggave van de ontbrekende goederen. Er ligt trouwens geen bewijs voor dat de curator die goederen in zijn bezit heeft. Hiervoor werd er op gewezen dat A erkende dat zij haar boekhouding nooit aan de curator overhandigde. Zij kan dan ook geen teruggave van die boekhouding eisen. Op de vordering tot teruggave van stukken en documenten allerlei kan de rechtbank evenmin ingaan bij gebrek aan concrete omschrijving van het voorwerp tot teruggave. De gelden die de curator tijdens zijn beheer van het ingetrokken faillissement ontving heeft hij terecht verrekend bij de begroting van zijn hoofdeis. Er dienen door de curator geen gelden te worden teruggegeven. A dient, na toerekening door de curator van de geïnde sommen, het onbetaald ereloon en de onbetaalde beheerskosten bij te passen, tenzij blijkt, dat na compensatie met het onderdeel van de tegeneis van A betreffende de tegenwaarde van de ontbrekende goederen, dat onderdeel van de tegeneis de waarde van het saldo aan ereloon en beheerskosten van de curator overstijgt.
- Sommaties. A vordert dat de rechtbank de curator sommeert standpunt in te nemen of verduidelijkingen te bieden nopens bepaalde punten, teneinde haar tegeneis verder te staven of te kunnen onderbouwen. De rechtbank heeft hiervoor definitief geoordeeld omtrent de tegeneisen door A gesteld, op een na. De geformuleerde sommaties hebben geen enkel raakpunt met die tegeneis, zodat zij als niet terzake dienend van de hand gewezen worden. OM DEZE REDENEN DE RECHTBANK, recht doende bij verstek; Alle anders luidende en / of tegenstrijdige conclusies van de hand wijzend; Verklaart de hoofdeis ontvankelijk; Verklaart de tegeneis ontvankelijk, doch wijst deze af als ongegrond in al zijn onderdelen, tenzij voor wat betreft het onderdeel nopens de tegenwaarde van de goederen dienende tot de exploitatie van de handelszaak Cosy Nostra; Vooraleer over de grond van de hoofdeis en de grond van het onderdeel van de tegeneis betreffende de tegenwaarde van de goederen dienende tot de exploitatie van de handelszaak Cosy Nostra te oordelen, beveelt de heropening van de debatten, ten einde partijen toe te laten te handelen zoals hiervoor uiteengezet en vooralsnog te concluderen omtrent de punten door de rechtbank hiervoor opgeworpen. De curator dient zijn standpunt en conclusies aan A te overhandigen en ter griffie neer te leggen uiterlijk op 31 december
- A dient haar standpunt en conclusies aan de curator te overhandigen en ter griffie neer te leggen uiterlijk op 30 januari
- De repliek van de curator dient aan A overhandigd te worden en ter griffie neergelegd te worden op 27 februari
- Beveelt dat de partijen over de ontwerpen die het voorwerp van deze heropening van de debatten uitmaken zullen gehoord worden ter zitting van woensdag, 18 maart 2009 te 10.30 uur. Houdt de kosten aan. Verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad, niettegenstaande elke voorziening en zonder borgstelling. Aldus het vonnis, gewezen door de rechtbank van koophandel te Kortrijk, vijfde kamer, samengesteld als volgt: L. Vandenbroucke, ondervoorzitter, voorzitter van de kamer, P. De Poot, rechter in handelszaken, P. Matton, rechter in handelszaken, en uitgesproken in het gerechtsgebouw II te Kortrijk in openbare terechtzitting van woensdag, TWAALF NOVEMBER TWEEDUIZEND EN ACHT, door de voorzitter van de kamer, bijgestaan door Ch. Busschaert, griffier. Ch. Busschaert P. Matton P. De Poot L. Vandenbroucke Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div