← België

ECLI:BE:ORGNT:2025:JUG.20250304.1

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Ondernemingsrechtbank Gent Vonnis/arrest van 04 maart 2025 ECLI nr: ECLI:BE:ORGNT:2025:JUG.20250304.1 Rolnummer: O/24/00721 Rechtsgebied: Insolventierecht Invoerdatum: 2025-04-10 Raadplegingen: 327 - laatst gezien 2026-06-18 17:12 Fiche De termijn tot betwisting voorzien in artikel XX.162 WER is geen verjaringstermijn maar wel een vervaltermijn. Niet enkel de betekening van de dagvaarding aan de curator dient tijdig te zijn, doch ook de betekening aan de betrokken schuldeiser opdat betwisting in het kader van artikel XX.162 WER toegelaten is. In casu is de betekening van de dagvaarding laattijdig. Door een fout van de gerechtsdeurwaarder binnen zijn wettelijk monopolie is aan eiseres de toegang tot de rechter ontzegd. In hoofde van eiseres maakt voormelde fout aldus overmacht uit. De termijn tot betwisting wordt verlengd. UTU-thesaurus: HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - INSOLVENTIE - Algemeen (insolventie) Vrije woorden: betwisting aanvaarding schuldvordering - overmacht Wettelijke bepalingen: Wetboek van economisch recht - 28-02-2013 - XX.162 - 19 ELI link Pub nr 2013A11134 Tekst van de beslissing Ondernemingsrechtbank Gent – Afdeling Gent Tweede kamer Partijen in het geding

  1. M.NV, […] Eiseres Hebbende als raadsman: Mr. V.M.
  2. Mr. G. q.q., […], in zijn hoedanigheid van curator van het faillissement M.NV […] Verweerder q.q.
  3. R.G. […] Tweede verweerder Hebbende als raadsman: Mr.S.
  4. E.BV, Verweerster in tussenkomst Hebbende als raadsman: Mr. D.P. I. Informatie over de procedure 1.
  5. Het geding werd ingeleid met dagvaardingen betekend op 12 en 13 augustus 2024 (O/24/00721) en 20 augustus 2024 (O/24/00722). Bij tussenvonnis van 17 september 2024 werden de zaken gekend onder O/24/00721 en O/24/00722 samengevoegd en werden conclusietermijnen bepaald. De rechtbank heeft de partijen in de openbare terechtzitting van 18 februari 2025 gehoord. De bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken werden nageleefd. II. Feiten die aanleiding geven tot het geschil 2.
  6. Bij vonnis van 12 januari 2024 van de ondernemingsrechtbank Gent-afdeling Gent werd eiseres failliet verklaard, waarbij mr. Goossens werd aangesteld als curator van het faillissement. Tweede verweerder is schuldeiser van eiseres en heeft via het register een aangifte van schuldvordering ten belope van 511.247,71 € ingediend op 22 januari
  7. 2.
  8. Voormelde schuldvordering werd door de curator aanvaard in het tweede proces-verbaal van verificatie van schuldvorderingen dat werd opgesteld en neergelegd op 12 juli
  9. 2.
  10. Eiseres is niet akkoord met de hoegrootheid van de door tweede verweerder ingediende schuldvordering en wenst de aanvaarding ervan te betwisten. Met oog op het formaliseren van de betwisting overeenkomstig artikel XX.162 WER laat eiseres een dagvaarding uitbrengen ten aanzien van de curator en van tweede verweerder. Eiseres doet hiervoor beroep op het gerechtsdeurwaarderskantoor E., zijnde verweerster in tussenkomst. Voormelde dagvaarding tot betwisting wordt betekend aan de curator op 12 augustus 2024, terwijl de dagvaarding aan tweede verweerder pas wordt betekend op 13 augustus
  11. 2.
  12. De curator en tweede verweerder betwisten de ontvankelijkheid van het door eiseres aangetekende bezwaar wegens laattijdigheid. Naar hun oordeel kon overeenkomstig artikel XX.162 WER voormelde dagvaarding ten laatste op 12 augustus 2024 betekend worden. Door de dagvaarding pas te betekenen aan tweede verweerder op 13 augustus 2024 zou de aanvaarding van de schuldvordering van tweede verweerder onherroepelijk en definitief zijn. Het recht om deze aanvaarding te betwisten zou dan vervallen zijn. Eiseres betwist deze stelling. Volgens eiseres zou enkel de betekening van de dagvaarding aan de curator binnen de termijn van artikel XX.162 WER moeten gebeuren. Dat de dagvaarding aan de betrokken schuldeiser laattijdig betekend werd, zou niet relevant zijn. De termijn tot betwisting zou bovendien geen vervaltermijn zijn en zou verlengd worden tijdens de gerechtelijke vakantie. Ondergeschikt houdt eiseres voor dat er sprake is van overmacht gezien de door haar aangezochte gerechtsdeurwaarder een fout heeft begaan door de tweede dagvaarding buiten de termijn van artikel XX.162 WER te betekenen aan tweede verweerder. III. Beoordeling door de rechtbank 3.
  13. De curator verifieert de aangiftes van schuldvordering. Hij stelt hiervan een proces-verbaal op waaruit de verificatiebeslissing nopens de aangegeven schuldvorderingen blijkt. In het eerste en tweede proces-verbaal van schuldvorderingen kan de curator de schuldvordering aanvaarden, aanhouden tot de volgende verificatie, of betwisten. Overeenkomstig artikel XX.161 WER leggen de curatoren het eerste proces-verbaal van verificatie neer in het register uiterlijk op de in het vonnis van faillietverklaring bepaalde dag. Na respectievelijk zes en twaalf maanden na de datum van het vonnis van faillietverklaring, leggen de curatoren in het register een aanvullend proces-verbaal van verificatie neer. 3.
  14. De gefailleerde en de schuldeisers kunnen tegen de verrichte en te verrichten verificaties bezwaren inbrengen binnen een maand na de uiterste datum zoals bepaald in artikel XX.161 WER voor de neerlegging van het proces verbaal van verificatie. Het bezwaar wordt aan de curatoren en aan de schuldeiser wiens vordering wordt tegengesproken betekend bij een deurwaardersexploot. Hierbij worden de curatoren en de schuldeiser, alsmede de gefailleerde voor de rechtbank gedaagd teneinde uitspraak te horen doen over de schuldvordering waartegen bezwaar is ingebracht. 3.
  15. Overeenkomstig artikel XX.3 WER beginnen de termijnen te lopen, onverminderd de gevolgen die het Gerechtelijk Wetboek hecht aan betekeningen, telkens boek XX. WER bepaalt dat gegevens of stukken geplaatst worden in het register, vanaf de dag volgend op deze van de plaatsing. Nog volgens artikel XX.3 WER is artikel 50, 2de lid Ger.W. (verlenging van termijnen in de gerechtelijke vakantie) niet van toepassing op de vorderingen en betekeningen bedoeld in boek XX.WER. Overeenkomstig artikel 54 Ger.W. wordt een in maanden of in jaren bepaalde termijn gerekend van de zoveelste tot de dag voor de zoveelste. 3.
  16. Te dezen stelt de rechtbank vast: - Dat het vonnis van faillietverklaring dateert van 12 januari 2024 en dat aldus overeenkomstig artikel XX.161 WER de wettelijk voorziene datum voor de neerlegging van het tweede proces-verbaal van verificatie 12 juli 2024 betreft, zijnde 6 maanden na voormeld vonnis. - Dat de door tweede verweerder aangegeven schuldvordering werd aangehouden in het eerste proces-verbaal van verificatie en werd aanvaard in het tweede proces-verbaal van verificatie. - Dat het tweede proces-verbaal van verificatie door de curator werd neergelegd op 12 juli 2024, zijnde de wettelijk voorziene datum. Gelet op artikel XX.161 WER, artikel XX.3 WER en artikel 54 Ger.W. volgt uit deze vaststellingen dat de gefailleerde of schuldeisers uiterlijk 12 augustus 2024 bezwaar in de zin van artikel XX.162 WER konden inbrengen middels dagvaarding De dagvaarding tot betwisting van de schuldvordering werd betekend aan de curator op 12 augustus 2024, doch dat aan de betrokken schuldeiser pas op 13 augustus
  17. De rechtbank komt aldus voorlopig tot het besluit dat de dagvaarding laattijdig – i.e. buiten de termijn voorzien in artikel XX.162 WER – werd betekend aan de betrokken schuldeiser, zijnde tweede verweerder (zie evenwel randnummers 3.6 – 3.9). 3.
  18. Volgens eiseres is het niet relevant dat de betekening aan de schuldeiser laattijdig was. Door de loutere (tijdige) betekening aan de curator zou de betwisting aanhangig zijn gemaakt waardoor diens verificatie niet definitief zou zijn geworden. 3.5.
  19. In tegenstelling tot wat eiseres voorhoudt, is de termijn tot betwisting voorzien in artikel XX.162 WER geen verjaringstermijn maar wel een vervaltermijn. De doelstelling van een vervaltermijn is het uitlokken van vorderingen binnen een korte termijn om een einde te maken aan de rechtsonzekerheid die de mogelijkheid van een vordering met zich meebrengt. Het betreft een sanctionering van een toerekenbare tekortkoming en wil aanzetten om binnen een bepaalde (korte)periode een bepaalde handeling te stellen. Een vervaltermijn beoogt in eerste instantie de belangen te beschermen van degene die zich op een vervaltermijn kan beroepen. De wettelijke termijn tot betwisting voorzien in artikel XX.162 WER past in dit kader. De termijn wil belanghebbenden in het kader van de collectieve controle inzake verificaties aanzetten tot handelen binnen een korte termijn. Het verstrijken van deze termijn tot betwisten geeft enerzijds rechtszekerheid aan de failliete boedel omtrent de omvang van het passief en geeft anderzijds rechtszekerheid aan de schuldeiser dat zijn schuldvordering naar omvang en aard in relatie met de failliete boedel vaststaat. Het bekomen van deze rechtszekerheid binnen een korte termijn is noodzakelijk om een vlotte en spoedige afhandeling van een vereffeningsbewind mogelijk te maken. 3.5.
  20. Uit het voorgaande blijkt meteen dat de vervaltermijn tot betwisting niet enkel haar belang heeft ten aanzien van de failliete boedel, doch ook ten aanzien van de betrokken schuldeiser. Eens het recht op betwisting is vervallen, verkrijgt de schuldeiser met een aanvaarde schuldvordering immers rechtszekerheid dat zijn vordering onherroepelijk werd opgenomen in het passief en in aanmerking zal genomen worden bij de uitdeling, behoudens bedrog, miskenning van openbare orde of overmacht. De vereiste van de dubbele dagvaarding is wettelijk zo voorzien omdat het verstrijken van de vervaltermijn rechtszekerheid biedt aan twee onderscheiden partijen. Ontvangt één van deze onderscheiden partijen niet tijdig de dagvaarding, dan verkrijgt die partij bij het verstrijken van de vervaltermijn onmiddellijk de hierboven ingevulde rechtszekerheid. De rechtbank is aldus van oordeel dat niet enkel de betekening van de dagvaarding aan de curator tijdig dient te zijn, doch ook de betekening aan de betrokken schuldeiser opdat betwisting in het kader van artikel XX.162 WER toegelaten is. 3.
  21. Een vervaltermijn is niet vatbaar voor stuiting en schorsing, doch kan wel verlengd worden in geval van overmacht (Cass. 27 maart 1919, Pas.I, 112). Eiseres betoogt dat de laattijdige betekening door de gerechtsdeurwaarder aan tweede verweerder een fout betreft van de dienstdoende gerechtsdeurwaarder, zijnde verweerster in tussenkomst. Eiseres wijst dienaangaande naar: - De opdrachtmail van 9 augustus 2024 gericht aan de gerechtsdeurwaarder waarin opdracht tot betekening werd gegeven en waarbij in het onderwerp “zeer dringend” werd genoteerd. - De antwoordmail van het gerechtsdeurwaarderkantoor van 12 augustus 2024 om 9u59 waarin het gerechtsdeurwaarderskantoor bevestigt de opdracht te hebben ontvangen en verder stelt ‘conform ons telefonisch contact zojuist, wacht ik het rijksregisternummer van tweede gedaagde nog af’ - De mail uitgaande van de raadsman van eiseres op 12 augustus 2024 om 10u05 – 6 minuten na de vraag hiertoe - waarin het rijksregisternummer van tweede verweerder wordt meegedeeld. - De tweede antwoordmail van het gerechtsdeurwaarderskantoor van 12 augustus 2024 om 10u20 waarin het gerechtsdeurwaarder de inleidingsdatum van het geding meedeelt en stelt ‘wij doen onmiddellijk het nodige voor betekening en houden u verder op de hoogte’. De dagvaarding werd inderdaad “onmiddellijk” betekend aan de curator, namelijk op 12 augustus 2024 om 11u
  22. Aan tweede verweerder werd pas betekend op 13 augustus 2024 om 10u
  23. Ter zitting erkent de raadsman van het gerechtsdeurwaarderskantoor – zijnde verweerster in tussenkomst – in duidelijke termen dat de bediende van het gerechtsdeurwaarderskantoor inderdaad een fout heeft begaan. De bediende zou verkeerdelijk de datum 13 augustus 2024 als “laatste dag” hebben ingegeven in het computersysteem van het kantoor waardoor de dienstdoende gerechtsdeurwaarder werd misleid. Deze bewering strookt alvast met de vaststelling dat op beide exploten de vermelding ‘LD 13/08/2024’ op geautomatiseerde wijze aangebracht werd (zie exploot curator links onderaan en exploot schuldeiser rechts bovenaan). Verweerster in tussenkomst betwist ook niet dat zij juiste instructies nopens de uiterlijke termijn zou ontvangen hebben vanwege de raadsman van eiseres. 3.
  24. Gelet op de stukken van het dossier en de erkenning van fout door de gerechtsdeurwaarder - die op haar beurt ook op overtuigende wijze ondersteund wordt door stukken - weerhoudt de rechtbank een fout in hoofde van het gerechtsdeurwaarderskantoor, zijnde verweerster in tussenkomst. Een gerechtsdeurwaarder die een ‘zeer dringende’ opdracht ontvangt in het kader van een betwisting in de zin van artikel XX. 162 WER, die na telefonisch contact met de opdrachtgever bevestigt ‘onmiddellijk het nodige te doen’ doch zelf een verkeerde “laatste dag” (LD) noteert terwijl zij niet betwist correcte instructies te hebben gekregen van haar opdrachtgever, begaat een fout. 3.
  25. In beginsel kan een fout of een nalatigheid van een lasthebber (in casu de gerechtsdeurwaarder) op zichzelf voor de lastgever geen vreemde oorzaak, toeval of overmacht opleveren. De fouten of nalatigheden van de lasthebber verbinden de lastgever wanneer zij binnen de perken van de lastgeving zijn begaan (Cass. 24 januari 1974, Arr. Cass. 1974, 576). Echter, het recht op toegang tot de rechter, zoals gewaarborgd door artikel 6.1 EVRM en het monopolie dat artikel 519, § 1, Gerechtelijk Wetboek aan de gerechtsdeurwaarders toekent, alsook de beperkingen die, wat de keuze van de instrumenterende deurwaarder betreft, voortvloeien uit de regels inzake territoriale bevoegdheid die in artikel 516 van datzelfde wetboek zijn bepaald, houden in dat de fout of de nalatigheid van die ministeriële ambtenaar als overmacht kan worden beschouwd. (Zie hierover Cass. 12 mei 2020, P.20.0104.N ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200918.1N.2; Cass. 18 november 2019, C.18.0510.F ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20191118.3F.1; Cass. 8 februari 2019, C.18.0048.N ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190208.3; Cass. 21 december 2012, F.12.0006.N ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20121221.5; Cass. 9 november 2011, P.11.0886.F ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20111109.5) In casu is de gerechtsdeurwaarder opgetreden op basis van zijn monopolie met betrekking tot het betekenen van exploten, zoals voorzien in artikel 519 § 1, 1° Gerechtelijk Wetboek. Door een fout van de gerechtsdeurwaarder binnen zijn wettelijk monopolie is aan eiseres de toegang tot de rechter ontzegd. In hoofde van eiseres maakt voormelde fout aldus overmacht uit. De verwijzingen en andersluidende standpunten van tweede verweerder in conclusie dienaangaande berusten op verkeerde lezing van de door hem aangehaalde cassatierechtspraak. 3.
  26. De door de rechtbank weerhouden overmacht heeft tot gevolg dat de wettelijke vervaltermijn om betwisting in de zin van artikel XX.162 WER, kan worden verlengd met de tijdsduur waarin het voor de eiseres volstrekt onmogelijk was om deze betwisting in te stellen. Toegepast op huidige casus dringt de vaststelling zich op dat de vervaltermijn in de zin van artikel XX.162 WER werd verlengd minstens tot 13 augustus
  27. De betwisting uitgaande van eiseres tegen de aanvaarding van de schuldvordering van tweede verweerder is aldus ontvankelijk. 3.
  28. De betwiste aangifte van schuldvordering van tweede verweerder heeft betrekking op o.a. een verbrekingsvergoeding en achterstallig loon. Eiseres en curator (ondergeschikt) vragen te verzenden naar de arbeidsrechtbank Gent, afdeling Gent. Er bestaat tussen partijen geen discussie dat de inhoudelijke betwisting omtrent deze aangifte behoort tot de materiële bevoegdheid van de arbeidsrechtbank (artikel 578,1° Ger.W.). Evenmin bestaat er discussie tussen partijen dat de zaak naar de arbeidsrechtbank dient te worden verzonden om uitspraak te doen over het bestaan en het bedrag van de schuldvordering van tweede verweerder wat betreft alle onderdelen van de vordering die volgen uit de arbeidsrelatie tussen tweede verweerder en eiseres. IV. Beslissing De rechtbank doet recht op tegenspraak en op grond van alle bovenstaande redenen, alle verdere en meer uitgebreide of strijdige middelen verwerpende als zijnde niet-gegrond of niet ter zake dienend. De rechtbank verklaart zich bevoegd tot kennisname van de vordering. De rechtbank verklaart de vordering van eiseres tot betwisting van de aanvaarding van de schuldvordering van R.G. ontvankelijk. Zendt de zaak omtrent de betwisting van de aangifte van schuldvordering van R.G. zoals neergelegd in het register op 22.01.2024 naar de arbeidsrechtbank Gent, afdeling Gent om uitspraak te doen over het bestaan en het bedrag van de schuldvordering van R.G. ten aanzien van de failliete boedel van NV.M. betreffende alle onderdelen van de vordering die volgen uit de voormalige arbeidsrelatie tussen R.G. en NV.M. en waarvoor de arbeidsrechtbank bevoegd is. De beslissing omtrent de gerechtskosten wordt aangehouden. ***** Dit vonnis is gewezen door de Ondernemingsrechtbank Gent, afdeling Gent, tweede kamer, samengesteld uit Vincent Verlaeckt, rechter en voorzitter van de kamer en de rechters in ondernemingszaken M.R. en B.R. en is op de openbare zitting van 4 maart 2025 uitgesproken door rechter, kamervoorzitter Vincent Verlaeckt in aanwezigheid van Z.F. Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20111109.5 ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20121221.5 ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190208.3 ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20191118.3F.1 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200918.1N.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.