id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Ondernemingsrechtbank Gent Vonnis/arrest van 08 april 2025 ECLI nr: ECLI:BE:ORGNT:2025:JUG.20250408.1 Rolnummer: O/25/00137 Rechtsgebied: Insolventierecht Invoerdatum: 2025-04-10 Raadplegingen: 266 - laatst gezien 2026-06-17 17:37 Fiche Overeenkomstig artikel XX. 83 WER kan elke schuldeiser, door de dagvaarding van de schuldenaar, de intrekking van het reorganisatieplan vorderen wanneer het niet stipt wordt uitgevoerd. In casu stelt de rechtbank vast dat de wettelijke voorwaarden tot intrekking zijn voldaan. De niet-naleving van het plan heeft een structurele vorm aangenomen en is in casu ook te plaatsen in een bredere context, zoals het maken van nieuwe schulden en ondergaan van bijkomende beslagen. Het betreft geen loutere, incidentele vertraging in de betaling van de schulden opgenomen in het reorganisatieplan. UTU-thesaurus: HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - INSOLVENTIE - Continuïteit van de ondernemingen Vrije woorden: Intrekking reorganisatieplan Wettelijke bepalingen: Wetboek van economisch recht - 28-02-2013 - XX.83 - 19 ELI link Pub nr 2013A11134 Tekst van de beslissing Ondernemingsrechtbank Gent, afdeling GENT DERDE kamer Deze rechtbank heeft volgend vonnis verleend in de zaak van O/25/00369 De Rijksdienst voor Sociale Zekerheid (RSZ), met zetel te 1060 Brussel, Victor Hortaplein 11, met ondernemingsnummer 0206.731.645 Eisende partij, Vertegenwoordigd door Mr. V. advocaat [...] tegen: X.NV, met zetel te […], met ondernemingsnummer [….] Verwerende partij, Vertegenwoordigd door Mr. V.L., advocaat […] En in de zaak van O/25/00137 R., met zetel te […], met ondernemingsnummer […] Eisende partij, Vertegenwoordigd door Mr. W.B., advocaat […] tegen: H.NV, […] middels opslorping door fusie van 26 december 2023 thans genaamd X.NV met ondernemingsnummer […] , met zetel […] Verwerende partij, Vertegenwoordigd door Mr. V.L., advocaat […]
- DE RECHTSPLEGING 1.
- Bij vonnis van de Ondernemingsrechtbank Gent, afdeling Gent van 20 juli 2022 werd de procedure gerechtelijke reorganisatie van NV H. met de doelstelling het bekomen van een collectief akkoord open verklaard. Bij vonnis van de Ondernemingsrechtbank Gent, afdeling Gent van 16 november 2022 werd het reorganisatieplan – neergelegd in het register op 19 oktober 2022 - gehomologeerd. Uit de notariële akte van 26 december 2023 blijkt dat de buitengewone algemene vergadering van H.NV heeft beslist dat X.NV bij wijze van geruisloze fusie H.NV overneemt. 1.
- In de zaak O/25/00369 Schuldeiser Rijksdienst voor Sociale Zekerheid is op 6 februari 2025 overgegaan tot dagvaarding tot intrekking van het reorganisatieplan. De zaak werd ingeleid op 18 februari 2025 en uitgesteld naar de zitting van 4 maart
- Op 4 maart 2025 werd de zaak behandeld en in beraad genomen. Op 7 maart 2025 werd een tussenvonnis gewezen. Op 18 maart 2025 werd de zaak opnieuw behandeld. Partijen werden gehoord en de zaak werd in beraad genomen. 1.
- In de zaak O/25/00137 Schuldeiser R. is op 15 januari 2025 overgegaan tot dagvaarding tot intrekking van het reorganisatieplan. De zaak werd ingeleid op 18 februari 2025 en uitgesteld naar de zitting van 4 maart
- Op 4 maart 2025 werd de zaak behandeld en in beraad genomen. Op 7 maart 2025 werd een tussenvonnis gewezen. Op 18 maart 2025 werd de zaak opnieuw behandeld. Partijen werden gehoord en de zaak werd in beraad genomen. 1.
- De rechtbank heeft kennis genomen van het rechtsplegingsdossier en de neergelegde stukken. De bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken werden nageleefd.
- DE BEOORDELING Samenhang 2.
- Het is de rechter die op onaantastbare wijze oordeelt of de zaken al dan niet samen worden gevoegd wegens samenhang. De rechtbank stelt hierbij vast dat de feiten in beide zaken dezelfde zijn en de vordering hetzelfde voorwerp hebben. Met het oog op een goede rechtsbedeling is het aangewezen om de vorderingen in beide zaken als samenhangend te beschouwen. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de zaken O/25/00137 en O/25/00369 samenhangend zijn en voegt beide zaken samen in toepassing van artikel 30 Ger.W. Ontvankelijkheid 2.
- De ontvankelijkheid van de vorderingen wordt niet betwist. De rechtbank ziet geen ambtshalve op te werpen middelen van onontvankelijkheid. De vordering is ontvankelijk. Ten gronde 2.
- Overeenkomstig artikel XX. 83 WER kan elke schuldeiser, door de dagvaarding van de schuldenaar, de intrekking van het reorganisatieplan vorderen wanneer het niet stipt wordt uitgevoerd, of wanneer hij aantoont dat het niet anders zal kunnen en dat hij er schade door zal lijden. In casu wordt niet betwist dat het reorganisatieplan niet stipt wordt uitgevoerd. Uit stuk 1 van de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid blijkt dat verwerende partij 4 termijnen ten belope van 4 x 6.089,46 EUR (15.4.2023, 15.01.2024, 15.07.2024 en 15.01.2025) heeft onbetaald gelaten ten aanzien van de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid, eisende partij in dit geding. Dit wordt bevestigd in stuk 1 bundel C van verwerende partij. Uit dit stuk 1 bundel C kan ook afgeleid worden dat verwerende partij ten aanzien van R. – eisende partij in huidig geding - 3 termijnen ten belope van 3 x 1.834,82 EUR onbetaald heeft gelaten. Ook andere schuldeisers hebben 2 tot 4 afbetalingen voorzien in het reorganisatieplan niet ontvangen. 2.
- Naast de vaststelling dat het reorganisatieplan niet wordt uitgevoerd, dringt de vaststelling zich op dat zich nieuwe schulden opstapelen in hoofde van verwerende partij. Zo kan verwezen worden naar stuk 2 en stuk 4 van de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid waaruit blijkt dat buiten de gerechtelijke reorganisatie de (nieuwe) schulden ten aanzien van de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid zijn opgelopen tot bijkomend 52.634,50 EUR en 22.778,84 EUR. Dit bovenop de restschuld gevat door het reorganisatieplan van 73.606,51 EUR. De Rijksdienst voor Sociale Zekerheid wijst erop dat het laatste jaar 26 uitvoerende beslagen werden gelegd door diverse schuldeisers. Dit voor nieuwe schulden die niet gevat worden door het reorganisatieplan. 2.
- Verwerende partij is actief in de sector van stellingbouw en verhuur ervan. Verwerende partij verklaart liquiditeitsproblemen te hebben. Als oorzaken van de huidige financiële situatie verwijst verwerende partij naar interne administratieve moeilijkheden. Verwerende partij stelt dat zij op heden enkel schulden kan betalen indien zij een bepaald deel van het aanwezige stellingmateriaal - dat haar eigendom is - verkoopt. Zij zou een overeenkomst (gehad) hebben met een derde partij voor de verkoop van een grote partij stellingmateriaal. Er zou een verkoopprijs tussen 150.000,00 EUR en de 300.000,00 EUR beoogd worden. De dagvaarding tot intrekking van het reorganisatieplan zou dit plan doorkruist hebben waardoor er op heden geen vrije liquiditeiten voorhanden zijn en dit bijgevolg geen oplossing kan bieden. Op de zitting van 4 maart 2025 verzoekt verwerende partij dat eisende partijen eerst afstand zouden doen van hun vordering tot intrekking van het reorganisatieplan zodat de geïnteresseerde kandidaat-koper met meer rechtszekerheid de partij stellingmateriaal zou kunnen aankopen. De hangende dagvaarding zou de voorgenomen transactie precair maken. Verwerende partij stelt dat de bekomen prijs uit deze verkooptransactie dan meteen kan aangewend worden tot betaling van de schulden van eisende partijen. Eisende partijen stellen hierin geen vertrouwen te hebben en gaan niet in op deze vraag. Eisende partijen volharden in hun vordering. Op de vraag of verwerende partij op geen enkele andere wijze aan liquiditeiten kan geraken zodat zij minstens alvast enkele afbetalingen kan uitvoeren - zonder verkoop van stellingmateriaal - , wordt negatief geantwoord door verwerende partij. De normale bedrijfsactiviteiten van verwerende partij kunnen klaarblijkelijk onvoldoende liquiditeiten genereren om enige afbetaling te verrichten in het kader van het reorganisatieplan. Verwerende partij zag en ziet enkel in de verkoop van materiaal een oplossing voor huidige liquiditeitsproblemen. De zaak wordt in beraad genomen op de zitting van 4 maart
- Bij tussenvonnis van 7 maart 2025 worden de debatten heropend en worden bijkomende stukken en informatie gevraagd aan partijen. De zaak wordt voor behandeling op 18 maart 2025 geplaatst. 2.
- In gevolge het tussenvonnis legt verwerende partij aanvullende stukken neer. Op de zitting van 18 maart 2025 blijkt er een bijkomend probleem te zijn ontstaan. Nog een andere schuldeiser - niet inzake - heeft op 5 maart 2025 bewarend beslag tot terugvordering gelegd op roerend goed, waaronder op het stellingmateriaal dat door verwerende partij zou verkocht worden met het oog op het regulariseren van de achterstallen ten opzichte van het reorganisatieplan en het betalen van nieuwe schulden. De (enige) oplossing die verwerende partij steeds naar voor had geschoven, is ten gevolge van dit beslag geen optie meer - in de mate dat dit ooit een verantwoorde optie is geweest. Verwerende partij verklaart op de zitting van 18 maart 2025 hierover dat dit bewarend beslag een vergissing is en dat de betrokken beslagleggende schuldeiser meteen zijn fout zal inzien en het beslag zal lichten zodat alsnog kan overgegaan worden tot verkoop van het stellingmateriaal. Uit de stukken nopens dit beslag, blijkt dat het beslag kadert in een handelsgeschil dat ook betrekking heeft op een eerdere (uit)verkoop van stellingmateriaal. Uit stuk 18 van bundel A van verwerende partij blijkt dat ook op 6 januari 2025 stellingmateriaal door verwerende partij werd verkocht aan een derde. 2.
- Op de zitting van 18 maart 2025 dringen eisende partijen aan en verzoeken elk verder uitstel af te wijzen. Zij wijzen erop dat sinds de dagvaarding tot intrekking van het reorganisatieplan verwerende partij zelfs niet de minste reguliere (af)betaling heeft uitgevoerd. De Rijksdienst voor Sociale Zekerheid wijst tot slot op de steeds oplopende nieuwe schulden. Op de zitting van 18 maart 2025 werd de zaak dan ook in beraad genomen en voor uitspraak gesteld op 8 april
- Mede gelet op de mogelijke ontwikkelingen inzake het bewarend beslag - en de aankondiging dat dit beslag onmiddellijk zou opgelost worden - werd gewezen op de mogelijkheden voorzien in artikel 772 Ger.W. 2.
- De rechtbank oordeelt op basis van de stukken van het dossier. Voor de rechtbank bestaat er niet de minste twijfel dat de vordering van eisende partijen gegrond is. Verwerende partij leeft het reorganisatieplan niet na en laat nieuwe schulden onbetaald. In casu is geen sprake van een loutere, incidentele vertraging in de betaling van de schulden opgenomen in het reorganisatieplan. De niet-naleving van het plan heeft een structurele vorm aangenomen en is ook te plaatsen in een bredere context, zoals het maken van nieuwe schulden en ondergaan van beslagen. De wettelijke voorwaarden tot intrekking zijn voldaan. Aan verwerende partij is meerdere malen – zowel door eisende partijen alsook door de rechtbank - de mogelijkheid geboden om alsnog betalingen uit te voeren. Zij doet dit niet om redenen die haar eigen zijn. De rechtbank stelt vast dat verwerende partij ofwel niet wil betalen, ofwel niet kan betalen. In beide gevallen verantwoordt dit gedrag de intrekking van het reorganisatieplan. Schuldeiser R. heeft op 15 januari 2025 gedagvaard op basis van een achterstal van nauwelijks 3 x 1.834,82 EUR en desalniettemin werd tot op heden geen enkele betaling uitgevoerd. Dit terwijl mag aangenomen worden dat verwerende partij zich ongetwijfeld de ernst van een vordering tot intrekking van een reorganisatieplan realiseert. In het licht van deze volstrekte onmogelijkheid tot betalen, dienen ook de mailberichten gevoegd onder stuk 23 bundel A van verwerende partij betiteld “minnelijke akkoorden schuldeisers” naar relevantie toe sterk te worden genuanceerd. De rechtbank stelt vast dat verwerende partij enkel haar bedrijfsuitrusting wil verkopen, wat zij trouwens ook de voorbije maanden al heeft gedaan. Dit op een ogenblik dat zij nieuwe schulden laat opstapelen. Minstens geeft dit geen vertrouwen. Op welke bedrijfsmatige wijze verwerende partij haar herstel (voor een tweede maal) zou kunnen bewerkstelligen, wordt niet duidelijk gemaakt. Zij blijft hangen in het narratief van uitverkoop van bedrijfsuitrusting. Verwerende partij argumenteert naast de essentie waar zij blijft herhalen dat de huidig financiële problematiek in hoofde van haar onderneming enkel zou gelegen zijn in een louter “gebrek aan boekhoudkundige opvolging” of het “probleem met de vorige CFO”. Een vennootschap die in 2022 een procedure gerechtelijke reorganisatie met het oog op collectief akkoord doorloopt – en die aldus geacht wordt reeds “gereorganiseerd” te zijn – zou niet 2 jaar later opnieuw beroep moeten doen op afgedwongen krediet van haar toenmalige schuldeisers én haar nieuwe schuldeisers. Dat een schuldeiser – goed wetende dat er een procedure tot intrekking van een reorganisatieplan hangende is – de stap zet om bewarend beslag te leggen, is minstens een aanwijzing dat er totaal gebrek aan vertrouwen is in verwerende partij en een goede afloop. Uit de stukken waarop de rechtbank vermag acht te slaan, blijkt trouwens niet dat dit beslag een “vergissing” was en dat dit ondertussen “onmiddellijk” zou zijn geregeld. Meer zelfs, de rechtbank stel vast dat de aankoopsom die de beslagleggende partij normaliter diende te betalen voor aankoop van het stellingmateriaal, werd voldaan middels compensatie voor openstaande facturen voor diensten in onderaanneming. Ook dit gegeven kan bezwaarlijk aanzien worden als een voor het handelsverkeer normale werkwijze en zeker niet in het licht van een ondernemingen in moeilijkheden en eventuele nakende insolventie.
- DE BESLISSING De rechtbank doet recht op tegenspraak en op grond van alle bovenstaande redenen, alle verdere en meer uitgebreide of strijdige conclusies verwerpende als zijnde niet-gegrond of niet ter zake dienend. De rechtbank voegt de zaken gekend onder rolnummers O/25/00137 en O/25/
- En verklaart de vorderingen ontvankelijk en gegrond. Trekt het reorganisatieplan in hoofde van X.NV, met ondernemingsnummer […] in, zoals dit werd gehomologeerd bij […]. Beveelt dat door toedoen van de griffier dit vonnis bij uittreksel bekendgemaakt wordt in het Belgisch Staatsblad. En veroordeelt X.NV tot de kosten van het geding in hoofde van Rijksdienst voor Sociale zekerheid begroot op 386,87 euro dagvaardingskosten en 1.883,72 euro rechtsplegingsvergoeding en in hoofde van R. op 436,87 euro dagvaardingskosten en 1.883,72 euro rechtsplegingsvergoeding. In toepassing van artikel 4, § 2, lid 1 en 3 en artikel 5, § 1 van de wet van 19 maart 2017 tot oprichting van een Begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand wordt X.NV verwezen in de bijdrage van 24,00 EUR aan het Begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand. Wijst het anders- of meergevorderde af als ongegrond. Dit vonnis is gewezen door de Ondernemingsrechtbank Gent, afdeling Gent, derde kamer, samengesteld uit rechter, kamervoorzitter, Vincent Verlaeckt, en de rechters in ondernemingszaken P.V.B. en P.B. en is op de openbare zitting van 8 april 2025 uitgesproken door rechter, kamervoorzitter Vincent Verlaeckt in aanwezigheid van griffier A.V. Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div