id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Ondernemingsrechtbank Gent Vonnis/arrest van 08 april 2025 ECLI nr: ECLI:BE:ORGNT:2025:JUG.20250408.2 Rolnummer: A/19/00174 Rechtsgebied: Insolventierecht - Handelsrecht Invoerdatum: 2025-04-10 Raadplegingen: 656 - laatst gezien 2026-06-19 04:19 Fiche 1 Er bestaat een wezenlijk verschil tussen een vennootschapsrechtelijk (deficitaire) vereffening en een faillissementsvereffening. De vereffenaar is een orgaan van de vennootschap. Ook in geval van een deficitaire vereffening. Uit niets blijkt dat de wetgever bij het institutionaliseren van de deficitaire vereffening aan de figuur van de vereffenaar een andere invulling heeft willen geven, louter omdat de vereffening deficitair is. Dat een vordering van een curator betreffende hetzelfde feitencomplex eventueel tot een ander resultaat zou kunnen leiden, doet niet terzake. De rechtbank dient enkel rekening te houden met de reële situatie en stelt in casu vast dat – ondanks het feit dat bij aanvang van de vereffening geweten was dat deze sowieso deficitair zou zijn en ondanks de zeer uitgesproken standpunten van de vereffenaar nopens bepaalde feiten die zij als foutief kwalificeert – de boeken staande de vereffening van NV.G. niet werden neergelegd en er door de vereffenaar geopteerd werd voor de verderzetting van de aangevatte deficitaire vereffening. Die keuze heeft gevolgen. Elke insolventieafwikkeling heeft immers haar echter eigen set regels en arsenaal in geval van mogelijke onregelmatigheden of fouten in het bestuur. UTU-thesaurus: HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - INSOLVENTIE - Algemeen (insolventie) Vrije woorden: deficitaire vereffening - bestuurdersaansprakelijkheid Fiche 2 Krachtens artikel 1, 1ste lid W.Venn. heeft een vennootschap tot doel een of meer nauwkeurig omschreven activiteiten uit te oefenen en het oogmerk aan de vennoten een rechtstreeks of onrechtstreeks vermogensvoordeel te bezorgen. Die bepaling vormt de grondslag van het beginsel van de wettelijke specialiteit. Dat krachtens die bepaling de bekwaamheid van de vennootschap en de bevoegdheid van haar organen om haar rechtsgeldig te verbinden, beperkt zijn tot de handelingen die de vennoten een dergelijk voordeel bezorgen (Cass. 30 september 2005). In tegenstelling tot wat de vereffenaar voorhoudt, volgt hieruit niet dat bestuurders nooit kwijting zouden kunnen krijgen voor beslissingen die zij hebben genomen tegen dit specialiteitsbeginsel in. Een fout in het bestuur die bestaat uit een handeling of beslissing die indruist tegen het specialiteitsbeginsel kan in beginsel wel in aanmerking komen voor kwijting op voorwaarde dat deze kwijting op geldige wijze bekomen werd overeenkomstig artikel 554 W.Venn. Dat het wettelijk specialiteitsbeginsel neergelegd in artikel 1, 1ste lid W.Venn. naar het oordeel van de vereffenaar van openbare orde zou zijn, doet hieraan geen afbreuk. UTU-thesaurus: HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - VENNOOTSCHAPPEN - Vennootschappen - Algemene beginselen Vrije woorden: kwijting bestuurders tegenstelbaar aan vereffenaar. Geldigheid kwijting bij specialiteitsbeginsel Wettelijke bepalingen: Wetboek van Vennootschappen - 06-08-1999 - 554 - 69 Link Justel databank 19990806-69 Tekst van de beslissing Ondernemingsrechtbank Gent – Afdeling Gent Tweede kamer Partijen in het geding Mr.S […] handelend in haar hoedanigheid van vereffenaar van de NV.G. in vereffening, met zetel […] Eiseres q.q. V.G. […], Eerste verweerder Vertegenwoordigd door mr. L.M. BV.L. [...] Tweede verweerster Vertegenwoordigd door mr. V.P. L.P. […] Derde verweerder Vertegenwoordigd door mr. V.P. S.A.A […] Verweerster in gedwongen tussenkomst en vrijwaring, Vertegenwoordigd door mr. K.H. I. INFORMATIE OVER DE PROCEDURE 1.1. Het geding werd ingeleid met dagvaarding betekend op 30 november 2018. De rechtbank heeft de partijen in openbare terechtzitting van 11 maart 2025 gehoord, waarna de debatten werden gesloten en de zaak in beraad werd genomen. De rechtbank heeft kennis genomen van het rechtsplegingsdossier en de neergelegde stukken. De bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken worden nageleefd. II. FEITEN DIE AANLEIDING GEVEN TOT HET GESCHIL 2.1. Eisende partij is vereffenaar van NV.G. Verweerders waren (vaste vertegenwoordiger van) bestuurder van NV.G. Verweerder in gedwongen tussenkomst en vrijwaring is vermeend verzekeraar bestuurdersaansprakelijkheid van verweerders. 2.2. NV.G. is een dochteronderneming van de NV VDW NV VDW betreft een holding waaronder verschillende vennootschappen ressorteren actief in de bouwsector en vastgoedontwikkeling. Ten gevolge van financiële problemen worden op 17 oktober 2013 voor 8 vennootschappen van de VDW-groep verzoekschriften tot opening van een gerechtelijke reorganisatie met het oog op een collectief akkoord neergelegd. Zo ook voor de NV.G. In de gerechtelijke reorganisatieprocedure voor de NV.G. wordt bij vonnis van 12 maart 2014 van de rechtbank van koophandel Gent een reorganisatieplan gehomologeerd. In het reorganisatieplan worden verschillende voorgenomen transacties en financiële operaties beschreven die staande de lopende homologatieprocedure ook worden uitgevoerd door NV.G. Tegen dit homologatievonnis wordt evenwel hoger beroep aangetekend door een schuldeiser. Bij arrest van 22 december 2014 van het hof van beroep Gent wordt de homologatie teniet gedaan (zie RABG 2016, afl. 6, 422 en JDSC 2016, 19). Het hof oordeelt dat het voorgelegde reorganisatieplan - en de daarin opgenomen transacties en operaties - een miskenning van de wettelijke specialiteit en het vennootschapsbelang van NV.G. inhoudt en om die reden niet kan gehomologeerd worden. Volgens het Hof stelde NV.G. “haar eigen vennootschapsbelang door allerlei ingrepen op een niet-proportionele wijze achter ten voordele van de groep en ten nadele van de schuldeisers zonder dat duidelijk wordt gemaakt welke voordelen [NV.G] uit al deze ingrepen en constructies heeft gehaald.” 2.3. Kort na voormeld tussengekomen arrest waarbij de homologatie wordt geweigerd, beslist de buitengewone algemene vergadering van aandeelhouders op 30 maart 2015 tot ontbinding van de NV.G. en wordt mr. S. aangesteld als vereffenaar over NV.G. in vereffening. In het bijhorende verslag van de dienstdoende bedrijfsrevisor wordt gewezen op een negatief eigen vermogen van –6.020.681,31 EUR en wordt expliciet gesteld dat de vereffening deficitair zal zijn. 2.4. Op 29 oktober 2015 wordt voor de NV.G. in vereffening een algemene vergadering van aandeelhouders gehouden in aanwezigheid van de vereffenaar die wordt aangesteld als secretaris en stemopnemer. Alle aandeelhouders – die samen 100% van de aandelen vertegenwoordigen – zijn aanwezig. Op de agenda staat onder punt 3 “kwijting aan bestuurders”. In de notulen van voormelde vergadering wordt onder “derde beslissing” genoteerd: “Bij afzonderlijke stemming verleent de vergadering kwijting aan alle bestuurders voor hun mandaat uitgeoefend gedurende het behandelde boekjaar. [….] Deze beslissing wordt aangenomen met eenparigheid van stemmen”. Deze notulen van deze vergadering worden voor goedkeuring getekend door o.a. de vereffenaar. 2.5. Op 30 november 2018 gaat de vereffenaar over tot dagvaarding van verweerders teneinde hen hoofdelijk te laten veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding provisioneel begroot op 1,00 EUR. De vereffenaar weerhoudt bestuurdersaansprakelijkheid en viseert hiertoe verschillende transacties tussen 1 december 2013 en 30 januari 2015: - 1 december 2013: Een nettingovereenkomst tussen verschillende vennootschappen van de VDW-groep met betrekking tot de onderlinge rekening-courantposities. Volgens de vereffenaar zou het resultaat van deze nettingovereenkomst zijn dat NV.G. die voorheen een netto-rekening-courant op de andere groepsvennootschappen van 1.692.552 EUR zou gehad hebben ”plots een rekening-courantschuId had ten aanzien van de NV VDW van 4.428.658 EUR”. - 20 december 2013: Verkoop aandelen NV R. voor 1,00 € aan een derde. - 17 januari 2014: Verkoop door NV.G. van een projectgrond "Ambachtenlaan" voor een prijs van 566.595,00 EUR. Volgens de vereffenaar “[kwam] de opbrengst terecht in NV.G., maar de gelden werden gebruikt voor het nakomen van de herstelplannen WCO”. - 13 februari 2014: Verkoop van een stuk industriegrond eigendom van NV P. voor een prijs van 517.é,00 EUR. NV.P. is een dochtervennootschap van NV G.. Volgens de vereffenaar “werden onmiddellijk grote bedragen betaald aan andere vennootschappen van de groep” terwijl de “opbrengsten aan G. toe[kwamen]” - 18 februari 2014: Verkoop van 50% aandelen in NV.R.P door NV.G. aan derden. Het saldo van de prijs zou volgens de vereffenaar ook onmiddellijk terecht gekomen zijn bij VDW (holding) en niet bij NV G. (dochter). - 30 januari 2015: Verkoop van 199 aandelen in BV.P door NV.G. aan derden voor een prijs van 1,00 EUR, waarover de vereffenaar stelt “De koopprijs was 1 EUR, zodat er geen opbrengst toekwam aan de NV G.”. Over deze transacties stelt de vereffenaar o.a.: Aldus staat het vast dat de NV G. reeds begonnen was met het verkopen van haar activa, waarbij zij de opbrengsten niet aanwendde voor het terugbetalen van haar schulden, maar deze werden doorgestort teneinde te dienen voor het groepsbelang. Aangezien een vennootschap echter enkel haar eigen belang dient na te streven en slechts in bepaalde omstandigheden en in proportionele mate de andere vennootschappen van de groep mag bevoordelen. Aangezien dit uitdrukkelijk bevestigd werd in het arrest van het Hof van Beroep te Gent van 22 december 2014. Aangezien het duidelijk is dat de NV G. hierdoor schade heeft geleden, nu deze opbrengsten hadden moeten dienen tot terugbetaling van haar eigen schuldeisers. Zij is bovendien haar activa verloren zonder dat daar iets tegenover staat. Aangezien het duidelijk is dat de miskenning van het vennootschapsbelang een bestuursfout uitmaakt op basis van de art. 527 W.Venn. en volgende 2.6. Op 20 maart 2020 gaat de vereffenaar over tot dagvaarding van de verzekeraar beroepsaansprakelijkheid van het bestuur in gedwongen tussenkomst en vrijwaring. III. DE VORDERINGEN 3.1. In syntheseconclusie vordert de vereffenaar de hoofdelijke veroordeling van verweerders én van verweerder in tussenkomst en vrijwaring tot betaling van “4.000.000,00 EUR provisioneel”. De vereffenaar begroot haar schade provisioneel als volgt: “Het is evident dat de NV G. schade heeft geleden door de genoemde beslissingen: - Verkoop Ambachtenlaan: 117.000 EUR - Verkoop aandelen R.P. 1.042.000 EUR - R. (raming) 3.000.000 EUR - P. 517.é EUR Deze gelden hadden in G. terecht moeten komen, in plaats van ten goede aan de VDW .[…] Concluante qq. heeft op heden nog geen zicht op het totale deficit van de vereffening, nu deze nog lopende is en er nog activa dienen te worden gerealiseerd. Zij begroot haar vordering voorlopig op 4.000.000 EUR.” Verweerders vorderen in hoofdorde dat de zaak naar de rol zou gezonden worden in afwachting van de uitkomst van andere procedure. Ondergeschikt vorderen verweerders de vordering van de vereffenaar onontvankelijk, minstens ongegrondheid te verklaren. Eerste verweerder stelt bovendien een tussenvordering tegen verweerder in tussenkomst en vrijwaring met het oog op dekking in het kader van de verzekeringspolis BA-aansprakelijkheid. IV. DE BEOORDELING IV.A. Vooraf 4.1. Gelet op de inhoud van de pleidooien en conclusies acht de rechtbank het passend voorafgaand aan de beoordeling van de zaak erop te wijzen dat er een wezenlijk verschil bestaat tussen een vennootschapsrechtelijk (deficitaire) vereffening en een faillissementsvereffening. De vereffenaar is een orgaan van de vennootschap. Ook in geval van een deficitaire vereffening. Uit niets blijkt dat de wetgever bij het institutionaliseren van de deficitaire vereffening aan de figuur van de vereffenaar een andere invulling heeft willen geven, louter omdat de vereffening deficitair is. Dat een vordering van een curator betreffende hetzelfde feitencomplex eventueel tot een ander resultaat zou kunnen leiden, doet niet terzake. De rechtbank dient enkel rekening te houden met de reële situatie en stelt in casu vast dat – ondanks het feit dat bij aanvang van de vereffening geweten was dat deze sowieso deficitair zou zijn en ondanks de zeer uitgesproken standpunten van de vereffenaar nopens bepaalde feiten die zij als foutief kwalificeert – de boeken staande de vereffening van NV.G. niet werden neergelegd en er door de vereffenaar geopteerd werd voor de verderzetting van de aangevatte deficitaire vereffening. Die keuze heeft gevolgen. Elke insolventieafwikkeling heeft immers haar echter eigen set regels en arsenaal in geval van mogelijke onregelmatigheden of fouten in het bestuur. IV.B. Rolverzending 4.2. Verweerders verzoeken de zaak onbepaald uit te stellen en naar de rol te zenden in afwachting van een procedure hangende voor het hof van beroep Gent. In die procedure zou één schuldeiser diverse pauliaanse vorderingen stellen met betrekking tot bepaalde transacties binnen NV.G. De rechtbank ziet geen redenen om in te gaan op dit verzoek. Geen van de partijen legt enig stuk voor omtrent die procedure ofschoon zij allen partij zijn. Bovendien kan een mogelijke uitkomst in voormelde beroepsprocedure hoogstens relevant zijn voor de schadebegroting, doch niet voor de principiële beoordeling van de in huidige procedure voorgehouden aansprakelijkheid. IV.C. Wat betreft de kwijting - onontvankelijkheid 4.3. De vereffenaar stelt een vordering in tegen de bestuurders wegens fouten in het bestuur van NV.G. en verwijst naar artikel 528 W.Venn. Verweerders stellen dat zij in hun hoedanigheid van bestuurder kwijting hebben gekregen voor hun bestuur tot en met 31 december 2014. De door de vereffenaar geviseerde fouten – of toch minstens 5 van de 6 vermeende fouten – situeren zich in de boekjaren 2013 en 2014. Als gevolg van de verleende kwijting zou de vennootschapsvordering of de actio mandati voor deze vermeende fouten niet meer gesteld kunnen worden door de vereffenaar. De vordering van de vereffenaar zou derhalve onontvankelijk zijn, aldus verweerders. 4.4. De vereffenaar betwist deze stelling. De vereffenaar erkent dat er geldige kwijting werd verleend, maar stelt dat de verleende kwijting “niet van toepassing is” op de door haar geviseerde fouten: Voor wat betreft de fouten waarvan sprake in deze procedure (boekjaren 2013/2014 en begin 2015) werd er inderdaad kwijting verleend door de aandeelhouders aan de bestuurders. Verweerders verliezen echter uit het oog dat de vordering van concluante qq. gebaseerd is op schendingen van regels van openbare orde, waarvoor geen kwijting kan worden verleend. De kwijting heeft enkel betrekking op de gewone bestuurshandelingen, waarvoor men door de vennootschap zelf als bestuurder aansprakelijk zou kunnen worden gesteld. […] In casu wordt de vordering van concluante qq. gestoeld op de overtredingen van het speciaIiteitsbeginsel dat geldt voor vennootschappen, en dat van openbare orde is. 4.5. De rechtbank oordeelt als volgt: 4.5.1. Het Wetboek Vennootschappen is temporeel van toepassing. De algemene vergadering beslist, na de goedkeuring van de jaarrekening, bij afzonderlijke stemming over de aan de bestuurders te verlenen kwijting. De kwijting werkt ten aanzien van de vennootschap. Zij doet geen afbreuk aan het recht van derden om een vordering in bestuursaansprakelijkheid in te stellen. De vereffenaar is evenwel geen derde, maar een orgaan van de vennootschap. De kwijting is in beginsel aldus tegenstelbaar aan de vereffenaar. 4.5.2. Krachtens artikel 1, 1ste lid W.Venn. heeft een vennootschap tot doel een of meer nauwkeurig omschreven activiteiten uit te oefenen en het oogmerk aan de vennoten een rechtstreeks of onrechtstreeks vermogensvoordeel te bezorgen. Die bepaling vormt de grondslag van het beginsel van de wettelijke specialiteit. Dat krachtens die bepaling de bekwaamheid van de vennootschap en de bevoegdheid van haar organen om haar rechtsgeldig te verbinden, beperkt zijn tot de handelingen die de vennoten een dergelijk voordeel bezorgen (Cass. 30 september 2005). In tegenstelling tot wat de vereffenaar voorhoudt, volgt hieruit niet dat bestuurders nooit kwijting zouden kunnen krijgen voor beslissingen die zij hebben genomen tegen dit specialiteitsbeginsel in. Een fout in het bestuur die bestaat uit een handeling of beslissing die indruist tegen het specialiteitsbeginsel kan in beginsel wel in aanmerking komen voor kwijting op voorwaarde dat deze kwijting op geldige wijze bekomen werd overeenkomstig artikel 554 W.Venn. Dat het wettelijk specialiteitsbeginsel neergelegd in artikel 1, 1ste lid W.Venn. naar het oordeel van de vereffenaar van openbare orde zou zijn, doet hieraan geen afbreuk. De kwijting heeft betrekking op de beslissing of handeling van de bestuurder (intern) en heeft geen betrekking op de door deze beslissing of handeling tot stand gekomen verbintenis of toestand (extern). Een kwijting bevestigt immers niet de aangegane (nietige) verbintenis an sich dewelke mogelijks tegen de openbare orde indruist. De kwijting houdt enkel een afstand van recht in vanwege de vennootschap ten aanzien van de bestuurder(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.