← België

ECLI:BE:ORGNT:2025:JUG.20250408.2

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Ondernemingsrechtbank Gent Vonnis/arrest van 08 april 2025 ECLI nr: ECLI:BE:ORGNT:2025:JUG.20250408.2 Rolnummer: A/19/00174 Rechtsgebied: Insolventierecht - Handelsrecht Invoerdatum: 2025-04-10 Raadplegingen: 656 - laatst gezien 2026-06-19 04:19 Fiche 1 Er bestaat een wezenlijk verschil tussen een vennootschapsrechtelijk (deficitaire) vereffening en een faillissementsvereffening. De vereffenaar is een orgaan van de vennootschap. Ook in geval van een deficitaire vereffening. Uit niets blijkt dat de wetgever bij het institutionaliseren van de deficitaire vereffening aan de figuur van de vereffenaar een andere invulling heeft willen geven, louter omdat de vereffening deficitair is. Dat een vordering van een curator betreffende hetzelfde feitencomplex eventueel tot een ander resultaat zou kunnen leiden, doet niet terzake. De rechtbank dient enkel rekening te houden met de reële situatie en stelt in casu vast dat – ondanks het feit dat bij aanvang van de vereffening geweten was dat deze sowieso deficitair zou zijn en ondanks de zeer uitgesproken standpunten van de vereffenaar nopens bepaalde feiten die zij als foutief kwalificeert – de boeken staande de vereffening van NV.G. niet werden neergelegd en er door de vereffenaar geopteerd werd voor de verderzetting van de aangevatte deficitaire vereffening. Die keuze heeft gevolgen. Elke insolventieafwikkeling heeft immers haar echter eigen set regels en arsenaal in geval van mogelijke onregelmatigheden of fouten in het bestuur. UTU-thesaurus: HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - INSOLVENTIE - Algemeen (insolventie) Vrije woorden: deficitaire vereffening - bestuurdersaansprakelijkheid Fiche 2 Krachtens artikel 1, 1ste lid W.Venn. heeft een vennootschap tot doel een of meer nauwkeurig omschreven activiteiten uit te oefenen en het oogmerk aan de vennoten een rechtstreeks of onrechtstreeks vermogensvoordeel te bezorgen. Die bepaling vormt de grondslag van het beginsel van de wettelijke specialiteit. Dat krachtens die bepaling de bekwaamheid van de vennootschap en de bevoegdheid van haar organen om haar rechtsgeldig te verbinden, beperkt zijn tot de handelingen die de vennoten een dergelijk voordeel bezorgen (Cass. 30 september 2005). In tegenstelling tot wat de vereffenaar voorhoudt, volgt hieruit niet dat bestuurders nooit kwijting zouden kunnen krijgen voor beslissingen die zij hebben genomen tegen dit specialiteitsbeginsel in. Een fout in het bestuur die bestaat uit een handeling of beslissing die indruist tegen het specialiteitsbeginsel kan in beginsel wel in aanmerking komen voor kwijting op voorwaarde dat deze kwijting op geldige wijze bekomen werd overeenkomstig artikel 554 W.Venn. Dat het wettelijk specialiteitsbeginsel neergelegd in artikel 1, 1ste lid W.Venn. naar het oordeel van de vereffenaar van openbare orde zou zijn, doet hieraan geen afbreuk. UTU-thesaurus: HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - VENNOOTSCHAPPEN - Vennootschappen - Algemene beginselen Vrije woorden: kwijting bestuurders tegenstelbaar aan vereffenaar. Geldigheid kwijting bij specialiteitsbeginsel Wettelijke bepalingen: Wetboek van Vennootschappen - 06-08-1999 - 554 - 69 Link Justel databank 19990806-69 Tekst van de beslissing Ondernemingsrechtbank Gent – Afdeling Gent Tweede kamer Partijen in het geding Mr.S […] handelend in haar hoedanigheid van vereffenaar van de NV.G. in vereffening, met zetel […] Eiseres q.q. V.G. […], Eerste verweerder Vertegenwoordigd door mr. L.M. BV.L. [...] Tweede verweerster Vertegenwoordigd door mr. V.P. L.P. […] Derde verweerder Vertegenwoordigd door mr. V.P. S.A.A […] Verweerster in gedwongen tussenkomst en vrijwaring, Vertegenwoordigd door mr. K.H. I. INFORMATIE OVER DE PROCEDURE 1.1. Het geding werd ingeleid met dagvaarding betekend op 30 november 2018. De rechtbank heeft de partijen in openbare terechtzitting van 11 maart 2025 gehoord, waarna de debatten werden gesloten en de zaak in beraad werd genomen. De rechtbank heeft kennis genomen van het rechtsplegingsdossier en de neergelegde stukken. De bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken worden nageleefd. II. FEITEN DIE AANLEIDING GEVEN TOT HET GESCHIL 2.1. Eisende partij is vereffenaar van NV.G. Verweerders waren (vaste vertegenwoordiger van) bestuurder van NV.G. Verweerder in gedwongen tussenkomst en vrijwaring is vermeend verzekeraar bestuurdersaansprakelijkheid van verweerders. 2.2. NV.G. is een dochteronderneming van de NV VDW NV VDW betreft een holding waaronder verschillende vennootschappen ressorteren actief in de bouwsector en vastgoedontwikkeling. Ten gevolge van financiële problemen worden op 17 oktober 2013 voor 8 vennootschappen van de VDW-groep verzoekschriften tot opening van een gerechtelijke reorganisatie met het oog op een collectief akkoord neergelegd. Zo ook voor de NV.G. In de gerechtelijke reorganisatieprocedure voor de NV.G. wordt bij vonnis van 12 maart 2014 van de rechtbank van koophandel Gent een reorganisatieplan gehomologeerd. In het reorganisatieplan worden verschillende voorgenomen transacties en financiële operaties beschreven die staande de lopende homologatieprocedure ook worden uitgevoerd door NV.G. Tegen dit homologatievonnis wordt evenwel hoger beroep aangetekend door een schuldeiser. Bij arrest van 22 december 2014 van het hof van beroep Gent wordt de homologatie teniet gedaan (zie RABG 2016, afl. 6, 422 en JDSC 2016, 19). Het hof oordeelt dat het voorgelegde reorganisatieplan - en de daarin opgenomen transacties en operaties - een miskenning van de wettelijke specialiteit en het vennootschapsbelang van NV.G. inhoudt en om die reden niet kan gehomologeerd worden. Volgens het Hof stelde NV.G. “haar eigen vennootschapsbelang door allerlei ingrepen op een niet-proportionele wijze achter ten voordele van de groep en ten nadele van de schuldeisers zonder dat duidelijk wordt gemaakt welke voordelen [NV.G] uit al deze ingrepen en constructies heeft gehaald.” 2.3. Kort na voormeld tussengekomen arrest waarbij de homologatie wordt geweigerd, beslist de buitengewone algemene vergadering van aandeelhouders op 30 maart 2015 tot ontbinding van de NV.G. en wordt mr. S. aangesteld als vereffenaar over NV.G. in vereffening. In het bijhorende verslag van de dienstdoende bedrijfsrevisor wordt gewezen op een negatief eigen vermogen van –6.020.681,31 EUR en wordt expliciet gesteld dat de vereffening deficitair zal zijn. 2.4. Op 29 oktober 2015 wordt voor de NV.G. in vereffening een algemene vergadering van aandeelhouders gehouden in aanwezigheid van de vereffenaar die wordt aangesteld als secretaris en stemopnemer. Alle aandeelhouders – die samen 100% van de aandelen vertegenwoordigen – zijn aanwezig. Op de agenda staat onder punt 3 “kwijting aan bestuurders”. In de notulen van voormelde vergadering wordt onder “derde beslissing” genoteerd: “Bij afzonderlijke stemming verleent de vergadering kwijting aan alle bestuurders voor hun mandaat uitgeoefend gedurende het behandelde boekjaar. [….] Deze beslissing wordt aangenomen met eenparigheid van stemmen”. Deze notulen van deze vergadering worden voor goedkeuring getekend door o.a. de vereffenaar. 2.5. Op 30 november 2018 gaat de vereffenaar over tot dagvaarding van verweerders teneinde hen hoofdelijk te laten veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding provisioneel begroot op 1,00 EUR. De vereffenaar weerhoudt bestuurdersaansprakelijkheid en viseert hiertoe verschillende transacties tussen 1 december 2013 en 30 januari 2015: - 1 december 2013: Een nettingovereenkomst tussen verschillende vennootschappen van de VDW-groep met betrekking tot de onderlinge rekening-courantposities. Volgens de vereffenaar zou het resultaat van deze nettingovereenkomst zijn dat NV.G. die voorheen een netto-rekening-courant op de andere groepsvennootschappen van 1.692.552 EUR zou gehad hebben ”plots een rekening-courantschuId had ten aanzien van de NV VDW van 4.428.658 EUR”. - 20 december 2013: Verkoop aandelen NV R. voor 1,00 € aan een derde. - 17 januari 2014: Verkoop door NV.G. van een projectgrond "Ambachtenlaan" voor een prijs van 566.595,00 EUR. Volgens de vereffenaar “[kwam] de opbrengst terecht in NV.G., maar de gelden werden gebruikt voor het nakomen van de herstelplannen WCO”. - 13 februari 2014: Verkoop van een stuk industriegrond eigendom van NV P. voor een prijs van 517.é,00 EUR. NV.P. is een dochtervennootschap van NV G.. Volgens de vereffenaar “werden onmiddellijk grote bedragen betaald aan andere vennootschappen van de groep” terwijl de “opbrengsten aan G. toe[kwamen]” - 18 februari 2014: Verkoop van 50% aandelen in NV.R.P door NV.G. aan derden. Het saldo van de prijs zou volgens de vereffenaar ook onmiddellijk terecht gekomen zijn bij VDW (holding) en niet bij NV G. (dochter). - 30 januari 2015: Verkoop van 199 aandelen in BV.P door NV.G. aan derden voor een prijs van 1,00 EUR, waarover de vereffenaar stelt “De koopprijs was 1 EUR, zodat er geen opbrengst toekwam aan de NV G.”. Over deze transacties stelt de vereffenaar o.a.: Aldus staat het vast dat de NV G. reeds begonnen was met het verkopen van haar activa, waarbij zij de opbrengsten niet aanwendde voor het terugbetalen van haar schulden, maar deze werden doorgestort teneinde te dienen voor het groepsbelang. Aangezien een vennootschap echter enkel haar eigen belang dient na te streven en slechts in bepaalde omstandigheden en in proportionele mate de andere vennootschappen van de groep mag bevoordelen. Aangezien dit uitdrukkelijk bevestigd werd in het arrest van het Hof van Beroep te Gent van 22 december 2014. Aangezien het duidelijk is dat de NV G. hierdoor schade heeft geleden, nu deze opbrengsten hadden moeten dienen tot terugbetaling van haar eigen schuldeisers. Zij is bovendien haar activa verloren zonder dat daar iets tegenover staat. Aangezien het duidelijk is dat de miskenning van het vennootschapsbelang een bestuursfout uitmaakt op basis van de art. 527 W.Venn. en volgende 2.6. Op 20 maart 2020 gaat de vereffenaar over tot dagvaarding van de verzekeraar beroepsaansprakelijkheid van het bestuur in gedwongen tussenkomst en vrijwaring. III. DE VORDERINGEN 3.1. In syntheseconclusie vordert de vereffenaar de hoofdelijke veroordeling van verweerders én van verweerder in tussenkomst en vrijwaring tot betaling van “4.000.000,00 EUR provisioneel”. De vereffenaar begroot haar schade provisioneel als volgt: “Het is evident dat de NV G. schade heeft geleden door de genoemde beslissingen: - Verkoop Ambachtenlaan: 117.000 EUR - Verkoop aandelen R.P. 1.042.000 EUR - R. (raming) 3.000.000 EUR - P. 517.é EUR Deze gelden hadden in G. terecht moeten komen, in plaats van ten goede aan de VDW .[…] Concluante qq. heeft op heden nog geen zicht op het totale deficit van de vereffening, nu deze nog lopende is en er nog activa dienen te worden gerealiseerd. Zij begroot haar vordering voorlopig op 4.000.000 EUR.” Verweerders vorderen in hoofdorde dat de zaak naar de rol zou gezonden worden in afwachting van de uitkomst van andere procedure. Ondergeschikt vorderen verweerders de vordering van de vereffenaar onontvankelijk, minstens ongegrondheid te verklaren. Eerste verweerder stelt bovendien een tussenvordering tegen verweerder in tussenkomst en vrijwaring met het oog op dekking in het kader van de verzekeringspolis BA-aansprakelijkheid. IV. DE BEOORDELING IV.A. Vooraf 4.1. Gelet op de inhoud van de pleidooien en conclusies acht de rechtbank het passend voorafgaand aan de beoordeling van de zaak erop te wijzen dat er een wezenlijk verschil bestaat tussen een vennootschapsrechtelijk (deficitaire) vereffening en een faillissementsvereffening. De vereffenaar is een orgaan van de vennootschap. Ook in geval van een deficitaire vereffening. Uit niets blijkt dat de wetgever bij het institutionaliseren van de deficitaire vereffening aan de figuur van de vereffenaar een andere invulling heeft willen geven, louter omdat de vereffening deficitair is. Dat een vordering van een curator betreffende hetzelfde feitencomplex eventueel tot een ander resultaat zou kunnen leiden, doet niet terzake. De rechtbank dient enkel rekening te houden met de reële situatie en stelt in casu vast dat – ondanks het feit dat bij aanvang van de vereffening geweten was dat deze sowieso deficitair zou zijn en ondanks de zeer uitgesproken standpunten van de vereffenaar nopens bepaalde feiten die zij als foutief kwalificeert – de boeken staande de vereffening van NV.G. niet werden neergelegd en er door de vereffenaar geopteerd werd voor de verderzetting van de aangevatte deficitaire vereffening. Die keuze heeft gevolgen. Elke insolventieafwikkeling heeft immers haar echter eigen set regels en arsenaal in geval van mogelijke onregelmatigheden of fouten in het bestuur. IV.B. Rolverzending 4.2. Verweerders verzoeken de zaak onbepaald uit te stellen en naar de rol te zenden in afwachting van een procedure hangende voor het hof van beroep Gent. In die procedure zou één schuldeiser diverse pauliaanse vorderingen stellen met betrekking tot bepaalde transacties binnen NV.G. De rechtbank ziet geen redenen om in te gaan op dit verzoek. Geen van de partijen legt enig stuk voor omtrent die procedure ofschoon zij allen partij zijn. Bovendien kan een mogelijke uitkomst in voormelde beroepsprocedure hoogstens relevant zijn voor de schadebegroting, doch niet voor de principiële beoordeling van de in huidige procedure voorgehouden aansprakelijkheid. IV.C. Wat betreft de kwijting - onontvankelijkheid 4.3. De vereffenaar stelt een vordering in tegen de bestuurders wegens fouten in het bestuur van NV.G. en verwijst naar artikel 528 W.Venn. Verweerders stellen dat zij in hun hoedanigheid van bestuurder kwijting hebben gekregen voor hun bestuur tot en met 31 december 2014. De door de vereffenaar geviseerde fouten – of toch minstens 5 van de 6 vermeende fouten – situeren zich in de boekjaren 2013 en 2014. Als gevolg van de verleende kwijting zou de vennootschapsvordering of de actio mandati voor deze vermeende fouten niet meer gesteld kunnen worden door de vereffenaar. De vordering van de vereffenaar zou derhalve onontvankelijk zijn, aldus verweerders. 4.4. De vereffenaar betwist deze stelling. De vereffenaar erkent dat er geldige kwijting werd verleend, maar stelt dat de verleende kwijting “niet van toepassing is” op de door haar geviseerde fouten: Voor wat betreft de fouten waarvan sprake in deze procedure (boekjaren 2013/2014 en begin 2015) werd er inderdaad kwijting verleend door de aandeelhouders aan de bestuurders. Verweerders verliezen echter uit het oog dat de vordering van concluante qq. gebaseerd is op schendingen van regels van openbare orde, waarvoor geen kwijting kan worden verleend. De kwijting heeft enkel betrekking op de gewone bestuurshandelingen, waarvoor men door de vennootschap zelf als bestuurder aansprakelijk zou kunnen worden gesteld. […] In casu wordt de vordering van concluante qq. gestoeld op de overtredingen van het speciaIiteitsbeginsel dat geldt voor vennootschappen, en dat van openbare orde is. 4.5. De rechtbank oordeelt als volgt: 4.5.1. Het Wetboek Vennootschappen is temporeel van toepassing. De algemene vergadering beslist, na de goedkeuring van de jaarrekening, bij afzonderlijke stemming over de aan de bestuurders te verlenen kwijting. De kwijting werkt ten aanzien van de vennootschap. Zij doet geen afbreuk aan het recht van derden om een vordering in bestuursaansprakelijkheid in te stellen. De vereffenaar is evenwel geen derde, maar een orgaan van de vennootschap. De kwijting is in beginsel aldus tegenstelbaar aan de vereffenaar. 4.5.2. Krachtens artikel 1, 1ste lid W.Venn. heeft een vennootschap tot doel een of meer nauwkeurig omschreven activiteiten uit te oefenen en het oogmerk aan de vennoten een rechtstreeks of onrechtstreeks vermogensvoordeel te bezorgen. Die bepaling vormt de grondslag van het beginsel van de wettelijke specialiteit. Dat krachtens die bepaling de bekwaamheid van de vennootschap en de bevoegdheid van haar organen om haar rechtsgeldig te verbinden, beperkt zijn tot de handelingen die de vennoten een dergelijk voordeel bezorgen (Cass. 30 september 2005). In tegenstelling tot wat de vereffenaar voorhoudt, volgt hieruit niet dat bestuurders nooit kwijting zouden kunnen krijgen voor beslissingen die zij hebben genomen tegen dit specialiteitsbeginsel in. Een fout in het bestuur die bestaat uit een handeling of beslissing die indruist tegen het specialiteitsbeginsel kan in beginsel wel in aanmerking komen voor kwijting op voorwaarde dat deze kwijting op geldige wijze bekomen werd overeenkomstig artikel 554 W.Venn. Dat het wettelijk specialiteitsbeginsel neergelegd in artikel 1, 1ste lid W.Venn. naar het oordeel van de vereffenaar van openbare orde zou zijn, doet hieraan geen afbreuk. De kwijting heeft betrekking op de beslissing of handeling van de bestuurder (intern) en heeft geen betrekking op de door deze beslissing of handeling tot stand gekomen verbintenis of toestand (extern). Een kwijting bevestigt immers niet de aangegane (nietige) verbintenis an sich dewelke mogelijks tegen de openbare orde indruist. De kwijting houdt enkel een afstand van recht in vanwege de vennootschap ten aanzien van de bestuurder(

  1. s)wat betreft diens interne aansprakelijkheid die zou kunnen volgen uit een foutieve beslissing of handeling. Niet elke met het wettelijk specialiteitsbeginsel conflicterende handeling houdt overigens een misdrijf in hoofde van de bestuurder in. De rechtbank merkt op dat de geviseerde handelingen ook niet gepaard gingen met bedrog of verberging. De geviseerde transacties werden aangekondigd in het reorganisatieplan en in de verslaggeving tijdens de periode van opschorting in het kader van de gerechtelijke reorganisatie. De vereffenaar beweert ook niet dat de verleende kwijting “ongeldig” zou (bekomen) zijn. De uitnodiging en de agenda van de vergadering worden niet voorgelegd. De vereffenaar heeft de notulen waarop de kwestieuze kwijting werd verleend voor goedkeuring ondertekend. 4.5.3. De rechtbank gaat dan ook over tot onderzoek van de draagwijdte of dekking van de op 29 oktober 2015 aan verweerders verleende kwijting en stelt vast dat: - In het jaarverslag van het bestuur van 7 oktober 2015 opgesteld met het oog op de algemene vergadering van 29 oktober 2015 wordt een uitgebreide historiek weergegeven van de procedure gerechtelijke reorganisatie en worden intra-groepstransacties besproken. Er wordt onder andere meegedeeld dat de projectvennootschappen systematisch werden verkocht tijdens de gerechtelijke reorganisatie. - In het jaarverslag wordt expliciet verwezen naar het arrest van het hof van beroep Gent van 22 december 2014 waarbij de homologatie van het reorganisatieplan werd vernietigd. In voormeld arrest worden de door de vereffenaar thans geviseerde transacties uiteengezet. - In het jaarverslag wordt verwezen naar de “onderlinge schuldherschikking”, zijnde de geviseerde nettingovereenkomst. - Onder het hoofdstuk “waarderingsregels” in de tot goedkeuring voorgelegde jaarrekening van 31 december 2014 wordt een uitgebreide duiding gegeven omtrent de verschillende transacties en de financiële implicaties ervan. Ook de minwaarden wordt uitgedrukt. Gelet op het bovenstaande kan niet ernstig voorgehouden worden dat de vennootschap en de aanwezige aandeelhouders op de algemene vergadering van 29 oktober 2015 niet volledig kennis zouden hebben gehad van de werkelijke toestand van de vennootschap en van de problematiek van de geviseerde rechtshandelingen die door het hof voor recht werden gekwalificeerd als zijnde indruisend tegen het wettelijk specialiteitsbeginsel. De kwijting werd wel degelijk met kennis van (alle) zaken verleend. Terzijde stelt de rechtbank nog vast dat de vereffenaar – zonder enig voorbehoud – medeopsteller is van voormeld jaarverslag van 7 oktober 2015. Minstens wordt dit zo op dit verslag onderaan weergegeven. Dit betreft een jaarverslag waarin aan de aandeelhouders gevraagd wordt kwijting aan de bestuurders te verlenen voor bepaalde transacties die de vereffenaar nu in huidige procedure bekritiseert. 4.6. Gelet op het voorgaande dringt de vaststelling zich op dat de vennootschap afstand van de vennootschapsvordering heeft gedaan ten aanzien van verweerders wat betreft eventuele fouten begaan in het kader van de transacties inzake P.D., R.P en project Ambachtenlaan. In de mate dat de vordering van de vereffenaar betrekking heeft op de feiten
  2. i)inzake de afgesloten nettingovereenkomst op 1 december 2013,
  3. ii)inzake de verkoop R. op 20 december 2013, iii) inzake P.D. van 13 februari 2014,
  4. iv)inzake R.P. van 18 februari 2014 en
  5. v)inzake project Ambachtenlaan van 17 januari 2014 is de vordering van de vereffenaar aldus onontvankelijk. IV.D. Ten gronde wat betreft de hoofdvordering 4.7. Er bestaat geen discussie tussen partijen dat de geviseerde transactie betreffende de verkoop van de P.-aandelen op 30 januari 2015 sowieso niet gevat is door een kwijting. In de mate dat de vordering van de vereffenaar tegen verweerders aldus betrekking heeft op de overdracht van aandelen in BVBA P. bij overeenkomst van 30 januari 2015, is de vordering wel ontvankelijk. De transactie betreffende de aandelen P. werd niet besproken in voormeld arrest van het hof van beroep Gent van 22 december 2014. In conclusie stelt de vereffenaar over de verkoop van de P.-aandelen enkel “werden de aandelen overgedragen bij overeenkomst 30 januari 2015. De koopprijs was 1 EUR, zodat er geen opbrengst toekwam aan de NV G.”. Uit conclusies kan niet afgeleid worden wat de vereffenaar nu precies als foutief aanmerkt in deze P.-transactie. De vereffenaar houdt nergens voor dat de verkoopprijs van 1,00 EUR niet correct zou geweest zijn. Het is niet aan de rechtbank om zelf mogelijke fouten te detecteren. De vereffenaar faalt in haar bewijslast. De vordering is ongegrond. IV.E. Ten overvloede 4.8. Het is de rechtbank toegelaten te oordelen dat de vorderingen van de vereffenaar onontvankelijk zijn en tegelijkertijd te oordelen dat in de veronderstelling dat de vorderingen wel ontvankelijk zouden geweest zijn, de vorderingen nog steeds ongegrond zouden zijn (vgl. Cass. 28 mei 2020, C.18.0079.N ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200528.1N.1). Zelfs indien de vorderingen van de vereffenaar nopens de vermeende bestuursfouten die dateren van vóór 31 december 2014 wel ontvankelijk zouden geweest zijn en niet gevat door de kwijting, dan nog dient de rechtbank vast te stellen dat op basis van huidig voorgelegde stukken en huidig ontwikkelde argumentatie de gestelde vorderingen van de vereffenaar niet gegrond kunnen verklaard worden. Dat verweerders verwijzen naar de exceptio obscuri libelli is niet geheel zonder reden. Verweerders stellen terecht dat de vereffenaar zich ten aanzien van verweerders niet enkel kan beperken tot het louter verwijzen naar het arrest van het hof van beroep Gent van 22 december 2014 om haar vordering te staven. Samen met verweerders stelt de rechtbank vast dat door de vereffenaar geen enkel intern boekhoudkundig stuk met betrekking tot de (evolutie van
  6. de)financiële situatie van NV.G. wordt voorgelegd doorheen de tijd, behoudens één gepubliceerde jaarrekening van NV.G. zonder enig detail. Gelet op de aard van de voorgehouden fouten mag verwacht worden dat een analyse of minstens een overzicht van alle intra-groepstransacties in 2013-2015 waarbij NV.G. betrokken is, wordt voorgelegd. Een compleet overzicht van geldstromen ligt niet voor hoewel de vereffenaar, zoals bevestigd op zitting, beschikt over de boekhouding. Om aan te tonen dat NV.G. stelselmatig werd benadeeld ten voordele van de groep/holding, mag minstens verwacht worden dat van elke geviseerde transactie een analyse wordt gemaakt met stukken, rekening houdend met alle contractuele en financiële implicaties. Zoals verweerders terecht opmerken, kan de vereffenaar niet enkel rekening houden met uitgaande betalingen zonder de inkomende betalingen na te gaan. Deze discussie had kunnen vermeden worden door een analyse van het bankjournaal voor te leggen en niet louter enkele (niet-opeenvolgende) bankafschriften met enkele individuele uitgaande betalingen op te nemen in het stukkenbundel. De vereffenaar viseert de nettingovereenkomst, doch de door de vereffenaar gemaakte analyse hiervan is niet pertinent. De nettingovereenkomst is in beginsel budgetneutraal. Het is niet correct te stellen dat NV.G. een netto vordering van 1.692.552 EUR had die ”plots” een schuId van 4.428.658 EUR werd door deze nettingovereenkomst. Wel mogelijk is dat de nettingoperatie op zulke (onrechtmatige) wijze werd gestructureerd dat NV.G. onmiddellijk inbare vorderingen op solvabele schuldenaren door compensaties ziet vervangen worden door vorderingen op insolvabele vennootschappen waarvan men weet of behoort te weten dat deze nooit kan terugbetalen of toch niet op korte termijn. Dergelijke analyse ontbreekt echter. Het is mogelijk dat er onrechtmatige kwijtscheldingen zijn gebeurd, doch daarvan wordt geen melding gemaakt. Het is niet aan de rechtbank zelf die analyse te maken op basis van stukken die niet gekend zijn. De uiteenzetting van de vereffenaar over NV.R. overtuigt evenmin. Minstens gaat de vereffenaar voorbij aan het bestaan van pandhouders en de financiële situatie van NV.R. op het ogenblik van de verkoop. Het is bovendien niet duidelijk of de vereffenaar de verkoop van de aandelen aan 1,00 EUR an sich viseert, dan wel of zij een andere voorafgaandelijke ingreep met betrekking tot NV.R. kwalificeert als fout. De vereffenaar stelt verder dat “het reorganisatieplan van de NV.R” niet op een “normale manier” zou zijn opgemaakt, doch legt geen enkel stuk hierover neer. IV.E Wat betreft de vorderingen met betrekking tot S.A.A. 4.9. Verweerder in gedwongen tussenkomst en vrijwaring is, volgens de vereffenaar en verweerders, de BA-verzekeraar beroepsaansprakelijkheid van verweerders. De vereffenaar is op 27 maart 2020 overgegaan tot dagvaarding en stelt een rechtstreekse vordering tegen verweerder in gedwongen tussenkomst en vrijwaring. Eerste verweerder stelt eveneens een autonome tussenvordering tegen verweerder in gedwongen tussenkomst en vrijwaring en vordert deze te veroordelen tot “het verlenen van dekking van enige schade die concluant ingevolge huidige procedure verschuldigd zou zijn”. 4.10. Het belang van de door verweerder in gedwongen tussenkomst en vrijwaring opgeworpen excepties en middelen zijn door de hierboven uiteengezette beoordeling door de rechtbank tot het minimum herleidt. Niettemin is de rechtbank genoodzaakt enkele excepties te beantwoorden: 4.10.1. De rechtbank heeft rechtsmacht om te oordelen over een vordering van een beweerdelijk benadeelde partij door een vermeend schadegeval. Zulke aanspraken worden niet (volledig) gevat door artikel 8.9. van de algemene voorwaarden. Dat die benadeelde van een schadegeval ook een filiaal is van de verzekeringsnemer, doet hieraan geen afbreuk. 4.10.2. De rechtbank is territoriaal bevoegd om kennis te nemen van de rechtstreekse vordering. De maatschappelijke zetel van de verzekeringsnemer is determinerend (art. 628,10° Ger.W.). Dat de verzekeringsnemer ondertussen in vereffening werd gesteld en de polis ondertussen werd beëindigd, doet hieraan geen afbreuk. De rechtbank is territoriaal bevoegd om kennis te nemen van de vordering in tussenkomst en vrijwaring uitgaande van eerste verweerder gezien de rechtbank bevoegd is kennis te nemen van de hoofdvordering. 4.10.3. De rechtstreekse vordering van de vereffenaar tegen verweerder in tussenkomst en vrijwaring is verjaard. De vordering die voortvloeit uit het eigen recht dat de benadeelde tegen de verzekeraar heeft krachtens artikel 150 W.Verz. verjaart na verloop van 5 jaar, te rekenen vanaf het schadeverwekkend feit. In casu viseert de vereffenaar de verkoop van de P.-aandelen op 30 januari 2015 als laatste schadeverwekkend feit. De dagvaarding dateert van 27 maart 2020, wat aldus laattijdig is. De in de polis voorziene clausule “automatische uitloopperiode van 60 maanden” doet hieraan geen afbreuk. Deze clausule verduidelijkt enkel dat schadegevallen kunnen aangemeld worden ook al is de polis beëindigd. Indien de redenering van de vereffenaar met betrekking tot deze clausule zou gevolgd worden, zou de aansprakelijkheid voor een schadeverwekkend feit nooit kunnen verjaren tijdens de duur van de polis. Dit is nooit de bedoeling geweest van partijen. Er worden verder geen gronden van stuiting of schorsing aangedragen. De vordering is verjaard. 4.10.4. Gezien de vorderingen van de vereffenaar lastens verweerders als onontvankelijk en ongegrond werden afgewezen, is de vordering van verweerders tot tussenkomst en vrijwaring (“het verlenen van dekking”) zonder voorwerp geworden ten aanzien van verweerder in tussenkomst en vrijwaring. 4.10.5. Het formuleren van een voorbehoud is geen vordering. IV.F. Kosten van het geding 4.11. De proceskosten vallen in de regel ten laste van de in het ongelijk gestelde partij (artikel 1017, 1e lid Ger.W.). De vereffenaar vordert de solidaire veroordeling van alle

(4)verweerders tot betalen van “4.000.000,00 EUR provisioneel”, hierin begrepen de rechtstreekse vordering tegen de BA-verzekeraar. Deze vorderingen werden afgewezen. De vereffenaar is de in het ongelijk gestelde partij. Hoewel de vordering door de vereffenaar als “provisioneel” wordt omschreven, kan de rechtbank enkel maar vaststellen dat een veroordeling van 4.000.000,00 EUR wordt gevorderd. Het overeenstemmende basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding bedraagt op het ogenblik van de in beraadname 22.500,00 EUR. Het maximumbedrag bedraagt 45.000,00 EUR. Tweede en derde verweerder hebben één en dezelfde raadsman en hebben gezamenlijke conclusies genomen in dezelfde gerechtelijke band (Cass. 8 juni 2021, P.21.0343.N ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210608.2N.9). Wanneer binnen eenzelfde gerechtelijke band meerdere partijen de rechtsplegingsvergoeding ten laste van één of meer in het ongelijk gestelde partijen genieten, bedraagt het bedrag ervan maximum het dubbel van de maximale rechtsplegingsvergoeding waarop de begunstigde die gerechtigd is om de hoogste vergoeding te eisen aanspraak kan maken. Ze wordt door de rechter tussen de partijen verdeeld. De vereffenaar wordt aldus veroordeeld tot de gerechtskosten in hoofde van eerste verweerder begroot op 15.000,00 EUR (rechtsplegingsvergoeding), in hoofde van tweede en derde verweerder samen begroot op 15.000,00 EUR (rechtsplegingsvergoeding) en in hoofde van verweerder in tussenkomst en vrijwaring begroot op 15.000,00 EUR (rechtsplegingsvergoeding). 4.12. Eerste verweerder heeft een autonome vordering gesteld tegen verweerder in tussenkomst en vrijwaring. Deze vordering werd niet toegekend. Op tussenvordering is eerste verweerder aldus de in het ongelijk gestelde partij. Een vordering tot tussenkomst en vrijwaring creëert een nieuwe procesverhouding tussen de eiser in vrijwaring en de verweerder in vrijwaring; de partij die binnen deze procesverhouding in het ongelijk wordt gesteld, dient een rechtsplegingsvergoeding te betalen aan de in het gelijk gestelde partij. Deze rechtsplegingsvergoeding wordt afzonderlijk bepaald op basis van de vordering tot tussenkomst en vrijwaring (Cass. 23 juni 2016, C.2014.0110.N). Het loutere feit dat de vrijwaringsvordering zonder voorwerp is (omdat de hoofdeis als ongegrond wordt afgewezen) en er geen sprake is van een formeel in het ongelijk gestelde partij in de procesverhouding van de eis in vrijwaring, is zonder relevantie. Eerste verweerder wordt aldus veroordeeld tot de gerechtskosten in hoofde van verweerder in tussenkomst en vrijwaring begroot op 22.500,00 EUR (rechtsplegingsvergoeding). V. BESLISSING De rechtbank doet recht op tegenspraak en op grond van alle bovenstaande redenen, alle verdere en meer uitgebreide of strijdige conclusies verwerpende als zijnde niet-gegrond of niet ter zake dienend. De rechtbank beslist rechtsmacht te hebben en bevoegd te zijn tot kennisname van de gestelde vorderingen. 1. Wijst de vordering van mr.S. q.q. in haar hoedanigheid van vereffenaar van de NV.G. in vereffening tegen S.A.A. af als onontvankelijk wegens verjaring. 2. In de mate dat de vordering van mr. S. q.q. in haar hoedanigheid van vereffenaar van de NV.G. in vereffening tegen eerste, tweede en derde verweerder betrekking heeft op de feiten
  1. i)inzake de afgesloten nettingovereenkomst op 1 december 2013
  2. ii)inzake de verkoop NV R. op 20 december 2013 iii) inzake P.D. van 13 februari 2014,
  3. iv)inzake R.P. van 18 februari 2014 en
  4. v)inzake project Ambachtenlaan van 17 januari 2014 wijst de rechtbank de vordering af als onontvankelijk. 3. In de mate dat de vordering van mr. S. q.q. in haar hoedanigheid van vereffenaar van de NV.G. in vereffening tegen eerste, tweede en derde verweerder betrekking heeft op de feiten inzake P.-aandelen wijst de vordering af als ongegrond. 4. Verklaart de vordering van V.G. tegen S.A.A. zonder voorwerp. Veroordeelt mr. S. q.q. in haar hoedanigheid van vereffenaar van de NV.G. in vereffening tot de kosten van het geding in hoofde van eerste verweerder begroot op 15.000,00 EUR (rechtsplegingsvergoeding), in hoofde van tweede en derde verweerder samen begroot op 15.000,00 EUR (rechtsplegingsvergoeding) en in hoofde van verweerder in tussenkomst en vrijwaring begroot op 15.000,00 EUR (rechtsplegingsvergoeding). Veroordeelt eerste verweerder V.G. tot de bijkomende kosten van het geding in hoofde van verweerder in tussenkomst en vrijwaring begroot op 22.500,00 EUR (rechtsplegingsvergoeding inzake tussenvordering). Veroordeelt mr. S. q.q. in haar hoedanigheid van vereffenaar van de NV.G. in vereffening tot betaling van het rolrecht begroot op 165 EUR aan de Belgische Staat (FOD Financiën) die instaat voor de inning. In toepassing van artikel 4, § 2, lid 1 en 3 en artikel 5, § 1 van de wet van 19 maart 2017 tot oprichting van een Begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand wordt mr. S. q.q. in haar hoedanigheid van vereffenaar van de NV.G. verwezen in de bijdrage van 24,00 EUR aan het Begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand. Wijst het anders- of meergevorderde af als ongegrond. ***** Gewezen op tegenspraak door de Tweede Kamer van de Ondernemingsrechtbank van Gent – Afdeling Gent, samengesteld uit: V. Verlaeckt, rechter en voorzitter van de kamer, P.B. en W.L., rechters in ondernemingszaken, en uitgesproken door de voorzitter van de kamer in openbare terechtzitting op 8 april 2025 in aanwezigheid van A.V., griffier. Gerelateerde publicatie(
  5. s)citeert: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200528.1N.1 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210608.2N.9 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.