id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Ondernemingsrechtbank Gent Vonnis/arrest van 09 april 2025 ECLI nr: ECLI:BE:ORGNT:2025:JUG.20250409.1 Rolnummer: F237/2014 Rechtsgebied: Insolventierecht Invoerdatum: 2025-04-10 Raadplegingen: 233 - laatst gezien 2026-06-18 11:14 Fiche Een teruggave van btw ten gevolge btw-aangifte ingediend door de curator voor handelingen gesteld door de curator in het kader van het faillissementsbewind, maakt geen deel uit van de basis tot berekening van het ereloon van de curator overeenkomstig artikel 6 van het Koninklijk Besluit van 26 april 2018. Dit betreft een terugbetaling van kosten en geen gerealiseerd actief. UTU-thesaurus: HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - INSOLVENTIE - Faillissement Vrije woorden: ereloon curator - berekeningsbasis Wettelijke bepalingen: Wetboek van economisch recht - 28-02-2013 - XX.20 - 19 ELI link Pub nr 2013A11134 Tekst van de beslissing De tweede kamer van de ondernemingsrechtbank Gent – afdeling Gent heeft het volgend vonnis verleend in het faillissement van: A.I.C. BV, met maatschappelijke zetel te […] werd in staat van faillissement verklaard bij vonnis van deze rechtbank van 20 juni 2014, waarbij mr. J.G. […], werd aangewezen als curator. 1. DE RECHTSPLEGING Het faillissementsdossier werd ingezien, in het bijzonder het schriftelijk positief advies van de rechter-commissaris, de heer P.B., dd. 22 januari 2025 over de begroting van de staat van ereloon en kosten van de curator. De artikelen 2 en 30 tot en met 41 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken en de bepalingen van de faillissementswet werden nageleefd. 2. HET VERZOEK Bij verzoekschrift neergelegd in het register op 22 januari 2025 verzoekt de curator om het ereloon en de kosten te begroten. 3. DE BEOORDELING 3.1. De curator verzoekt de rechtbank te begroten als volgt: - Ereloon van de curator ten belope van 2.910,36 euro - Aanrekenbare kosten ten belope van 8.558,32 euro - Nog aanrekenbare sluitingskosten ten belope van 10,26 euro De curator weerhoudt een berekeningsbasis van 9.701,21 euro aan gerealiseerd actief met het oog op de begroting van haar gewoon ereloon. In deze 9.701,21 euro zit een bedrag vervat ten belope van 36,00 euro ontvangen op de faillissementsrekening, gestort door de btw-administratie. Dit betreft teruggave van btw ten gevolge btw-aangifte ingediend door de curator voor handelingen gesteld door de curator in het kader van het faillissementsbewind. Naar het oordeel van de curator komen deze ontvangen btw-teruggaven in aanmerking voor de basis van gerealiseerd actief tot berekening van het ereloon van de curator. De rechtbank onderzoekt hieronder of zulke btw-teruggaven te aanzien zijn als gerealiseerd actief dat dient opgenomen in de basis voor de berekening van ereloon. 3.2. Overeenkomstig artikel XX.20, § 3 WER worden de kosten en erelonen van de curatoren vastgesteld in verhouding tot het belang en de complexiteit van hun opdracht, in de vorm van een proportionele vergoeding op de gerealiseerde activa en desgevallend rekening houdend met de tijd nodig voor de vervulling van hun prestaties. Overeenkomstig artikel 5 van het Koninklijk Besluit van 26 april 2018 vormt het ereloon van de curator de vergoeding enerzijds voor
- i)de prestaties die de curator gewoonlijk verricht in het kader van een normale vereffening van de failliete boedel, zoals […], realisatie en vereffening van de activa, de rechtsgeschillen of andere rechtsvorderingen, hetzij als eiser, hetzij als verweerder, teneinde niet gegronde of overdreven schuldvorderingen te voorkomen, opsporing en inning van schuldvorderingen, […] en anderzijds voor
- ii)de administratieve kosten die rechtstreeks verband houden met de afwikkeling van het faillissement met inbegrip van de kosten verbonden aan de werking van het personeel en de boekhouding van de curator. Overeenkomstig artikel 6, § 1 van voormeld KB wordt het proportionele ereloon per schijf berekend op alle bedragen die naar aanleiding van het faillissement aan de boedel te beurt vallen, daaronder begrepen de bedragen die de curator heeft geïnd en de bedragen die de vereffende activa na het faillissement hebben opgebracht. 3.3. De rechtbank benadrukt vooreerst dat een onderscheid dient gemaakt te worden tussen de gefailleerde enerzijds en de failliete boedel anderzijds. Ofschoon artikel 53 undecies btw wetboek bepaalt dat, wanneer een belastingplichtige failliet wordt verklaard, de curator alle verplichtingen en rechten van die belastingplichtige uit hoofde van het btw-wetboek overneemt, wordt inzake btw het onderscheid gemaakt tussen de btw-afrekening in hoofde van gefailleerde en de btw-afrekening in hoofde van de failliete boedel voor de duur van de vereffening. De curator zal voor de failliete boedel een eigen btw-boekhouding moeten voeren op basis van de door de curator gestelde inkomende en uitgaande btw-handelingen. De curator zal hiervoor afzonderlijke aangiften indienen. Dit alles onafhankelijk van de btw-verplichtingen van de gefailleerde zelf. Bij de opening van het faillissement en wanneer aldus het vermogen buiten het bezit wordt gesteld, start de btw-afrekening voor de failliete boedel op nul. Zo zullen fiscale schulden van de gefailleerde niet kunnen gecompenseerd worden met eventuele latere btw-tegoeden in hoofde van de failliete boedel (Cass. 24 juni 2010 F.09.0085.N/4). 3.4. De btw-teruggaven waarover de rechtbank in casu moet oordelen zijn te onderscheiden van een btw-teruggave van de gefailleerde volgend uit inkomende en uitgaande btw-handelingen van de gefailleerde zelf. Een eventueel btw-tegoed in hoofde van de gefailleerde kan in bepaalde gevallen als gerealiseerd actief aanzien worden in de mate dat dit btw-tegoed daadwerkelijk aan de failliete boedel te beurt valt (zie discussie omtrent zulk btw-tegoed en de compensatie in gevolge artikel 334, § 1 van de Programmawet van 27 december 2004). De btw-teruggaven waarover de rechtbank in casu moet oordelen zijn eveneens te onderscheiden van de door de curator eventueel ontvangen btw bij realisatie van roerende goederen binnen het faillissementsbewind. De btw verschuldigd op verkopen door de curator maakt volgens een meerderheidsstelling - hoewel niet evident - wel deel uit van de berekeningsbasis voor het gewoon ereloon (zie verslag aan de Koning bij het Koninklijk Besluit 26 april 2018). De consequentie hiervan is dat ook de btw verschuldigd op kosten gemaakt door de curator en door hem betaald aan de betrokken dienstverlener, als boedelkost dient aanzien te worden en ook zo in de taxatie dient opgenomen te worden. In het voormelde verslag aan de Koning wordt deze btw op de kosten zelf ook omschreven als “kost”. Zie ‘waarin de kosten zoals de btw, veilings- of deurwaarderskosten zijn inbegrepen’. 3.5. In wezen is het ontvangen bedrag op 09 mei 2023 (36 euro) vanwege FOD Financiën een terugbetaling van een teveel aan voorgeschoten kosten door de failliete boedel. Wanneer door de failliete boedel voorgeschoten kosten worden terugbetaald aan de failliete boedel dan betreft dit geen realisatie van actief, maar wel een terugbetaling van kosten. De opgegeven kosten verminderen aldus gezien de terugbetaling. Dat deze terugbetaling gebeurt door de btw-administratie en niet door de dienstverlener aan wie de btw initieel werd betaald door de curator, doet aan het bovenstaande geen afbreuk. De betrokken dienstverlener heeft immers de door de curator betaalde btw op diens aankopen, doorgestort aan de btw administratie (of verrekend in kader van eigen btw-aangifte). Het is net omwille van die doorstorting (of verrekening) dat de btw-administratie thans deze terugbetaling kan doen aan de failliete boedel. De btw maakt weliswaar een omweg, doch het blijft een terugbetaling. Zulke terugbetaling valt niet ‘te beurt aan de boedel’. Deze neutraliseert enkel in hoofde van de failliete boedel hetgeen teveel werd betaald door diezelfde boedel. 3.6. Toelaten dat terugbetalingen van btw in het kader van de handelingen gesteld door de curator aangemerkt worden als gerealiseerd actief, is vooreerst onwettig maar zou ook leiden tot situaties waarin elke logica zoek is. 3.6.1. Dit zou betekenen dat in een faillissementsvereffening van meerdere jaren er een verschillende berekeningsbasis tot stand kan komen, louter op basis van het tijdstip van de gemaakte kost en tijdstip van de realisatie. Als de curator voor zijn/haar eigen handelingen in het jaar X een btw-tegoed van 5 heeft en in het jaar X+1 daarentegen btw ten belope van 6 moet doorstorten, dan zal de curator - in de (verkeerde) visie van verzoekster - de berekeningsbasis voor haar gewoon ereloon (onterecht) zien verhogen met + 5 en de kosten met + 6. Terwijl een curator die de volledige vereffening van datzelfde faillissement doet in slechts één jaar en dus slechts één samenvattende btw-aangifte indient – met exact dezelfde realisaties van actief en exact dezelfde gemaakte kosten – zal de berekeningsbasis voor haar ereloon niet verhoogd zien en de kosten zullen slechts + 1 bedragen. De ene curator zou dan een hoger ereloon verdienen, dan de andere. In de wet wordt echter (evident) geen enkel aanknopingspunt teruggevonden die een verschil in ereloonbegroting in voormelde voorbeelden zou verantwoorden. In beide voorbeelden is er immers evenveel actief ‘te beurt gevallen aan de boedel’. Voor de berekening van ereloon mag het niet uitmaken wanneer de realisatie gebeurt of wanneer de kost gemaakt wordt, zo lang dit maar gebeurt in de globale periode waarin het buiten bezit gesteld vermogen onder bewind staat van de curator. Om na te gaan of een bepaalde transactie ‘te beurt valt aan de boedel’ dient de globale vereffeningsperiode in overweging te worden genomen. Het gerealiseerd actief wordt niet beoordeeld per aangiftetermijn inzake btw voor curatoren. 3.6.2. In essentie zijn de feiten in casu niet anders dan het geval waar een curator een verzekeringspremie voor een brandverzekering betaalt ter verzekering van een actiefbestanddeel. Wanneer het actiefbestanddeel verkocht wordt tijdens de lopende verzekeringsperiode, zal in beginsel het niet-verbruikte (pro rata) deel van de betaalde premie terugbetaald worden aan de failliete boedel. Evident zal ook die betaling niet aanzien worden als een realisatie, doch wel als terugbetaling. Het enige verschil is dat in dat geval de terugbetaling gebeurt door de initiële ontvanger van de betaling en in huidige zaak de terugbetaling gebeurt door de btw administratie die dit saldo heeft doorgestort gekregen van de initiële ontvanger. Vanuit het oogpunt van de failliete boedel maakt dit echter geen verschil uit. 3.6.3. Er kan ook verwezen worden naar de terugbetaling door de notaris van de door de curator gemaakte kosten met het oog op realisatie van een onroerend goed (bv. kosten schatting, brandverzekering, pro rata onroerende voorheffing van het jaar volgens op het jaar van faillietverklaring, …). Zulke betaling door de notaris op de faillissementsrekening betreft ook een loutere terugbetaling uit de onroerende rangregeling van de vooraf te nemen kosten die de failliete boedel heeft voorgeschoten. Ook dit is geen realisatie van actief, doch wel een neutralisatie van de voorgeschoten kosten. En ook in dat geval wordt de terugbetaling aan de curator niet uitgevoerd door de initiële ontvanger van de betaling door de curator, waaruit blijkt dat vanuit het oogpunt van de failliete boedel het geen relevant criterium is te weten wie de terugbetaling heeft uitgevoerd. 3.7. Het argument dat de curator prestaties (en dus inspanningen) moet leveren om de btw-terugbetaling te formaliseren (zoals het indienen van een btw-aangifte in Intervat), overtuigt niet. Niet alles wat behoort tot de wettelijke taak van een curator, voegt noodzakelijk iets toe aan de berekeningsbasis voor het ereloon. Dat een curator correcte jaarlijkse btw-aangiften indient om eventueel door de curator zelf teveel betaalde btw te recupereren is niet meer dan een uiting van zorgvuldig beheer en niet van realisatie van actief. 3.8. Een verwijzing naar een vademecum, acht de rechtbank niet dienstig. Vooreerst wordt in datzelfde vademecum gesteld ‘Deze tekst geldt als leidraad en kan op geen enkel ogenblik en op geen enkele wijze afbreuk doen aan de onafhankelijkheid van de rechter zoals vastgelegd in artikel 151 GW’. De rechtbank baseert zich op de wet. Verder is het ook in het vademecum nooit de bedoeling geweest om loutere terugbetalingen – van al hetgeen door de failliete boedel teveel werd betaald of werd voorgeschoten – te aanzien als gerealiseerd actief. Ook niet als dit btw is. 3.9. Het bedrag van 36,00 euro wordt geweerd uit de berekeningsbasis en in mindering genomen van de opgegeven kosten. 3.10. Sluitingskosten dienen niet te worden begroot nu het faillissement zal moeten worden afgesloten wegens ontoereikend actief. Aldus kan de staat van kosten en erelonen begroot worden zoals hierna bepaald. 4. DE BESLISSING Op die gronden, de tweede kamer van de ondernemingsrechtbank Gent – afdeling Gent, rechtdoende op verzoekschrift : - Begroot het ereloon van de curator op 2.899,56 euro (exclusief BTW). - Begroot de aanrekenbare kosten op 8.522,32 euro. - Zegt dat de curator het beschikbaar actief dient aan te wenden tot betaling van voormelde kosten en erelonen. - Legt conform art. 9 van het KB van 26 april 2018 een bedrag van 1.276,29 euro (exclusief BTW) ten laste van de Belgische Staat. - Verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad. Dit vonnis is gewezen door de Ondernemingsrechtbank Gent, afdeling Gent, tweede kamer, samengesteld uit rechter en voorzitter van de tweede kamer, Vincent Verlaeckt, en de rechters in ondernemingszaken F.B. en P.D. en is op de buitengewone openbare zitting van 09 april 2025 uitgesproken door rechter en voorzitter van de tweede kamer, Vincent Verlaeckt in aanwezigheid van griffier A.D. Gerelateerde publicatie(
- s)geciteerd door: ECLI:BE:ORGNT:2025:JUG.20250611.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div