← België

ECLI:BE:ORGNT:2025:JUG.20250506.2

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Ondernemingsrechtbank Gent Vonnis/arrest van 06 mei 2025 ECLI nr: ECLI:BE:ORGNT:2025:JUG.20250506.2 Rolnummer: O/24/00736 Rechtsgebied: Insolventierecht Invoerdatum: 2025-05-21 Raadplegingen: 387 - laatst gezien 2026-06-18 17:02 Fiche 1 Uit de stukken van het dossier blijkt in essentie dat verweerder na de mislukte doorstart in november 2020, het bestuur van de vennootschap volstrekt heeft verwaarloosd en de vennootschap aan haar lot heeft overgelaten. Onder het bestuur van verweerder heeft de BV AA geen enkele fiscale aangifte vennootschapsbelasting ingediend, geen enkele jaarrekening neergelegd, sinds 2021 geen BTW-aangiftes ingediend en het passief nodeloos laten oplopen. Dit gedurende meer dan 3 jaren, tot het Openbaar Ministerie zich genoodzaakt zag over te gaan tot dagvaarding in faillietverklaring van BV AA. Een correcte, sluitende en bijgewerkte boekhouding kon aan de curator ook niet overhandigd worden. Voormelde vaststellingen betreffen fouten in het bestuur die gevat worden door verschillende aansprakelijkheidsgronden, waaronder artikel XX.227 WER. UTU-thesaurus: HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - INSOLVENTIE Vrije woorden: Voorwaarden XX.227 WER Wettelijke bepalingen: Wetboek van economisch recht - 28-02-2013 - XX.227 - 19 ELI link Pub nr 2013A11134 Fiche 2 De rechtbank erkent dat het inderdaad de taak van een bestuurder is om bij een tegenslag of een mislukte investering, te onderzoeken of alternatieve activiteiten en inkomsten voor de vennootschap mogelijk zijn. Echter, geen enkele zoektocht of noodzakelijke heroriëntatie verantwoordt dat ondertussen fiscale, sociale en boekhoudkundige verplichtingen volstrekt worden genegeerd door de bestuurder van de vennootschap. Bovendien wijst de rechtbank erop dat een blijvende “zoektocht” naar nieuwe activiteiten - tegen beter weten in - op zich ook een verderzetting van een kennelijk reddeloos verloren onderneming kan zijn, ook al wordt er geen daadwerkelijke activiteit uitgeoefend. UTU-thesaurus: HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - INSOLVENTIE Vrije woorden: XX.227 WER voorwaarden Wettelijke bepalingen: Wetboek van economisch recht - 28-02-1013 - xx.227 - 19 Link Justel databank 10130228-19 Fiche 3 De rechtbank verduidelijkt dat in zijn visie ook schadevergoedingen die toegekend worden wegens het niet neerleggen van de jaarrekening of het niet volgen van de alarmbelprocedure - afhankelijk van de concrete casus - evenredig kunnen worden verdeeld over alle schuldeisers zonder inachtneming van de wettige redenen van voorrang. Net zoals dit mogelijk is voor schadevergoedingen bekomen met toepassing van artikel 1382 (oud) BW of artikel 6.

  1. BW. De enige relevante vraag is immers of de schade waarvoor een vergoeding wordt toegekend, bestaat uit een vermeerdering van passief, dan wel bestaat uit een vermindering van actief. De rechtsgrond op basis van dewelke een schadevergoeding wegens vermeerdering van passief wordt toegekend, kan hierin niet determinerend zijn als coherentie in uitdelingen wil behouden blijven. Te meer daar de rechtbank te allen tijde kan overgaan tot het ambtshalve aanvullen van rechtsgronden en meerdere rechtsgronden inzake bestuurdersaansprakelijkheid van toepassing kunnen zijn op hetzelfde feitencomplex. Anders redeneren zou betekenen dat de rangregeling zou beïnvloed worden door het loutere feit dat de rechtbank in zijn vonnis eerst de rechtsgrond XX.227 WER en vervolgens pas de rechtsgrond 2:56 WVV juncto 3:10, 3de lid WVV behandelt. Terwijl in beide gevallen de schade nu eenmaal bestaat uit het foutief nodeloos laten oplopen van schulden, zijnde “een vermeerdering van passief”. In wezen zijn de artikelen XX.225 WER, XX.227 WER en 2:56 WVV juncto 3:10,3de lid WVV en 5:153, §3 WVV allen gemodaliseerde uitwerkingen van één en dezelfde zorgplicht, die in een bepaalde visie misschien wel overbodig zijn mits het aanvaarden van een dynamische en realistische invulling van het causaliteitsbegrip bij bestuurdersaansprakelijkheid in het kader van insolventie. UTU-thesaurus: HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - INSOLVENTIE Vrije woorden: Verdeling opbrengst aansprakelijkheid. Wettige reden van voorrang. Pondspondsgewijze verdeling. Wettelijke bepalingen: Wetboek van vennootschappen en verenigingen 23 maart 2019 - 23-03-2019 - 3:10 - 09 ELI link Pub nr 2019A40586 Fiche 4 De rechtbank volgt verweerder waar deze meermaals benadrukt dat de beoordeling van de overlevingskansen ex ante dient te gebeuren en niet a posteriori. Dit principe geldt evenwel ook voor de argumentatie van verweerder. Verweerder kan in huidige procedure thans niet alle mogelijke activiteiten die hij had kunnen starten, of herstelmaatregelen die hij had kunnen nemen, of acties die hij had kunnen ondernemen, inroepen te zijner verdediging. Dit om reden dat hij deze pogingen of acties in realiteit nu eenmaal niet heeft ondernomen. Hij heeft stilgezeten en lijdzaam aanzien hoe het passief opliep. De onverbloemde realiteit is dat verweerder na november 2020, in zijn hoedanigheid van bestuurder van BV AA gewoonweg niets heeft gedaan en de vennootschap stuurloos en doelloos heeft laten verder dobberen. De aard en samenstelling van het passief toont dit genoegzaam aan. UTU-thesaurus: HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - INSOLVENTIE Vrije woorden: XX.227 WER verlieslatende verderzetting Wettelijke bepalingen: Wetboek van economisch recht - 28-02-2013 - xx.227 - 19 ELI link Pub nr 2013A11134 Tekst van de beslissing Ondernemingsrechtbank Gent – Afdeling Gent, Tweede kamer De rechtbank heeft volgend vonnis verleend in de zaak van O/24/00736 **************** Partijen in het geding Mr. VSK […], in zijn hoedanigheid van curator van het faillissement van BV AA […] Eiser q.q. en P.T. […] Verweerder Hebbende als raadsman: Mr. R.P. I. INFORMATIE OVER DE PROCEDURE Het geding werd ingeleid met dagvaarding betekend op 16 augustus
  2. Bij beschikking van 10 september 2024 heeft de rechtbank, in overeenstemming met artikel 747 § 1 Ger.W., de conclusietermijnen tussen partijen afgesproken bekrachtigd en heeft zij de rechtsdag bepaald. De rechtbank heeft de partijen in openbare terechtzitting van 8 april 2025 gehoord, waarna de debatten werden gesloten en de zaak in beraad werd genomen. De rechtbank heeft kennis genomen van het rechtsplegingsdossier en de neergelegde stukken. De bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken worden nageleefd. II. SAMENVATTING VAN DE RELEVANTE FEITEN 2.
  3. Verweerder is eigenaar en bestuurder van de BV DBF In augustus 2020 neemt verweerder alle aandelen van de BV S. over waarvan hij op 6 augustus 2020 enige bestuurder wordt. Na de overname wordt de maatschappelijke naam van voormelde vennootschap gewijzigd naar BV AA. In conclusie zet verweerder uiteen dat het zijn bedoeling was om met deze overgenomen vennootschap het cliënteel van de BV DBF over te nemen. De BV DBF torste immers een beduidende schuldenlast die zij niet kon voldoen. De voorgenomen overdracht van cliënteel zou tegen betaling gebeuren. De overnemende vennootschap BV AA zou pogen een krediet voor de overnamesom te verkrijgen bij derden. Met de te ontvangen overnamesom zou BV DBF dan in de mogelijkheid geweest zijn haar schuldenlast af te bouwen. 2.
  4. Verweerder slaagt echter niet in zijn opzet: - De BV AA kan geen krediet bekomen en het cliënteel van BV DBF wordt niet overgenomen. - Op 3 november 2020 wordt BV DBF failliet verklaard op dagvaarding van de Belgisch Staat, vertegenwoordigd door de minister van Financiën. - Na faillietverklaring van BV DBF onderneemt verweerder via BV AA een poging tot doorstart. - Verweerder brengt middels de BV AA bij de curator een bod uit tot overname van het cliënteel. - Het bod wordt van BV AA wordt evenwel niet aanvaard door de curator. Het handelsfonds van de BV DBF wordt verkocht aan een derde partij. - Verweerder en de BV AA blijven achter met lege handen. 2.
  5. Na de mislukte overnamepoging of doorstart door BV AA in november 2020, heeft verweerder – volgens zijn eigen verklaring - “naar oplossingen gezocht om met de vennootschap AA alsnog enige inkomsten te verwerven […], maar die inspanningen bleven vruchteloos”. Later schrijft de raadsman van verweerder in een brief van 31 mei 2024 hierover: “sinds de overdracht van aandelen in augustus 2020 is er eigenlijk nooit enige activiteit geweest […]. Enkel het feit dat de curator over het faillissement van BV DBF het cliënteel van het boekhoudkantoor verkocht heeft aan iemand anders dan BV AA is de reden dat er uiteindelijk nooit enige activiteit en dus ook nooit enige inkomsten zijn gekomen op BV AA” (zie stuk 6 eiser q.q.). 2.
  6. Op 3 oktober 2023 wordt ook BV AA op dagvaarding van het Openbaar Ministerie failliet verklaard bij vonnis van de ondernemingsrechtbank Gent, afdeling Gent. Mr. VSK wordt aangesteld als curator, zijnde thans eiser q.q. 2.
  7. Eiser q.q. is van oordeel dat er sprake is van bestuurdersaansprakelijkheid in hoofde van verweerder in zijn hoedanigheid van enige bestuurder van BV AA Eiser q.q. verwijst o.a. naar het onnodig laten oplopen van passief, laattijdige aangifte van staking van betaling en het verwaarlozen van fiscale en boekhoudkundige verplichtingen. Eiser q.q. stelt ook vast dat BV AA geen jaarrekening heeft neergelegd voor de boekjaren 2020, 2021 en
  8. Verweerder betwist de aanspraken van eiser q.q. 2.
  9. Partijen komen niet tot een minnelijke regeling. Eiser q.q. gaat op 16 augustus 2024 over tot dagvaarding van verweerder ten einde deze te laten veroordelen tot het betalen van een 76.194,54 EUR provisioneel, zijnde het gekende passief van het faillissement. 2.
  10. Volgens het derde proces-verbaal van verificatie is het passief van BV AA samengesteld uit: Rijksdienst voor Sociale Zekerheid 1.663,44 EUR FOD Financiën 45.205,87 EUR Securex Integrity 15.445,16 EUR Comm[….] 8.239,48 EUR [….] 6.191,11 EUR Acerta Soc. Verz. 1.119,10 EUR De schuld ten aanzien van de FOD Financiën bestaat o.a. uit onbetaalde aanslagen vennootschapsbelasting ten belope van de hoofdsommen 10.675,00 EUR

(2021)en 13.643,98 EUR
(2022), beiden volgend uit een aanslag van ambtswege wegens niet indiening van fiscale aangiftes. Ook resten er onbetaalde boetes inzake BTW ten belope van 13.238,53 EUR wegens het niet indienen van aangiftes. De schuld ten aanzien van Securex Integrity bestaat uit 12 onbetaalde kwartalen aan persoonlijke sociale bijdragen in hoofde van verweerder waartoe de vennootschap hoofdelijk aansprakelijk is overeenkomstig artikel 15, § 1 K.B. nr. 38 van 27 juli
  1. De schuld ten aanzien van Acerta bestaat uit onbetaalde vennootschapsbijdragen voor 2021 en
  2. III. DE VORDERINGEN 3.
  3. Eiser q.q. vordert in zijn laatste conclusie, neergelegd op 8 januari 2025: “De vordering van eiser q.q. ontvankelijk en gegrond te verklaren. Verweerder te veroordelen tot het betalen aan eiser q.q. / de failliete boedel BV AA van de provisionele som van 76.194,54 euro, te vermeerderen met de wettelijke interesten vanaf de aanmaning van 2.5.2024 en de gerechtelijke rente vanaf dagvaarding tot de dag der volledige betaling. Verweerder ook te veroordelen tot de kosten van het geding. 3.
  4. Verweerder vordert in zijn laatste conclusies neergelegd op 17 februari 2025: - De vorderingen van eiser qq als ongegrond af te wijzen - Eiser qq. te verwijzen in de kosten van het geding, met inbegrip van de wettelijke en geïndexeerde RPV (4.500 euro) IV. DE BEOORDELING Ontvankelijkheid 4.
  5. De ontvankelijkheid van de vordering wordt niet betwist. De rechtbank ziet geen ambtshalve op te werpen middelen van onontvankelijkheid. De vordering is ontvankelijk. De grond van de zaak 4.
  6. Eiser q.q. vordert de veroordeling van verweerder tot betaling van een provisionele som van 76.194,54 EUR, zijnde het gekende passief van het faillissement van BV AA. Eiser q.q. steunt zijn vordering, samengevat, op vier gronden: - Verderzetting van een kennelijk reddeloos verloren onderneming (Wrongful trading - artikel XX.227 WER). - Het niet-neerleggen van de jaarrekeningen (artikelen 3:1 en 3:10 WVV). - Verschillende inbreuken op het WVV en overtredingen van de statuten (onder meer de artikelen 2:51, 2:56, 3:1 en 3:10 WVV en artikelen 3 en 21 van statuten BV AA). - De algemene zorgvuldigheidsverplichting (artikel 1382 Oud BW). 4.
  7. Eiser q.q. acht verweerder aansprakelijk op grond van art. XX.227 WER wegens verderzetting van een kennelijk reddeloos verloren onderneming. Indien bij faillissement van een onderneming, de schulden de baten overtreffen, kunnen de huidige of gewezen bestuurders, persoonlijk en al dan niet hoofdelijk aansprakelijk worden verklaard voor het geheel of een deel van de schulden van de onderneming ten belope van het tekort jegens de boedel, indien op een gegeven ogenblik voorafgaand aan het faillissement, de betrokken bestuurder wist of behoorde te weten dat er kennelijk geen redelijk vooruitzicht was om de onderneming of haar activiteiten te behouden en een faillissement te vermijden en de betrokken bestuurder vanaf dat ogenblik niet heeft gehandeld zoals een normaal voorzichtig en zorgvuldig bestuurder in dezelfde omstandigheden zou hebben gehandeld. Artikel XX.227 WER vereist niet dat de rechtbank een exacte datum van het “omslagpunt” vaststelt, zijnde het ogenblik waarop de onderneming als kennelijk reddeloos verloren kon worden beschouwd. Het volstaat vast te stellen dat de geviseerde handelingen of gedragingen van de betrokken bestuurder werden gesteld op een ogenblik dat er kennelijk geen redelijk vooruitzicht was om de onderneming of haar activiteiten te behouden en een faillissement te vermijden. In dat opzicht zal het omslagpunt wel steeds minstens impliciet in de tijd worden gesitueerd. 4.
  8. Voor de rechtbank bestaat er geen twijfel dat in casu de toepassingsvoorwaarden van artikel XX.227 WER zijn voldaan. De rechtbank overweegt het volgende: 4.4.
  9. Uit de stukken van het dossier blijkt in essentie dat verweerder na de mislukte doorstart in november 2020, het bestuur van de vennootschap volstrekt heeft verwaarloosd en de vennootschap aan haar lot heeft overgelaten. Onder het bestuur van verweerder heeft de BV AA geen enkele fiscale aangifte vennootschapsbelasting ingediend, geen enkele jaarrekening neergelegd, sinds 2021 geen BTW-aangiftes ingediend en het passief nodeloos laten oplopen. Dit gedurende meer dan 3 jaren, tot het Openbaar Ministerie zich genoodzaakt zag over te gaan tot dagvaarding in faillietverklaring van BV AA. Een correcte, sluitende en bijgewerkte boekhouding kon aan de curator ook niet overhandigd worden. Voormelde vaststellingen betreffen fouten in het bestuur die gevat worden door verschillende aansprakelijkheidsgronden, waaronder artikel XX.227 WER. Het niet voeren van een bewijskrachtige boekhouding en het niet opstellen en neerleggen van jaarrekeningen gedurende meerdere jaren, het negeren van fiscale en sociale verplichtingen zijn bovendien kennelijk grove fouten. Deze fouten kenmerken meteen ook het kader waarbinnen de deficitaire verderzetting van een kennelijk reddeloos verloren onderneming in casu gebeurde of kon gebeuren. Het voeren van een boekhouding is onontbeerlijk om de financiële toestand van de vennootschap nauwgezet te kunnen opvolgen, wat precies de taak is van een bestuurder. Dit alles geldt des te meer voor ondernemingen in moeilijkheden. Kennis van de actuele financiële toestand van de vennootschap stelt de bestuurder in de mogelijkheid om tijdig bij te sturen of herstelmaatregelen te nemen, dan wel om tijdig de activiteiten te staken. 4.4.
  10. Verweerder stelt in conclusie dat hij na de mislukte doorstart, de vennootschap “evengoed […] onmiddellijk in faling [had kunnen] laten gaan” maar dat hij “dit echter zo lang mogelijk [heeft] proberen voorkomen”. Verweerder argumenteert dat hij tijd nodig had om te “zoeken naar een alternatieve economische activiteit en inkomen voor de vennootschap”. De rechtbank erkent dat het inderdaad de taak van een bestuurder is om bij een tegenslag of een mislukte investering, te onderzoeken of alternatieve activiteiten en inkomsten voor de vennootschap mogelijk zijn. Echter, geen enkele zoektocht of noodzakelijke heroriëntatie verantwoordt dat ondertussen fiscale, sociale en boekhoudkundige verplichtingen volstrekt worden genegeerd door de bestuurder van de vennootschap. Bovendien wijst de rechtbank erop dat een blijvende “zoektocht” naar nieuwe activiteiten - tegen beter weten in - op zich ook een verderzetting van een kennelijk reddeloos verloren onderneming kan zijn, ook al wordt er geen daadwerkelijke activiteit uitgeoefend. 4.4.
  11. Verweerder - evenals elke redelijke ondernemer in dezelfde omstandigheden geplaatst – had moeten weten dat midden 2021 de situatie van de BV AA uitzichtloos was. Op dat ogenblik hadden de fiscale en sociale schulden zich reeds dermate opgestapeld zonder dat hiertegenover enig perspectief op nieuwe inkomsten of activiteiten stond. Er mag van elke ondernemer worden verwacht dat hij zijn beroep uitoefent met de nodige zorgvuldigheid, onder meer wat betreft de naleving van fiscale en sociaalrechtelijke verplichtingen, alsook dat hij een bijzondere zorg besteedt aan het beoordelen van de risico's die zijn activiteit inhoudt en van de risico’s die het verderzetten van een activiteit inhoudt. Wanneer de bestuurder van de failliete vennootschap heeft getalmd met de aangifte van faillissement en de onderneming heeft verdergezet, wetende dat er aanzienlijke, niet aanzuiverbare schulden waren, heeft hij niet gehandeld zoals een normaal voorzichtige en zorgvuldige bestuurder in dezelfde omstandigheden zou hebben gehandeld. 4.4.
  12. Verweerder slaagt er in huidige procedure niet in om concrete handelingen of initiatieven door hem genomen tijdens het jarenlange heroriëntatieproces te benoemen, laat staan te bewijzen. Verweerder wijst wel naar een vage mogelijkheid om omzet te genereren door de leegstaande kantoren “te verhuren”, maar gaat er dan wel aan voorbij dat de BV AA geen eigenaar was van die kantoren. De onverbloemde realiteit is dat verweerder na november 2020, in zijn hoedanigheid van bestuurder van BV AA gewoonweg niets heeft gedaan en de vennootschap stuurloos en doelloos heeft laten verder dobberen. De aard en samenstelling van het passief - hierboven weergegeven in randnummer 2.7 - toont dit genoegzaam aan. 4.4.
  13. De rechtbank volgt verweerder waar deze meermaals benadrukt dat de beoordeling van de overlevingskansen ex ante dient te gebeuren en niet a posteriori. Dit principe geldt evenwel ook voor de argumentatie van verweerder. Verweerder kan in huidige procedure thans niet alle mogelijke activiteiten die hij had kunnen starten, of herstelmaatregelen die hij had kunnen nemen, of acties die hij had kunnen ondernemen, inroepen te zijner verdediging. Dit om reden dat hij deze pogingen of acties in realiteit nu eenmaal niet heeft ondernomen. Hij heeft stilgezeten en lijdzaam aanzien hoe het passief opliep. 4.4.
  14. Dat verweerder in de periode van 3 jaren voorafgaand aan het faillissement met privégelden bepaalde schulden van de vennootschap zou betaald hebben – in de mate dat dit al bewezen zou zijn - , doet niet ter zake. Dergelijke minimale deelbetalingen nemen immers geen structurele vorm aan met het oog op een bestendige uitbating van een onderneming. Dat verweerder is “blijven geloven in zijn kansen” betekent niet dat elke redelijke ondernemer in dezelfde omstandigheden zou zijn blijven geloven in de kansen van de BV AA. Bovendien bewijst verweerder met enkele fragmentarische betaalbewijzen van uitgevoerde betalingen vanop zijn eigen bankrekening niet veel. Er worden geen onderliggende stavingstukken voorgelegd en er zijn geen dienstige boekhoudkundige stukken - zoals een bankjournaal, een kasboek en een historiek inzake een rekening-courant - beschikbaar. Dat de fiscale schulden vooral zouden zijn gestoeld op fictieve inkomsten met aanslagen van ambtswege tot gevolg, doet weinig ter zake. De in casu voorliggende aanslagen van ambtswege tonen enkel aan dat er geen fiscale aangiftes werden ingediend wat nochtans een wettelijke verplichting is. Deze aanslagen bewijzen niet dat in realiteit er geen belastbare inkomsten zouden geweest zijn. In elk geval blijft het een passiefpost die onnodig was en er niet zou geweest zijn als verweerder zou gehandeld hebben als een zorgvuldig bestuurder in alle opzichten. 4.
  15. Artikel XX.227 WER vereist geen causaal verband tussen de vooropgestelde fout en de schade. De curator moet immers enkel het bestaan aantonen van de in de wet omschreven fout en van het bestaan van een nettopassief. Eens de toepassingsvoorwaarden zijn vervuld kan de rechtbank de bestuurder veroordelen voor het volledig of een deel van het nettopassief ongeacht of dit voor of na het omslagpunt is ontstaan. De rechtbank kan bij de begroting van de verschuldigde vergoeding rekening houden met tal van omstandigheden. De beoordeling gebeurt naar billijkheid en de begroting hoeft niet noodzakelijk proportioneel te zijn aan de schade veroorzaakt door het geviseerde en weerhouden onzorgvuldig gedrag in hoofde van verweerder. Dit betekent evenwel niet dat de rechtbank bij de begroting geen rekening mag houden met de aard, oorzaak en tijdstip van het ontstaan van het passief in hoofde van de gefailleerde vennootschap. Zo is de schuldvordering van werknemer […] ten belope van 6.191,11 EUR reeds ontstaan bij het ontslag op 30.11.2020, bestond de schuldvordering van […] ten belope van 8.239,48 EUR reeds in november 2020 en was er in juli 2021 reeds een schuld ten aanzien Securex van 2.004,48 EUR. Het netto-passief bedraagt 77.864,16 EUR. De afhandeling van een faillissement door een curator impliceert ook een kost voor de boedel, zoals het ereloon en beheerskosten zoals bepaald in het K.B. van 26 april
  16. Dit met dien verstande dat deze kost - in bepaalde mate - er evenzeer zou geweest zijn, mocht verweerder wel in 2021 (tijdig) een aangifte van staking van betaling gedaan hebben. Gelet op dit alles begroot de rechtbank ex aequo et bono de vergoeding waartoe verweerder onder toepassing van artikel XX.227 WER wordt veroordeeld op 60.000,00 EUR. Voormelde integrale vergoeding wordt door de rechtbank toegekend wegens vermeerdering van het passief van het faillissement in de zin van § 3 van artikel XX.227 WER. 4.
  17. De rechtbank gaat nog na of de overige ingeroepen rechtsgronden kunnen leiden tot een hoger bedrag waartoe verweerder dient te worden veroordeeld. Bestuurders zijn op grond van artikel 2:56 WVV jegens de rechtspersoon aansprakelijk voor fouten begaan in de uitoefening van hun opdracht. Dit geldt ook jegens derden voor zover de begane fout een buitencontractuele fout is. Het staat vast dat er sinds de laatste jaarrekening van 2019 geen jaarrekeningen meer werden neergelegd. Krachtens artikel 3:10, 3e lid WVV wordt de schade geleden door derden geacht te zijn voortgevloeid uit het verzuim de jaarrekening neer te leggen. Dit betreft een weerlegbaar vermoeden. Verweerder is bestuurder van BV AA sinds 6 augustus
  18. BV AA had de jaarrekening over het boekjaar 2020 moeten neerleggen ten laatste op 30 juli
  19. Verweerder heeft verzuimd dit te doen wat een fout betreft. Uit de neergelegde jaarrekening voor het boekjaar 2019 blijkt reeds een negatief eigen vermogen van – 1.261,00 EUR in hoofde van BV AA. In conclusie argumenteert verweerder dat de faillietverklaring niet in causaal verband staat met het verzuim tot neerleggen van jaarrekeningen. Dergelijke argumentatie mist pertinentie. De “door derden geleden” wordt niet beperkt tot de loutere faillietverklaring. De niet-neerlegging wordt niet vermoed de oorzaak te zijn van de faillietverklaring op zich, doch wel de oorzaak van de vermeerdering van de restschulden. Met name van de vermeerdering van het netto-passief na het ogenblik waarop de jaarrekening had moeten neergelegd worden. Verweerder slaagt er niet in het vermoeden op basis van artikel 3:10, 3e lid WVV te weerleggen. Rekening houdend met het vermoedelijke reële netto passief op 30 juli 2021 – dat de rechtbank niet met zekerheid kan bepalen, doch wel kan afleiden uit de vaststellingen gedaan onder randnummer 4.
  20. in samenlezing met de jaarrekening van boekjaar 2019 – kan de schade volgend uit het niet-neerleggen van de jaarrekening in elk geval niet méér bedragen dan 60.000,00 EUR. Hoewel niet uitgewerkt door verweerder, kan de rechtbank bv. daarenboven wel aannemen dat boetes inzake BTW wegens niet indiening van aangiftes niet in oorzakelijk verband staan met de niet neerlegging van jaarrekeningen. 4.
  21. Onder randnummer 4.5 heeft de rechtbank geoordeeld dat verweerder gehouden is tot betalen van een vergoeding van 60.000,00 EUR. Voormelde integrale vergoeding wordt door de rechtbank toegekend wegens vermeerdering van het passief van het faillissement in de zin van § 3 van artikel XX.227 WER. De rechtbank verduidelijkt dat in zijn visie ook schadevergoedingen die toegekend worden wegens het niet neerleggen van de jaarrekening of het niet volgen van de alarmbelprocedure - afhankelijk van de concrete casus - evenredig kunnen worden verdeeld over alle schuldeisers zonder inachtneming van de wettige redenen van voorrang. Net zoals dit mogelijk is voor schadevergoedingen bekomen met toepassing van artikel 1382 (oud) BW of artikel 6.
  22. BW. De enige relevante vraag is immers of de schade waarvoor een vergoeding wordt toegekend, bestaat uit een vermeerdering van passief, dan wel bestaat uit een vermindering van actief. De rechtsgrond op basis van dewelke een schadevergoeding wegens vermeerdering van passief wordt toegekend, kan hierin niet determinerend zijn als coherentie in uitdelingen wil behouden blijven. Te meer daar de rechtbank te allen tijde kan overgaan tot het ambtshalve aanvullen van rechtsgronden en meerdere rechtsgronden inzake bestuurdersaansprakelijkheid van toepassing kunnen zijn op hetzelfde feitencomplex. Anders redeneren zou betekenen dat de rangregeling zou beïnvloed worden door het loutere feit dat de rechtbank in zijn vonnis eerst de rechtsgrond XX.227 WER en vervolgens pas de rechtsgrond 2:56 WVV juncto 3:10, 3de lid WVV behandelt. Terwijl in beide gevallen de schade nu eenmaal bestaat uit het foutief nodeloos laten oplopen van schulden, zijnde “een vermeerdering van passief”. In wezen zijn de artikelen XX.225 WER, XX.227 WER en 2:56 WVV juncto 3:10,3de lid WVV en 5:153, §3 WVV allen gemodaliseerde uitwerkingen van één en dezelfde zorgplicht, die in een bepaalde visie misschien wel overbodig zijn mits het aanvaarden van een dynamische en realistische invulling van het causaliteitsbegrip bij bestuurdersaansprakelijkheid in het kader van insolventie. 4.
  23. De overige door de curator ingeroepen rechtsgronden kunnen - gezien de ingeroepen feitelijkheden die volgens de curator fouten betreffen - evenmin leiden tot een grotere veroordeling. De aangevoerde feiten en fouten zijn naar inhoud en causaliteit gelijklopend aan hetgeen hierboven geoordeeld. Minstens met betrekking tot artikel 1382 (oud) BW wijst de rechtbank wat bepaalde geviseerde fouten en schade betreft daarenboven nog naar Cass. 25 oktober 2022, AR P.22.0858.N ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221025.2N.
  24. Gedingkosten 4.
  25. De proceskosten vallen in de regel ten laste van de in het ongelijk gestelde partij (artikel 1017, 1e lid Ger.W.). De gegrondverklaring van de vordering rechtvaardigt het om de proceskosten ten laste P.T. te leggen. Artikel 279
(1), 4°, W.Reg. voorziet in een vrijstelling van rolrechten voor alle zaken die ingeleid worden in het kader van Boek XX WER, met betrekking tot de insolventie van ondernemingen. Hiermee wordt niet bedoeld de procedures die een curator voert in het kader van bestuurdersaansprakelijkheid, die immers steeds deels geënt is op het WVV en BW. Een rolrecht is wel degelijk verschuldigd. In toepassing van artikel 4, § 2, lid 1 en 3 en artikel 5, § 1 van de wet van 19 maart 2017 tot oprichting van een Begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand wordt verweerder verwezen in de bijdrage van 26,00 EUR aan het Begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand. V. BESLISSING De rechtbank doet recht op tegenspraak en op grond van alle bovenstaande redenen, alle verdere en meer uitgebreide of strijdige conclusies verwerpende als zijnde niet-gegrond of niet ter zake dienend. De rechtbank verklaart zich bevoegd tot kennisname van de vordering. De rechtbank verklaart de vordering van Mr. VSK q.q. ontvankelijk en gegrond in de hiernavolgende mate: De rechtbank veroordeelt P.T. om te betalen aan Mr. VSK q.q. de som van 60.000,00 EUR, te vermeerderen met de gerechtelijke intresten aan de intrestvoet bepaald overeenkomstig de Wet van 5 mei 1865 vanaf 16 augustus 2024 tot de dag der algehele betaling. De rechtbank veroordeelt P.T. tot de kosten van het geding, aan de zijde van Mr. VSK q.q. begroot op 66,56 EUR kosten van dagvaarding en tot betaling van het rolrecht begroot op 165 EUR aan de Belgische Staat (FOD Financiën) die instaat voor de inning. In toepassing van artikel 4, § 2, lid 1 en 3 en artikel 5, § 1 van de wet van 19 maart 2017 tot oprichting van een Begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand wordt P.T. verwezen in de bijdrage van 26,00 EUR aan het Begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand. Wijst het anders- of meergevorderde af als ongegrond. ***** Gewezen op tegenspraak door de Tweede Kamer van de Ondernemingsrechtbank van Gent – Afdeling Gent, samengesteld uit: V. Verlaeckt, rechter en voorzitter van de kamer, […] en […], rechters in ondernemingszaken, en uitgesproken door de voorzitter van de kamer in openbare terechtzitting op 6 mei 2025 in aanwezigheid van [...], griffier Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221025.2N.19 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.