← België

ECLI:BE:ORGNT:2025:JUG.20250520.1

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Ondernemingsrechtbank Gent Vonnis/arrest van 20 mei 2025 ECLI nr: ECLI:BE:ORGNT:2025:JUG.20250520.1 Rolnummer: O/19/00135 Rechtsgebied: Insolventierecht Invoerdatum: 2025-05-21 Raadplegingen: 562 - laatst gezien 2026-06-19 04:19 Fiche 1 Dat een bestuurder werd vrijgesproken op strafrechtelijk vlak voor tenlasteleggingen in het kader van het faillissement van een vennootschap, betekent niet dat die bestuurder geen kennelijk grove fouten kan hebben begaan die hebben bijgedragen tot de persoonlijke faillietverklaring van de bestuurder. UTU-thesaurus: HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - INSOLVENTIE Vrije woorden: Kwijtschelding - kennelijk grove fout Wettelijke bepalingen: Wetboek van economisch recht - 28-02-2013 - XX.173 - 19 ELI link Pub nr 2013A11134 Fiche 2 De rechtbank heeft de mogelijkheid om de kwijtschelding gedeeltelijk te weigeren. Ondanks de hierboven vastgestelde kennelijk grove fouten, stelt de rechtbank vast dat het overgrote deel van het passief in het persoonlijk faillissement niet volgt uit kennelijk grove fouten. De rechtbank acht het passend en billijk om de kwijtschelding gedeeltelijk toe te staan. De kwijtschelding wordt voor 90% toegekend en voor 10% geweigerd. UTU-thesaurus: HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - INSOLVENTIE Vrije woorden: Kwijtschelding - kennelijk grove fout - gedeeltelijke kwijtschelding Wettelijke bepalingen: Wetboek van economisch recht - 28-02-2013 - XX.173 - 19 ELI link Pub nr 2013A11134 Fiche 3 Dat de hoofdoorzaak voor latere insolventie reeds bestond in 2017, betekent niet dat kennelijk grove fouten van nadien niet zouden hebben bijgedragen tot het uiteindelijke faillissement in

  1. Anders oordelen zou betekenen dat eens het omslagpunt bereikt is dat insolventie waarschijnlijk zal intreden, een toekomstige gefailleerde kennelijk grove fouten zou mogen begaan zonder enig risico op gevolgen. Zo kan het op foutieve wijze, onnodig vermeerderen van passief voorbij het omslagpunt, ook een kennelijk grove fout zijn die heeft bijgedragen tot het faillissement in de zin van artikel XX.173, §3 WER. UTU-thesaurus: HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - INSOLVENTIE Vrije woorden: Bijgedragen tot het faillissement - kwijtschelding Wettelijke bepalingen: Wetboek van economisch recht - 28-02-2013 - XX.173 - 19 ELI link Pub nr 2013A11134 Tekst van de beslissing Ondernemingsrechtbank Gent – Afdeling Gent, Tweede kamer De rechtbank heeft volgend vonnis verleend in de zaak van O/19/00135 **** Partijen in het geding Procureur des Konings bij de Rechtbank van Eerste Aanleg Oost-Vlaanderen – Afdeling Gent, woonst kiezend op zijn parket te 9000 Gent, Opgeëistenlaan 401/B. Eiser Z.I. […] Gefailleerde Vertegenwoordigd door mr. WS […] **** I. INFORMATIE OVER DE PROCEDURE 1.
  2. Het geding werd ingeleid met verzoekschrift van de Procureur des Konings neergelegd, gedateerd op 4 november 2019 en neergelegd in het register op 8 november
  3. De partijen werden opgeroepen in overeenstemming met artikel 1034sexies Ger.W. om te verschijnen op de zitting van 1 april
  4. De rechtbank heeft de verzoekende partij in raadkamer van 1 april 2025 gehoord, waarna de debatten werden gesloten en de zaak in beraad werd genomen. De rechtbank heeft kennis genomen van het rechtsplegingsdossier en de neergelegde stukken. De bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken werden nageleefd. II. SAMENVATTING VAN DE RELEVANTE FEITEN 2.
  5. Z.I. was bestuurder van de vennootschap BV [GS] die werd failliet verklaard bij vonnis van de ondernemingsrechtbank te Gent, afdeling Dendermonde van 28 januari
  6. Het passief van het faillissement BV [GS] bedraagt volgens het eerste en laatste proces verbaal van schuldvorderingen 288.611 euro. Het faillissement werd afgesloten bij vonnis van 29 mei 2019 door de ondernemingsrechtbank te Gent, afdeling Dendermonde bij gebrek aan actief. 2.
  7. Z.I. was de bestuurder van BV [GS] sedert 29 oktober 2009 en dit tot op de datum van het faillissement van BV [GS], zijnde 28 januari
  8. Op 20 februari 2019 heeft Z.I. ten persoonlijke titel een akte van staking van betaling neergelegd. Op 26 februari 2019, werd Z.I. failliet verklaard en werd mr. D aangesteld als curator. Dit persoonlijk faillissement werd gesloten op 3 december 2019 bij gebrek aan actief. Het gerealiseerd actief bedroeg 0,00 EUR. 2.
  9. Samen met de aangifte van staking van betaling, heeft Z.I. een verzoekschrift neergelegd waarin zij verzoekt om de kwijtschelding van de schulden in haar persoonlijk faillissement. Op 11 maart 2019 heeft mr. D. in zijn hoedanigheid van curator, in overeenstemming met artikel XX.173 §2 WER, een verslag neergelegd waarin de curator stelt dat er “tot op heden geen aanwijzingen zijn van kennelijke grove fouten zoals bedoeld in art. XX 173 § 3 WER” en “de gefailleerde verleent haar medewerking op een erg correcte manier”. Op 8 november 2019 legt het Openbaar Ministerie een verzoekschrift neer met het verzoek de kwijtschelding in hoofde van Z.I. te weigeren. Het Openbaar Ministerie legt een aanvullend verzoekschrift neer op 4 september
  10. 2.
  11. Op 20 augustus 2021 wordt de zaak houdende de beslissing over de kwijtschelding verzonden naar de rol in afwachting van het resultaat van de lopende strafprocedure lastens Z.I.. Zij wordt in het kader van het faillissement van de BV [GS] vervolgd voor faillissementsmisdrijven (verduistering van activa, bedrieglijk onvermogen en laattijdige aangifte van het faillissement van [GS]). Bij vonnis van de correctionele rechtbank van Oost-Vlaanderen, afdeling Dendermonde van 16 mei 2022 werd Z.I. in het kader van het faillissement BV [GS] strafrechtelijk veroordeeld wegens verduistering van activa, bedrieglijk onvermogen en laattijdige aangifte van faillissement tot een gevangenisstraf van 6 maanden (met uitstel voor een periode van 3 jaar), een geldboete van 1.600 euro, een bijzondere verbeurdverklaring van 32.142 euro. Bij arrest van 19 maart 2024 van het hof van beroep Gent werd Z.I. evenwel vrijgesproken voor alle tenlasteleggingen. 2.
  12. Z.I. activeert huidige zaak en verzoekt de rechtbank thans uitspraak te doen met betrekking tot de kwijtschelding voor de schulden met betrekking tot haar persoonlijk faillissement. Ook na het voormeld arrest van 19 maart 2024 handhaaft het Openbaar Ministerie het verzet en vordert de kwijtschelding in hoofde van Z.I. te weigeren. III. DE VORDERINGEN 3.
  13. In de conclusies neergelegd op 14 januari 2025 vordert de procureur des Konings: De kwijtschelding van de schulden van de gefailleerde volledig te weigeren. 3.
  14. In de conclusies neergelegd op 14 februari 2025 vordert gefailleerde: o te zeggen voor recht dat de kwijtschelding wordt verleend aan concluante en zodoende de volledige kwijtschelding te bevelen van de restschulden inzake het faillissement van concluante; en o het Openbaar Ministerie te veroordelen tot een rechtsplegingsvergoeding ten bedrage van 1.800 EUR. IV. DE BEOORDELING 4.
  15. Artikel XX.173 §1, 1e lid WER luidt: “Indien de gefailleerde een natuurlijke persoon is, zal hij ten aanzien van de schuldeisers worden bevrijd van de restschulden, onverminderd de zakelijke zekerheden gesteld door de schuldenaar of derden.”. 4.
  16. In overeenstemming met artikel XX.173 §3 WER kan de kwijtschelding, al dan niet in zijn geheel, geweigerd worden bij gemotiveerde beslissing op vordering van een belanghebbende, met inbegrip van de curator en het openbaar ministerie, “indien de gefailleerde kennelijk grove fouten heeft begaan die hebben bijgedragen tot het faillissement”. Een grove fout betreft een ernstige inbreuk op de essentiële normen van het vennootschapsleven of een flagrante fout die getuigt van een niet verschoonbare lichtzinnigheid of onzorgvuldigheid. Het kennelijk karakter duidt erop dat het een manifeste fout betreft die ook als dusdanig door elk redelijk voorzichtig en vooruitziend bestuurder wordt aanzien. Het handelen van de bestuurder in deze kan slechts marginaal getoetst worden door de rechtbank die zich niet in de plaats van de bestuurder mag stellen en zich moet onthouden van een a posteriori beoordeling. De kennelijk grove fout kan bestaan uit een geheel van feiten en gedragingen die door hun samenhang als kennelijk grof worden beschouwd. Een kennelijk grove fout vereist niet dat de kennelijk grove fout zich situeert in de activiteit of de uitoefening van de onderneming. Ook handelingen gesteld in het kader van het privéleven die hun invloed laten gelden op de ondernemingsactiviteit kunnen evenzeer in aanmerking worden genomen. 4.
  17. Dat Z.I. werd vrijgesproken op strafrechtelijk vlak voor tenlasteleggingen in het kader van het faillissement van BV [GS], betekent niet dat Z.I. geen kennelijk grove fouten zou hebben begaan die hebben bijgedragen tot haar persoonlijke faillietverklaring. 4.
  18. Het Openbaar Ministerie is van oordeel dat Z.I. kennelijke grove fouten beging, ook in het kader van het faillissement van de BV [GS] die hebben bijgedragen tot het faillissement van Z.I. zelf. Zo stelt het Openbaar Ministerie: Z.I. heeft kennelijk grove fouten begaan in het kader van het faillissement van BVBA [GS], die hebben bijgedragen in het faillissement van Z.I. zelf. Mijn ambt wijst er op dat het persoonlijk faillissement van Z.I. en het faillissement van BVBA [GS] geenszins van elkaar te onderscheiden zijn. Z.I. bezat op 1 aandeel na (dat toebehoorde aan haar overleden echtgenoot), alle aandelen in BVBA [GS] en was enig zaakvoerder ervan. Zij verklaarde zelf t.a.v. de curator over haar persoonlijk faillissement dat de oorzaak hiervan gelegen was in het faillissement van BVBA [GS], gelet op de persoonlijke borgstellingen die zij deed en het rekening-courant saldo in haar nadeel (vgl. st. II, 4 strafdossier). Kennelijk grove fouten begaan door een bestuurder in het kader van het faillissement van diens vennootschap kunnen wel degelijk een invloed hebben gehad op het (hiernavolgend) persoonlijk faillissement van deze bestuurder en zodoende aanleiding geven tot de weigering van de kwijtschelding van de schulden in het persoonlijk faillissement (zie in die zin ook Orb. Gent, afdeling Dendermonde, 12 april 2021, 2021/2214). 4.
  19. Op basis van alle elementen en stukken in het dossier, is het voor de rechtbank duidelijk dat de hoofdoorzaak van de financiële toestand in hoofde van Z.I. gelegen is in een mislukte investeringsproject in Polen met bijhorende veroordeling in 2017 in combinatie met de zelfmoord van haar voormalige echtgenoot in die context. Al hetgeen nadien volgt, is een kroniek van een aangekondigde insolventie. Dat de hoofdoorzaak voor latere insolventie reeds bestond in 2017, betekent niet dat kennelijk grove fouten van nadien niet zouden hebben bijgedragen tot het uiteindelijke faillissement in
  20. Anders oordelen zou betekenen dat eens het omslagpunt bereikt is dat insolventie waarschijnlijk zal intreden, een toekomstige gefailleerde kennelijk grove fouten zou mogen begaan zonder enig risico op gevolgen. Zo kan het op foutieve wijze, onnodig vermeerderen van passief voorbij het omslagpunt, ook een kennelijk grove fout zijn die heeft bijgedragen tot het faillissement in de zin van artikel XX.173, §3 WER. 4.
  21. Het debat wordt door beide partijen overladen met tal van niet-pertinente feitelijkheden en discussies die elke relevantie missen. Vanuit het oogpunt van de schuldeisers van het persoonlijk faillissement van Z.I., is het arrest van het hof van beroep Gent van 19 maart 2024 – waarin zij werd vrijgesproken voor tenlasteleggingen in het kader van haar bestuur in [GS] - niet op alle vlakken even determinerend in huidig vraagstuk omtrent de kwijtschelding. 4.
  22. De rechtbank brengt de casus tot zijn essentie: 4.7.
  23. In het kader van een mislukt investeringsproject in Polen werd Z.I. finaal persoonlijk veroordeeld bij arrest van het hof van beroep Gent van 2 november 2017 tot het betalen van 108.000,00 EUR in hoofdsom aan het echtpaar DR-DS. Enkele dagen voor tussengekomen veroordelend eindarrest, met name op 22 oktober 2017 overlijdt de voormalige partner, de heer DP door zelfmoord. De heer De Pauw was de drijvende kracht achter de activiteiten van BV [GS]. Na het overlijden heeft Z.I. als enige bestuurder van BV [GS] naar eigen zeggen de activiteiten getracht verder te zetten. Dit bleek geen succes. Het faillissement van [GS] volgde op 28.01.2019, waarna het persoonlijk faillissement van Z.I. volgde op 26.02.
  24. 4.7.
  25. In conclusie stelt Z.I. “In de periode na de zelfmoord van de heer DP trachtte concluante het hoofd boven water te houden. Zo blijkt uit de memorie inzake het faillissement van [GS] van 08.03.2019 dat ze tot midden 2018 nog activiteiten trachtte te ontplooien […] Midden 2018 zat concluante er mentaal volledig door en kon ze het niet meer opbrengen om de samenwerking […] verder te zetten. Dankzij de verkoop van het onroerend goed van de vennootschap begin juli 2018, had de vennootschap op dat moment een voldoende buffer aan liquide middelen om de maandelijkse leningslast te blijven dragen, totdat concluante zich zou kunnen herpakken. Na enige tijd beseft concluante dat ze op lange termijn geen mogelijkheden zag om de taken die de heer DP voorheen op zich had genomen […] verder te zetten. In samenspraak met de sekwester vroeg ze op 25.01.2019 dan ook het faillissement aan en werd [GS] bij vonnis van 28.01.2019 door de ondernemingsrechtbank te Dendermonde in staat van faillissement verklaard.” 4.7.
  26. Schuldeisers DR-DS hebben gepoogd het veroordelend arrest van het hof van beroep Gent van 2 november 2017 ten uitvoer te leggen op het vermogen van Z.I.. Hiertoe hebben schuldeisers DR-DS andere op 16 april 2018 uitvoerend derdenbeslag gelegd in handen van BV [GS] op alle sommen en zaken die verschuldigd zijn of zullen zijn aan Z.I. Z.I. was op dat ogenblik enige bestuurder van BV [GS]. Vanaf de ontvangst van de akte houdende derdenbeslag mag de derde de sommen of zaken die het voorwerp zijn van het beslag, niet meer uit handen geven. Met andere woorden vanaf 16 april 2018 diende [GS] alle tegoeden verschuldigd aan Z.i. aan te houden en desgevallend over te maken aan de uitvoerende gerechtsdeurwaarder. Uit de stukken van het dossier blijkt inderdaad dat [GS] geen beslagbare tegoeden, verschuldigd aan Z.I., uit handen heeft gegeven. 4.7.
  27. Problematisch is echter dat Z.I. als bestuurder van [GS] vervolgens wel enorme sommen eigendom van [GS] heeft aangewend voor privé-uitgaven, wat in essentie op hetzelfde neerkomt: - Daags na betekening van het exploot van derdenbeslag, op 17 april 2018 haalt Z.I. tussen 9u19 en 9u25, in 5 etappes in totaal 10.000,00 EUR cash af van de vennootschapsrekening van [GS]. Deze 10.000,00 EUR wordt volgens verklaring van Z.I. aangewend voor haar eigen levensonderhoud. - In mei 2018 en juni 2018 betaalt Z.I. vanop de vennootschapsrekening de verschuldigde huur voor haar privéwoonst, die zij zelf niet meer kon betalen. - Op 1 en 5 juni 2018 heeft Z.I. 500,00 EUR en 600,00 EUR afgehaald van de vennootschapsrekening voor eigen gebruik. - Op 6 juli 2018 - nog geen drie maanden na 10.000,00 EUR cashafhaling op 17 april 2018 – haalt Z.I. opnieuw 10.000,00 EUR af van de vennootschapsrekening middels een loketcheque. - In de maanden juli tot en met november 2018 heeft Z.I. de mastercard van de vennootschap verder gebruikt voor prive-aankopen voor een totaal van 8.514,32 EUR. Dit op een ogenblik dat de vennootschap onder bewind van een sekwester stond, die onwetend was van het bestaan van de mastercard-faciliteit. - In januari volgt dan het faillissement van [GS] en kort nadien van Z.I.. In totaal wordt door Z.I. - tijdens de periode van beslag onder derden - op enkele maanden tijd 30.914,32 € vennootschapsgelden aangewend voor privé-uitgaven. Z.I. ontkent dit niet. Dit is overigens ook bewezen geacht door het hof van beroep Gent in het arrest van 19 maart
  28. [GS] heeft zich schijnbaar misschien wel gehouden aan het afgifteverbod van de aan Z.I. verschuldigde tegoeden, maar [GS] heeft tezelfdertijd wel 30.914,32 € aan niet-verschuldigde bedragen feitelijk afgegeven aan Z.I.. Dit is even kwalijk. 4.7.
  29. Daarbij komt de vaststelling dat de enige reden waarom [GS] beschikte over dergelijke liquiditeiten, gelegen was in de verkoop van het onroerend goed op 3 juli 2018, zijnde het enige noemenswaardige actiefbestanddeel van [GS]. Het saldo van de onroerende verkoop werd na aftrok van de hypothecaire schuld gestort op de rekening van de vennootschap op 5 juli 2018 en op 6 juli 2018 haalt Z.I. 10.000,00 EUR cash af van de vennootschapsrekening met een loketcheque. Als een bestuurder een vennootschap feitelijk vereffent met verkoop van alle activa, is het niet verwonderlijk dat staking van betaling niet meteen aan de oppervlakte komt. In gevallen van feitelijke vereffening is het echter niet zozeer het opgehouden met betalen, maar wel de foto van het netto-passief op elk ogenblik doorheen de feitelijke vereffening die relevant is. Dienaangaande kan verwezen worden naar de ratio legis van artikel XX.105,6de lid WER. In het strafrecht zou dan niet anders mogen zijn. 4.
  30. Er kan niet ernstig betwist worden dat bovenstaande vaststellingen inzake het gebruik van gelden voor privédoeleinden in de specifieke context waarbinnen dit alles is gebeurd, in hun samenhang een kennelijk grove fout uitmaken: - Daags na een derdenbeslag 10.000 EUR cashgelden afhalen van de rekening van derde-beslagene om vervolgens deze gelden aan te wenden voor het levensonderhoud van de beslagene, is een kennelijk grove fout. - Gelden onttrekken aan een vennootschap onder het “stelsel van bruto is netto” (sic), zonder enige fiscale of sociaalrechtelijke afrekening, om in het eigen levensonderhoud te voorzien op een ogenblik dat op alle overige tegoeden beslag werd gelegd door de persoonlijke schuldeisers, is kennelijk grof. - Een mastercard van een vennootschap blijven gebruiken voor privédoeleinden achter de rug van een sekwester die op 27 juni 2018 werd aangesteld over de vennootschap net op verzoek van schuldeisers om malversaties te vermijden, is kennelijk grof. Essentie blijft dat Z.I. 30.914,32 EUR heeft afgewend van een vennootschap op een ogenblik dat zij zeer goed wist of behoorde te weten dat zij deze 30.914,32 € nooit kon terugbetalen. Los van de vraag of [GS] op dat ogenblik die liquiditeiten kon missen. Z.I. torste immers op het ogenblik van de afwendingen zelf reeds een onoverkomelijk persoonlijk passief. Het volstaat te verwijzen naar de persoonlijke schuld tegenover DR-DS, die Z.I. nooit op een normale wijze zou kunnen betalen, wat ook gebleken is. In conclusie gaat Z.I. er ook volledig aan voorbij dat zijzelf reeds medio 2018 geen redelijk vooruitzicht meer had om haar persoonlijke financiële situatie te regulariseren, los van de problematiek van [GS]. De rechtbank merkt op dat het hof van beroep Gent in haar arrest van 19 maart 2024 overigens niets heeft gesteld over de persoonlijke financiële situatie van Z.I. en niet diende te oordelen over het tijdstip van haar persoonlijke aangifte van staking van betaling. 4.
  31. Mocht Z.I. nog in enige mate te goeder trouw geweest zijn, dan had zij minstens met deze 30.914,32 EUR haar persoonlijke historische schuldeisers betaald. Dit is niet gebeurd. In haar verhoren verklaart Z.I. dat zij zich niet meer kan herinneren wat zij precies met deze afgehaalde cashgelden ten belope van 20.000,00 EUR op drie maanden tijd, heeft gedaan. De goede trouw is nochtans een essentieel element bij de beoordeling van de kwijtschelding (Parl.St. Kamer 2016-17, nr. 2407/004, 4). 4.
  32. Vanuit het oogpunt van de failliete boedel van Z.I. dient aldus te worden vastgesteld dat zij onnodig haar persoonlijk passief heeft laten oplopen door 30.914,32 EUR af te wenden van [GS]. De kennelijke grove fouten zoals hierboven uiteengezet, hebben aldus bijgedragen tot (de omvang van) het faillissement van Z.I.. De rechtbank ziet aldus redenen om niet het integrale passief van Z.I. kwijt te schelden. 4.
  33. De rechtbank heeft evenwel de mogelijkheid om de kwijtschelding gedeeltelijk te weigeren. Ondanks de hierboven vastgestelde kennelijk grove fouten in hoofde van Z.I., dient ook vastgesteld dat het overgrote deel van het passief in het persoonlijk faillissement van Z.I. niet volgt uit kennelijk grove fouten. Althans wordt dat niet beweerd door het Openbaar Ministerie en al zeker niet bewezen. De hoofdoorzaak van het persoonlijk faillissement blijft gelegen in de problematiek van het mislukte investeringsverhaal in Polen. Dat de heer DP vervolgens zelfmoord heeft gepleegd op een voor Z.I. zeer dramatische wijze, zal ook ongetwijfeld een impact gehad hebben op de werking van [GS] en op het handelen van Z.I. in de periode daarop volgend. Dit alles vergoelijkt uiteraard niet het onmiskenbaar geknoei met de vennootschapsgelden in de laatste maanden voor faillietverklaring, maar het kan wel een verklaring zijn. Om voormelde redenen, acht de rechtbank het passend en billijk om de kwijtschelding gedeeltelijk toe te staan. De kwijtschelding in hoofde van Z.I. wordt beperkt tot 90%. Voor 10% van de restschulden wordt de kwijtschelding geweigerd. 4.
  34. Dat het hof van beroep Gent in het arrest 19 maart 2024 op strafrechtelijk vlak heeft geoordeeld i) dat op het ogenblik van de afwendingen er nog geen staking van betaling was in hoofde van [GS] en ii) dat 30.914,32 EUR niet van die grootorde is dat dit een voldoende “betekenisvol” nadeel zou uitmaken in het kader van misbruik van vennootschapsgoederen, doet geen afbreuk aan hetgeen vastgesteld in randnummers 4.7 tot en met 4.
  35. Huidig vonnis is niet tegenstrijdig met het arrest van 19 maart 2024 waarin Z.I. werd vrijgesproken van bepaalde tenlasteleggingen in het kader van haar bestuur binnen [GS]. Dat de curator van [GS] het om welke reden dan ook, niet opportuun vond om vorderingen te stellen tegen Z.I., is niet relevant. Dat de curator van Z.I. zelf geen initiatief heeft genomen om zich te verzetten tegen de kwijtschelding en geen aanwijzingen van kennelijk grove fouten ziet, doet niet ter zake. Het Openbaar Ministerie heeft immers wel verzet aangetekend en vervult haar wettelijke taak. De rechtbank moet in casu niet oordelen over de curatoren, doch wel over de kwijtschelding in hoofde van Z.I.. 4.
  36. Waar artikel 279

(1), 4°, W.Reg. in een vrijstelling van rolrechten voorziet voor alle zaken die ingeleid worden in het kader van Boek XX WER, met betrekking tot de insolventie van ondernemingen, is er geen aanleiding om in toepassing van artikel 269
(2)§ 1 W.Reg. enige veroordeling tot betaling van rolrechten uit te spreken. Alle andere besluiten wijst de rechtbank af als ongegrond of niet ter zake dienend. ********** V. BESLISSING De rechtbank doet recht op tegenspraak en op grond van alle bovenstaande redenen, alle verdere en meer uitgebreide of strijdige conclusies verwerpende als zijnde niet-gegrond of niet ter zake dienend. De rechtbank verklaart zich bevoegd tot kennisname van de vordering. De rechtbank verklaart de vordering van de procureur des Konings ontvankelijk en gegrond als volgt: De rechtbank weigert de kwijtschelding aan Z.I. ten belope van 10% van de restschulden. De rechtbank verzoekt de griffier het vonnis bij uittreksel bekend te maken in het Belgisch Staatsblad. De rechtbank verwijst Z.I. in de kosten van het geding, waaronder de met toepassing van artikel 4 §2, 1e en 3e lid en artikel 5 §1 van de wet van 19 maart 2017 tot oprichting van een Begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand verschuldigde bijdrage van 24 EUR aan het Begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand. ***** Gewezen op tegenspraak door de Tweede Kamer van de Ondernemingsrechtbank van Gent – Afdeling Gent, samengesteld uit: V. Verlaeckt, rechter en voorzitter van de kamer, A en B, rechters in ondernemingszaken, en uitgesproken door de voorzitter van de kamer in openbare terechtzitting op * in aanwezigheid van *, griffier. Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.