← België

ECLI:BE:ORGNT:2025:JUG.20250520.3

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Ondernemingsrechtbank Gent Vonnis/arrest van 20 mei 2025 ECLI nr: ECLI:BE:ORGNT:2025:JUG.20250520.3 Rolnummer: O/24/00849 Rechtsgebied: Insolventierecht Invoerdatum: 2025-05-21 Raadplegingen: 375 - laatst gezien 2026-06-16 05:25 Fiche 1 Eiser q.q. toont aan dat de handeling (schenking) abnormaal was en dat eerste verweerder wist dat de belangen van zijn schuldeisers zouden worden geschaad. Aandelen – die verweerders in voormelde notariële akte zelf pro-fisco hebben gewaardeerd op 264.112,50 EUR – om niet overdragen door middel van een schenking zonder enige last hieraan verbonden, houdt evident een benadeling van de rechten van de schuldeisers in. Schuldeisers zien hun onderpand kosteloos verdwijnen uit het vermogen van de schuldenaar. UTU-thesaurus: HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - INSOLVENTIE Vrije woorden: XX.114 WER voorwaarden Pauliana - schenking aandelen Wettelijke bepalingen: Wetboek van economisch recht - 28-02-2013 - XX.114 - 19 ELI link Pub nr 2013A11134 Fiche 2 Klassiek wordt aangenomen dat aan de anterioriteitsvereiste is voldaan wanneer tenminste één schuldvordering in de boedel dateert van vóór de aangevochten handeling. Hieruit zou volgen dat indien alle schuldeisers in de boedel vorderingen hebben welke ontstaan zijn na de betwiste handeling, de curator een vordering op grond van artikel XX.114 WER niet kan stellen. De rechtbank is van oordeel dat hierop evenwel uitzonderingen mogelijk zijn, bv. wanneer de geviseerde handeling werd gesteld met bedrieglijke intentie en erop gericht was toekomstige schuldeiser(

  1. s)te benadelen in een specifieke context van dreigende insolventie. Anders oordelen, zou aanzetten tot selectief betalingsgedrag in het voordeel van bestaande schuldeisers met als enige doel mogelijke pauliaanse vorderingen uit te schakelen, terwijl het netto-passief onveranderd blijft of zelfs nog stijgt. Selectieve betalingen die misschien net enkel mogelijk waren door nieuwe schulden onbetaald te laten. Een vermogen betreft een dynamisch en fluctuerend gegeven waarbij voortdurend de ene schuld wordt vervangen door een andere. Het louter feit dat de aard van een vermogensbestanddeel wijzigt, mag geen invloed hebben op de mogelijke vaststelling dat een bepaalde handeling werd gesteld met een bedrieglijke intentie om te benadelen. UTU-thesaurus: HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - INSOLVENTIE Vrije woorden: Anterioriteitsvoorwaarde - Pauliana - XX.114 WER Wettelijke bepalingen: Wetboek van economisch recht - 28-02-2013 - XX.114 - 19 ELI link Pub nr 2013A11134 Fiche 3 XX. 110 WER. Discussie eigendomsrecht appartement Argentinië. Een buitenlandse authentieke akte strekt in België in beginsel tot bewijs. De rechter wordt geacht het recht te kennen. Ook het Argentijns recht. Overeenkomstig artikel 1246 van het toenmalig burgerlijk wetboek “Código Civil” kon een gehuwde vrouw een onroerend goed tijdens het huwelijk aankopen met eigen geld waarbij het onroerend goed haar eigendom bleef buiten elke aanspraak van de man. Dit op voorwaarde dat de aankoop met haar toestemming werd gedaan, dat het de expliciete bedoeling was dat zij de eigendom zou verkrijgen en dat dit alles expliciet werd vermeld in de aankoopakte, inclusief de herkomst van de eigen gelden van de vrouw. Volgens bepaalde rechtsleer en rechtspraak was en is het zelfs mogelijk om de omissie van deze verklaringen in de aankoopakte naderhand recht te zetten door deze verklaringen aanvullend te laten opnemen in een bijkomende akte tussen echtgenoten. De rechtbank stelt vast dat aan deze voorwaarden niet is voldaan. Het appartement was eigendom van gefailleerde. UTU-thesaurus: HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - INSOLVENTIE Vrije woorden: Schenking appartement na faillissement in het licht van XX.110 WER. Discussie eigendomsrecht. Wettelijke bepalingen: Wetboek van economisch recht - 28-02-2013 - XX.110 - 19 ELI link Pub nr 2013A11134 Fiche 4 In geval de geviseerde vermogensbestanddelen “aandelen” betreffen, is de bepaling van de vergoeding een delicate oefening. Zeker wanneer dit aandelen betreffen van een vennootschap die een bepaalde periode onder controle van de medeplichtigen is blijven staan. De waarde van aandelen kan immers fluctueren om zeer uiteenlopende redenen. Dat kunnen marktomstandigheden zijn, doch ook manipulaties. Gezien de vastgestelde kwade trouw, is het risico voor verlies of beschadiging voor rekening van de medeplichtige verkrijgers. Dit betekent dat een eventuele waardevermindering van de aandelen ten laste van medeplichtige verkrijgers zal komen, ook al is de schade opgetreden ten gevolge van een vreemde oorzaak. Alleen indien de medeplichtige verkrijgers kunnen aantonen dat de aandelen op dezelfde wijze zouden zijn teloorgegaan indien de aandelen bij eerste verweerder waren gebleven, dan kunnen zij voor dat verlies niet aangesproken worden. UTU-thesaurus: HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - INSOLVENTIE Vrije woorden: Waardering aandelen - Pauliana XX.114 WER - aanstelling deskundige waardering - provisie Wettelijke bepalingen: Wetboek van economisch recht - 28-02-2013 - XX.114 - 19 ELI link Pub nr 2013A11134 Tekst van de beslissing Ondernemingsrechtbank Gent – Afdeling Gent, Tweede kamer De rechtbank heeft volgend vonnis verleend in de zaak van O 24 00849 ********* Partijen in het geding Enerzijds, Meester B.G. […] handelend in zijn hoedanigheid van curator van het faillissement van de heer LVN […] Eiser q.q. Anderzijds, 1. De heer LVN […] Eerste verweerder Hebbende als raadsman Meester FW […] 2. Mevrouw KB […] Tweede verweerster 3. De heer EVN […] Derde verweerder 4. Mevrouw AVN […] Vierde verweerder Verweerders sub 2 tot en met 4, hebbende als raadsman Meester FB [..] Inhoudstafel: I. Informatie over de procedure II. Situering van partijen in het geschil III. Feiten en standpunten van partijen III.A. Wat betreft de schenking van aandelen III.B. Wat betreft de schenking van appartement na faillietverklaring IV. Vorderingen van partijen V. Beoordeling door de rechtbank V.A. Wat betreft de schenking van aandelen V.B. Wat betreft de schenking van appartement na faillietverklaring VI. Beslissing I. INFORMATIE OVER DE PROCEDURE 1.1. Het geding werd ingeleid met dagvaarding betekend op 10 oktober 2024. Bij beschikking van 22 oktober 2024 heeft de rechtbank, in overeenstemming met artikel 747 § 1 Ger.W., de conclusietermijnen tussen partijen afgesproken bekrachtigd en heeft zij de rechtsdag bepaald. De rechtbank heeft de partijen in openbare terechtzitting van 29 april 2025 gehoord, waarna de debatten werden gesloten en de zaak in beraad werd genomen. De rechtbank heeft kennis genomen van het rechtsplegingsdossier en de neergelegde stukken. De bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken worden nageleefd. II. SITUERING VAN PARTIJEN IN HET GESCHIL 2.1. Eerste verweerder is gehuwd met tweede verweerster. Zij hebben samen twee kinderen, zijnde de derde en vierde verwerende partij. Bij vonnis van 11 oktober 2022 werd eerste verweerder failliet verklaard door de ondernemingsrechtbank Gent, afdeling Gent op aangifte neergelegd op 1 september 2022. Mr. B.G. - eiser q.q. – werd aangesteld als curator. In het faillissement van eerste verweerder blijkt uit het derde proces-verbaal van verificatie van schuldvordering een aanvaard passief van 1.988.658,87 EUR. Het gerealiseerd actief bedraagt 1.284,07 EUR. 2.2. Eiser q.q. is van oordeel dat eerste verweerder zich voorafgaand aan zijn faillietverklaring doelbewust onvermogend heeft gemaakt door waardevolle aandelen weg te schenken met het oog op het benadelen van zijn schuldeisers. Verder is eiser q.q. van oordeel dat eerste verweerder na faillietverklaring activa van de boedel heeft ontvreemd ten gunste van zijn echtgenote en kinderen. Verweerders betwisten deze stellingen. III.FEITEN EN STANDPUNTEN VAN PARTIJEN III.A. Wat betreft de schenking van aandelen 3.1. Eerste verweerder was samen met tweede verweerster 100% aandeelhouder van de BV B. […] . Eerste verweerder was gedelegeerd bestuurder. Het kapitaal van BV B. wordt vertegenwoordigd door 5253 aandelen, waarvan aanvankelijk 3750 aandelen in eigendom van eerste verweerder en 1503 aandelen in eigendom van twee verweerster. 3.2. Uit een notariële akte van 27 september 2021 blijkt dat eerste verweerder zijn voormelde 3750 aandelen aan zijn echtgenote en kinderen geschonken heeft. In voormelde akte worden verklaringen van verweerders ten overstaan van notaris V. geakteerd als volgt: “[eerste verweerder] bij deze verklaart, dat hij op 7 januari 2021 de hierna vermelde schenkingen onder levenden heeft gedaan: 1. Aan [tweede verweerster], heeft hij duizend honderdvierentwintig (1.124) aandelen geschonken van de BV B. 2. Aan [derde verweerder], heeft hij duizend driehonderddertien (1.313) aandelen geschonken van de BV B.. 3.Aan [vierde verweerster], heeft hij duizend driehonderddertien (1.313) aandelen geschonken van de BV B. De drie vermelde schenkingen werden door de verschijners sub 2, 3 en 4 uitdrukkelijk aanvaard op datum van 7 januari 2021. […] De geschonken aandelen zijn onaantastbaar en kunnen ook niet het voorwerp uitmaken van enig beslag door de schuldeisers van [eerste verweerder].” Met het oog op het vervullen van fiscale verplichtingen wordt in voormelde notariële akte opgenomen: “Voor het heffen der registratierechten worden voorschreven aandelen voor de geheelheid en in volle eigendom geschat op zeventig euro drieënveertig cent (70,43 €) per aandeel. Zijnde in totaal: tweehonderd vierenzestigduizend honderdentwaalf euro vijftig cent (264.112,50 €)” Er bestaat discussie tussen partijen omtrent de exacte datum van schenking van voormelde 3750 aandelen door eerste verweerder aan zijn echtgenote en kinderen. - Verweerders stellen dat uit de notariële akte van 27 september 2021 blijkt dat de schenking reeds heeft plaatsgevonden op 7 januari 2021. - Eiser q.q. stelt dat dit niet naar recht kan afgeleid worden uit deze notariële akte daar de notaris enkel akte neemt van hetgeen de verschijnende partijen aan hem hebben verklaard. De enige vaste datum ten aanzien van derden met betrekking tot de schenking zou de datum van de notariële akte zijn, namelijk 27 september 2021. 3.3. Eiser q.q. stelt dat de voormelde 3750 aandelen werden geschonken met bedrieglijke benadeling van de rechten van de schuldeisers. De schenking dateert van 7 januari 2021 of 27 september 2021, terwijl de faillietverklaring van eerste verweerder dateert van 11 oktober 2022. Eiser q.q. vordert een schadevergoeding van de begunstigden van de geviseerde schenking van aandelen. Ter ondersteuning van dit standpunt verwijst eiser q.q. naar volgende elementen: 3.3.1. Eerste verweerder had zich persoonlijk borg gesteld ten belope van 1.500.000,00 EUR voor een door BV B.2 afgesloten krediet bij de NV A. Bank. Deze BV B.2 is te onderscheiden van de BV B. waarvan sprake in randnummers 3.1 en 3.2 en waarvan de 3750 aandelen zijn geschonken (zie verder). Voormeld krediet werd door NV A. Bank opgezegd op 11 juli 2018 en de persoonlijke borgstelling in hoofde van eerste verweerder werd opeisbaar gesteld. 3.3.2. Op 29 augustus 2019 werd enerzijds BV B.2 als hoofschuldenaar en anderzijds eerste verweerder als borgsteller gedagvaard door NV A. Bank voor de Nederlandstalige ondernemingsrechtbank Brussel. De NV A. Bank vordert de BV B.2 te veroordelen tot het betalen van 1.150.000,00 EUR + 868.389,69 EUR in hoofdsom en vordert daarbij eerste verweerder te veroordelen tot het betalen van 1.150.000,00 EUR in hoofdsom uit hoofde van diens borgstelling. 3.3.3. Op 21 september 2020, staande de procedure voor de Nederlandstalige ondernemingsrechtbank Brussel wijzigt BV B.2. haar maatschappelijke naam naar BV S. Een andere bestaande vennootschap eveneens van eerste verweerder – nl. de NV P. – ondergaat op haar beurt ook een naamwijziging en wordt “de nieuwe” BV B . Volgens eiser q.q. is deze naamwisseling tijdens voormelde procedure tegen A. Bank enkel ingegeven om naar de naam “B.” buiten de aandacht te houden van een latere faillissement van de vennootschap met KBO […] dat onvermijdelijk zou volgen bij een veroordeling tot betaling aan de NV A. Bank. De activiteiten van de “oude” BV B.2 (thans S.) en de “nieuwe” BV B. (voorheen P.) zouden ook gelijklopend zijn. 3.3.4. Bij vonnis van 8 juli 2021 van de Nederlandstalige ondernemingsrechtbank Brussel wordt BV S. (“oude” BV B.2) veroordeeld tot het betalen aan NV A. Bank van de nog uitstaande kredieten in hoofdsom ten belope van 1.841.135,94 EUR en 598.328,75 EUR, meer rente en kosten, verminderd met een […]-waarborg ad 750.000,00 EUR. Bij hetzelfde vonnis wordt eerste verweerder uit hoofde van zijn persoonlijke borgstelling veroordeeld tot betaling van 1.150.000,00 EUR, meer rente sedert de dagvaarding. Zowel BV S. (“oude” BV B.2) alsook eerste verweerder laten de bedragen waartoe zij zijn veroordeeld ten aanzien van NV A. Bank onbetaald. 3.3.5. Op 22 augustus 2022 legt BV S. een akte van staking van betaling neer. Op 6 september 2022 wordt BV S. failliet verklaard. Uit het tweede proces-verbaal van verificatie van schuldvordering blijkt een aanvaard passief van 3.566.028,06 EUR, waarvan 3.204.723,52 EUR ingediend door NV A. Bank. Op 1 september 2022 legt eerste verweerder een akte van staking van betaling neer. Op 11 oktober 2022 wordt eerste verweerder persoonlijk failliet verklaard. Uit het derde proces-verbaal van verificatie van schuldvorderingen blijkt een aanvaard passief van 1.988.658,87 EUR, waarvan 1.920.520,25 EUR ingediend door NV A. Bank. 3.3.6. Volgens eiser q.q. is het in deze context van nakende insolvabiliteit dat de schenking op 27 september 2021 (dan wel op 7 januari 2021) van de 3750 aandelen in de “nieuwe” BV B. is gebeurd. Voor eiser q.q. is het duidelijk dat eerste verweerder al lange tijd wist dat de insolventie van hemzelf onafwendbaar zou zijn. Eerste verweerder zou geweten hebben dat hij sowieso zou veroordeeld worden tot bedragen die hij niet kon terugbetalen. Het is om die reden dat eerste verweerder zich in allerijl ontdaan heeft van de 3750 aandelen van de “nieuwe” BV B. en deze waardevolle aandelen heeft geschonken aan zijn echtgenote en kinderen, aldus eiser q.q. 3.3.7. Op 26 september 2023 wordt door politiediensten in het kader van een opsporingsonderzoek een bezoek gebracht aan de kantoren van de “nieuwe” BV B. o.a. met het verzoek tot afgifte van het origineel aandelenregister. Op 23 november 2023 verkopen tweede, derde en vierde verweerders samen 100% van de aandelen van de nieuwe” BV B. zijnde alle 5253 aandelen aan de heer N.S. Hierin begrepen, de eerder bij schenking ontvangen 3750 aandelen. Dit voor de prijs van 1,00 EUR. De heer N.S. zou een zakenrelatie zijn van eerste verweerder. Volgens eiser q.q. waren tweede, derde en vierde verweerders gealarmeerd door het politiebezoek en hebben zij om die reden deze aandelen snel doorverkocht voor 1,00 EUR aan een zakenrelatie om deze aandelen ongrijpbaar te maken voor eiser q.q. 3.4. Verweerders betwisten de stelling van eiser q.q. en argumenteren als volgt: 3.4.1. De schenking van de 3750 aandelen in de “nieuwe” BV B. zou hebben plaatsgevonden op 7 januari 2021 en werd slechts geformaliseerd bij notariële akte op 27 september 2021. Het tijdsverloop tussen de schenking en de notariële akte zou enkel te wijten zijn aan corona-maatregelen. 3.4.2. Op het ogenblik van de schenking, zou eerste verweerder niet hebben kunnen vermoeden dat insolvabiliteit later zou intreden. Er zou niet aan de anterioriteitsvereiste voldaan zijn omdat het veroordelend vonnis ten aanzien van A. Bank dateert van 8 juli 2021 en de schenking reeds van 7 januari 2021. 3.4.3. Nog volgens verweerders, kwam het veroordelend vonnis in het voordeel van A. Bank “als een complete verrassing” en begrijpen zij niet waarom de beroepsprocedure tegen A. Bank niet benaarstigd werd door de curator. Volgens eerste verweerder had eiser q.q. “de mogelijkheid om via de procedure in hoger beroep alsnog een redelijk afbetalingsplan te bekomen voor BV S en [eerste verweerder] alsmede zijn failliete boedel te ontslaan van de persoonlijke schuld t.a.v. A Bank.”. 3.4.4. De schenking zou niet gebeurd zijn met het opzet schuldeisers te benadelen. De schenking van aandelen zou noodzakelijk geweest zijn omdat de “nieuwe” BV B. geen financiering kon krijgen zolang eerste verweerder aandeelhouder was omwille van het eerdere faillissement van [BEL] waar eerste verweerder in betrokken was. 3.4.5. Bovendien zou de schenking van voormelde 3750 aandelen aan echtgenote en kinderen ook niet abnormaal zijn “daar ze kadert in een vooruitziende successieplanning”. 3.4.6. Ondergeschikt wijzen verweerders erop dat de waarde van de 3750 aandelen ten tijde van de schenking 0,00 EUR waard waren. Verweerders brengen een waarderingsverslag voor waaruit een negatieve waarde van 1.375.890,20 EUR blijkt voor 100% aandelen van de “nieuwe” BV B.. Er zou aldus van enige verarming geen sprake zijn. III.B. Wat betreft de schenking van appartement na faillietverklaring 3.5. Op datum van faillietverklaring van eerste verweerder – 11 oktober 2022 – stond eerste verweerder als enige eigenaar van een onroerend goed gelegen in Argentinië geregistreerd. Meer bepaald een appartement op de 3e verdieping, gelegen te […]Argentinië. Eerste verweerder zou dit feit niet hebben meegedeeld aan eiser q.q. tijdens de inventarisopmaak met verhoor overeenkomstig artikel XX.134 WER. Bij notariële akte van 29 november 2022 – aldus een maand na datum van zijn persoonlijk faillissement – blijkt eerste verweerder dit vastgoed via een notaris in Argentinië te hebben geschonken aan zijn beide kinderen, die op hun beurt – middels volmacht – meteen aan hun moeder een levenslang vruchtgebruik toestonden op dit appartement. Eiser q.q. was van dit alles niet op de hoogte en vordert in huidige procedure te zeggen voor recht dat de schenking van voormeld appartement niet tegenstelbaar is aan de failliete boedel. 3.6. Verweerders betwisten de invulling die eiser q.q. aan deze feiten geeft. Volgens verweerders zou eerste verweerder nooit “de werkelijke eigenaar” van voormeld appartement geweest zijn, maar wel zijn echtgenote. Het appartement zou nooit behoord hebben tot het vermogen van eerste verweerder. Verweerders steunen deze these op basis van hun lezing van het toenmalige Argentijns recht. Eerste en tweede verwerende partij zijn voor de Belgische wet gehuwd onder het stelsel van scheiding van goederen. Het toenmalig Argentijns recht kende in 2007 het stelsel van scheiding van goederen niet. Het appartement zou in 2007 integraal betaald zijn door tweede verweerder met eigen gelden. Hieruit leiden verweerders dan af dat het appartement naar Belgisch recht eigen zou zijn van tweede verweerster. In conclusie stellen tweede, derde en vierde verweerders hierover: “Feit is namelijk dat het in werkelijkheid eerste concludente was die op 14.12.2007 is overgegaan tot aankoop van het betreffende appartement. Het Argentijnse wettelijke kader liet haar echter niet toe om het onroerend goed zonder meer op haar naam te laten inschrijven. In 2022 wenste eerste concludente vervolgens over te gaan tot schenking van de blote eigendom van het betreffende appartement aan haar kinderen en wenste zij zich het vruchtgebruik voor te behouden. Aangezien het haar destijds onmogelijk was geweest om onder het Argentijnse recht het goed op haar eigen naam aan te kopen, diende [eerste verweerder] tussen te komen in de betreffende schenkingsakte. […] Gelet op deze omstandigheden en het Argentijnse juridische kader, kon het appartement in 2007 dus niet op naam van eerste concludente worden gekocht. Eerste concludente en [eerste verweerder] zijn evenwel gehuwd in België onder het Belgische rechtsstelsel. De verdeling van hun respectieve vermogens dient dan ook te geschieden naar Belgisch recht. Het mag duidelijk zijn dat eerste concludente het betreffende appartement zelf heeft gekocht. Het toen geldende Argentijnse wetgevende kader heeft evenwel gezorgd voor een discrepantie tussen de feitelijke eigendom van eerste concludente en de juridische formalisering van de betreffende vastgoedtransactie, waarbij ook [eerste verweerder] als eigenaar naar Argentijns recht werd benoemd. De schenkingsakte van 29.11.2022 – waar eiser q.q. naar verwijst – vertrekt dan ook formeel vanuit een verkeerde voorstelling van de feiten, nl. dat [eerste verweerder] mee eigenaar zou zijn van het betreffende appartement. Deze verkeerde voorstelling diende in de akte van 2022 evenwel te worden aangehouden, aangezien deze ook in 2007 – conform het toen geldende Argentijnse juridische kader – als dusdanig werd verricht. Louter omwille van deze historische evolutie bleek het ook in 2022 dus niet mogelijk om de schenkingsakte te laten uitgaan van de werkelijke economische eigenaar, te weten eerste concludente. Formeel gezien was het dus onmogelijk dat eerste concludente het appartement aan tweede en derde concludenten zou schenken, aangezien zij formeel in 2007 niet als eigenaar werd gekwalificeerd naar Argentijns recht.” Eerste verweerder stelt in conclusie hierover: “Het gaat hier overduidelijk over een situatie van veinzing waarbij – wegens de op dat moment van toepassing zijnde Argentijnse regelgeving – concluant als koper in de akte werd opgenomen, terwijl concluant en zijn vrouw onderling overeenkwamen dat het appartement in kwestie met de eigen gelden van [tweede] verweerster werd aangekocht en deze dus volgens het Belgisch toepasselijk huwelijksvermogensstelsel (scheiding van goederen) volledig in haar vermogen blijft. In december 2020 werd het Argentijns wettelijk kader betreffende de schenking van onroerende goederen grondig hervormd. Hierdoor, alsook met het oog op successieplanning, ontstond bij [tweede verweerster] de gedachte om het appartement te schenken aan haar beide kinderen […]. Het bleek evenwel niet mogelijk om bij de schenking op 29/11/2022 uit te gaan van de feitelijke realiteit en dus de schenker te kwalificeren als de economische werkelijke eigenaar. Hierdoor vermeld de Argentijnse schenkingsakte concluant – verkeerdelijk – als schenker, hoewel dit een fictie betreft, aangezien het onroerend goed louter en alleen deel heeft uitgemaakt van het vermogen van [tweede verweerster]. Zij heeft er als enige voor betaald.” IV. VORDERINGEN VAN PARTIJEN 4.1. Eiser q.q. vordert in zijn laatste conclusie: De vordering van concluant qq. ontvankelijk en gegrond te horen verklaren ; Te horen zeggen voor recht dat de schenking van de aandelen van de BV B. […] gedaan aan mevrouw KB (1.124 aandelen), aan de heer EVN (1.313 aandelen) en aan mevrouw AVN (1.313 aandelen), en zoals opgenomen in de notariële akte van 27.09.2021, in toepassing van art. XX.114 WER niet tegenstelbaar is aan concluant qq. / de faillissementsboedel van de heer LVN en vervolgens; In hoofdorde : Mevrouw KB te horen veroordelen tot betaling aan concluant qq. van de tegenwaarde van 1.124 aandelen, begroot op 180.593,08 EUR, de heer EVN te horen veroordelen tot betaling aan concluant qq. van de tegenwaarde van 1.313 aandelen, begroot op 210.959,71 EUR, en mevrouw AVN te horen veroordelen tot betaling aan concluant qq. van de tegenwaarde van 1.313 aandelen, begroot op 210.959,71 EUR, alle bedragen te vermeerderen met de verwijlrente sedert 02.09.2023, datum van de algemene vergadering tot aan de datum van dagvaarding, en met de gerechtelijke rente sedertdien, te rekenen aan de wettelijke intrestvoet; In ondergeschikte orde : Mevrouw KB te horen veroordelen tot betaling aan concluant qq. van de tegenwaarde van 1.124 aandelen, begroot op 79.163,32 EUR, de heer EVN te horen veroordelen tot betaling aan concluant qq. van de tegenwaarde van 1.313 aandelen, begroot op 92.474,59 EUR, en mevrouw AVN te horen veroordelen tot betaling aan concluant qq. van de tegenwaarde van 1.313 aandelen, begroot op 92.474, 59 EUR, alle bedragen te vermeerderen met de verwijlrente sedert 27.09.2021, datum van de schenkingsakte, tot aan de datum van dagvaarding, en met de gerechtelijke rente sedertdien, te rekenen aan de wettelijke intrestvoet ; Te horen zeggen voor recht dat de schenking van het appartement op de 3e verdieping, gelegen te […], Argentinië, aan de heer EVN en aan mevrouw AVN , zoals opgenomen in de (buitenlandse) notariële akte van 22.11.2022 en het daarin toegestane vruchtgebruik aan mevrouw KB , in toepassing van art. XX.110 WER niet tegenstelbaar is aan concluant qq. / de faillissementsboedel van de heer LVN, en vervolgens ; In hoofdorde : Mevrouw KB, de heer EVN, mevrouw AVN en de heer LVN te horen veroordelen tot betaling aan concluant qq. van een bijkomende schadevergoeding van 248.388,58 EUR uit hoofde van waardeverlies ingevolge vastgestelde muntdevaluatie en een schadevergoeding van 1,00 EUR uit hoofde van genotsverlies sedert de schenking van het vermelde appartement ; Vervolgens de zaak te verdagen en een rechtsdag te bepalen voor de definitieve begroting van het genotsverlies van het vermelde appartement ; In ondergeschikte orde : Mevrouw KB, heer EVN , AVN en LVN te horen veroordelen tot betaling aan concluant qq. van een provisionele schadevergoeding van 25.000,00 EUR uit hoofde van waarde- en genotsverlies van het vermelde appartement, en ter verdere begroting daarvan een gerechtsexpertise te bevelen, en mevrouw KB, heer EVN , AVN en LVN op te leggen over te gaan tot provisionering van de aan te stellen deskundige ; Vervolgens de zaak te verdagen en een rechtsdag te bepalen voor de definitieve begroting van het waardeverlies en het genotsverlies van het vermelde appartement ; 4.2. Eerste verweerder vordert in laatste conclusie: In hoofdorde, de vorderingen van eiser q.q. ongegrond te verklaren. In ondergeschikte orde, voor het geval de vorderingen van eiser q.q. tot niet-tegenstelbaarheid van de schenkingsakte van de aandelen en van het onroerend goed in Argentinië ontvankelijk en gegrond worden verklaard, over te gaan tot aanstelling van een gerechtsdeskundige ter: -bepaling van de effectieve waarde van de aandelen van BV B. op 27/09/2021; en -bepaling van de effectieve waarde van het appartement gelegen […] Argentinië), rekening houdende met de concrete omstandigheden, inclusief het burgerrechtelijk, fiscaal en monetair regime in Argentinië. Te oordelen dat concluant niet gehouden is tot betaling van enige schadevergoeding wegens gebrek aan een fout in zijn hoofde. In elke geval, de eiser q.q. te veroordelen tot de kosten van het geding, in hoofde van concluant begroot op een basisrechtsplegingsvergoeding van 10.500,00 EUR. 4.3. Tweede, derde en vierde verwerende partij vorderen in laatste conclusie: In hoofdorde: Stuk 32 van eiser q.q. uit de debatten te weren, De vorderingen van eiser q.q. ongegrond te verklaren, Te zeggen voor recht dat de vordering van eiser q.q. tot overlegging van de (door)verkoopsovereenkomst van de aandelen van BV B. op straffe van een dwangsom zonder voorwerp is geworden. In ondergeschikte orde: Voor het geval de vorderingen van eiser q.q. tot niet-tegenstelbaarheid van de schenkingsakte van de aandelen en/of van het onroerend goed in Argentinië ontvankelijk en gegrond worden verklaard, Over te gaan tot aanstelling van een gerechtsdeskundige met als opdracht: − de effectieve waarde van de aandelen van BV B. op 07.01.2021 te bepalen; − de effectieve waarde van het appartement gelegen te […] Argentinië op 11.10.2022 te bepalen, rekening houdende met alle concrete omstandigheden, waaronder het burgerrechtelijk, fiscaal en monetair regime in Argentinië Te horen zeggen voor recht dat concludenten niet gehouden zijn tot betaling van enige schadevergoeding bij gebrek aan fout in hunnen hoofde; In elk geval: Eiser q.q. te veroordelen tot de kosten van het geding, in hoofde van concludenten begroot op een basisrechtsplegingsvergoeding van 10.500 euro. V. BEOORDELING DOOR DE RECHTBANK 5.1. Tweede, derde en vierde verwerende partij eisen dat stuk 32 van eiser q.q. uit de debatten wordt geweerd. Eiser q.q. verzet zich hiertegen niet. Stuk 32 wordt geweerd uit de debatten. 5.2. De onontvankelijkheid van de gestelde vorderingen wordt niet betwist. De rechtbank ziet geen ambtshalve op te werpen middelen van onontvankelijkheid. V.A. Wat betreft de schenking van aandelen 5.3. Eiser q.q. steunt zich op artikel XX. 114 WER. Krachtens artikel XX.114 WER kunnen handelingen of betalingen verricht met bedrieglijke benadeling van de rechten van de schuldeisers niet worden tegengeworpen onverschillig op welke datum zij hebben plaatsgehad. De niet-tegenwerpelijkheid is een verplichte en geen facultatieve sanctie. Indien de rechter vaststelt dat de voorwaarden van artikel XX.114 WER zijn vervuld, dan moet hij de aangevochten handeling niet-tegenwerpelijk verklaren aan de boedel. Het volstaat voor de curator om aan te tonen dat de handeling of de betaling een abnormaal karakter heeft en dat de schuldenaar gehandeld heeft wetende dat zijn schuldeisers benadeeld zullen worden. 5.4. Voor de rechtbank bestaat er niet de minste twijfel dat met betrekking tot de geviseerde schenking van de 3750 aandelen in de “nieuwe” BV B. de toepassingsvoorwaarden van artikel XX.114 WER zijn voldaan. De rechtbank overweegt hetgeen volgt: 5.4.1. Tussen partijen wordt niet betwist dat voormelde 3750 aandelen tot het vermogen van eerste verweerder behoorde en dat deze aandelen deel uitmaakten van het onderpand van diens schuldeisers. 5.4.2. Eiser q.q. toont aan dat voldaan is aan de anterioriteitsvereiste, in zoverre dat noodzakelijk zou zijn in casu. Klassiek wordt aangenomen dat aan de anterioriteitsvereiste is voldaan wanneer tenminste één schuldvordering in de boedel dateert van vóór de aangevochten handeling. Hieruit zou volgen dat indien alle schuldeisers in de boedel vorderingen hebben welke ontstaan zijn na de betwiste handeling, de curator een vordering op grond van artikel XX.114 WER niet kan stellen. De rechtbank is van oordeel dat hierop evenwel uitzonderingen mogelijk zijn, bv. wanneer de geviseerde handeling werd gesteld met bedrieglijke intentie en erop gericht was toekomstige schuldeiser(
  2. s)te benadelen in een specifieke context van dreigende insolventie. Anders oordelen, zou aanzetten tot selectief betalingsgedrag in het voordeel van bestaande schuldeisers met als enige doel mogelijke pauliaanse vorderingen uit te schakelen, terwijl het netto-passief onveranderd blijft of zelfs nog stijgt. Selectieve betalingen die misschien net enkel mogelijk waren door nieuwe schulden onbetaald te laten. Een vermogen betreft een dynamisch en fluctuerend gegeven waarbij voortdurend de ene schuld wordt vervangen door een andere. Het louter feit dat de aard van een vermogensbestanddeel wijzigt, mag geen invloed hebben op de mogelijke vaststelling dat een bepaalde handeling werd gesteld met een bedrieglijke intentie om te benadelen. Het is o.a. net omdat de curator in rechte optreedt namens de massa en de gemeenschappelijke rechten van alle schuldeisers uitoefent – en niet hun individuele rechten – dat deze uitzondering kan verdedigd worden. In casu stelt de rechtbank vast dat A. Bank een schuldvordering heeft ingediend in het passief van eerste verweerder ten belope van 1.920.520,25 EUR. Verweerders argumenteren dat het veroordelend vonnis ten aanzien van A. Bank pas is tussengekomen op 8 juli 2021 terwijl de schenking al had plaatsgevonden op 8 januari 2021. Los van het gegeven dat in casu de enige vaste datum ten aanzien van derden , zoals eiser q.q., volgt uit de notariële akte van 27 september 2021 - zie art.8.22 BW - , acht de rechtbank de discussie omtrent de exacte datum van de schenking zelfs niet van belang. Immers, ook op 8 januari 2021 bestond de schuldvordering van A. Bank tegenover eerste verweerder reeds. Een schuldvordering ontstaat niet pas bij het bekomen van een uitvoerbare titel, zoals verweerders voorhouden. De borgstelling was al lange tijd opeisbaar gesteld. De inleidende dagvaarding uitgaande van A. Bank – wat toch als een ultieme ingebrekestelling mag aanzien worden – dateert reeds van 29 augustus 2019. 5.4.3. Eiser q.q. toont aan dat de handeling (schenking) abnormaal was en dat eerste verweerder wist dat de belangen van zijn schuldeisers zouden worden geschaad. Aandelen – die verweerders in voormelde notariële akte zelf pro-fisco hebben gewaardeerd op 264.112,50 EUR – om niet overdragen door middel van een schenking zonder enige last hieraan verbonden, houdt evident een benadeling van de rechten van de schuldeisers in. Schuldeisers zien hun onderpand kosteloos verdwijnen uit het vermogen van de schuldenaar. Eerste verweerder wist zeer goed – in het bijzonder omwille van het kosteloze karakter van de overdracht – dat hij door de schenking de belangen van zijn schuldeisers zou schaden. Het schenken van quasi het integrale vermogen in de situatie waarin eerste verweerder zich bevond, is abnormaal en geenszins te kaderen in een normaal beheer van vermogen. Het louter feit dat de begunstigden van de handeling de echtgenote en kinderen waren, toont des te meer – en ten overvloede – de abnormaliteit en wetenschap van benadeling aan. Verweerders houden voor dat de veroordelende uitspraak van 8 juli 2021 tot betaling van uiteindelijk bijna 2 miljoen euro (gelet op de rente) als een “complete verrassing” kwam. De rechtbank acht deze bewering niet ernstig. Een dagvaarding betekend op 29 augustus 2019 tot inning van een louter opgezegd krediet op 11 juli 2018 dat uitmondt in een veroordelend vonnis op 8 juli 2021, kan niet “verrassen”. Uit het vonnis blijkt dat eerste verweerder ten gronde zelfs niet heeft betwist te kunnen worden aangesproken als borgsteller. De tegeneis waarnaar verwezen wordt, ging uit van S. BE en werd ook afgewezen door de rechtbank. Deze tegenvordering was cijfermatig dermate beperkt dat deze nooit een impact kon hebben op de omvang van de veroordeling volgend uit de persoonlijke borgstelling in hoofde van eerste verweerder. 5.4.4. De schenking heeft niets te maken met een “een vooruitziende successieplanning“ in de mate dat dit al relevant zou kunnen zijn. Het louter feit dat eerste verweerder meent te kunnen denken over een “een vooruitziende successieplanning“ op een ogenblik dat een schuldeiser een procedure tegen hem voert tot veroordeling van minstens 1,15 miljoen EUR, toont genoegzaam het pauliaans bedrog in hoofde van eerste verweerder aan. De in de notariële akte overbodig opgenomen clausule “De geschonken aandelen zijn onaantastbaar en kunnen ook niet het voorwerp uitmaken van enig beslag door de schuldeisers van [eerste verweerder]” is minstens als “ongebruikelijk” te kwalificeren. 5.4.5. Wat de verwijzing naar de hangende beroepsprocedure tegen voormeld veroordelend vonnis betreft en de verwijten aan het adres van de curator wegens niet verderzetting ervan, wijst de rechtbank erop dat de schuldvordering van A. Bank werd aanvaard in een proces-verbaal van verificatie en dat verweerders geen betwistingen hebben gevoerd conform artikel XX.162 WER zodat conform artikel XX.119 WER de beroepsprocedure zonder voorwerp ten aanzien van de boedel is geworden. Over deze hangende beroepsprocedure stelt eerste verweerder nog in conclusie: “Eiser q.q. had de mogelijkheid om via de procedure in hoger beroep alsnog een redelijk afbetalingsplan te bekomen voor S. BE – en concluant, alsmede zijn failliete boedel te ontslaan van de persoonlijke schuld t.a.v. A. NV –, maar hij besloot daarentegen dit niet te doen en concluant daarenboven – onbegrijpelijk – te verdenken van bedrieglijk onvermogen.” De rechtbank ziet niet in hoe “een redelijk afbetalingsplan” voor hoofdschuldenaar S. BE tijdens een beroepsprocedure kon bekomen worden als S BE reeds definitief werd failliet verklaard op 6 september 2022. Bovendien is eiser q.q. geen curator van S. BE. Dat A. Bank geen afbetalingsplan toestaat aan een failliete onderneming is minstens niet “verrassend” te noemen. 5.4.6. Dat eerste verweerder in 2021 nog voor 305.619,45 EUR andere schulden zou betaald hebben, doet geen afbreuk aan de vaststelling dat eerste verweerder zijn resterend vermogen bewust heeft willen veiligstellen voor wat nog komen zou en dit ten nadele van zijn schuldeisers. 5.4.7. Verweerders houden tenslotte voor dat de schenking een “logische keuze” was in het vennootschapsbelang van BV B. aangezien deze geen krediet kon krijgen omwille van het eerdere faillissement van [BEL] dat gelieerd werd aan eerste verweerder. Door de banden door te knippen met eerste verweerder zou BV B. opnieuw kunnen “floreren”, aldus verweerders. In de mate dit al een relevant argument zou kunnen zijn – quod non –, stelt de rechtbank vast dat het faillissement van [BEL] dateert van 2014 zodat niet valt in te zien waarom de “kredietwaardigheid” van BV B. plots in januari 2021 zou gelinkt worden aan het louter aandeelhouderschap van eerste verweerder. Bovendien verantwoordt één en ander ook niet waarom het “doorknippen van de banden” dan zozeer kosteloos diende te gebeuren door een schenking in plaats van bv. een verkoop. De medeplichtigheid in hoofde van tweede, derde en vierde verwerende partij staat vast. Het volstaat vast te stellen zij hebben verkregen om niet. Bovendien acht de rechtbank tweede, derde en vierde verwerende partij wel degelijk te kwader trouw. Zij wisten waaraan zij hun medewerking verleenden en welk doel dit had. Conclusie: de voorwaarden van artikel XX.114 WER zijn voldaan met betrekking tot de voormelde 3750 aandelen in “nieuwe” BV B.. 5.5. Echter, de vaststelling dringt zich op dat tweede, derde en vierde verwerende partijen de 3750 aandelen op hun beurt hebben overgedragen aan een derde-onderverkrijger op 23 november 2023. Deze derde-onderverkrijger is niet betrokken in huidige zaak en hiertegen wordt geen vordering gesteld. Het geviseerde vermogensbestanddeel bevindt zich aldus niet meer in het vermogen van de derde-medeplichtige verkrijgers. Bij een overdracht gevat door artikel XX.114 WER, bestaat de vergoeding van de schade in beginsel hierin dat die overdracht niet tegenwerpelijk is aan de curator zodat hij tot executie op het overgedragen vermogensbestanddeel kan overgaan. Indien deze vorm van herstel in natura niet meer mogelijk is, kan de schuldeiser aanspraak maken op een vervangende vergoeding vanwege de derde-medeplichtige die in beginsel beperkt is tot de waarde van het vervreemde vermogensbestanddeel en dit ten belope van het bedrag van zijn schuldvordering (zie o.a. Cass. 9 februari 2006, AR C.03.0074.N ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060209.5). In de context van een faillissement wordt de maximumgrens op de restitutieaanspraak van de boedel door de curator gevormd door het totale faillissementspassief. 5.6. In casu vordert eiser q.q. van verweerders in hoofdorde een vervangende vergoeding ten belope van 160,67 EUR/aandeel x 3750 aandelen ofwel 602.512,50 EUR. In ondergeschikte orde vordert eiser q.q. een vergoeding van 70,43 EUR/aandeel x 3750 aandelen ofwel 264.112,50 EUR. Verweerders betwisten ondergeschikt de hoegrootheid van de gevorderde bedragen. Zij stellen dat de aandelen BV B. op het ogenblik van de schenking geen waarde hadden. De vennootschap zou een “lege doos” geweest zijn op het ogenblik van de schenking. Verweerders leggen in die zin een eigen waarderingsverslag voor. Ook wijzen verweerder erop dat zijzelf maar 1,00 EUR hebben ontvangen van de overnemer (derde onderverkrijger) van BV B.. 5.7. De vergoeding dient te worden bepaald op basis van de waarde van de onttrokken activa-bestanddelen. In beginsel dient de waarde te worden bepaald op het ogenblik van de dag van de rechterlijke uitspraak. Dat tweede, derde en vierde verwerende partij slechts 1,00 EUR als “doorverkoopprijs” hebben ontvangen, doet niet ter zake gelet op hun weerhouden kwade trouw. 5.8. In geval de geviseerde vermogensbestanddelen “aandelen” betreffen, is de bepaling van de vergoeding een delicate oefening. Zeker wanneer dit aandelen betreffen van een vennootschap die een bepaalde periode onder controle van de medeplichtigen is blijven staan. De waarde van aandelen kan immers fluctueren om zeer uiteenlopende redenen. Dat kunnen marktomstandigheden zijn, doch ook manipulaties. Gezien de vastgestelde kwade trouw, is het risico voor verlies of beschadiging voor rekening van de medeplichtige verkrijgers. Dit betekent dat een eventuele waardevermindering van de aandelen ten laste van medeplichtige verkrijgers zal komen, ook al is de schade opgetreden ten gevolge van een vreemde oorzaak. Alleen indien de medeplichtige verkrijgers kunnen aantonen dat de aandelen op dezelfde wijze zouden zijn teloorgegaan indien de aandelen bij eerste verweerder waren gebleven, dan kunnen zij voor dat verlies niet aangesproken worden. Te dezen stelt de rechtbank vast: - Dat alle in de notariële akte van 27 september 2021 verschenen partijen - zijnde de 4 verwerende partijen - voor het heffen van registratierechten verklaren en aanvaarden dat één aandeel van BV B. geschat wordt op 70,43 EUR en de 3750 aandelen op 264.112,50 EUR. - Dat de door de aandeelhouder goedgekeurde jaarrekening 2020 van BV B. een positief eigen vermogen uitdrukt van 615.547 EUR. - Dat de door de aandeelhouders goedgekeurde jaarrekening 2021 van BV B. een positief eigen vermogen uitdrukt van 816.034 EUR. - Dat de door de aandeelhouders goedgekeurde jaarrekening 2022 van BV B. een positief eigen vermogen uitdrukt van 844.479 EUR. Er wordt geen toelichting opgenomen. Deze jaarrekening van het boekjaar 2022 werd goedgekeurd door de algemene vergadering (bestaande uit tweede, derde en vierde verwerende partij), gehouden op van 2 september 2023, zijnde 2 maanden vóór de doorverkoop van de aandelen voor 1,00 EUR. - Dat de jaarrekening 2023 – zijnde de eerste jaarrekening die wordt goedgekeurd en neergelegd door de derde-onderverkrijger – een gelijkaardig positief eigen vermogen uitdrukt, dat zelfs nog zou zijn gestegen in vergelijking met 2022. Aangezien deze jaarrekening pas werd neergelegd na de laatste conclusietermijn van eiser q.q. voorzien op 16.01.2025 heeft eiser q.q. dit mondeling toegelicht ter zitting. Uit deze vaststellingen kan de rechtbank in elk geval niet afleiden dat de aandelen van BV B. waardeloos zouden zijn, zoals verweerders voorhouden. Niet op 27 september 2021, niet op 23 november 2023 en niet op heden. 5.9. Verweerders leggen een “verslag inzake waardering van de BV B.” neer - opgesteld door F. bedrijfsrevisoren op 30 januari 2024 - waaruit een negatieve waarde zou blijken ten belope van 1.375.890,20 EUR per 14 november 2023. Betrokken revisor voegt in haar besluit nog toe “bijgevolg lijkt de waardering aan 1 EUR, zoals geboden door een derde partij voor de totaliteit van de aandelen een verantwoord bod”. Het valt ook op dat de revisor op 30.01.2024 gewag maakt van een bod van 1 EUR, terwijl de doorverkoop aan 1 EUR al zou dateren van 23 november 2023. Dit door verweerders bijgebracht waarderingsverslag overtuigt de rechtbank op heden niet. Vooreerst lijkt het in overweging genomen boekhoudkundig eigen vermogen per 14.11.2023 niet correct te zijn of toch niet in lijn met hetgeen op zitting werd verklaard. Bovendien wordt uitgegaan van “assumpties” waarbij de opsteller meteen stelt “wij benadrukken dat deze assumpties door ons niet gecontroleerd werden.” Er werd met andere woorden gewerkt op loutere verklaring van verweerders die evident er alle belang bij hebben dat de waardering zo laag mogelijk is. Volgens deze “assumpties” zouden zich correcties opdringen ten belope van 823.906,41 EUR, hoewel deze assumpties eerder nooit werden verwerkt in jaarrekeningen of toelichtingen. Er wordt geen enkel stavingstuk gevoegd aan het verslag waaruit de onderbouw van deze correcties of de aard van de blijkbaar noodzakelijk af te waarderen vorderingen zou moeten blijken. 5.10. De rechtbank beschikt op heden over onvoldoende objectieve stukken om tot waardering van de kwestieuze aandelen over te gaan en om eventueel verlies (waardevermindering) te kunnen evalueren. De rechtbank stelt dan ook een gerechtsdeskundige aan met het oog op het verlenen van advies nopens de waardering van de aandelen van BV B. (met KBO-[….] ) op datum van huidige uitspraak en met de opdracht zoals omschreven in het beschikkend gedeelte. De deskundige zal eveneens een beschrijving willen geven van relevante (vrijwillige of onvrijwillige) gebeurtenissen of beslissingen met betrekking tot de BV B., situerend tussen 1 januari 2020 en heden, die een mogelijke impact op de waarde van de vennootschap zouden kunnen gehad hebben. Zo kan het voor het beoordelen van de casus van belang zijn te weten aan wie en wanneer NV B. in de periode 2020-2023 gelden heeft uitgeleend en waarom deze leningen – al dan niet geboekt als klantvorderingen – thans “oninbaar” of “dubieus” zouden zijn, zoals blijkt uit voormelde “assumpties”. Het kan uiteraard niet de bedoeling zijn om staande een procedure als deze, doelbewust gelden te onttrekken aan BV B. en over te hevelen naar verbonden ondernemingen om vervolgens voor te houden dat deze verbonden ondernemingen insolvabel zijn zodat de vorderingen als oninbaar dienen afgeboekt worden om zo de waardering van de BV B. negatief te beïnvloeden. De deskundige zal in die context de nodige aandacht willen besteden aan mogelijke manipulaties en deze willen beschrijven en stofferen teneinde de rechtbank hierover omstandig te kunnen adviseren. Het zal de verantwoordelijkheid zijn van verweerders om alle nuttige inlichtingen te verschaffen en stukken met betrekking tot BV B. te overhandigen aan de deskundige. Het is immers niet gelegen aan eiser q.q. dat hij als noodgedwongen ex-meerderheidsaandeelhouder geen toegang meer heeft tot de boekhoudkundige stukken van BV B.. Tweede, derde en vierde verwerende partij dienen de provisie van de deskundige voorlopig te betalen. Tenslotte argumenteren zij over de waarde van de aandelen tegen de door hen zelf goedgekeurde jaarrekeningen in. 5.11. In afwachting van het deskundig onderzoek en de latere definitieve begroting van de te betalen vergoeding, acht de rechtbank – gelet op hetgeen hierboven reeds geoordeeld en vastgesteld – het passend verweerders te veroordelen tot een provisie. De rechtbank benadrukt dat deze provisie bij de definitieve begroting kan evolueren in min of in meer, niets uitgesloten. De rechtbank is zich bewust dat het boekhoudkundig eigen vermogen op een jaarrekening een relatieve waarde heeft in het kader van waardering van aandelen. Echter, wanneer aan de rechtbank geen andere overtuigende elementen of stukken worden voorgelegd die een waarderingsoefening mogelijk maken, kan het door verweerders destijds zelf aanvaarde boekhoudkundig eigen vermogen wel dienstig zijn bij het bepalen van een provisie. Bovendien kan de rechtbank rekening houden met de eigen verklaringen van verwerende partijen in de notariële akte van 27 september 2021 wat betreft de waarde van de geschonken aandelen. Op basis van deze gronden begroot de rechtbank de te betalen provisie wat dit onderdeel van de vordering van eiser q.q. betreft op 285.525,00 EUR, gebaseerd op een provisionele waardering van 400.000,00 EUR voor 100% van BV B. met KBO-[…] De provisie wordt uitgesplitst als volgt: - Tweede verweerster voor 1124 aandelen aan 76,14 EUR ofwel 85.581,36 EUR - Derde verweerder voor 1313 aandelen aan 76,14 EUR ofwel 99.971,82 EUR - Vierde verweerster voor 1313 aandelen aan 76,14 EUR ofwel 99.971,82 EUR. V.B. Wat betreft de schenking van appartement na faillietverklaring 5.12. Overeenkomstig artikel XX.110 WER verliest de gefailleerde te rekenen van de dag van het vonnis van faillietverklaring, van rechtswege het beheer over al zijn goederen evenals over de goederen die hij tijdens de procedure verkrijgt op grond van een oorzaak die het faillissement voorafgaat. Alle betalingen, verrichtingen en handelingen van de gefailleerde gedaan vanaf de dag van het vonnis van faillietverklaring, kunnen niet aan de boedel worden tegengeworpen. In de mate dat het appartement te Argentinië aan het vermogen van eerste verweerder op datum van zijn faillietverklaring toebehoorde, kon eerste verweerder na diens faillietverklaring niet meer over het appartement beschikken en al zeker niet middels een schenking. Eerste verweerder betwist echter dat het appartement tot zijn vermogen behoorde. Het appartement zou in werkelijkheid een eigen goed van zijn echtgenote, zijnde tweede verweerster, geweest zijn. 5.13. Tussen partijen bestaat er geen discussie: - Dat eerste verweerder als enige eigenaar van het [….] Argentinië, gekend was bij de Argentijnse overheid op het ogenblik van zijn faillietverklaring op 11 oktober 2022. - Dat eerste verweerder als enige kopende partij wordt vermeld in de notariële aankoopakte van 14 december 2007. Hij koopt in eigen naam. Nergens in de aankoopakte wordt verwezen naar enig eigendomsrecht of voorbehoud ten aanzien van tweede verweerster. - Dat in de notariële aankoopakte van 14 december 2007 evenmin wordt gesteld dat de gelden gebruikt voor de aankoop, afkomstig zijn uit het eigen vermogen van tweede verweerster. - Dat in de notariële schenkingsakte van 22 november 2022 waarbij het appartement wordt geschonken enkel eerste verweerder verschijnt als “schenker” en “eigenaar” van het appartement. - Dat in deze schenkingsakte van 22 november 2022 nergens wordt verwezen naar enige bestaande rechten of aanspraken van tweede verweerster, terwijl tweede verweerster deze schenkingsakte ook voor akkoord en aanvaarding ondertekend heeft. - Dat de geviseerde schenking dateert van 22 november 2022, zijnde meer dan een maand na de datum van faillietverklaring van eerste verweerder. Gelet op bovenstaande vaststellingen ziet de rechtbank niet in hoe verweerders in huidige procedure kunnen volhouden dat niet eerste verweerder, maar wel tweede verweerster de enige eigenaar van het appartement zou geweest zijn. 5.14. Een buitenlandse authentieke akte strekt in België in beginsel tot bewijs. De akten zijn duidelijk en niet voor interpretatie vatbaar. Daarenboven dient vastgesteld dat tweede verweerster in de notariële schenkingsakte van 22 november 2022 heeft erkend dat niet zij eigenaar van het appartement was, doch wel eerste verweerder. De bewering dat in 2007 tweede verweerster als gehuwde vrouw niet in de mogelijkheid was een eigen onroerend goed aan te kopen in Argentinië en dat om die reden het appartement werd aangekocht op de enkele naam van eerste verweerder, volgt de rechtbank niet. Hoewel verwerende partijen argumenteren op basis van “het toenmalig Argentijns recht”, verwijzen zij naar geen enkel concreet wetsartikel. Eiser q.q. evenmin. De rechter wordt geacht het recht te kennen. Ook het Argentijns recht. In tegenstelling tot wat verweerders poneren was het ook vóór de ingrijpende wetswijziging van het Argentijns burgerlijke recht in 2015, mogelijk voor een gehuwde vrouw om een eigen onroerend goed aan te kopen in Argentinië. Overeenkomstig artikel 1246 van het toenmalig burgerlijk wetboek “Código Civil” kon een gehuwde vrouw een onroerend goed tijdens het huwelijk aankopen met eigen geld waarbij het onroerend goed wel degelijk haar eigendom bleef buiten elke aanspraak van de man. Dit op voorwaarde dat de aankoop met haar toestemming werd gedaan, dat het de expliciete bedoeling was dat zij de eigendom zou verkrijgen en dat dit alles expliciet werd vermeld in de aankoopakte, inclusief de herkomst van de eigen gelden van de vrouw. Volgens bepaalde rechtsleer en rechtspraak was en is het zelfs mogelijk om de omissie van deze verklaringen in de aankoopakte naderhand recht te zetten door deze verklaringen aanvullend te laten opnemen in een bijkomende akte tussen echtgenoten. Zie hierover o.a. Diego Mariano Mage, « Régimen patrimonial del matrimonio en el Código Civil » in Revista del Notariado 930 - 2017, p. 84-96. De rechtbank kan enkel vaststellen dat verwerende partijen geen verklaringen in die zin hebben opgenomen in de aankoopakte en ook niet in latere akten zulke verklaringen aanvullend hebben laten opnemen. Meer zelfs, verweerders hebben allen in de laatste notariële schenkingsakte van 22 november 2022 net het tegenovergestelde verklaard van hetgeen zij thans in procedure willen voorhouden. Dat de gelden waarmee eerste verweerder het appartement heeft aangekocht, hem ter beschikking zouden zijn gesteld van tweede verweerster, doet aan het bovenstaande geen afbreuk. Partijen zijn gehuwd met zuivere scheiding van goederen. Het loutere feit dat de ene echtgenoot gelden ter beschikking stelt aan de anderen echtgenoot, verleent geen eigendomsrecht op al hetgeen die echtgenoot ermee aankoopt. Ook niet naar Belgisch recht, in tegenstelling tot wat verweerders voorhouden. Tweede verweerders kan weliswaar aanspraken hebben op het vermogen van eerste verweerder, doch de rechtbank stelt vast dat tweede verweerster geen aangifte van schuldvordering heeft ingediend in het passief van eerste verweerder. Dat het Openbaar Ministerie het strafdossier heeft geseponeerd aangezien er een burgerlijke zaak van de curator hangende is, doet ook aan bovenstaande geen afbreuk. De vordering van eiser q.q. is gegrond. De schenking van het appartement zoals uitgevoerd bij notariële akte van 22 november 2022 is niet tegenstelbaar aan de failliete boedel. Het is de curator die beslist welke vordering hij opportuun acht en hoe hij deze vordering stelt. De rechter mag niet ambtshalve de gevorderde niet-tegenwerpelijkheid veranderen in een geldelijke schadevergoeding (vergelijk Cass. 25 oktober 2001, Arr.Cass. 2001, 1771). Nochtans staat vast dat tweede, derde en vierde verwerende partij ook met betrekking tot (het aanvaarden van) deze schenking te kwader trouw hebben gehandeld. Zij zijn niet onwetend en hebben aan deze ontdraging doelbewust meegewerkt. 5.15. Eiser q.q. vordert verder van verweerders een bijkomende schadevergoeding uit hoofde van o.a. waardeverlies ingevolge vastgestelde muntdevaluatie en uit hoofde van genotsverlies. Op heden is het te voorbarig om de totale schade veroorzaakt door de foutieve handeling (in casu de schenking na faillietverklaring) te begroten, als er al sprake is van bijkomende schade. Of en in welke mate er bijkomende schade is of zal ontstaan, die niet hersteld is door de niet-tegenstelbaarverklaring, is op heden ongekend. Gezien de zeer specifieke omstandigheden, kunnen er nog obstakels opduiken die op heden niet gekend zijn. Of de loutere niet-tegenstelbaarverklaring – zoals gevorderd door de curator – zal leiden tot integrale genoegdoening en herstel in hoofde van eiser q.q., kan ook afhangen van de medewerking van verweerders in de toekomst in deze. Om die reden houdt de rechtbank de vordering tot veroordeling van een eventuele schadevergoeding (bijkomend naast de niet-tegenstelbaarheid) lastens verweerders met betrekking tot de schenking van voormeld appartement aan. Afhankelijk van de mogelijke gevolgen van dit tussenvonnis, kan de zaak wat deze bijkomende schadevergoeding betreft in staat worden gesteld door de meest gerede partij. 5.16. Behoudens de uitzonderingen die de wet bepaalt of tenzij de rechter, ambtshalve of op verzoek van een van de partijen, bij met bijzondere redenen omklede beslissing anders beveelt, onverminderd artikel 1414 Ger.W., zijn de eindvonnissen uitvoerbaar bij voorraad, zulks niettegenstaande hoger beroep en zonder zekerheidsstelling indien de rechter deze niet heeft bevolen (art. 1397, lid 1 Ger.W.). Partijen argumenteren niet op een concrete wijze waarom de rechtbank in deze zaak zou moeten afwijken van dit principe. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad. VI. BESLISSING De rechtbank doet recht op tegenspraak en op grond van alle bovenstaande redenen, alle verdere en meer uitgebreide of strijdige conclusies verwerpende als zijnde niet-gegrond of niet ter zake dienend. De rechtbank verklaart zich bevoegd tot kennisname van de vordering. Verklaart de vorderingen van eiser q.q. ontvankelijk en gegrond in volgende mate: - Zegt voor recht dat de schenking van de aandelen van de BV B. door de heer LVN , gedaan aan mevrouw KB (1124 aandelen), EVN (1313 aandelen) en AVN (1313 aandelen), en zoals opgenomen in de notariële akte van 27.09.2021, in toepassing van art. XX.114 WER niet tegenstelbaar is aan eiser q.q. / de faillissementsboedel van de heer LVN - Veroordeelt mevrouw KB tot het betalen van een schadevergoeding aan eiser q.q. , op heden begroot op een provisie van 85.581,36 EUR. Voor de definitieve begroting van de schadevergoeding waartoe zij dient veroordeeld met betrekking tot de schenking van aandelen, wordt de zaak naar de rol gestuurd in afwachting van het gerechtsdeskundig onderzoek zoals hierna bevolen. - Veroordeelt de heer EDN tot het betalen van een schadevergoeding aan eiser q.q. , op heden begroot op een provisie van 99.971,82 EUR. Voor de definitieve begroting van de schadevergoeding waartoe hij dient veroordeeld met betrekking tot de schenking van aandelen, wordt de zaak naar de rol gestuurd in afwachting van het gerechtsdeskundig onderzoek zoals hierna bevolen. - Veroordeelt mevrouw AsDN tot het betalen van een schadevergoeding aan eiser q.q. , op heden begroot op een provisie van 99.971,82 EUR. Voor definitieve begroting van de schadevergoeding waartoe zij dient veroordeeld met betrekking tot de schenking van aandelen, wordt de zaak naar de rol gestuurd in afwachting van het gerechtsdeskundig onderzoek zoals hierna bevolen. - Stelt aan als deskundige, de heer JM bedrijfsrevisor, met kantoor […] met als opdracht: - advies te verlenen over de waarde van de aandelen van BV B. […] met waardebepaling op datum van dit vonnis, en dit aan de hand van verschillende waarderingsmethodes zodat de rechtbank een passende keuze kan maken bij latere beoordeling; en te duiden waarom de toepassing van de ene dan wel van de andere waarderingsmethode meer of minder adequaat zou zijn in deze casus; - te adviseren over de invloed van het waargenomen bestuur over BV B. [..] op de waarde van de aandelen in de periode 1 januari 2021 tot op heden, in het licht van het gestelde onder randnummers 5.8, 5.9 en 5.10 van dit vonnis; - de aan te nemen waardeverminderingen of normalisaties (door verweerders omschreven als “assumpties”) te beschreven en te documenteren met stukken, o.a. in het licht van het gestelde onder randnummers 5.8, 5.9 en 5.10 van dit vonnis; - te antwoorden op alle nuttige en dienstige vragen door partijen gesteld; te bemiddelen en te pogen partijen te verzoenen teneinde eventueel een minnelijke regeling te bereiken. Zegt dat de deskundige over een termijn van acht dagen na de kennisgeving van dit vonnis zal beschikken om desgewenst de opdracht met behoorlijk omklede redenen te weigeren. Zegt dat de deskundige en de partijen zich naar aanleiding van het deskundig onderzoek verder dienen te gedragen naar de bepalingen van de artikelen 962 tot 991bis van het Gerechtelijk Wetboek, waarbij als volgt dient te worden gehandeld: Zegt dat de deskundige beschikt over 15 dagen na kennisgeving om de plaats, de dag, en het uur van de aanvang van zijn werkzaamheden mee te delen. De deskundige geeft hiervan kennis bij een ter post aangetekende brief aan de partijen en bij gewone brief aan de rechter en de raadslieden; De deskundige zal in de loop van zijn opdracht zelf bepalen of het noodzakelijk is om al dan niet een beroep te doen op technische raadgevers; De deskundige zal aan de partijen zelf een raming laten geworden van de algemene kostprijs van het deskundigenonderzoek of tenminste van de manier waarop zijn kosten en ereloon en de kosten en het ereloon van de eventuele technische raadgevers zullen berekend worden; Het voorschot voor de deskundige wordt bepaald op 6.050,00 €. Het voorschot dient door tweede, derde en vierde verwerende partij, elk voor één derde, te worden geconsigneerd ter griffie (rek. nr. [….]) binnen een termijn van 14 dagen na aanvaarding van de opdracht door de deskundige; Het redelijk deel van het voorschot dat kan worden vrijgegeven aan de deskundige, wordt bepaald op 3.025,00 EUR en wordt vrijgegeven binnen een termijn van 10 dagen na ontvangst. De deskundige zal zelf de redelijke termijn bepalen waarbinnen de partijen hun opmerkingen kunnen laten gelden aangaande zijn voorlopig advies. De termijn voor het neerleggen van het eindverslag wordt bepaald op vier maanden vanaf de datum waarop de deskundige zijn werkzaamheden zal hebben aangevat, onverminderd artikel 972bis, § 2, tweede lid van het Gerechtelijk Wetboek. Zeggen dat het de deskundige verboden is een rechtstreekse betaling van een partij in het geding te aanvaarden (artikel 509quater van het Strafwetboek). Zeggen dat het deskundigenonderzoek wordt uitgevoerd onder toezicht van dienstdoende voorzitter van deze ondernemingsrechtbank. Met het oog op een efficiënt verloop van de expertises en uit organisatorische overwegingen, dient de briefwisseling (bijv. aanvaarding opdracht, aanvraag termijnverlenging of bijkomende provisionering) voortaan te gebeuren via volgend e-mailadres: orb.gent.desk@just.fgov.be. - Zendt de zaak naar de rol in afwachting van het deskundig onderzoek en verdere instaatstelling. - Zegt voor recht de schenking van het appartement […] Argentinië, door LVN aan EVN en ADN, zoals opgenomen in de (buitenlandse) notariële akte van 22 november 2022 verleden voor notaris […] en het daarin toegestane vruchtgebruik aan mevrouw KB , niet tegenstelbaar is aan concluant qq. / de faillissementsboedel van de heer LVN - Houdt de vordering van eiser q.q. lastens verweerders tot veroordeling van een schadevergoeding met betrekking tot de schenking van het voormelde appartement aan en zendt de zaak wat dit onderdeel betreft naar de rol. - Houdt de zaak aan wat de kosten betreft. - Verklaart dit tussenvonnis uitvoerbaar bij voorraad. ***** Gewezen op tegenspraak door de Tweede Kamer van de Ondernemingsrechtbank van Gent – Afdeling Gent, samengesteld uit: V. Verlaeckt, rechter en voorzitter van de kamer, [… ]en […] , rechters in ondernemingszaken, en uitgesproken door de voorzitter van de kamer in openbare terechtzitting op 20 mei 2025 in aanwezigheid van […], griffier. Gerelateerde publicatie(
  3. s)citeert: ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060209.5 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.