← België

ECLI:BE:ORGNT:2025:JUG.20250520.4

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Ondernemingsrechtbank Gent Vonnis/arrest van 20 mei 2025 ECLI nr: ECLI:BE:ORGNT:2025:JUG.20250520.4 Rolnummer: O/25/00483 Rechtsgebied: Insolventierecht Invoerdatum: 2025-05-21 Raadplegingen: 496 - laatst gezien 2026-06-16 05:25 Fiche 1 Er mag van elke ondernemer worden verwacht dat hij zijn beroep uitoefent met de nodige zorgvuldigheid, onder meer wat betreft de naleving van fiscale en sociaalrechtelijke verplichtingen, alsook dat hij een bijzondere zorg besteedt aan het beoordelen van de risico's die zijn activiteit inhoudt. Het niet voeren van een boekhouding en het negeren van eender welke fiscale verplichting, is een kennelijk grove fout. Het spoor van vernieling aangericht door verweerder is aanzienlijk. Niet in het minst wat betreft de publieke middelen. De houding van verweerder – die in alle opzichten niet overeenstemt met de maatschappelijke en economische normen - kan niet geduld worden in het handelsverkeer. UTU-thesaurus: HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - INSOLVENTIE Vrije woorden: Bestuursverbod - ondernemingsverbod Wettelijke bepalingen: Wetboek van economisch recht - 28-02-2013 - XX.229 - 19 ELI link Pub nr 2013A11134 Fiche 2 Verweerder erkent fouten te hebben gemaakt en biedt zijn excuses aan. Schuldinzicht is belangrijk, doch zulke excuses maken de begane fouten daarom niet minder grof of maken de veroorzaakte schade daarom niet minder groot. Het economisch weefsel dient beschermd te worden tegen verweerder en eventuele nieuwe avonturen. Op heden mist verweerder de nodige vaardigheden en kennis om te ondernemen. Bovendien is een tijdelijk verbod ook passend gelet op het kennelijk grof karakter van de weerhouden fouten. UTU-thesaurus: HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - INSOLVENTIE Vrije woorden: Bestuursverbod - ondernemingsverbod Wettelijke bepalingen: Wetboek van economisch recht - 28-02-2013 - XX.229 - 19 ELI link Pub nr 2013A11134 Fiche 3 Het Openbaar Ministerie vordert een verbod van 7 jaar. De opgesomde feiten en fouten betreffen telkenmale handelingen dewelke geenszins verenigbaar zijn met een normaal economisch handelen, hetgeen noodzaakt tot het opleggen van een beroepsverbod van 4 jaar effectief. De rechtbank houdt eveneens rekening met huidige medische toestand van verweerder en het traject dat dienaangaande nog dient afgelegd te worden. UTU-thesaurus: HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - INSOLVENTIE Vrije woorden: Bestuursverbod - ondernemingsverbod Wettelijke bepalingen: Wetboek van economisch recht - 28-02-2013 - XX.229 - 19 ELI link Pub nr 2013A11134 Tekst van de beslissing Ondernemingsrechtbank Gent – Afdeling Gent, Tweede kamer De rechtbank heeft volgend vonnis verleend in de zaak van O/25/00483 ******************** Procureur des Konings bij de Rechtbank van Eerste Aanleg Oost-Vlaanderen – Afdeling Gent, woonst kiezend op zijn parket te 9000 Gent, Opgeëistenlaan 401/B. Eiser In de persoon van eerste substituut-procureur des Konings, [..] V.C. Verweerder Hebbende als raadsman mr. G.T met kantoor […] I. Informatie over de procedure 1.

  1. Het geding werd ingeleid met dagvaarding betekend op 10 april
  2. De rechtbank heeft de eisende partij op de zitting van 29 april in raadkamer gehoord, waarna de debatten werden gesloten en de zaak in beraad werd genomen. De rechtbank heeft kennis genomen van het rechtsplegingsdossier en de neergelegde stukken. De bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken worden nageleefd. II. Samenvatting van de relevante feiten 2.
  3. De verweerder werd in staat van faillissement verklaard bij vonnis van deze rechtbank van 26 juli
  4. Op 10 april ging de Procureur des Konings, eiser, over tot dagvaarding van verweerder in toepassing van artikel XX.229 WER. III. De vorderingen 3.
  5. In de dagvaarding, betekend op 10 april 2025, vordert de procureur des Konings om: In toepassing van artikel XX.229 van het Wetboek van Economisch Recht te horen zeggen bij een met redenen omkleed vonnis dat het gedaagde verboden wordt om persoonlijk of door een tussenpersoon, een onderneming uit te baten en enige taak uit te oefenen die de bevoegdheid inhoudt om een rechtspersoon rechtsgeldig te verbinden gedurende een termijn van minstens 7 jaar effectief. De Procureur des Konings is van oordeel dat verweerder een kennelijk grove fout heeft begaan die heeft bijgedragen tot zijn faillissement. Deze kennelijk grove fout kan – aldus de Procureur des Konings – worden afgeleid uit de volgende omstandigheden: […]
  6. Er werden middelen van de vennootschap VOF N gebruikt voor persoonlijke doeleinden en voor doeleinden gelinkt aan andere vennootschappen van de qefailleerde. - Mr. C.J. maakte in haar memorie in het faillissement van de VOF N (stuk 3) melding van verschillende (aanzienlijke) rekeningen-courant gelinkt aan gefailleerde en zijn vennootschappen. Uit de goedgekeurde en neergelegde jaarrekening per 31.12.2020 blijkt een 4-delige rekening-courant op de actief-zijde: o R/C V.C. : 45.912,19 euro o R/C RFI : 780,84 euro o R/C THG : 3.977,97 euro - Daarnaast werd er volgens curator C.J. via Europabank een piano geleaset, die nooit in de zaak heeft gestaan, maar wel bij de (ex-)partner van V.C. die pianolerares is. - De overige bestuurders wijten het faillissement van VOF N aan het gedrag en de handelingen van gefailleerde, onder meer aan de feiten zoals hierboven beschreven (stuk 4) - Gefailleerde gaf in zijn verhoor d.d. 21.01.2025 (stuk 5) toe dat hij zichzelf geen loon uitkeerde, maar leefde via de rekening-courant. Sinds de ruzie in 2021 heeft hij zich niets meer aangetrokken van de vennootschappen, hij heeft zich toen de tekorten die hij nog "te goed had" van bezoldigingen aan zichzelf uitgekeerd, maar niet op de juiste manier. Hij geeft toe dat er een leasing was voor een piano die gebruikt werd door Anasatiia en die bij haar op school stond, maar die eigenlijk in het restaurant moest staan. Het was de bedoeling dat het van zijn bezoldiging zou gaan.
  7. Er werden onregelmatigheden begaan in het bestuur van BV RFI - Op 14.06.2022 werd aangifte gedaan van staking van betaling. Deze aangifte van het faillissement werd laattijdig gedaan; de datum van staking van betaling situeert zich onmiskenbaar al veel eerder (stuk 6 en 7): o Vonnis d.d. 13.12.2019 op eis van PB (tegenspraak): 4.914,83 euro o Uitbating gestopt op 01.07.2020 o 3 beslagen door PM op 18.12.2020 o Opeisbare vennootschapsbelasting 2020 t.b.v. 10.3736,06 euro op 11.10.2021 o Liantis voor PT niet betaald voor 2019/3+4, 2020/4, 2021/1+2+3+4 en 2022/1+2 o Liantis voor V.C.: niet betaald voor 2021/4 en 2022/2 - Er werden coronapremies teruggevorderd door VLAIO: vanaf 21.08.2020 werd voor een totaal bedrag van 30.550 euro aan premies aangevraagd en bekomen, terwijl de uitbating reeds gestopt was op 01.07.
  8. De premies werden dus frauduleus aangevraagd. - Er werd misbruik gemaakt van geduldige schuldeisers zoals FOD Financien, Liantis Sociaal Verzekeringsfonds. - Blijkens de memorie van de curator waren er geldtransfers tussen de verschillende vennootschappen van gefailleerde via rekening-courant die niet te volgen is. (stuk 8) - Medebestuurder AK wist in feiten niets over de uitbating van deze vennootschap (stuk 9) - Gefailleerde verklaarde zelf tijdens zijn verhoor dat hij te ambitieus en te optimistisch was en misschien nog wat te jong. Hij heeft 10.000 euro uit VOF N gehaald om de frituur over te nemen. Er werden coronapremies aangevraagd op basis van het financieel plan dat te hoog gegrepen was. Hij wist niet hoe een faillissement in elkaar zat en hoe je dit moest aanvragen. Hij weet niet hoe de verschillende R/C in elkaar zaten; hij wou de vennootschap redden en gebruikte daarvoor geld van de andere. (stuk 5) - Er werd geen jaarrekening neergelegd voor het boekjaar eindigend op 30.06.2020 en 30.06.
  9. Er werden onregelmatigheden begaan in het bestuur van BV THG - In zijn memorie haalt de curator aan dat er fondsen van de éne naar de andere vennootschap werden doorgesluisd zonder dat hiertoe enige economische reden bestond. (stuk 11) - VLAIO vordert coronapremies terug omdat uit een controle is gebleken dat de onderneming onterecht een aanvraag corona hinderpremie heeft ingediend. (zie schuldvorderingen) De premie was enkel voor ondernemingen die verplicht dienden te sluiten en dit ging om winkels en horecazaken, alsook vrij publiek toegankelijke locaties, maar dat had deze onderneming niet. Er werd dus een valse verklaring op eer ingediend. Voor andere ontvangen premies was de omzetdaling niet aangetoond. - Er werd geen jaarrekening neergelegd voor het boekjaar eindigend op 31.12.2020 (en 31.12.2021). (stuk 12) - Na faillissement werd overigens nog actief weggemaakt. Na aangifte faling werd er op 05.07.2022 nog een voorschotfactuur opgemaakt aan en betaald door SG (cfr. Schuldvorderingen), terwijl de bestuurder wist of had moeten weten dat de werken niet meer uitgevoerd zouden worden. (stuk 13) - Medebestuurder A.K wist in feiten niets over de uitbating van deze vennootschap (stuk 9) - Gefailleerde verklaarde zelf tijdens zijn verhoor dat hij er aan is begonnen zonder de sector te kennen, dat hij zichzelf amper een loon uitkeerde en leefde via de rekening-courant, dat hij te hoge coronapremies heeft aangevraagd, dat hij niet wist hoe een faillissement werkte en dacht dat hij nog verder mocht doen. Het voorschot dat geïnd werd na faillissement ging naar hemzelf en zijn zus die als werknemer voor hem werkte. (stuk 5) Gefailleerde werd reeds herhaaldelijk veroordeeld door de politierechtbank wegens verkeersmisdrijven. Hij werd ook reeds correctioneel veroordeeld wegens diefstal, heling en opzettelijke slagen en verwondingen. Bovendien werd hij op 07.06.2024 door de correctionele rechtbank van Gent geinterneerd wegens inbreuken op de drugswetgeving. De strafuitvoeringsrechtbank heeft hem op 12.12.2024 vrijgelaten op proef. Gefailleerde is sindsdien residentieel opgenomen in het Psychiatrisch Centrum van Sleidinge. (stuk 14) 3.
  10. Verweerder verschijnt en legt een brief aan de rechtbank neer: SCHULDBEKENTENIS EN VERKLARING OP EER Ondergetekende, V.C., verklaar hierbij uitdrukkelijk en op eer dat ik in het verleden ernstige fouten heb gemaakt als bestuurder en medezaakvoerder in verschillende vennootschappen, waaronder VOF, RFI en THR lk neem de volledige verantwoordelijkheid op mij voor het feit dat ik niet over de nodige kennis en ervaring beschikte om mijn rol als ondernemer op een correcte en wettelijk conforme manier uit te oefenen. Deze tekortkomingen hebben geleid tot verkeerde beslissingen, administratieve nalatigheden en het aanvragen van coronasteun waarvoor ik achteraf gezien niet correct in aanmerking kwam. Deze fouten zijn het gevolg van mijn eigen gebrek aan inzicht, slordigheid en een onvoldoende bewustzijn van de wettelijke verplichtingen die mijn functies met zich meebrachten. ik wens nadrukkelijk te erkennen dat deze fouten niet het gevolg zijn van externe omstandigheden alleen, maar in hoofdzaak te wijten zijn aan mijn eigen handelen — of het gebrek daaraan. Er was geen sprake van kwaad opzet, maar ik ben mij bewust dat mijn intenties er niet toe doen tegenover de gevolgen van mijn daden. Mijn nalatigheid heeft geleid tot misbruik van publieke middelen, hoe onbedoeld dat ook was, en dat beschouw ik als een zware fout. Ik heb lange tijd geprobeerd deze fouten te rationaliseren of te minimaliseren, maar dat doe ik nu niet meer. ik besef intussen dat alleen een volledige en eerlijke erkenning de basis kan vormen voor herstel. Daarom volg ik momenteel een opleiding Boekhouden aan de Hogeschool VIVES te Kortrijk, met de bedoeling mijn tekort aan kennis recht te zetten, inzicht te verwerven in correcte bedrijfsvoering, en mij opnieuw op te bouwen als een verantwoordelijke burger en ondernemer. Ik bied mijn oprechte verontschuldigingen aan aan alle betrokkenen — de overheid, schuldeisers, voormalige vennoten, en anderen die mogelijks schade hebben ondervonden door mijn fouten. lk vraag hierbij ook aan de rechtbank om mijn schuldbekentenis te aanvaarden als blijk van mijn spijt en mijn inzet om de nodige lessen te trekken uit het verleden. Op eer verklaard, C.V. Verweerder vordert bij monde van zijn raadsman om geen beroepsverbod op te leggen. In ondergeschikte orde vraagt hij de termijn van het beroepsverbod te milderen. IV. De Beoordeling Ontvankelijkheid 4.
  11. Middelen van onontvankelijkheid worden niet opgeworpen. De rechtbank ziet geen redenen om dit ambtshalve te doen. De vordering is ontvankelijk. De grond van de zaak 4.
  12. Het van toepassing zijnde artikel XX.229 WER luidt als volgt: §
  13. De insolventierechtbank die het faillissement heeft uitgesproken of, wanneer het faillissement in het buitenland is uitgesproken de insolventierechtbank te Brussel, kan, indien blijkt dat een kennelijke grove fout van de gefailleerde heeft bijgedragen tot het faillissement, deze bij een met redenen omkleed vonnis verbod opleggen persoonlijk of door een tussenpersoon een onderneming uit te baten. §
  14. (…) §
  15. Voor de toepassing van dit artikel worden met de gefailleerde gelijkgesteld, de bestuurders en zaakvoerders van een failliet verklaarde rechtspersoon wier ontslag niet een jaar voor de faillietverklaring is bekendgemaakt, alsmede enig ander persoon die zonder beheerder of zaakvoerder te zijn, werkelijk de bevoegdheid zal gehad hebben de failliet verklaarde rechtspersoon te beheren. §
  16. Daarenboven kan de ondernemingsrechtbank die het faillissement van de rechtspersoon heeft uitgesproken, of de insolventierechtbank te Brussel wanneer het in het buitenland is uitgesproken, indien blijkt dat een kennelijke grove fout van een van de personen, krachtens paragraaf 3 gelijkgesteld met de gefailleerde, heeft bijgedragen tot het faillissement, aan deze persoon bij een met redenen omkleed vonnis het verbod opleggen om persoonlijk of door een tussenpersoon, enige taak die de bevoegdheid inhoudt om een rechtspersoon rechtsgeldig te verbinden. §
  17. De duur van het verbod bepaald in de paragrafen 1, 3 en 4 wordt vastgesteld door de rechtbank. Hij bedraagt maximum tien jaar. (…) §
  18. De rechtbank kan het verbod voorwaardelijk opleggen voor een duur van drie jaar of de uitspraak opschorten voor een zelfde duur. 4.
  19. De in het voormeld artikel aangehaalde ‘kennelijk grove fout’ betreft een ernstige inbreuk op de essentiële normen van het vennootschapsleven of een flagrante fout die getuigt van een niet verschoonbare lichtzinnigheid of onzorgvuldigheid. Het kennelijk karakter duidt erop dat het een manifeste fout betreft die ook als dusdanig door elk redelijk voorzichtig en vooruitziend ondernemer wordt aanzien. De kennelijk grove fout kan bestaan uit een geheel van feiten en gedragingen die door hun samenhang als kennelijk grof worden beschouwd. Dat de fout moet ‘bijgedragen’ hebben tot het faillissement, houdt in dat de fout een aandeel moet gehad hebben in de daaropvolgende faillietverklaring. Het faillissement moet mee veroorzaakt moet zijn door de kennelijk grove fout. Niet vereist is dat deze fout de enige, de belangrijkste of de noodzakelijke oorzaak van het faillissement is. 4.
  20. De rechtbank besluit uit de feiten en gegevens, zoals door de Procureur des Konings aangebracht, dat er sprake is van een kennelijk grove fout in hoofde van verweerder. De feiten en gegevens zoals aangebracht door de Procureur des Konings herneemt de rechtbank hier en maakt deze tot de zijne. Het persoonlijk faillissement kent op vandaag een passief van 137.965,00 EUR. Verweerder was bestuurder in drie vennootschappen: VOF N, BV RFI en BV THG. Het passief bedraagt: - 211.167,41 EUR voor de VOF N - 84.717,25 EUR voor de BV RFI - 70.145,23 EUR voor de BV THG In elk van deze vennootschappen heeft de gefailleerde zich schuldig gemaakt aan diverse kennelijk grove fouten, dan wel aan gedragingen die in onderlinge samenhang als een kennelijk grove fout moeten worden aangemerkt. Gemeenschappelijk aan de ondernemingen die verweerder heeft gevoerd, kan vastgesteld worden: - Dat elk respect voor het afgescheiden vennootschapsvermogen ontbreekt in hoofde van verweerder, met volledige boedelvermenging tot gevolg. - Dat verweerder de meest diverse activiteiten op een onbezonnen wijze heeft aangevat zonder enige kennis van de sector. - Dat elementaire kennis inzake bedrijfsvoering en boekhouding ontbreekt in hoofde van verweerder. - Dat fiscale, sociale en boekhoudkundige verplichtingen systematisch werden genegeerd. - Dat het passief onnodig werd verhoogd door laattijdige neerlegging staking van betaling. - Dat verweerder zijn levensbehoeften voldoet met kasmiddelen van de vennootschappen die op rekening courant worden onttrokken, zonder enige fiscale of sociaalrechtelijke afrekening. - Dat significante bedragen aan onterechte coronasteun werden verbruikt. Samengevat kan gesteld worden dat verweerder op heden ongeschikt is om zich te begeven in het handelsverkeer. Het spoor van vernieling aangericht door verweerder is aanzienlijk. Niet in het minst wat betreft de publieke middelen. De houding van verweerder – die in alle opzichten niet overeenstemt met de maatschappelijke en economische normen - kan niet geduld worden in het handelsverkeer. Zoals zelf aangegeven door verweerder ter zitting, bestaat er ook een medische problematiek in hoofde van verweerder. Er is sprake van een tijdelijke residentiële opname. In elk geval, staat vast dat verweerder zich onvoorbereid in het handelsverkeer begaf. Er mag van elke ondernemer worden verwacht dat hij zijn beroep uitoefent met de nodige zorgvuldigheid, onder meer wat betreft de naleving van fiscale en sociaalrechtelijke verplichtingen, alsook dat hij een bijzondere zorg besteedt aan het beoordelen van de risico's die zijn activiteit inhoudt. Het niet voeren van een boekhouding en het negeren van eender welke fiscale verplichting, is een kennelijk grove fout. Verweerder betwist ook niet dat hij kennelijk grove fouten heeft begaan. 4.
  21. Dat de fout moet ‘bijgedragen’ hebben tot het faillissement, houdt in dat de fout een aandeel moet gehad hebben in de daaropvolgende faillietverklaring. Het faillissement moet mee veroorzaakt moet zijn door de kennelijk grove fout. Niet vereist is dat deze fout de enige, de belangrijkste of de noodzakelijke oorzaak van het faillissement is. Een onderneming kan niet op een duurzame wijze met enige kans op succes gevoerd worden wanneer de onderneming niet op regelmatige wijze haar sociale en fiscale verplichtingen voldoet en of geen correcte, accurate boekhouding voert. Dergelijk verzuim heeft o.a. tot gevolg dat een vertekend beeld wordt gecreëerd met betrekking tot de reële liquiditeitsvereiste en de reële rendabiliteit van de activiteit. Een nauwkeurige opvolging van de financiële situatie van de onderneming wordt hierdoor moeilijk, zo niet onmogelijk. Deze opvolging is nochtans noodzakelijk om correcte beleidsbeslissingen te kunnen nemen, om tijdig te kunnen reflecteren over de toekomst van de onderneming, om desgevallend herstelmaatregelen te nemen, dan wel om de activiteiten te stoppen. Dit gebrek aan opvolging heeft bijgedragen tot de faillietverklaring. 4.
  22. De rechtbank verwijst ook naar de brief neergelegd door de verweerder. Hij erkent fouten te hebben gemaakt en biedt zijn excuses aan. Schuldinzicht is belangrijk, doch zulke excuses maken de begane fouten daarom niet minder grof of maken de veroorzaakte schade daarom minder groot. Verweerder deelt mee dat hij momenteel een opleiding boekhouden aan de Hogeschool VIVES te Kortrijk volgt “met de bedoeling mijn tekort aan kennis recht te zetten, inzicht te verwerven in correcte bedrijfsvoering, en mij opnieuw op te bouwen als een verantwoordelijke burger en ondernemer”. Ter zitting geeft verweerder aan te begrijpen dat hij op heden niet geschikt geacht wordt om te ondernemen, doch hij vraagt een perspectief om eventueel in de toekomst een nieuwe kans te krijgen. Het Openbaar Ministerie vordert een verbod van 7 jaar. Op grond van het voorgaande is de rechtbank dan ook van oordeel dat aan de toepassingsvoorwaarden van artikel XX.229 WER voldaan is. Voor de rechtbank bestaat er geen twijfel dat op heden het economisch weefsel dient beschermd te worden tegen verweerder en eventuele nieuwe avonturen. Op heden mist verweerder de nodige vaardigheden en kennis om te ondernemen. Bovendien is een tijdelijk verbod ook passend gelet op het kennelijk grof karakter van de weerhouden fouten. De hierboven opgesomde feiten en fouten betreffen telkenmale handelingen dewelke geenszins verenigbaar zijn met een normaal economisch handelen, hetgeen noodzaakt tot het opleggen van een beroepsverbod van 4 jaar effectief. De rechtbank houdt eveneens rekening met huidige medische toestand van verweerder en het traject dat dienaangaande nog dient afgelegd te worden. 4.
  23. Waar artikel 279

(1), 4°, W.Reg. in een vrijstelling van rolrechten voorziet voor alle zaken die ingeleid worden in het kader van Boek XX WER, met betrekking tot de insolventie van ondernemingen, is er geen aanleiding om in toepassing van artikel 269
(2)§ 1 W.Reg. enige veroordeling tot betaling van rolrechten uit te spreken. 4.7. Alle andere besluiten wijst de rechtbank af als ongegrond of niet ter zake dienend. ******************** I. Beslissing De rechtbank doet recht op tegenspraak en op grond van alle bovenstaande redenen, alle verdere en meer uitgebreide of strijdige conclusies verwerpende als zijnde niet-gegrond of niet ter zake dienend. De rechtbank verklaart zich bevoegd tot kennisname van de vordering. De rechtbank verklaart de vordering van de procureur des Konings ontvankelijk en gegrond in de hiernavolgende mate: De rechtbank zegt voor recht dat V.C, geboren te […] verboden wordt om persoonlijk of door een tussenpersoon, een onderneming uit te baten (artikel XX.229 §1 WER), alsook om enige taak uit te oefenen die de bevoegdheid inhoudt om een rechtspersoon rechtsgeldig te verbinden (artikel XX.229 §3-§4 WER) en dit voor een termijn van 4 jaar effectief vanaf heden. De rechtbank verzoekt de griffier om dit vonnis ter kennis te brengen aan de partijen en te zorgen voor publicatie in het Belgisch Staatsblad zoals voorzien in artikel XX.231, laatste alinea WER. De rechtbank veroordeelt V.C. tot de kosten van het geding, aan de zijde van de procureur des Konings begroot op 33,31 EUR kosten van dagvaarding. Daarnaast verwijst de rechtbank V.C. in toepassing van artikel 4, § 2, lid 1 en 3 en artikel 5, § 1 van de wet van 19 maart 2017 tot oprichting van een Begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand in de bijdrage van 24 EUR aan het Begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand. Wijst het anders- of meergevorderde af als ongegrond. ***** Gewezen op tegenspraak door de tweede kamer van de ondernemingsrechtbank van Gent – afdeling Gent, samengesteld uit: V. Verlaeckt, rechter en voorzitter van de kamer, […] en [….], rechters in ondernemingszaken, en uitgesproken door de voorzitter van de kamer in openbare terechtzitting op 20 mei 2025 in aanwezigheid van [… ], griffier. Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.