id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Ondernemingsrechtbank Gent Vonnis/arrest van 06 juni 2025 ECLI nr: ECLI:BE:ORGNT:2025:JUG.20250606.1 Rolnummer: Q/25/0009 Rechtsgebied: Insolventierecht Invoerdatum: 2025-06-18 Raadplegingen: 562 - laatst gezien 2026-06-17 12:48 Fiche 1 Weigering homologatie reorganisatieplan wegens o.a. doelafwending: Het is kennelijk onredelijk om eind juni 2024 een overeenkomst tot overdracht van aandelen te sluiten aan een welbepaalde prijs waarbij wordt toegestaan de prijs te kunnen afbetalen en bij de eerste afbetalingstermijn op 2 januari 2025 mee te delen dat de prijs niet kan betaald worden om zich vervolgens te wenden tot de gerechtelijke reorganisatie met een voorstel om slechts 20% van de prijs te betalen. [...]De gerechtelijke reorganisatie die [D] in casu voor ogen heeft, heeft in de eerste plaats niets te maken met het redden van de continuïteit van welke onderneming dan ook, doch wel met het behouden of vermeerderen van het vermogen van de uiteindelijk begunstigde van [ODS], zijnde [RTJ]. Elke functionele inslag ontbreekt. [...]Een gerechtelijke reorganisatie met oog op een collectief akkoord is méér dan een louter strategische cijfermatige denkoefening met als enig doel zoveel mogelijk schulden te laten kwijtschelden ten einde het eigen vermogen van de schuldenaar – of van diens aandeelhouders – te versterken. UTU-thesaurus: HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - INSOLVENTIE Vrije woorden: weigering homologatie reorganisatieplan wegens o.a. doelafwending / rechtsmisbruik Wettelijke bepalingen: Wetboek van economisch recht - 28-02-2013 - XX.79 - 19 ELI link Pub nr 2013A11134 Fiche 2 De ratio legis van artikel XX.4 WER is niet om schuldeisers te verhinderen de rechtbank in te lichten - desnoods met stukken en geschriften - , doch wel in de eerste plaats om duidelijkheid te hebben in het kader van het aanwenden van rechtsmiddelen. Onder gelding van artikel XX.4 WER is een tussenkomst middels een conclusie mogelijk. Artikel XX.4 WER heeft weliswaar een toegevoegde waarde, doch er kan niet ontkend worden dat de wetgever de bijzondere striktheid van het toenmalige artikel 5 WCO heeft verlaten. De tussenkomende partij die een conclusie heeft neergelegd met daarin haar middelen waarover de partijen uitleg hebben gegeven, is partij in het geding geworden. Dit wordt geacht in overeenstemming met artikel 813 Ger.W. te zijn (Cass. 27 januari 2006, AR C.04.0201.F ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060127.1). De rechtbank stelt vast dat [V] een conclusie in overeenstemming met artikel 744 Ger.W. heeft neergelegd waarin middelen worden ontwikkeld en waarin hij vorderingen stelt. [V]heeft ter zitting deze conclusie toegelicht en er is debat gevoerd tussen partijen. [V] heeft de wil om tussen te komen ondubbelzinnig kenbaar gemaakt. Gelet op het voorgaande is [V] partij in het geding geworden en heeft hoedanigheid van procespartij. UTU-thesaurus: HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - INSOLVENTIE Vrije woorden: procespartij XX.4 WER Wettelijke bepalingen: Wetboek van economisch recht - 28-02-2013 - XX.4 - 19 ELI link Pub nr 2013A11134 Fiche 3 De rechtbank stelt vast dat geen lijst van de activa en passiva, op het ogenblik dat het reorganisatieplan wordt voorgelegd, heeft neergelegd. [D] legt een balans neer per 3 januari
- Het reorganisatieplan is neergelegd op 14 mei 2025, zijnde vijf maanden later. Schuldeisers hebben recht op actuele informatie ten einde met kennis van zaken te kunnen stemmen. (Zie Parl.St. Kamer, 2022-2023 3231/001, p. 43) Niet enkel de schuldeisers hebben hierop recht, maar ook de rechtbank die moet oordelen over de homologatie van het reorganisatieplan heeft deze informatie nodig. Immers, indien zou blijken dat bijvoorbeeld rekening-courantvorderingen bestaan op aandeelhouders of bestuurders die niet worden opeisbaar gesteld, terwijl inspanningen van schuldeisers gevraagd worden, dan kan dit leiden tot de vaststelling dat de homologatie ten behoeve van de openbare orde dient te worden geweigerd. De rechtbank kan dat alleen beoordelen indien alle informatie zoals voorgeschreven in artikel XX.70/1,§2 WER, ook daadwerkelijk wordt voorgelegd. UTU-thesaurus: HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - INSOLVENTIE Vrije woorden: Inbreuk pleegvormen: Niet enkel schuldeisers, doch ook rechtbank heeft nood aan een actuele staat van actief/passief bij neerlegging reorganisatieplan Wettelijke bepalingen: Wetboek van economisch recht - 28-02-2013 - XX.70/1 - 19 ELI link Pub nr 2013A11134 Tekst van de beslissing De derde kamer van de ondernemingsrechtbank Gent, afdeling Gent heeft volgend vonnis verleend in de zaak van : BV [D] verzoekster, en [V] Tussenkomende partij
- DE RECHTSPLEGING Het dossier van de rechtspleging en de stukken werden ingezien. Op de zitting van 3 juni 2025 werden gehoord: - Verzoekster, vertegenwoordigd door haar bestuurder, de heer [RTJ], bijgestaan door mr. X en Y. - de gedelegeerd rechter, de heer B.R., in zijn verslag; - Tussenkomende partij, in persoon aanwezig en bijgestaan door mr. Z. - de aanwezige of bij volmacht vertegenwoordigde schuldeisers. Er werd overgegaan tot de stemming over het reorganisatieplan. De debatten werden gesloten en de zaak werd in beraad genomen. De artikelen 2 en 30 tot en met 41 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken werden nageleefd.
- HET VERZOEK Verzoekster vordert haar reorganisatieplan te homologeren.
- CONTEXT VAN HET VERZOEK EN PROCEDURE 3.
- Huidige procedure handelt over de gerechtelijke reorganisatie van BV [D] (hierna “[D]”). [D] werd opgericht op 11 maart 2021 door [RTJ] die op heden enige bestuurder en aandeelhouder is. Volgens eigen verklaring van [D] fungeert zij als “managementvennootschap en holding” van [RTJ]. Het enige betekenisvolle actief van [D] betreft een aandelenparticipatie in de BV [ODS] (hierna “[ODS]”). [D] is eigenaar van 724 aandelen in de vennootschap [ODS], zijnde 54,2% van het kapitaal. 3.
- Zoals verder zal blijken, draait deze procedure hoofdzakelijk om de problematiek van de [ODS] en de aandelen daarin die in het bezit zijn van [D]. In conclusie stelt [D] hierover dat “deze vermeende feitelijkheden niet zinnig of relevant voor de huidige reorganisatieprocedure [zijn]”. Het is echter [D] zelf die in haar verzoekschrift tot opening van de gerechtelijke procedure én in het neergelegde reorganisatieplan uitvoerig de problematiek rond [ODS] heeft uiteengezet. Zij stelt daarbij dat de voorgeschiedenis inzake [ODS], evenals het niet kunnen voldoen van de afbetalingen in het kader van de overname van de aandelen [ODS], de rechtstreekse aanleiding is geweest voor het initiëren van huidige procedure. In het licht van de rechtsvragen die thans voorliggen, acht de rechtbank het wel degelijk “zinnig of relevant” die voorgeschiedenis in acht te nemen. 3.
- [RTJ] is enige bestuurder van [ODS], evenals van [D]. [ODS] heeft als activiteit het ter beschikking stellen van laatstejaars studenten aan werkgevers met het oog op inschakeling in werkprocessen of latere indiensttreding. [ODS] blijkt niet geheel zonder succes. Zo is [ODS] in het kader van Trends Gazellen 2025 met het meeste punten verkozen tot “ambassadeur kleine bedrijven”. Een klassement van de snelst groeiende bedrijven georganiseerd door o.a. het tijdschrift Trends en Kanaal Z. [ODS] is ook opgenomen in de Deloitte Fast 50, een rangschikking voor snelst groeiende tech-bedrijven. Uit de jaarrekening 2023 van [ODS] blijkt een brutomarge van 927.674,00 EUR en een EBITDA (operationele kasstroom) van circa 172.000,00 EUR. Zij heeft gemiddeld 20-22 werknemers. [ODS] heeft op vandaag twee aandeelhouders, [D] voor 54,20% en [RTJ] voor 45,80%. [ODS] staat aldus op heden onder volledige controle van [RTJ], zijnde de 100% uiteindelijk begunstigde van [ODS]. [RTJ] factureert via zijn “managementvennootschap” [D] maandelijks een bestuurdersvergoeding van 10.000,00 EUR excl. btw aan [ODS]. Dit zijn de enige inkomsten van [D]. 3.
- [ODS] werd opgericht op 23 juli
- Er waren initieel drie aandeelhouders binnen [ODS], waaronder [RTJ] en [V]. Doorheen de jaren zijn er tijdelijk verschillende (externe) aandeelhouders geweest. Deze werden in het kader van een exit-scenario uitgekocht door [D]waarvan [RTJ] enige aandeelhouder is. In 2023 ontstaat er onenigheid tussen de aandeelhouders van [ODS]. Op dat ogenblik is de aandelenverhouding binnen [ODS] als volgt: [RTJ] (45,8%), [V] (20,01%) en [D] (34,19%). [RTJ] controleert op dat ogenblik [ODS] aldus voor 79,99%, waarvan 34,19% via [D] waarvan hij enige aandeelhouder is. Blijkbaar had [RTJ] de wens om de resterende 20,01% [ODS]-aandelen van [V] te verwerven en zo 100% – al dan niet onrechtstreeks – aandeelhouder van [ODS] te worden. In die context geraken beide aandeelhouders verzeild in een intense procedureslag. Zo gaat [RTJ] over tot dagvaarding in uitsluiting van [V] en stelt hij bijkomend een vordering tot schadevergoeding in tegen [V] ten belope van 236.617,76 EUR. Deze vorderingen tot uitsluiting en schadevergoeding worden integraal afgewezen bij vonnis van 29 november 2023 van de voorzitter van de ondernemingsrechtbank Gent, afdeling Gent. In dit vonnis stelt de rechtbank vast dat [RTJ] heeft gepoogd [V] te “verschalken” en dat het in feite [RTJ] is - en niet [V] - die binnen de [ODS]: “met alle mogelijke middelen vereniging van alle aandelen nastreeft, en met dat doel voor ogen een duurzame ontwrichting heeft getriggerd om de verdere handhaving van verweerder binnen de vennootschap moeilijk c.q. onmogelijk te maken en het restant van zijn aandelenpakket van 20,01 % te kunnen binnenhalen, dit alles tegen de gemaakte afspraken in”. 3.
- Staande de beroepsprocedure tegen voormeld vonnis sluiten [RTJ] en [V] op 20 juni 2024 een dading, waarbij wordt voorzien in een aandelenoverdracht. [V] verkoopt zijn 20,01% aandelen in [ODS] voor een totaalprijs van 150.000,00 EUR aan [D] waarvan [RTJ] enige aandeelhouder is. De eigendomsoverdracht van de aandelen gaat onmiddellijk in, met als gevolg dat [RTJ] sinds 20 juni 2024 [ODS] voor 100% controleert enerzijds in eigen naam met 45,8 % en anderzijds via [D] met 54,2 %. Voor de betaling van de prijs van de aandelenoverdracht voorzag de dading in een onmiddellijke betaling van 75.000,00 EUR, gevolgd door een afbetaling van het saldo van 75.000,00 EUR in vijf gelijke semestriële schijven van 15.000,00 EUR, waarbij een eerste betaling op uiterlijk 2 januari 2025 diende te gebeuren. De eerste schijf van de toegestane afbetaling zou evenwel nooit betaald worden door [D]. Noch op 2 januari 2025, noch op heden vond betaling plaats. In voormelde dading is opgenomen dat [V] de mogelijkheid heeft, wanneer er twee semestriële opeisbare betalingen niet uitgevoerd zijn, de overdracht van de niet-betaalde aandelen te eisen aan dezelfde prijs. Concreet betekent dit dat wanneer de betaaltermijnen van 2 januari 2025 én 2 juli 2025 niet gehaald worden, [V] 134 aandelen in [ODS] zou kunnen terugvragen aan [D] waarna de schuld als vereffend wordt aanzien. 3.
- Op 3 april 2025 legt [D] een verzoekschrift tot het openen van de gerechtelijke reorganisatie door een collectief akkoord neer. Er wordt een lijst van schuldeisers gevoegd waaruit blijkt dat [D] vijf schuldeisers voor een totaal van 393.522,79 EUR heeft: - [MP] 50.000,00 EUR (lening) - BV [ODS] 94.225,00 EUR (lening) - [TA] 5.392,98 EUR (facturatie) - [V] 75.000,00 EUR (onbetaalde overnamesom) - BELFIUS BANK NV 168.904,81 EUR (krediet) Uit de gevoegde raming van inkomsten en kosten, blijkt dat de enige inkomsten van [D] bestaan uit een maandelijkse managementvergoeding van 10.000,00 EUR exclusief btw, te factureren aan [ODS]. In de geprojecteerde vaste kosten wordt onder andere 300,00 EUR per maand restaurantkosten, 160,00 EUR per maand relatiegeschenken, 1.500,00 EUR per maand overige erelonen én 350,00 EUR erelonen boekhouding opgenomen. Na opname van een bezoldiging door [RTJ], zou er volgens de geprojecteerde kasstroom binnen [D] finaal 1.630,00 EUR per maand beschikbaar zijn voor het afbetalen van voormelde schulden ten belope van 393.522,79 EUR. 3.
- Op 8 april 2025 legt de gedelegeerd rechter een verslag neer, dat hij besluit met “Het verzoekschrift is mijn inziens ongegrond. Ik adviseer negatief omtrent de vraag tot openen van de GRP met een termijn van 3-4 maand” en maakt onder andere volgende bedenking: “De GRP mag niet enkel aangewend worden om een faling te vermijden, maar de procedure werd in het leven geroepen om een onderneming draaiende te houden. De enige “continuïteit” van [D] BV welke zou worden gered is dat het een kapitein levert welke het schip [ODS] verder doet varen. Maar is dat wel echt nodig?” De gedelegeerd-rechter geeft in zijn verslag verder weergave van zijn plaatsbezoek en vraaggesprek met [RTJ], de enige bestuurder en enige aandeelhouder van [D]: - De perceptie mbt uw verzoek tot krijgen van bescherming zou kunnen tegenzitten in de zin van: “Je werkt uw aandeelhouders buiten en ge laat anderen daarvoor betalen via een GRP”, kan die zienswijze kloppen? Antwoord: Zo zien wij dit niet - Maakt U zich geen zorgen dat de verkregen dading door een eventuele GRP wordt teniet gedaan ? Er werd met die SE [V]overeengekomen dat de 150K in schijven mocht worden afbetaald en “dankzij” de GRP zou die overeenkomst op de helling kunnen staan (in geval van haircut). Antwoord: Meester [X] antwoordt dat wat hem betreft, en ik citeer: “dit niet de zorg mag zijn van de rechtbank”. En: - Welke haircut hebben jullie voor ogen mbt de schulden? Antwoord: We dienen dit te bekijken, doch momenteel gaan we uit van een 70% terugbetaling. - Hoe zien U zelf de oplossing in deze GRP-procedure? Antwoord: De bescherming zou me ademruimte bezorgen, we zouden ermee tijd kopen. - Waarom kiest U niet voor een faling? Antwoord: 55% van [ODS] behoort tot de activa van [D] BV. Een faling zou betekenen dat die aandelen in handen van een curator komen. Mijn bedrijf [ODS] zou bijgevolg “op straat komen te liggen”. - Is [ODS] de volgende die een GRP zal aanvragen? Antwoord: Nee, zeker niet. Daar werken er 18VTE (22 mensen) en we draaien een behoorlijke omzet. Maar er is geen cash genoeg om overal (ook in [D]) orde op zaken te stellen. 3.
- Bij vonnis van 9 april 2025 van de ondernemingsrechtbank Gent afdeling Gent werd de gerechtelijke reorganisatieprocedure geopend en werd de periode van opschorting bepaald op twee maanden om te eindigen op 9 juni
- De stemming wordt voorzien voor 3 juni
- 3.
- Twee bijkomende schuldeisers dienen een aangifte van schuldvordering in via het register. De FOD Financiën voor een bedrag van 1.801,39 EUR en [FBV] voor 694,24 EUR. 3.
- Op 14 mei 2025 legt [D] een reorganisatieplan neer en een bijgewerkte lijst van schuldeisers. Er zijn zeven schuldeisers. In het reorganisatieplan worden voor de schuldeiser zes verschillende regelingen uitgewerkt. Voor buitengewone schuldeiser Belfius Bank met een schuldvordering ten belope van 168.904,81 EUR, wordt enkel voorzien in een tijdelijk uitstel van kapitaalsaflossingen voor een periode van zes maanden, weliswaar met behoud van de initiële looptijd van het krediet. Voor de openbare schuldeiser FOD Financiën met een schuldvordering 1.801,39 EUR, wordt voorzien in volledige terugbetaling – inclusief alle toebehoren - aan 500,00 EUR per maand. De overige (vijf) gewone schuldeisers worden ingedeeld in vier categorieën: - categorie 1 zijn de schuldeisers waarvan het bedrag van hun schuldvordering minder dan 1.000,00 EUR in hoofdsom bedraagt; - categorie 2 zijn de schuldeisers waarvan het bedrag van hun schuldvordering minder dan 10.000,00 EUR in hoofdsom bedraagt; - categorie 3 zijn de schuldeisers waarvan het bedrag van hun schuldvordering maximum (t.e.m.) 50.000,00 EUR in hoofdsom bedraagt; - categorie 4 zijn de schuldeisers waarvan het bedrag van hun schuldvordering meer dan 50.000,00 EUR in hoofdsom bedraagt. Voor al deze resterende gewone schuldeisers wordt een kwijtschelding voorzien van de intresten, schadebedingen, boetes, opzeggingsvergoedingen, opslagen en alle andere heffingen of accessoria. De hoofdsommen worden betaald afhankelijk van de categorie: Categorie 1 Deze schuldeisers ontvangen de hoofdsom zonder kwijtschelding en ontvangen maandelijks 100,00 EUR tot de schuld volledig is afbetaald. Een eerste betaling zal gebeuren één maand na homologatie van het plan. Categorie 2 Deze schuldeisers zullen 50% van de hoofdsom moeten kwijtschelden en zullen dan maandelijks 200,00 EUR ontvangen tot het saldo van de schuld volledig is afbetaald. Een eerste betaling zal gebeuren één maand na homologatie van het plan. Categorie 3 - Deze schuldeisers zullen 70% van de hoofdsom moeten kwijtschelden en zullen dan maandelijks 500,00 EUR ontvangen tot het saldo van de schuld volledig is afbetaald. Een eerste betaling zal gebeuren één maand na homologatie van liet plan. Categorie 4 - Deze schuldeisers zullen 80 % van de hoofdsom moeten kwijtschelden en zullen dan maandelijks 500,00 EUR ontvangen tot het saldo van de schuld volledig is afbetaald. Een eerste betaling zal gebeuren tegen uiterlijk 3I december
- Concreet betekent dit: - Dat [FBV] haar integrale schuldvordering 694,24 EUR zal ontvangen gespreid over 7 maanden aan 100,00 EUR per maand, te betalen eerste maand na homologatie. - Dat [TA] 50% van haar schuldvordering ofwel 2.696,49 EUR zal ontvangen gespreid over 14 maanden aan 200,00 EUR per maand, te betalen eerste maand na homologatie. - Dat [MP] 30% van haar schuldvordering ofwel 15.000,00 EUR zal ontvangen gespreid over 30 maanden aan 500,00 EUR per maand, te betalen eerste maand na homologatie. - Dat [V] 20% van zijn schuldvordering ofwel 15.000,00 EUR zal ontvangen gespreid over 30 maanden aan 500,00 EUR per maand, met eerste betaling uiterlijk 3I december
- - Dat [ODS] 20% van zijn schuldvordering ofwel 18.845,00 EUR zal ontvangen gespreid over 38 maanden aan 500,00 EUR per maand, met eerste betaling uiterlijk 3I december
- 3.
- Op 28 mei 2025 legt schuldeiser [V] een conclusie neer in het register. In deze conclusie motiveert [V] waarom naar zijn inzichten het reorganisatieplan niet kan gehomologeerd worden. Hij ontwikkelt onder meer volgende middelen “overtreding van het wettelijke normdoel – geen activiteit, geen reorganisatie” en “oneigenlijk gebruik van reorganisatieprocedure – instrumentalisering door de aandeelhouder”. 3.
- Op 2 juni 2025 legt de gedelegeerd rechter een verslag nopens het reorganisatieplan neer. De gedelegeerd rechter is van oordeel dat er sprake is van ongeoorloofde differentiatie en besluit zijn verslag als volgt: “Ik adviseer negatief omtrent het houden van een stemming over het al dan niet goedkeuren van het voorgestelde reorganisatieplan en dit wegens de te grote differentiatie SE Categorie IV.” Verder wordt in het verslag door de gedelegeerd rechter gesteld: “[D] (verzoeker die hier bescherming vraagt), heeft alle touwtjes in handen bij [ODS]. Bijgevolg, op het moment dat [ODS] BV dient te beslissen of de onderneming al dan niet akkoord zal gaan met éénder welke haircut in deze GRP, en/of welke bedrijfsstrategie men verder zal volgen, is het de facto dhr. [RTJ] die alles beslist. Zulks is perfect wettelijk, maar elke stakeholder (=betrokkene) in deze GRP dient dit goed te beseffen.” Over de korting van 80% tegenover [V] stelt de gedelegeerd rechter: “De vordering zelf was nochtans gebetonneerd in een gerechtelijke dading (ORB). Die dading nu via het reorganisatieplan miskennen is m.i. misplaatst.” Over het argument dat er geen ongeoorloofde differentiatie is aangezien schuldeiser [ODS] dezelfde korting van 80% moet ondergaan in categorie 4 net zoals [V] stelt de gedelegeerd rechter: “Het in het reorganisatieplan aangehaalde argument […] dat [ODS] dezelfde korting ondergaat speelt mijn inziens in dit geval geen rol. [ODS] gooit hier een bliekje om kort nadien een snoek te vangen. Het slikken van 80% verlies wordt hier gebruikt als leverage (hefboom). [ODS] kan dat, want die blijft na homologatie van het plan aan boord. Zowel rechtstreeks als onrechtstreeks via [RTJ] . De schuldeiser [V] daarentegen houdt enkel een bliekje. Hij krijgt geen hefboom, en zal bijgevolg geen snoek vangen.... Zelfde categorie IV, maar o zo anders.” Over de in het plan (niet) opgenomen maatregelen die gericht zijn op het herstructureren van de onderneming, stelt de gedelegeerd rechter: “in feite wordt er in het neergelegde plan ook geen wijziging in strategie weergegeven behalve tijd kopen”. 3.
- Op 3 juni 2025 heeft de stemming met betrekking tot het door [D] neergelegde reorganisatieplan plaats. Voorafgaand aan de stemming worden opmerkingen geformuleerd over de al dan niet toegestane deelname aan de stemming van bepaalde schuldeisers. De rechtbank beslist de stemming te laten doorgaan met dien verstande dat de rechtbank overeenkomstig artikel XX.79,§2,1° WER nadien zal oordelen of betwiste stemmen in aanmerking zullen worden genomen. De opgeworpen incidenten worden gevoegd bij de grond van de zaak. Uit het proces-verbaal van stemming blijkt het volgende: [MP] 50.000,00 EUR TEGEN [TA] 5.392,98 EUR TEGEN - volmacht [V] 75.000,00 EUR TEGEN BELFIUS BANK NV 168.904,81 EUR VOOR - volmacht FOD Financiën 1.801,39 EUR VOOR - volmacht [FBV] 694,24 EUR VOOR - volmacht [ODS] BV 94.225,00 EUR VOOR - Aantal schuldeisers die aan de stemming hebben deelgenomen : 7, een schuldvordering van 396.018,42 euro vertegenwoordigend. - Aantal schuldeisers die voor hebben gestemd: 4, een schuldvordering van 265.625,44 euro vertegenwoordigend. - Aantal schuldeisers die tegen hebben gestemd: 3, een schuldvordering van 130.392,98 euro vertegenwoordigend. 3.
- Na de stemming wordt debat gevoerd over de inhoud van het reorganisatieplan. Ter zitting legt [D] een conclusie neer waarin wordt geantwoord op de eerder neergelegde conclusie van [V]. Schuldenaar [D] vordert samengevat de wering van de conclusie namens [V] van 28 mei 2025 en vervolgens om het neergelegde reorganisatieplan te homologeren. Schuldeiser [V] vordert, samengevat, de afwijzing van de vraag homologatie, of minstens dat [ODS] en Belfius Bank niet mogen meestemmen. Alle partijen worden gehoord, waarna de zaak in beraad wordt genomen en voor uitspraak gesteld op vrijdag 6 juni 2025, gelet op de voorziene beëindiging van de periode van opschorting op maandag 9 juni.
- BEOORDELING 4.A. Tussenkomst schuldeiser [V] 4.
- [V] heeft op 28 mei 2025 – zijnde zes dagen voor de stemming - een conclusie en stukkenbundel neergelegd. [D] vordert de wering van deze conclusie en stukken om de enige reden dat [V] geen procespartij zou zijn bij ontstentenis van een verzoekschrift vrijwillige tussenkomst. [D] verwijst naar art. XX.4 WER. De rechtbank gaat niet in op de vraag tot wering om verschillende redenen. 4.
- Vooreerst dient verduidelijkt dat het vraagstuk omtrent de wering van een neergelegde conclusie of stukkenbundel (of eender welk geschrift) in een procedure gerechtelijke reorganisatie in se niets te maken heeft met de hoedanigheid van procespartij. Een schuldeiser wordt gehoord en niets verbiedt die schuldeiser in dat kader stukken aan te wenden. Dit op voorwaarde dat de rechten van verdediging van onder meer de schuldenaar worden gerespecteerd. Te dezen stelt de rechtbank vast: - dat de conclusie en stukkenbundel van [V] kenbaar werd gemaakt aan alle schuldeisers via het register; - dat niet betwist wordt dat de conclusie en stukkenbundel op het ogenblik van neerlegging - zes dagen voor de stemming - tevens werden overgemaakt aan de raadsman van [D]; - dat op de zitting van 3 juni 2025 [D] een conclusie neerlegt waarin elk door [V]aangevoerd middel wordt beantwoord. De ratio legis van artikel XX.4 WER is overigens niet om schuldeisers te verhinderen de rechtbank in te lichten - desnoods met stukken en geschriften - , doch wel in de eerste plaats om duidelijkheid te hebben in het kader van het aanwenden van rechtsmiddelen. Evident kan ook enkel een procespartij een vordering stellen. 4.
- Verder is de rechtbank van oordeel dat ook onder gelding van artikel XX.4 WER een tussenkomst middels een conclusie mogelijk is. Artikel XX.4 WER heeft weliswaar een toegevoegde waarde, doch er kan niet ontkend worden dat de wetgever de bijzondere striktheid van het toenmalige artikel 5 WCO heeft verlaten. De tussenkomende partij die een conclusie heeft neergelegd met daarin haar middelen waarover de partijen uitleg hebben gegeven, is partij in het geding geworden. Dit wordt geacht in overeenstemming met artikel 813 Ger.W. te zijn (Cass. 27 januari 2006, AR C.04.0201.F ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060127.1). De rechtbank stelt vast dat [V] een conclusie in overeenstemming met artikel 744 Ger.W. heeft neergelegd waarin middelen worden ontwikkeld en waarin hij vorderingen stelt. [V]heeft ter zitting deze conclusie toegelicht en er is debat gevoerd tussen partijen. [V] heeft de wil om tussen te komen ondubbelzinnig kenbaar gemaakt. Gelet op het voorgaande is [V] partij in het geding geworden en de hoedanigheid van procespartij heeft. 4.B. Toegelaten schuldeisers tot de stemming 4.
- Uit het proces-verbaal van de stemming blijkt dat er vier schuldeisers hebben voor gestemd en drie schuldeisers hebben tegen gestemd. [V] stelt dat de stem van Belfius Bank niet meegeteld mag worden om de loutere reden dat zij buitengewone schuldeiser zou zijn. Enkel gewone schuldeisers in de opschorting zouden mogen deelnemen aan de stemmen. Deze stelling berust op een verkeerde lezing van artikel XX.77, §5 WER. De zinsnede “de schuldeisers in de opschorting […] op wier rechten het plan een weerslag heeft” heeft wel degelijk betrekking op alle schuldeisers – zowel de gewone alsook de buitengewone – in de opschorting. Het plan heeft een weerslag op de rechten van Belfius Bank. Er wordt voorzien in een tijdelijke schorsing van kapitaalaflossing voor 6 maanden. Hoewel dit in realiteit een minimale weerslag betreft, is het de uitdrukkelijk wil van de wetgever om ook aan zulke weerslag stemrecht te koppelen. Besluit: Belfius bank mocht meestemmen. 4.
- [V] stelt dat de stem van [ODS] niet meegeteld mag worden om reden dat schuldeiser [ODS] een verbonden onderneming betreft die volledig in handen is van [RTJ] die op zijn beurt 100% eigenaar is van de schuldenaar. Het laten meestemmen van [ODS] zou tegen de geest van de wet indruisen. De rechtbank stelt vast dat niet wordt betwist dat [ODS] een schuldvordering heeft op [D] en dat deze schuld op een niet-kunstmatige wijze is ontstaan. Het louter feit dat een vennootschap verbonden is met de schuldenaar, is echter geen grond om het stemrecht aan deze verbonden schuldeiser te ontzeggen. Dit betekent evenwel niet dat dit gegeven niet in overweging kan genomen worden bij de globale beoordeling van de mogelijke homologatie van het reorganisatieplan. Besluit: [ODS] mocht meestemmen. 4.
- De rechtbank merkt op dat geen opmerkingen worden gemaakt omtrent het meestemmen van de FOD Financiën die een schuldvordering heeft van 1.801,39 EUR, zijnde het saldo van de vennootschapsbelasting
- In het plan is voorzien dat de FOD Financiën 100% - inclusief alle intresten en toebehoren - wordt terugbetaald aan 500,00 EUR per maand. In het reorganisatieplan wordt gewag gemaakt van een “akkoord om de schuld maandelijks af te korten in schijven van 500,00 EUR. Dit afbetalingsplan wordt voortgezet”. Tijdens het beraad is gebleken dat uit de neergelegde kasstroomprojectie zou kunnen afgeleid worden dat er reeds vóór de aanvang van de procedure reorganisatie een akkoord bestond tussen [D] en de FOD Financiën om de fiscale schuld volgend uit de vennootschapsbelasting 2024 te mogen afbetalen met 500,00 EUR per maand. Er zou uit de stukken inzake kasstroom kunnen afgeleid worden dat deze afbetalingen reeds vóór en tijdens de periode van opschorting elke maand werden nagekomen door [D]. Uit niets blijkt dat de FOD Financiën zou zijn teruggekomen op dat akkoord of zich niet gebonden zou zien aan dat akkoord. [D] stelt zelf in het reorganisatieplan “dit afbetalingsplan wordt voortgezet”. In geval er reeds vóór de opening van de gerechtelijke procedure met een specifieke schuldeiser een bindend akkoord bestond om 100% (niets uitgesloten) terug te betalen aan 500,00 EUR per maand en het navolgend reorganisatieplan voorziet voor diezelfde schuldeiser eveneens in een terugbetaling van 100% (niets uitgesloten) aan 500,00 EUR per maand, dan stelt zich de vraag in welke mate het reorganisatieplan “een weerslag” heeft op de rechten van die schuldeiser. Gelet op de beslissing van de rechtbank tot weigering van de homologatie (zie verder), is er geen noodzaak dat de rechtbank hierover thans een uitspraak doet. De schuldenaar heeft hierover ook geen standpunt kunnen innemen. De rechtbank acht het niet aangewezen hiervoor de debatten nu te heropenen. Het einde van de periode van opschorting is voorzien op 9 juni
- Dit neemt niet weg dat hierover later wel kan geoordeeld worden. 4.C. Wat betreft de homologatie 4.
- De rechtbank kan de homologatie van een reorganisatieplan weigeren in geval van niet-naleving van de pleegvormen die door deze wet worden opgelegd, wegens schending van de openbare orde, in geval de rechten en belangen van de schuldeisers op onredelijke wijze worden aangetast of wanneer het plan kennelijk geen redelijk vooruitzicht biedt op het afwenden van de vereffening of het faillissement van de schuldenaar of op het waarborgen van de levensvatbaarheid van de onderneming (artikel XX.79 WER). Zoals hierna zal blijken, weigert de rechtbank de homologatie van het reorganisatieplan. De rechtbank stelt vast dat de economische openbare orde wordt geschonden, minstens dat de rechten en belangen van de schuldeisers op onredelijke wijze worden aangetast. Ook pleegvormen werden niet nageleefd. 4.
- Wat betreft de principes die voor de rechtbank richtinggevend zijn geweest bij de beoordeling: 4.8.
- De gerechtelijke reorganisatie dient doelmatig te worden toegepast. Aan de schuldenaar wordt de reorganisatieprocedure met het oog op collectief akkoord ter beschikking gesteld enkel met het oog op de bewerkstelling van de continuïteit van de onderneming. Een uitoefening van deze bevoegdheid die losstaat van deze doelstelling, is vatbaar voor sanctionering door weigering van de homologatie. Doelafwending brengt de economische openbare orde in het gedrang. Zo kan in het kader van een collectief akkoord, een reorganisatieplan in beginsel voorzien in een gedifferentieerde behandeling van schuldeisers. Doch ook die voorgenomen differentiaties moeten steeds functioneel zijn en dus afgestemd zijn op het behoud van de onderneming als economische entiteit (Cass. 13 maart 2014, C.13.0468.N ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140313.7; Cass. 7 februari 2013, C.12.0165.F ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130207.6 en C.12.0229.F ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130207.6; zie MvT, Parl.St. 2022-23, nr. 3231/001, 45). Gedifferentieerde behandeling van schuldeiser die enkel en alleen te verklaren zijn door de noodzaak om gunstige stemmen te bekomen ten einde de meerderheid te behalen ongeacht de wil om de fundamentele redding van de onderneming te verzekeren, druist in tegen de openbare orde. 4.8.
- Het plan en de hierin bepaalde maatregelen mogen niet disproportioneel zijn. Het kan niet toegelaten worden dat de lasten op disproportionele wijze bij enkele bepaalde schuldeisers worden gelegd. Tevens dient gewaakt te worden over de verhouding tussen de inspanningen die gevraagd worden van de schuldeisers en het belang van de redding van de onderneming in moeilijkheden. Wat een toegelaten verhouding is, kan beïnvloed worden door de aard en specificiteit van de schuldenaar. Niet elk herstel of behoud van de continuïteit van eender welke onderneming of activiteit verantwoordt dezelfde inspanningen van de schuldeisers. Dit kan tot de vaststelling leiden dat bepaalde inspanningen ten laste van schuldeisers als proportioneel worden beschouwd bij een onderneming met tewerkstelling, met een belang in de economische keten voor anderen, met een problematische liquidatie-alternatief, met een toekomst mits rendabiliteitsaanpassingen, ... Terwijl diezelfde inspanningen van schuldeisers wel als disproportioneel zouden kunnen worden beschouwd bij een loutere managementvennootschap die dienst doet als facturatie-vehikel van de enige bestuurder-aandeelhouder en die in de mogelijkheid zou moeten zijn om al haar schulden te betalen door loutere verkoop van de aangehouden activa zonder dat dit de activiteit van de onderneming op zich zou affecteren. 4.8.
- In wezen zijn dit criteria van het rechtsmisbruik. Rechtsmisbruik bestaat in uitoefening van een recht op een wijze die kennelijk de grenzen te buiten gaat, van wat een redelijk en voorzichtig persoon in dezelfde omstandigheden zou doen (art.1.
- BW). Dat is inzonderheid het geval wanneer het recht wordt gebruikt voor een doeleinde dat geen verband houdt met dat waarvoor het recht werd toegekend. Bij de beoordeling van de belangen die in het geding zijn, moet de rechter rekening houden met alle omstandigheden van de zaak (Cass. 30 oktober 2014, AR F.13.0140.F ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20141030.6). Het verbod op rechtsmisbruik geldt evident onverkort in procedures gerechtelijke reorganisatie. 4.8.
- Ook de notie goede trouw is relevant, minstens om de contouren te schetsen die elke reorganisatie zouden moeten kenmerken. De goedkeuring van een reorganisatieplan houdt een partijbeslissing in. Die beslissing is ook bindend voor zij die tegenstemmen op voorwaarde dat de bevoegdheid tot het nemen van die partijbeslissing te goeder trouw wordt uitgeoefend. Dit impliceert onder meer de eerbiediging van de vereiste functionele proportionaliteit. Minstens met betrekking tot die partijbeslissing raakt de goede trouw de openbare orde. Aldus belangt de bescherming tegen een onredelijke uitvoering van een partijbeslissing (het reorganisatieplan) de openbare orde aan. Zelfs indien niet zou worden aangenomen dat het gebod van de uitvoering te goeder trouw in het kader van de gerechtelijke reorganisatie de openbare orde raakt, dan nog kan de rechtbank wel degelijk de goede trouw mee in overweging nemen. Er dient op gewezen dat de wetgever met de wet van 7 juni 2023 (B.S. 7 juli 2023) een autonome weigeringsgrond aan artikel XX.79 WER heeft toegevoegd, met name het geval wanneer “de rechten en belangen van de schuldeisers op onredelijke wijze worden aangetast”, wat in essentie ook een uitwerking van de goede trouw en het verbod op rechtsmisbruik betreft. 4.
- Rekening houdend met deze principes, heeft de rechtbank de hiernavolgende fundamentele bezwaren met betrekking tot het reorganisatieplan. Deze bezwaren tonen in samenhang genoegzaam aan dat het plan tegen de economische openbare orde indruist, minstens dat dat de rechten en belangen van de schuldeisers op onredelijke wijze worden aangetast. 4.
- Doelafwending – kennelijk onredelijke aantasting rechten van schuldeisers 4.10.
- Alle omstandigheden in acht genomen, is het voor de rechtbank duidelijk dat [RTJ] misbruik maakt van de gerechtelijke procedure om zijn einddoel te bereiken, namelijk aan het langste eind trekken in zijn vete met schuldeiser [V] en finaal het niet vergoeden van hetgeen [RTJ] reeds gekregen heeft, namelijk de laatste 20,01% aandelen van [ODS]. In essentie zijn de overwegingen van de Voorzitter van de ondernemingsrechtbank Gent, afdeling Gent in zijn vonnis van 29 november 2023 anderhalf jaar later nog steeds pertinent; [RTJ] wil verschalken en handelt niet ernstig. Ook op heden niet. De enige betrachting van [RTJ] was blijkbaar het verwerven van de 20,01% aandelen van [V], los van de vraag of [RTJ] wel over de financiële middelen beschikte om deze aandelen te verwerven. De goedkope verwerving van de aandelen, was eerder niet gelukt via de uitsluitingsprocedure met een bijkomende schadevergoeding, waardoor thans wordt getracht hetzelfde resultaat te bekomen via een georganiseerde gerechtelijke reorganisatie. 4.10.
- Het is kennelijk onredelijk om eind juni 2024 een overeenkomst tot overdracht van aandelen te sluiten aan een welbepaalde prijs waarbij wordt toegestaan de prijs te kunnen afbetalen en bij de eerste afbetalingstermijn op 2 januari 2025 mee te delen dat de prijs niet kan betaald worden om zich vervolgens te wenden tot de gerechtelijke reorganisatie met een voorstel om slechts 20% van de prijs te betalen. Dit terwijl de vaste inkomsten en vaste kosten van [D] in juni 2024 dezelfde waren als op vandaag. De situatie vandaag is niet anders dan de situatie in juni
- Dit terwijl ondertussen – volgens de eigen verklaringen van [RTJ] – gezocht wordt naar externe financierders om in te stappen in het kapitaal van [ODS]. Zo bevestigt [RTJ] recent nog, op uitnodiging, aanwezig te zijn geweest bij NASDAQ in de Verenigde Staten om de mogelijkheden aldaar te bekijken. [D] en [RTJ] trachten een meerwaarde te realiseren met aandelen die zij niet betaalt, terwijl zij tegelijkertijd een manifest overdreven inspanning vragen van diegene die de aandelen heeft overgedragen. Zowel schuldeiser [V] alsook schuldeiser [MP] die door een vorm van financiering ervoor gezorgd hebben dat [RTJ] via [D] finaal 100% aandeelhouder van [ODS] is kunnen worden, – en die evident hebben tegengestemd – worden nu met respectievelijk 20% en 30% achtergelaten. Dit creëert een kennelijk, onredelijke aantasting van de rechten en belangen van de betrokken schuldeisers. 4.10.
- Er dient gewezen te worden op de clausule in de dading gesloten tussen [D] en schuldeiser [V], waarbij [V] de mogelijkheid heeft, wanneer er twee semestriële opeisbare betalingen niet uitgevoerd zijn, de teruggave van de niet-betaalde aandelen [ODS] te eisen aan dezelfde prijs. Concreet betekent dit dat wanneer de betaaltermijnen van 2 januari 2025 én 2 juli 2025 niet gehaald worden, [V] de niet betaalde 134 aandelen in [ODS] kan terug vorderen. Het is kennelijk onredelijk om, in het licht van deze optie via een gerechtelijke reorganisatieprocedure de opeisbaarheid van de afgesproken afbetalingstermijnen te willen fnuiken met als louter doel de teruggave van de overgedragen aandelen te verhinderen. Er wordt in dit kader nog opgemerkt dat in het reorganisatieplan enkel voor categorie 4, waarin schuldeiser [V] werd ondergebracht, de eerste betaaltermijn pas op 31 december 2025 wordt voorzien, terwijl de andere schuldeisers worden betaald vanaf de eerste maand na homologatie. Ook dat is niet toevallig. Het is kennelijk onredelijk om een schuldeiser 20% op te dringen, wetende dat die schuldeiser weldra afgifte mag vragen van de niet-betaalde 134 aandelen in [ODS] die een waarde hebben die ver boven deze 20% (15.000,00 EUR) reikt. In tegenstelling tot wat [D] en [RTJ] schijnbaar menen, is het doel van een gerechtelijke reorganisatie niet het behoud van 100% controle over [ODS] door [RTJ] ten koste van externe schuldeisers die thans geen nut meer hebben. 4.10.
- De gerechtelijke reorganisatie die [D] in casu voor ogen heeft, heeft in de eerste plaats niets te maken met het redden van de continuïteit van welke onderneming dan ook, doch wel met het behouden of vermeerderen van het vermogen van de uiteindelijk begunstigde van [ODS], zijnde [RTJ]. Elke functionele inslag ontbreekt. [D] heeft een actief ter beschikking dat zij perfect kan realiseren, namelijk 724 aandelen in de vennootschap [ODS], zijnde 54,2% van het kapitaal. Volgens de prijs overeengekomen in juni 2024, zou dit aandelenpakket een waarde hebben van 406.296,85 EUR. Volgens de stukken en uiteenzetting inzake waardering door de gedelegeerd rechter ter zitting, heeft de rechtbank geen redenen om te twijfelen dat dit inderdaad (eerder de minimum) waarde op heden is. Dit aandelenpakket heeft [D] op zich niet nodig om de continuïteit van haar activiteit te garanderen. Immers, [D] heeft geen aandelen nodig om managementtaken binnen [ODS] uit te oefenen en haar omzet van 10.000,00 EUR per maand te behouden. Deze 406.296,85 EUR bedraagt meer dan de totale schuldenlast van [D]. Toch opteert [D] (en dus [RTJ]) niet om dit niet-essentieel actiefbestanddeel te realiseren, maar wel om kortingen van 80 en 70% af te dwingen bij de schuldeisers. Dit is in strijd met elke norm van redelijkheid. Dat het aandelenpakket [ODS] niet “verhandelbaar” zou zijn, mist elke onderbouwing. Het valt niet uit te sluiten dat een curator, vereffeningsdeskundige of herstructureringsdeskundige daar anders over zou oordelen. De activiteiten van [D] én van [ODS] kunnen perfect, ongewijzigd in continuïteit verder lopen ook wanneer 54,2% van de aandelen niet meer onder controle zijn van [RTJ]. Doch daar knelt het schoentje. [RTJ] wil dit niet, doch wenst ook niet de consequentie van die beslissing te dragen, en probeert deze af te wentelen op derden. [D] is ook nog mede-eigenaar van de BV [GG]. Een vennootschap van de partner van [RTJ]. De waarde van het aandelenpakket van [D] begroot [RTJ] zelf op 25.000,00 EUR. Ook hier opteert [D] om deze participatie te “behouden”, eerder dan schuldeisers te betalen. Het loutere feit dat het reorganisatieplan geen enkele maatregel bevat die gericht is op het herstructureren van de onderneming bevat, toont overigens aan dat dit dossier niet over een reorganisatie handelt. 4.10.
- Dit dossier wordt gekenmerkt door ongepast opportunisme en speculatie, waarbij [RTJ] de mogelijke vruchten of de te realiseren meerwaarde en potentieel heeft veiliggesteld op het niveau van [ODS], terwijl hij de lasten wil leggen bij de schuldeisers van [D]. De rechtbank kan niet meegaan in dit verhaal. De rechtbank zal [RTJ] niet bevestigen in zijn kwade trouw of minstens in zijn kennelijk onredelijk handelen. Een gerechtelijke reorganisatie met oog op een collectief akkoord is méér dan een louter strategische cijfermatige denkoefening met als enig doel zoveel mogelijk schulden te laten kwijtschelden ten einde het eigen vermogen van de schuldenaar – of van diens aandeelhouders – te versterken. 4.10.
- Dat [D] op dit ogenblik mogelijk haar schulden niet kan betalen (of wil betalen), geeft haar geen vrijgeleide om buitenproportionele kortingen af te dwingen met een georganiseerde meerderheid die geen economische werkelijkheid weerspiegelt. De vraag stelt zich waarom deze noodzakelijke kortingen plots zo urgent zijn. Er zijn geen procedures hangende en geen uitvoeringen lopend. Zelfs als er uitvoeringen zouden volgen, dan zou de enige activiteit van [D] – namelijk het management voeren van [ODS] – immers niet bedreigd kunnen worden. Wel zal er mogelijk gedwongen uitgevoerd kunnen worden op de activa van [D]waaronder de aandelen in [ODS]. Dat – en enkel dat – is de bezorgdheid van [RTJ] die hij wil vermijden. Niet in het belang van [D]doch wel in eigen belang. Op de vraag van de gedelegeerd rechter waarom [D] niet opteert voor een faillissement als zij haar schulden niet kan betalen, antwoordt [RTJ] oprecht, doch wel treffend: “55% van [ODS] behoort tot de activa van [D] BV. Een faling zou betekenen dat die aandelen in handen van een curator komen. Mijn bedrijf [ODS] zou bijgevolg op straat komen te liggen”. [RTJ] heeft tegenover de rechtbank dit antwoord herhaald en daarbij de bezorgdheid geuit dat de curator van [D] de [ODS]-aandelen aan gelijk wie te koop kan aanbieden, wat [RTJ] niet wenst, aangezien hij op heden niet over extra financiële middelen beschikt om de aandelen in te kopen. Dit zijn vanuit het louter oogpunt van (het vermogen van) [RTJ] begrijpelijke antwoorden, maar tonen meteen ook aan dat huidige procedure van haar doel wordt afgeleid. Zelfs als [D] failliet zou worden verklaard, zal dit het vermogen of de werking van [ODS] niet raken. De continuïteit , werkgelegenheid en maatschappelijk belang van [ODS] zal behouden blijven. Wel zal dit mogelijks het vermogen van [RTJ] raken. De rechtbank kan hier evenwel geen rekening mee houden of – om de woorden van [D] zelf te gebruiken – “dit is niet de zorg van de rechtbank”. De denk- en handelwijze van [RTJ] kan deels ook verklaard worden door de zekerheden waarover Belfius Bank beschikt. Ter zekerheid van haar schuldvordering beschikt Belfius Bank immers niet enkel over een pandrecht op de aandelen in [ODS], eigendom van [D]doch ook op de aandelen in [ODS] eigendom van [RTJ]. Dit is ook de reden waarom de aflossingen ten aanzien Belfius Bank steeds correct zijn nagekomen door [D]. 4.10.
- Er moet op gewezen worden dat de enige die beslist hoeveel liquiditeiten [D] genereert, [RTJ] is. Immers, [D] heeft maar één bron van inkomsten, namelijk via [ODS] dat voor 100% gecontroleerd wordt door [RTJ]. Het verhogen of verlagen van de managementvergoeding door [ODS] heeft onmiddellijke impact op de cashflow van [D] en de mogelijkheden tot het betalen van schuldeisers. Er dient op gewezen te worden dat er zich geen financiële problemen stellen op het niveau van [ODS]. Deze onderneming doet het goed. De jaarrekening 2023 vertoont een EBITDA van ongeveer 172.000,00 EUR. Ten aanzien van de gedelegeerd rechter werd bevestigd dat het bedrijfsmodel van [ODS] “echt winstgevend [is]. Vooral nu ik er alleen inzit”. Op basis van alle stukken en inlichtingen gekend door de rechtbank zijn er inderdaad geen redenen aan te nemen dat [ODS] geen waardevolle onderneming zou zijn met mogelijks internationaal potentieel. Op de zitting van 3 juni 2025 heeft [RTJ] nogmaals duidelijk gemaakt dat er geen enkele noodzaak is om een gerechtelijke reorganisatie te openen voor [ODS] gezien die vennootschap bijzonder lucratief is met veel potentieel. Enkel [D] zou tijdelijke liquiditeitsproblemen hebben. De rechtbank beweert niet dat [ODS] de schulden van [D] moet betalen. De rechtbank beweert ook niet dat een holding of een managementvennootschap het niet waard zou zijn om te redden en steeds zouden moeten uitgesloten worden uit de gerechtelijke procedure. Wel stelt de rechtbank dat in deze specifieke omstandigheden de lasten die op bepaalde schuldeisers worden gelegd disproportioneel zijn met het marginale belang van een mogelijke redding van [D]. De enige die het aanbelangt dat het reorganisatieplan van [D] wordt goedgekeurd is de aandeelhouder, namelijk [RTJ], die onrechtstreeks dreigt de controle en eigendom van [ODS] te verliezen. Het zijn nochtans [D] en [RTJ] die er zelf voor kiezen om in deze illiquide positie te zitten. 4.10.
- Tot slot stelt de rechtbank vast dat [D] grote inspanningen vraagt van haar schuldeisers, doch blijkbaar wel elke maand 300,00 EUR spendeert aan restaurantkosten en elke maand voor 160,00 EUR aan relatiegeschenken uitdeelt. [D] voorziet blijkbaar ook maandelijks 1.500,00 EUR voor “overige erelonen”, naast de kosten voor boekhouding. Dit alles voor een loutere, eenvoudige managementvennootschap met één klant – die dezelfde bestuurder heeft – en dat voor een vennootschap die 396.018,42 EUR schulden torst, welke zij niet kan of wil betalen. Het geeft alleszins een indicatie omtrent de prioriteiten. 4.
- Uit al hetgeen overwogen in randnummers 4.10.1 tot en met 4.10.
- volgt dat met dit reorganisatieplan de openbare orde wordt geschonden en de rechten en belangen van de schuldeisers op onredelijke wijze worden aangetast. 4.
- Ontoelaatbare differentiatie – ontbreken van enige functionaliteit 4.12.
- Het organiseren van een meerderheid volstaat niet om de rechtbank te overtuigen tot homologatie over te gaan. Het louter behalen van een meerderheid laat niet toe het wettelijk kader van de wet te gebruiken om een gedrag te verantwoorden dat kennelijk onredelijk is gelet op de doelstelling van de reorganisatie, met name de redding van de onderneming (Parl.St. Kamer 2022-23, nr. 3231/1, 48) 4.12.
- Er is sprake van ontoelaatbare differentiatie. De schuldeisers die [D] nodig had om een meerderheid van vertegenwoordigde schuldeiser te behalen, krijgen allen 100% terugbetaald. Dit terwijl hiertoe geen enkele objectieve reden is, buiten het enkele gegeven dat deze toegift ertoe geleid heeft dat een volmacht voor een positieve stem werd gegeven. [D] weet dat de FOD Financiën in dit concrete dossier met zulke beperkte schuld, geen positieve stem zou gegeven hebben als zij één euro zouden moeten inleveren. De indeling in 4 categorieën voor de overige 5 gewone schuldeiser is in deze concrete casus kunstmatig. Er is geen enkele objectieve reden denkbaar waarom een schuldeiser met een schuld kleiner dan 1.000,00 EUR voor 100% moet terugbetaald worden en een schuldeiser met een schuld van 5.000,00 EUR slechts 50% als blijkt dat ook de schuldeisers met een schuld kleiner dan 1.000,00 EUR evenzeer worden betaald in schijven van 100,00 EUR. De administratieve last is op deze manier voor beiden even groot. 4.12.
- Dat Belfius Bank een buitengewone schuldeiser is en haar rechten gevrijwaard ziet overeenkomstig artikel XX.75/2 WER, betekent niet dat de toegekende 20% en 30% voor schuldeisers [MP] en [V]niet als buitenproportioneel kunnen worden beschouwd. Ook [V] heeft een aandelenoverdracht voor [D] gefinancierd, net zoals Belfius Bank dat destijds heeft gedaan. De ene schuldeiser krijgt 100% met alle toebehoren, de andere enkel 20% van de hoofdsom gespreid over een termijn van 44 (38 + 6) maanden. 4.12.
- Dat het logisch zou zijn dat schuldeisers [ODS] en [V] op een zelfde wijze worden behandeld in categorie 4, volgt de rechtbank niet. De door de gedelegeerd rechter in zijn verslag gehanteerde beeldspraak van de “snoeck en bliekje” is misschien ongewoon, doch in essentie wel treffend (zie randnummer 3.12). De situatie van beide schuldeisers is niet vergelijkbaar gezien de concrete context. [ODS] en [D] hebben samen dezelfde 100% uiteindelijk begunstigde en worden geleid door dezelfde bestuurder, namelijk [RTJ]. Alle gelden die [D] niet moet betalen aan [ODS], komen [RTJ] evenzeer ten goede als 100% aandeelhouder van [D]. In hoofde van de uiteindelijk begunstigde van zowel de schuldeiser alsook de schuldenaar, is dit een neutrale oefening. Bovendien gebruikt [RTJ] de doorslaggevende “stem” van [ODS] om de meerderheid te bereiken om kortingen te bekomen tot 60.000,00 EUR ten laste van [V] en 35.000,00 EUR ten laste van [MP], wat opnieuw ten goede komt van het vermogen van [RTJ]. 4.12.
- De rechtbank wijst verder nog op samenstelling van de voorgehouden meerderheid die tekenend is voor deze casus en het hierin vervatte misbruik. Ook een meerderheid kan relatief zijn. In casu waren er zeven schuldeisers. Van de vier schuldeisers die voor het plan stemden, zijn er twee met een verwaarloosbare schuld van 694,24 EUR en 1.801,39 EUR die 100% terugbetaald krijgen, één schuldeiser die meer dan voldoende zekerheden heeft en ook 100% zal terugbetaald worden en één schuldeiser die gecontroleerd wordt door de uiteindelijk begunstigde van de schuldenaar zelf en die evident geen probleem heeft met korting van 80% die naderhand (intern) op verschillende wijzen kan geneutraliseerd worden. Daar tegenover staan dan de schuldeisers die kredieten hebben verstrekt om het actief, dat de schuldenaar thans bezit en wil behouden, te verwerven. Zij krijgen 20% en 30%. Het lijdt geen twijfel dat dit alles samen ten aanzien van die schuldeisers kennelijk onredelijk is. 4.12.
- Zoals uiteengezet in randnummer 4.6, benadrukt de rechtbank dat zij op heden nog niet geoordeeld heeft over het al dan niet geldig meestemmen van de FOD Financiën. 4.
- Niet naleven pleegvormen 4.13.
- De rechter heeft de discretionaire bevoegdheid (maar niet de plicht) om de homologatie te weigeren in geval van niet-naleving van de pleegvormen. Overeenkomstig artikel 70/1,§ 2 WER dient het reorganisatieplan onder meer volgende informatie bevatten: een lijst van de activa en passiva van de schuldenaar op het ogenblik dat het reorganisatieplan wordt voorgelegd de maatregelen die gericht zijn op het herstructureren van de onderneming, waaronder het wijzigen van de samenstelling, de voorwaarden of de structuur van de activa en passiva van de schuldenaar of van een ander deel van de financiële structuur van de schuldenaar, zoals de verkoop van activa of delen van de activiteiten of de overdracht van de onderneming als draaiende onderneming, evenals alle noodzakelijke operationele wijzigingen of een combinatie van deze elementen 4.13.
- De rechtbank stelt vast dat [D] geen lijst van de activa en passiva, op het ogenblik dat het reorganisatieplan wordt voorgelegd, heeft neergelegd. [D] legt een balans neer per 3 januari
- Het reorganisatieplan is neergelegd op 14 mei 2025, zijnde vijf maanden later. Schuldeisers hebben recht op actuele informatie ten einde met kennis van zaken te kunnen stemmen. (Zie Parl.St. Kamer, 2022-2023 3231/001, p. 43) Niet enkel de schuldeisers hebben hierop recht, maar ook de rechtbank die moet oordelen over de homologatie van het reorganisatieplan heeft deze informatie nodig. Immers, indien zou blijken dat bijvoorbeeld rekening-courantvorderingen bestaan op aandeelhouders of bestuurders die niet worden opeisbaar gesteld, terwijl inspanningen van schuldeisers gevraagd worden, dan kan dit leiden tot de vaststelling dat de homologatie ten behoeve van de openbare orde dient te worden geweigerd. De rechtbank kan dat alleen beoordelen indien alle informatie zoals voorgeschreven in artikel XX.70/1,§2 WER, ook daadwerkelijk wordt voorgelegd. De vraag stelt zich waarom [D] geen actuele balans kan of wil voorleggen. Wel kan de rechtbank alvast uit de balans per 3 januari 2025 afleiden dat [D] een lening heeft toegestaan aan [RTJ] en dat [D] per 3 januari 2025 recht had op een saldo lastens [RTJ] 4.13.
- Het neergelegde plan bevat bovendien geen maatregelen die gericht zijn op het herstructureren van de onderneming. De schuldeisers kunnen aldus niet met kennis van zaken nagaan of het plan uitvoerbaar is. Onder randnummer 4.10.4 kwam de rechtbank reeds tot de vaststelling dat er geen maatregelen werden opgenomen om reden dat huidige procedure niet gericht is op een gerechtelijke reorganisatie doch van haar doel wordt afgewend. 4.
- Wat betreft de verlenging van opschorting en mogelijkheid tot aangepast reorganisatieplan [D] vordert ondergeschikt dat indien geoordeeld zou worden dat de pleegvormen niet zouden zijn nageleefd en/of dat onderhavig reorganisatieplan de openbare orde zou schenden, en/of de rechten en belangen van de schuldeisers op onredelijke wijze worden aangetast, de vennootschap bij een met redenen omklede beslissing en vooraleer recht te doen, toe te staan een aangepast reorganisatieplan voor te leggen, het een en ander overeenkomstig artikel XX.79, §3 WER en in voorkomend geval de periode van opschorting voldoende te verlengen, alsook om een rechtsdag te bepalen waarop gestemd zal worden over het aangepaste reorganisatieplan. Ondanks de fundamentele bezwaren van de rechtbank met betrekking tot de handelswijze van verzoekende partij en diens achterman en ondanks het door hen nagestreefde doel, is niet a priori uitgesloten dat verzoekende partij alsnog de redelijkheid terugvindt en een nieuw, aanvaardbaar reorganisatieplan neerlegt. De rechtbank wil die (tweede) kans niet ontzeggen aan [D].
- DE BESLISSING Op die gronden beslist de rechtbank op tegenspraak het volgende: Weigert de homologatie van het reorganisatieplan, neergelegd in het register op 14 mei 2025 door BV [D] met zetel****************** - Staat aan BV [D] toe een aangepast reorganisatieplan voor te leggen. - Verlengt de periode van opschorting tot 21 juli
- - Bepaalt dat gestemd zal worden over het aangepast reorganisatieplan op de zitting van de derde kamer van 14 juli 2025 om 14u in zittingszaal 2.
- van het gerechtsgebouw te 9000 Gent, Opgeëistenlaan 401/E. Dit vonnis is gewezen door de Ondernemingsrechtbank Gent, afdeling Gent, derde kamer, samengesteld uit rechter, kamervoorzitter, Vincent Verlaeckt, en de rechters in ondernemingszaken [TM] en [DVS] en is op de buitengewone openbare zitting van 6 juni 2025 uitgesproken door rechter, kamervoorzitter Vincent Verlaeckt in aanwezigheid van griffier [AV] Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:ORGNT:2025:JUG.20250718.1 citeert: ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060127.1 ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130207.6 ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140313.7 ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20141030.6 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div