id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Ondernemingsrechtbank Gent Vonnis/arrest van 11 juni 2025 ECLI nr: ECLI:BE:ORGNT:2025:JUG.20250611.1 Rolnummer: 0/23/00443 Rechtsgebied: Insolventierecht Invoerdatum: 2025-07-23 Raadplegingen: 274 - laatst gezien 2026-06-17 10:05 Fiche Zonder over het opzet in de zaak te oordelen, mag in elk geval van een curator verwacht worden dat hij boekhoudfiches en verzoekschriften tot begroting van ereloon en kosten met de nodige zorgvuldigheid en ernst opstelt. Een curator zou er niet op mogen speculeren dat foutieve boekingen op basis van vage beschrijvingen, onopgemerkt blijven en zo kunnen passeren. [...] Wordt aldus geweerd uit de berekeningsbasis 138.766,49 euro, 33.696,79 euro, 18.025,99 euro en 3.715,32 euro, ofwel samen 194.204,59 €. Het gerealiseerd actief bedraagt 258.465,60 euro in plaats van 452.670,19 euro . UTU-thesaurus: HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - INSOLVENTIE Vrije woorden: berekening ereloon curator Wettelijke bepalingen: Wetboek van economisch recht - 28-02-2013 - XX.20 - 19 ELI link Pub nr 2013A11134 Tekst van de beslissing De tweede kamer van de ondernemingsrechtbank Gent — afdeling Gent heeft het volgend vonnis verleend in het faillissement van: NV [E], werd in staat van faillissement verklaard bij vonnis van deze rechtbank van [.../…/2023], waarbij mr. [X] werd als curator.
- DE RECHTSPLEGING Het faillissementsdossier werd ingezien, in het bijzonder het schriftelijk positief advies van de rechter-commissaris, de heer [CFT] dd. 5 april 2025 inzake de begroting van de staat van ereloon en kosten van de curator. De artikelen 2 en 30 tot en met 41 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken en de bepalingen van boek XX WER werden nageleefd.
- HET VERZOEK Bij verzoekschrift neergelegd in het register op 3 april 2025 verzoekt de curator om het ereloon en de kosten te begroten. De curator werd gehoord in raadkamer op 28 mei
- DE BEOORDELING 3.
- Voor de begroting van de staat van onkosten en ereloon van de curator dient toepassing te worden gemaakt van het koninklijk besluit van 26 april 2018 houdende vaststelling van de regels en barema's tot bepaling van de kosten en het ereloon van de insolventiefunctionarissen. De curator vraagt begroting van zijn ereloon en kosten op volgende basis: - een gerealiseerd actief van 452.670,19 euro, - de gemaakte aanrekenbare kosten 122.477,88 euro belopen, - de nog aanrekenbare sluitingskosten 591,80 euro bedragen. Hij stelt een ereloon van 47.309,89 euro voorop. De rechtbank controleert en oordeelt op basis van de aanwezige stukken, zoals hierna volgt. 3.
- De curator neemt een bedrag van 18.025,99 euro aan "invorderingen" op in de berekeningsbasis inzake het ereloon. Dit betreft een "betaling" van Renewi aan de curator op 27 juni
- Deze betaling wordt in de boekhoudfiche geboekt als "invordering". Echter de rechtbank stelt vast: - Dat de curator werd gemachtigd beroep te doen op derden, in casu Renewi. - Dat Renewi een voorschotfactuur heeft gemaakt volgens een offerte dewelke betaald werd door de curator aan Renewi op 27 maart
- - Dat nadien gebleken is dat de werkelijke kost minder bedroeg dan initieel voorzien in de offerte. - Dat Renewi om die reden is overgegaan tot terugbetaling ten belope van 18.025,99 euro. Deze terugbetaling werd door de curator ontvangen op 27 juni 2024 en geboekt als "invordering". - Dat deze terugbetaling evident geen gerealiseerd actief betreft, doch wel een terugbetaling van teveel voorgeschoten kosten door de curator. De curator werd opgeroepen in raadkamer. Nadat de rechtbank deze anomalie - die de rechtbank enkel zelf kon ontdekken door controle van de onderliggende stukken - aan de curator heeft voorgelegd, bevestigt hij dat dit inderdaad een loutere terugbetaling betreft van een eerdere betaling van een te hoog ingeschatte offerte. Zonder over het opzet in de zaak te oordelen, mag in elk geval van een curator verwacht worden dat hij boekhoudfiches en verzoekschriften tot begroting van ereloon en kosten met de nodige zorgvuldigheid en ernst opstelt. Een curator zou er niet op mogen speculeren dat foutieve boekingen op basis van vage beschrijvingen, onopgemerkt blijven en zo kunnen passeren. Het bedrag van 18.025,99 euro wordt geweerd uit de berekeningsbasis. 3.
- De curator neemt een bedrag van 138.766,49 euro aan "invorderingen" op in de berekeningsbasis inzake het ereloon. Voormeld bedrag werd geïnd door een pandhoudende schuldeiser en in mindering gebracht van haar schuldvordering. Het bedrag werd niet betaald op de faillissementsrekening. Er wordt niet betwist dat de betrokken schuldeiser een pandrecht heeft op de door haar geinde vorderingen. In beginsel is het aan de bijzonder bevoorrechte schuldeiser om het nodige te doen voor de inning van de schuldvorderingen die in het onderpand van haar schuldvordering vallen. Deze pandhoudende schuldeisers staan in beginsel buiten de eigenlijke faillissementswerkzaamheden. De zogenaamde separatist heeft een afscheidingsrecht. Indien de schuldeiser dat recht heeft en ook uitoefent, blijven de goederen buiten de boedel. De bedragen die de pandhoudende schuldeiser (of de separatist) ontvangt, vallen aldus "niet te beurt aan de boedel" en vormen geen basis voor de berekening van het ereloon overeenkomstig XX.20, § 3 WER en artikel 6 § 1 van het Koninklijk Besluit van 26 april
- Separatisten kunnen de taak van de verzilvering van hun onderpand overlaten aan de curatele. Daartoe is een opdracht van hunnentwege aan de curatele nodig. Deze opdracht kan ook stilzwijgend worden gegeven; nodig is evenwel dat ondubbelzinnig vaststaat dat die opdracht is gegeven. De consequentie daarvan is daarenboven wel dat het ereloon en kosten van de curator met betrekking tot die prestaties die hebben geleid tot de inning van die vorderingen, in de rangregeling van een sub-boedel ten laste worden gelegd van die separatisten en in mindering wordt gebracht van de opbrengst van het onderpand. Uit de stukken blijkt niet dat de betrokken pandhoudende schuldeiser voormelde opdracht aan de curator heeft toevertrouwd en nog minder dat de pandhoudende schuldeiser zich akkoord heeft verklaard het overeenstemmende ereloon en kosten ten laste te nemen. Zie hierover Gent 29 juni 2009, TGR 2009, 323; Brussel 29 april 2015, JLMB 2016, afl. 13, 610; Ondernemingsrechtbank Gent (afdeling Gent) 22 oktober 2019, TIBR 2/2001, 163; Ondernemingsrechtbank Antwerpen (afdeling Hasselt) 15 april 2021, TIBR 1/2022,
- Het bedrag van 138.766,49 euro wordt geweerd uit de berekeningsbasis. 3.
- De curator neemt een bedrag van 33.696,79 euro uit hoofde van "creditsaldo op BNP Paribas Fortis" op in de berekeningsbasis inzake het ereloon. Het betreft een tegoed op een bankrekening op naam van gefailleerde, dat op datum van faillietverklaring werd gecompenseerd door de pandhoudende schuldeiser, in casu de bankinstelling waar gefailleerde de bankrekening aanhield. Voormeld bedrag werd niet betaald op de faillissementsrekening. Er wordt door de curator niet betwist dat de betrokken schuldeiser een pandrecht had op dit tegoed en dat zij gerechtigd was tot compensatie. De schuldeiser is opgetreden als separatist en heeft op basis van haar pandrecht gebruik gemaakt van haar afscheidingsrecht. Dit ingehouden (en gecompenseerd) bedrag valt "niet te beurt aan de boedel" en vormt aldus geen basis voor de berekening van het ereloon overeenkomstig XX.20, § 3 WER en artikel 6 § 1 van het Koninklijk Besluit van 26 april
- Het bedrag van 33.696,79 euro wordt geweerd uit de berekeningsbasis. 3.
- De curator neemt een bedrag van 3.715,32 euro aan "invorderingen" op in de berekeningsbasis inzake het ereloon. Dit betreft een betaling door de btw-administratie op de faillissementsrekening. Een teruggave van btw ten gevolge btw-aangifte ingediend door de curator voor handelingen gesteld door de curator in het kader van het faillissementsbewind, maakt geen deel uit van de basis tot berekening van het ereloon van de curator overeenkomstig artikel 6 van het Koninklijk Besluit van 26 april
- Dit betreft een terugbetaling van kosten en geen gerealiseerd actief. Zie hierover uitgebreid Orb. Gent, afdeling Gent 9 april 2025, Juportal: ECLI:BE:ORGNT:2025:JUG.20250409.
- Het bedrag van 3.715,32 euro wordt geweerd uit de berekeningsbasis. Gezien de terugbetaling van kosten, dienen de opgegeven kost te worden verminderd met 3.715,32 euro. 3.
- Samengevat Wordt aldus geweerd uit de berekeningsbasis 138.766,49 euro, 33.696,79 euro, 18.025,99 euro en 3.715,32 euro, ofwel samen 194.204,59 €. Het gerealiseerd actief bedraagt 258.465,60 euro in plaats van 452.670,19 euro. Het ereloon bedraagt 35.415,00 euro in plaats van 47.309,89 euro. De kosten worden met 18.025,99 euro en 3.715,32 euro in mindering gebracht.
- DE BESLISSING Op die gronden, de tweede kamer van de ondernemingsrechtbank Gent — afdeling Gent, rechtdoende op verzoekschrift: - Begroot het ereloon van de curator op 35.415,00 euro (exclusief BTW). - Begroot de aanrekenbare kosten op 101.328,37 euro. - Verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad. Dit vonnis is gewezen door de Ondernemingsrechtbank Gent, afdeling Gent, tweede kamer, samengesteld uit rechter en voorzitter van de tweede kamer, Vincent Verlaeckt, en de rechters in ondernemingszaken [TS] en [PD] en is op de buitengewone openbare zitting van 11 juni 2025 uitgesproken door rechter en voorzitter van de tweede kamer, Vincent Verlaeckt in aanwezigheid van griffie [AV] Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:ORGNT:2025:JUG.20250409.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div