← België

ECLI:BE:ORGNT:2025:JUG.20250617.1

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Ondernemingsrechtbank Gent Vonnis/arrest van 17 juni 2025 ECLI nr: ECLI:BE:ORGNT:2025:JUG.20250617.1 Rolnummer: Q/25/0004 Rechtsgebied: Insolventierecht Invoerdatum: 2025-06-18 Raadplegingen: 472 - laatst gezien 2026-06-18 14:14 Fiche 1 Weigering homologatie reorganisatieplan omwille van rekening-courant-schuld bestuurder/aandeelhouder: De rechten en belangen van de schuldeisers worden op een onredelijke wijze aangetast wanneer zij zouden moeten akkoord gaan met een kwijtschelding van meer dan 50% met renteloze betaaltermijnen van 60 maanden, terwijl hun schuldenaar een vordering op rekening courant heeft ten belope van 146.282,97 EUR op de enige bestuurder-aandeelhouder die zich blijkbaar niet haast om te betalen. UTU-thesaurus: HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - INSOLVENTIE Vrije woorden: Weigering homologatie reorganisatieplan wegens o.a. rekening courant schuld enige aandeelhouder / bestuurder. Rechtsmisbruik Wettelijke bepalingen: Wetboek van economisch recht - 28-02-2013 - XX.79 - 19 ELI link Pub nr 2013A11134 Fiche 2 De lezers van het reorganisatieplan – die niet de details van de individuele aangiftes van schuldvordering in Regsol moeten bestuderen – worden op een niet-correcte wijze geïnformeerd. Dit betreft een inbreuk op de pleegvormen. Lezers van het reorganisatieplan moeten duidelijk weten wat, welke schuldeisers krijgen en wat niet, opdat de lezers weloverwogen een standpunt nopens het plan kunnen innemen. Zij mogen niet misleid worden. UTU-thesaurus: HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - INSOLVENTIE Tekst van de beslissing De derde kamer van de ondernemingsrechtbank Gent, afdeling Gent heeft volgend vonnis verleend in de zaak van : BV [SV], […] verzoekster,

  1. DE RECHTSPLEGING Het dossier van de rechtspleging en de stukken werden ingezien. Op de zitting van 10 juni 2025 werden gehoord: - Verzoekster, vertegenwoordigd door haar bestuurder, de heer [F.L.] en bijgestaan door meester P.P.; - de gedelegeerd rechter, de heer B.R., in zijn verslag; - de aanwezige of bij volmacht vertegenwoordigde schuldeisers. Er werd overgegaan tot de stemming over het reorganisatieplan. De artikelen 2 en 30 tot en met 41 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken werden nageleefd.
  2. HET VERZOEK Verzoekster vordert haar reorganisatieplan te homologeren.
  3. DE BEOORDELING 3.
  4. Uit het proces-verbaal van stemming blijkt dat:  18 van de 40 schuldeisers die opgenomen werden in het reorganisatieplan hebben deel genomen aan de stemming,  het totaal van de schuldvorderingen van de aanwezige schuldeisers in hoofdsom 249.362,63 EUR bedroeg,  alle geldig stemmende schuldeisers ingestemd hebben met het reorganisatieplan, zij vertegenwoordigen een passief van 249.362,63 EUR. De meerderheid en voorwaarden gesteld in artikel XX.78/2 WER zijn behaald. 3.
  5. De rechtbank kan de homologatie van een reorganisatieplan weigeren in geval van niet-naleving van de pleegvormen die door deze wet worden opgelegd, wegens schending van de openbare orde, in geval de rechten en belangen van de schuldeisers op onredelijke wijze worden aangetast (artikel XX.79,§4 WER). Ook wanneer quorums gesteld in artikel XX.78/2 WER bij de stemming behaald werden, dient de rechtbank nog steeds na te gaan of het reorganisatieplan een schending van de openbare orde inhoudt of het plan de rechten en belangen van de schuldeisers op een onredelijke wijze aantast. 3.
  6. Bij de beoordeling tot homologatie van een reorganisatieplan, zijn volgende principes richtinggevend voor de rechtbank: 3.3.
  7. De gerechtelijke reorganisatie dient doelmatig te worden toegepast. Aan de schuldenaar wordt de reorganisatieprocedure met het oog op collectief akkoord ter beschikking gesteld enkel met het oog op de bewerkstelling van de continuïteit van de onderneming. Een uitoefening van deze bevoegdheid die losstaat van deze doelstelling, is vatbaar voor sanctionering door weigering van de homologatie. Doelafwending brengt de economische openbare orde in het gedrang. 3.3.
  8. Het plan en de hierin bepaalde maatregelen mogen niet disproportioneel zijn. Het kan niet toegelaten worden dat de lasten op disproportionele wijze bij enkele bepaalde schuldeisers worden gelegd. Tevens dient gewaakt te worden over de verhouding tussen de inspanningen die gevraagd worden van de schuldeisers en het belang van de redding van de onderneming in moeilijkheden. Wat een toegelaten verhouding is, kan beïnvloed worden door de aard en specificiteit van de schuldenaar. Niet elk herstel of behoud van de continuïteit van eender welke onderneming of activiteit verantwoordt dezelfde inspanningen van de schuldeisers. 3.3.
  9. In wezen zijn dit criteria van rechtsmisbruik. Rechtsmisbruik bestaat in uitoefening van een recht op een wijze die kennelijk de grenzen te buiten gaat, van wat een redelijk en voorzichtig persoon in dezelfde omstandigheden zou doen (art.1.10 BW). Dat is inzonderheid het geval wanneer het recht wordt gebruikt voor een doeleinde dat geen verband houdt met dat waarvoor het recht werd toegekend. Bij de beoordeling van de belangen die in het geding zijn, moet de rechter rekening houden met alle omstandigheden van de zaak (Cass. 30 oktober 2014, AR F.13.0140.F ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20141030.6). Het verbod op rechtsmisbruik geldt onverkort in procedures gerechtelijke reorganisatie. 3.3.
  10. Ook de notie goede trouw is relevant, minstens om de contouren te schetsen die elke reorganisatie zouden moeten kenmerken. De goedkeuring van een reorganisatieplan houdt een partijbeslissing in. Die beslissing is ook bindend voor zij die tegenstemmen op voorwaarde dat de bevoegdheid tot het nemen van die partijbeslissing te goeder trouw wordt uitgeoefend. Dit impliceert onder meer de eerbiediging van de vereiste functionele proportionaliteit. Minstens met betrekking tot die partijbeslissing raakt de goede trouw de openbare orde. Aldus belangt de bescherming tegen een onredelijke uitvoering van een partijbeslissing (het reorganisatieplan) de openbare orde aan. 3.3.
  11. Zelfs indien niet zou worden aangenomen dat het gebod van de uitvoering te goeder trouw in het kader van de gerechtelijke reorganisatie de openbare orde raakt, dan nog kan de rechtbank wel degelijk de goede trouw mee in overweging nemen. Er dient op gewezen dat de wetgever met de wet van 7 juni 2023 (B.S. 7 juli 2023) een autonome weigeringsgrond aan artikel XX.79 WER heeft toegevoegd, met name het geval wanneer “de rechten en belangen van de schuldeisers op onredelijke wijze worden aangetast”, wat in essentie ook een uitwerking van de goede trouw en het verbod op rechtsmisbruik betreft. 3.
  12. Het reorganisatieplan dat in casu voor homologatie dient te worden beoordeeld, werd door de schuldenaar neergelegd op 21 mei
  13. In essentie komt het erop neer dat enkele bevoorrechte schuldeisers 100% - niets uitgesloten - worden terugbetaald over een termijn van 5 jaar en dat het overgrote deel van de schuldeisers slechts 50% van de hoofdsom zullen ontvangen over een termijn van 5 jaar. De uitbetalingen zullen pondspondsgewijs gebeuren aan een tempo van 2.500,00 EUR per maand, waarbij in de 60ste maand tot slot nog een saldo van 34.266,42 EUR in één keer zal betaald worden aan de schuldeisers. 3.
  14. De schuldenaar betreft een vennootschap met één aandeelhouder, [F.L.] die ook enige bestuurder van de schuldenaar is.. De schuldenaar had voorheen een uitbating van een fruitwinkel. Deze fruitwinkel werd gesloten medio
  15. Volgens eigen verklaring van [F.L.] kreeg hij naderhand een burn-out en was er tussen mei en december 2024 geen enkele activiteit binnen de vennootschap. De rechtbank merkt op dat in 2024 voor 130.380,53 EUR grondstoffen (fruit) werden aangekocht, 5.870,00 EUR voorraad werd afgenomen en (slechts) voor 139.725,69 EUR verkopen werden geregistreerd in de boekhouding. Dit betekent dat de schuldenaar zijn fruit verkocht met een marge van 2%. Althans volgens de boekhouding zoals voorgelegd door de schuldenaar. Nog volgens verklaring van de schuldenaar werd in december 2024 een nieuwe activiteit door de vennootschap aangevat. Er werd een dienstverleningsovereenkomst gesloten met [Q] NV. Samengevat houdt deze in dat [F.L.] in opdracht van [Q] tien uur per dag frituurolie ophaalt en levert. Hiervoor mag de vennootschap 42,50 EUR per uur factureren en een camionette gebruiken van [Q]. De schuldenaar huurt geen ruimte. Er wordt gewerkt vanuit de woning van [F.L.]. Er is geen personeel, geen voorraad, geen werkuitrusting of rollend materieel. Er is een totale schuldenlast van 299.466,66 EUR, waaronder openstaande vennootschapsbelasting 2021, 2023 en 2024 en fiscale boetes. 3.
  16. De rechtbank kan het voorgelegde reorganisatieplan niet homologeren om verschillende redenen. De schuldenaar heeft een vordering op rekening-courant ten belope van 146.282,97 EUR ten aanzien van de enige bestuurder en enige aandeelhouder, [F.L.]. Op de vraag of de vennootschap al acties heeft ondernomen om deze schuld te innen bij haar enige aandeelhouder-bestuurder, wordt negatief geantwoord. [F.L.] deelt mee dat hij deze schuld aan 1.000,00 EUR per maand zal terugbetalen aan de vennootschap, wat een, zonder rekening te houden met intrest, terugbetalingstermijn van meer dan 12 jaren impliceert. Op 24 februari 2025 werd in het register een interne jaarrekening per 1.1.2025 neergelegd waaruit een rekening-courant schuld bleek van 142.726,83 EUR. Op 21 mei 2025 werd in het register een interne jaarrekening per 30.4.2025 neergelegd waaruit een rekening-courant schuld bleek van 146.282,97 EUR. Dit begrijpt de rechtbank alvast niet onder “terugbetalen aan 1.000,00 EUR per maand”. 3.
  17. Bij de opening van de gerechtelijke reorganisatie werd aan de schuldenaar het voordeel van de twijfel gegeven, gezien (o.a.) aan de rechtbank ter zitting werd voorgespiegeld dat tijdens de periode van opschorting een oplossing voor de rekening-courant zou gezocht worden en dat zulke oplossing realistisch was. De rechtbank moet echter vaststellen dat er geen “oplossing” voor de rekening-courant werd gevonden en de schuldenaar opnieuw terugvalt op de voorgenomen afbetaling aan 1.000 EUR per maand. De schuldenaar heeft op bewuste wijze haar discontinuïteit – minstens de bedreiging van haar continuïteit – zelf veroorzaakt. Uit de inhoud van het voorgelegde reorganisatieplan blijkt dat de schuldenaar niet remedieert of kan remediëren. Dit leidt tot de vaststelling dat de schuldenaar niet alleen de financiële problemen zelf heeft veroorzaakt, doch ook in stand houdt. Zelfs tijdens de periode van opschorting – sinds 18 maart 2025 tot op heden – is er door de bestuurder en aandeelhouder geen enkele inspanning om zijn hoge rekening-courant schuld deels terug te betalen. Dit is niet ernstig en maakt rechtsmisbruik uit (vergelijk Gent, 2 juni 2025, 2025/EV/9, onuitg.). Of [F.L.] niet betaalt omdat hij “niet wil” of omdat hij “niet kan”, is op dit ogenblik niet meer relevant. Rechtsmisbruik kan gesanctioneerd worden door de niet-homologatie. 3.
  18. De rechtbank stelt aldus vast dat de schuldenaar van zijn schuldeisers een inspanning vraagt in de vorm van kortingen van 50%, kwijtschelding van alle aanhorigheden én renteloze betaaltermijnen van 60 maanden. Tegelijkertijd wordt geen noemenswaardige inspanning gevraagd van [F.L.], zijnde de aandeelhouder en bestuurder die 146.282,97 EUR heeft onttrokken aan een vennootschap die verschillende jaren vennootschapsbelasting onbetaald heeft gelaten en leveranciersschulden niet kon betalen, net omwille van het ontbreken van die onttrokken gelden. Doorheen de jaren heeft de schuldenaar geen enkel initiatief genomen om de schuldvordering op de bestuurder te innen. Integendeel, de schuld is opgelopen. Zelfs nu – wanneer de schuldenaar zich in de meest precaire situatie zich bevindt – wordt nog toegestaan dat de schuld van de aandeelhouder over een termijn van meer dan 12 jaar wordt terugbetaald; als de schuld ooit al wordt betaald. De rechten en belangen van de schuldeisers worden op een onredelijke wijze aangetast wanneer zij zouden moeten akkoord gaan met een kwijtschelding van meer dan 50% met renteloze betaaltermijnen van 60 maanden, terwijl hun schuldenaar een vordering op rekening courant heeft ten belope van 146.282,97 EUR op de enige bestuurder-aandeelhouder die zich blijkbaar niet haast om te betalen. De onredelijke aantasting van de rechten en belangen van schuldeiser is een reden voor niet-homologatie. 3.
  19. Uit het debat ter zitting is gebleken dat de ernst van hetgeen hierboven werd vastgesteld niet begrepen wordt door de schuldenaar en diens bestuurder. Er bestaat geen twijfel dat dit misbruik van vennootschapsgoederen betreft. De schuldenaar bevestigt zelf dat zij haar schuldeisers niet kan betalen omwille van het gebrek aan liquiditeiten (zie ook Cass. 6 juni 2017, RW 2017-18, 1301). In verhouding met de totale schulden, is in casu de omvang van de onttrokken gelden op rekening-courant voldoende “betekenisvol” in het nadeel van de vermogensbelangen van de vennootschap. Het misbruik van vennootschapsgoederen vereist niet altijd een ‘positieve daad’. Een onthouding kan volstaan, wanneer die onthouding de uiting is van de doelgerichte wil om een bepaald resultaat te bereiken (Cass. 17 maart 2015, Arr.Cass. 2015, 775). Ook het op vandaag nalaten deze rekening-courant in te vorderen op een ogenblik dat de schuldenaar in acute financiële moeilijkheden zit en meer dan 50 % schulden wil laten kwijtschelden, kwalificeert aldus als misbruik van vennootschapsgoederen. De argumentatie van de schuldenaar overtuigt niet. Noch de moeilijke persoonlijke situatie van de bestuurder, noch de noodzaak voor de bestuurder om in zijn eigen levensonderhoud te voorzien, noch het vervangen van een actief door een schuldvordering die mogelijks later kan worden ingevorderd, doet aan het bovenstaande vaststelling afbreuk (Cass. P.19.1299.F ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200318.2F.1, 18 maart 2020). 3.
  20. Ter zitting deelt [F.L.] mee dat hij niet opteert voor het faillissement omdat hij een eigen privé-woning heeft die hij niet wil verliezen. Een curator zou immers de rekening-courant-schuld van 146.282,97 EUR invorderen, die [F.L.] verklaart nu niet te kunnen betalen. [F.L.] deelt mee dat hij pas in 2023 een nieuwe woning heeft gekocht. De vraag rijst meteen waarom hij in 2023 een nieuwe woning aankoopt, terwijl hij op dat moment een aanzienlijke schuld heeft ten aanzien van een vennootschap die op dat ogenblik reeds een grote schuldenlast had. Minstens op het vlak van prioriteiten, is dit problematisch. 3.
  21. In essentie wil de schuldenaar door middel van huidige procedure het resultaat van zijn wederrechtelijk handelen laten “homologeren” door een rechtbank en hiervoor bovenop nog een bonus verkrijgen in de vorm van kwijtschelding en renteloze betalingstermijnen ten laste van de schuldeisers. Dit laat de rechtbank niet toe. De voorgestelde maatregelen en gevraagde inspanningen van de schuldeisers zijn overigens ook kennelijk disproportioneel met het belang van de continuïteit en redding van de onderneming van de schuldenaar. De schuldenaar in casu heeft één klant, geen actief, quasi geen toeleveranciers en de meerwaarde voor het economisch weefsel is uiterst beperkt. In wezen betreft de schuldenaar een leeg facturatievehikel dat enkel in leven moet gehouden worden om te vermijden dat de rekening-courant-schuld door een curator zou worden geïnd bij de enige aandeelhouder-bestuurder. Het enige wat beoogd wordt “te redden” met dit reorganisatieplan, is het vermogen van de enige bestuurder en aandeelhouder. In casu is er dan ook sprake van doelafwending, hetgeen gesanctioneerd wordt door niet-homologatie. Een gerechtelijke reorganisatie met oog op een collectief akkoord is méér dan een louter strategische cijfermatige denkoefening met als enig doel zoveel mogelijk schulden te laten kwijtschelden ten einde het vermogen van diens aandeelhouder buiten schot te houden. Elk gunstregime kent zijn grenzen. 3.
  22. Ter zitting voeren de schuldenaar en [F.L.] tenslotte aan dat er geen ander haalbaar alternatief bestaat. Zij stellen dat een faillissement nadelig zou uitvallen voor de schuldeisers, aangezien een curator nooit in staat zal zijn om de rekening-courant-schuld ten belope van 146.282,97 EUR daadwerkelijk te innen. Volgens hen zouden de schuldeisers in dat geval niets kunnen recupereren. De privéwoning zou pas zijn aangekocht in 2023 en hierop zou een aanzienlijke hypothecaire last rusten met nauwelijks vrije waarde. De rechtbank stelt vast dat deze stellingen niet gestaafd worden met bewijsstukken. Er wordt geen enkel (objectief) element voorgelegd dat inzicht geeft in het vermogen van [F.L.], als dit al relevant zou zijn. Dat de schuldeisers gebaat zouden zijn met dit reorganisatieplan, wordt ook niet aannemelijk gemaakt. Hoewel de rechtbank niet ambtshalve het “redelijk vooruitzicht” moet beoordelen, stelt de rechtbank wel vast dat de laatste versie van het reorganisatieplan bepaalt dat 25% van hetgeen de schuldeisers wordt voorgespiegeld te zullen ontvangen, pas wordt betaald in de 60ste maand. De schuldenaar zou dus gedurende 59 maanden slechts 1,2% kunnen terugbetalen, maar in de 60ste maand zou het geen probleem zijn voor de schuldenaar meteen 25% saldo te betalen. Enige geloofwaardige, financiële onderbouw hoe de schuldenaar dat ooit zou kunnen bereiken, ontbreekt in het plan. 3.
  23. Het staat de schuldenaar uiteraard altijd vrij om individuele akkoorden te sluiten met haar schuldeisers. Als individuele schuldeisers akkoord zijn met zulk voorstel en zulk handelen van hun schuldenaar, dan kan de rechtbank hieromtrent geen bezwaar hebben. Maar de rechtbank kan en zal - gezien voormelde vaststellingen - dit plan niet dwingend “opleggen” aan schuldeisers in het kader van de gerechtelijke reorganisatie met collectief akkoord. Elk evenwicht ontbreekt. 3.
  24. Ten overvloede wijst de rechtbank nog op volgende vaststellingen nopens de pleegvormen. Op pagina 12 van het reorganisatieplan wordt gesteld: In het kader van de gerechtelijke reorganisatieprocedure worden enkel de hoofdsommen van de schuldvorderingen opgenomen in het reorganisatieplan. […]Alle bijkomende vorderingen, zoals: verwijl- en nalatigheidsintresten, schadebedingen, gerechtskosten, kosten van gerechtsdeurwaarders, rechtsplegingsvergoedingen, administratieve geldboeten, […] worden expliciet uitgesloten en maken geen deel uit van het plan. Deze uitsluiting is gerechtvaardigd en noodzakelijk om het plan economisch en financieel haalbaar te houden, en aldus de continuïteit van de onderneming te vrijwaren. Het opnemen van bijkomende vorderingen zou de levensvatbaarheid van het plan ernstig in het gedrang brengen en kan de slaagkansen van de reorganisatiehypotheek ondermijnen. Op pagina 13 wordt gesteld: “Als uitgangspunt werd de hoofdsom, zoals opgenomen in de boekhouding, afgetoetst aan de aangifte van schuldvordering door de schuldeiser gedaan, genomen zonder rekening te houden met gebeurlijke intresten, schadebedingen e.d. Betalingen werden steeds aangerekend op de hoofdsom.” Er wordt in het reorganisatieplan aldus gesteld dat ook voor de FOD Financiën en RSZ alle kosten en intresten zouden worden uitgesloten en enkel de hoofdsommen zullen betaald worden. Echter, uit de aangiftes van schuldvordering blijkt dit niet zo te zijn. De bedragen die door de schuldenaar voor de FOD Financiën en RSZ worden opgenomen in het plan en die de schuldenaar verklaart te zullen betalen, zijn wel degelijk allesomvattende schulden waarbij niets uitgesloten wordt. Bij de overige schuldeisers wordt inderdaad enkel de hoofdsommen genomen als basis, doch bij de FOD Financiën en RSZ niet. Dit in weerwil met de expliciete bewoording in het reorganisatieplan. In het reorganisatieplan wordt geen afwijkende regeling voorzien voor FOD Financiën en RSZ, doch dit blijkt in realiteit wel uit de cijfermatige lijst van schuldeisers. De lezers van het reorganisatieplan – die niet de details van de individuele aangiftes van schuldvordering in Regsol moeten bestuderen – worden aldus op een niet-correcte wijze geïnformeerd. Dit betreft een inbreuk op de pleegvormen. Lezers van het reorganisatieplan moeten duidelijk weten wat, welke schuldeisers krijgen en wat niet, opdat de lezers weloverwogen een standpunt nopens het plan kunnen innemen. Zij mogen niet misleid worden. 3.
  25. Bovendien is er sprake van onrechtmatige differentiatie in de behandeling van schuldeisers. Er worden bepaalde schuldeisers voor 100% (niets uitgesloten) terugbetaald met de loutere motivering dat dit bevoorrechte (overheids)schuldeisers zijn. Echter, ook het Rijksinstituut voor de Sociale Verzekeringen der Zelfstandigen (RSVZ) is een bevoorrechte schuldeiser en deze schuldeiser krijgt slechts 50% van de hoofdsom terugbetaald. Er wordt geen verantwoording voor deze ongelijke behandeling gegeven. 3.
  26. De rechtbank heeft de mogelijkheid - niet de plicht - om de schuldenaar toe te laten een nieuw reorganisatieplan neer te leggen en hiervoor de termijn van opschorting te verlengen (artikel XX.79§,3 WER). In casu, kent de rechtbank geen extra termijn van opschorting toe aan een schuldenaar die rechtsmisbruik pleegt. Het louter feit dat tijdens de voorbije periode van opschorting geen enkele inspanning inzake de rekening-courant werd geleverd door de enige bestuurder - aandeelhouder, verantwoordt deze beslissing. Bovendien werd op zitting door de schuldenaar duidelijk gemaakt dat de rekening-courant-schuld blijkbaar niet op te lossen is. Een aangepast reorganisatieplan zal dat niet veranderen.
  27. DE BESLISSING Op die gronden beslist de rechtbank op tegenspraak het volgende. - Weigert de homologatie van het reorganisatieplan, zoals neergelegd in het register op 21 mei 2025 door BV [SV]. - Beveelt de sluiting van de reorganisatieprocedure. - Beveelt dat door toedoen van de griffier dit vonnis bij uittreksel bekendgemaakt wordt in het Belgisch Staatsblad overeenkomstig artikel XX.79 WER. - Verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad. - Veroordeelt verzoekster tot de gerechtskosten. Dit vonnis is gewezen door de Ondernemingsrechtbank Gent, afdeling Gent, derde kamer, samengesteld uit rechter, kamervoorzitter, Vincent Verlaeckt, en de rechters in ondernemingszaken [T.M] en [DVS] en is op de openbare zitting van 17 juni 2025 uitgesproken door rechter, kamervoorzitter Vincent Verlaeckt in aanwezigheid van griffier A.V. Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20141030.6 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200318.2F.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.