id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Ondernemingsrechtbank Gent Vonnis/arrest van 08 juli 2025 ECLI nr: ECLI:BE:ORGNT:2025:JUG.20250708.1 Rolnummer: O/24/00952 Rechtsgebied: Insolventierecht Invoerdatum: 2025-07-23 Raadplegingen: 783 - laatst gezien 2026-06-18 13:43 Fiche 1 Rangdoorbreking: De pauliaanse vordering is onderworpen aan de verjaringstermijnen bedoeld in artikel 2262bis, § 1, lid 2 en lid 3 oud BW (5 jaar). Ten aanzien van de collectiviteit namens wie de curator optreedt, neemt de verjaring voor een vordering op basis van XX.114 WER pas een aanvang op datum van de faillietverklaring. Het is pas bij de faillietverklaring dat het vermogen buiten het bezit van de gefailleerde wordt gesteld, dat de failliete boedel ontstaat, dat de rangregeling gefixeerd wordt en dus de schade juridisch bestaat. Het zou niet consequent zijn te stellen dat de verjaring op grond van XX.112 WER pas een aanvang kan nemen na het vonnis waarbij de rechtbank de datum staking van betaling vaststelt (Cass. 30 mei 2014, C.13.0470.F ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140530.2), doch tegelijk te aanvaarden dat de verjaring van de vordering op grond van XX.114 WER al zou lopen nog vóór er sprake is van boedelvorming, fixatie en rangregeling. UTU-thesaurus: HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - INSOLVENTIE Vrije woorden: Verjaring Pauliana XX.114 WER. Vraagstuk 5 of 10 jaar en aanvangspunt van verjaring Wettelijke bepalingen: Wetboek van economisch recht - 28-02-2013 - XX.114 - 19 ELI link Pub nr 2013A11134 Fiche 2 Selectieve betalingen kunnen onrechtmatig zijn, wanneer de schuldenaar niet meer in staat is om al zijn schuldeisers te voldoen. De rangregeling wordt relevant – ook al is er nog geen samenloop – op “het ogenblik waarop insolventie redelijkerwijze een onafwendbaar risico wordt”. De tijdspanne tussen “het ogenblik waarop insolventie redelijkerwijze een onafwendbaar risico” en de uiteindelijke faillietverklaring is niet bepalend. Samenloop kan immers doelbewust uitgesteld worden om reden eigen aan de bestuurder of andere insiders (ingewijden). Dat een vennootschap/vereniging enige tijd in slaapmodus wordt gebracht om samenloop uit te stellen, maakt eerdere selectieve betalingen niet minder onrechtmatig. In tegenstelling tot wat verweerder voorhoudt, betekent “het ogenblik waarop insolventie redelijkerwijze een onafwendbaar risico wordt” niet dat de faillietverklaring “dreigend en imminent” moet zijn. Het volstaat te weten - of behoren te weten - dat het ondernemingsverhaal zal eindigen met een tekort en dus dat er geen redelijke vooruitzichten zijn om dat nog te vermijden. Het is immers die wetenschap die ertoe kan aanzetten om het onvermijdelijk nettopassief af te wentelen op andere schuldeisers en zichzelf vooraan te plaatsen op de betaalagenda. UTU-thesaurus: HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - INSOLVENTIE Vrije woorden: rangdoorbreking / selectieve betaling XX.114 WER Wettelijke bepalingen: Wetboek van economisch recht - 28-02-2013 - XX.114 - 19 ELI link Pub nr 2013A11134 Tekst van de beslissing De tweede kamer van de ondernemingsrechtbank Gent — afdeling Gent heeft het volgend vonnis verleend: PARTIJEN IN HET GEDING Enerzijds, Meester [X], handelend in zijn hoedanigheid van curator van het faillissement van VZW [QS],, hiertoe aangesteld bij vonnis van de Ondernemingsrechtbank Gent, afdeling Gent dd. [….11.2022] Eiser q.q. Anderzijds, De heer [F.K.] Verweerder hebbende als raadsman Mr. [Y] I. INFORMATIE OVER DE PROCEDURE 1.
- Het geding werd ingeleid met dagvaarding betekend op 21 november
- Bij beschikking van 3 december 2024 heeft de rechtbank, in overeenstemming met artikel 747 § 1 Ger.W., de conclusietermijnen tussen partijen afgesproken bekrachtigd en heeft zij de rechtsdag bepaald. De rechtbank heeft de partijen in openbare terechtzitting van 27 mei 2025 gehoord, waarna de debatten werden gesloten en de zaak in beraad werd genomen. De rechtbank heeft kennis genomen van het rechtsplegingsdossier en de neergelegde stukken. De bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken worden nageleefd. II. FEITEN DIE AANLEIDING GEVEN TOT HET GESCHIL 2.
- Verweerder stelt actief te zijn als producent en promotor van musicals en gelijkaardige spektakels onder de meest diverse vormen. Verweerder is één van de oprichters van de toenmalige VZW [VT] - thans VZW [QS] – opgericht op 23 december
- VZW [QS] organiseerde spektakels, musicals en dansvoorstellingen. Vanaf de oprichting was verweerder bestuurder van de VZW en nam de functie van voorzitter waar. Op 16 december 2009 nam verweerder ontslag als bestuurder. 2.
- Het wordt niet betwist dat verweerder in 2012 een lening heeft verstrekt aan de VZW [QS] ten belope van 300.000,00 EUR, tegen een rentevoet van 6%. Deze lening wordt in de boekhouding van VZW [QS] geboekt op boekhoudrekening 174000 “overige leningen”. Elk jaar wordt 6% intrest in credit geboekt zodat de schuld uit hoofde van de lening finaal zal aangroeien tot 409.527,48 EUR. 2.
- Vanaf 2014 doven de activiteiten van de VZW [QS] uit. In 2013 werd nog een omzet van 1.052.525,00 EUR gerealiseerd en ontving men 1.048.226,00 EUR uit hoofde van schenkingen en subsidies. In 2014 daalt de omzet naar 162.244,00 EUR en wordt nog 17.097,00 EUR aan schenkingen en subsidies ontvangen. Vanaf 2015 wordt er geen omzet meer gerealiseerd binnen VZW [QS] Er worden enkel nog inkomende lidgelden en subsidies ontvangen, ten belope van respectievelijk 143.000,00 EUR in 2015, 98.000 EUR in 2016 en 96.000 EUR in
- Sedert 2015 werden geen nieuwe producties of projecten meer door VZW [QS] opgestart. 2.
- Op 4 maart 2015 wordt verweerder opnieuw aangesteld als bestuurder-voorzitter van VZW [QS], samen met de NV [PL] als penningmeester en (dochter) [FK] als secretaris. Verweerder is eveneens enige bestuurder van de NV [PL]. Het bestuur van de VZW [QS] bestaande uit voormelde drie (rechts)personen, zou onveranderd blijven tot datum faillissement 22 november
- 2.
- Op 15 november 2022 doet de VZW [QS] aangifte van staking van betaling. Bij vonnis 22 november 2022 wordt VZW [QS] failliet verklaard door deze rechtbank en mr. [X] wordt aangesteld als curator, zijnde eiser q.q. 2.
- Eiser q.q. stelt vast dat tussen 17 maart 2016 en 31 december 2018 aan verweerder betalingen zijn gebeurd ten belope van 310.000,00 EUR ter terugbetaling van voormelde lening. - 17/03/2016 Terugbetaling [FK] 14 000,00 EUR - 07/04/2016 Terugbetaling Lening 22 000,00 EUR - 31/08/2016 Terugbetaling [FK] 10 000,00 EUR - 20/09/2016 [FK] 10 000,00 EUR - 30/09/2016 Terugbetaling [FK] 3 000,00 EUR - 23/06/2017 Aflossing lening 10 000,00 EUR - 13/07/2017 [FK] Lening aflossing 50 000,00 EUR - 03/08/2017 Terugbet lening [FK] 10 000,00 EUR - 26/09/2017 Aflossing lening [FK] 10 000,00 EUR - 06/12/2017 Aflossing lening [FK] 16 000,00 EUR - 14/06/2018 Aflossing lening [FK] 40 000,00 EUR - 12/07/2018 Aflossing lening [FK] 60 000,00 EUR - 20/12/2018 lening (bet 31/01/2017) 35 000,00 EUR - 31/12/2018 lening [FK] 20 000,00 EUR De hoofdsom van de lening bedroeg 300.000,00 EUR. Rekening houdend met de opgebouwde rente (6%), bleef na de betaling van de voormelde 310.000,00 EUR nog een saldo van 99.527,48 EUR te betalen aan verweerder 2.
- Eiser q.q. ziet in voormelde terugbetalingen ten belope van 310.000,00 EUR tussen 17 maart 2016 en 31 december 2018 een paulianeus handelen. Eiser q.q. wijst erop dat in de jaren 2016, 2017 en 2018 quasi alle door de VZW ontvangen gelden ogenblikkelijk – vaak dezelfde dag - werden doorgestort aan verweerder tot terugbetaling van de lening en dit met voorrang op de overige schuldeisers op een ogenblik dat er geen activiteiten meer waren. Verweerder zou deze terugbetalingen hebben ontvangen op een ogenblik dat hij wist of behoorde te weten dat hierdoor de andere schuldeisers zouden benadeeld worden. 2.
- Verweerder betwist de beweringen van eiser q.q. Partijen komen niet tot een minnelijke regeling waarna eiser q.q. op 21 november 2024 overgaat tot dagvaarding 2.
- In het passief van het faillissement VZW [QS] hebben slechts drie schuldeisers zich gemeld en aangiften van schuldvordering gedaan. 1) Mr. [D] q.q. in hoedanigheid van curator van [B.I.] NV, failliet verklaard […] februari 2022, ten belope van 14.250,91 EUR 2) Mr. [DE] q.q. in hoedanigheid van curator van [PLE] NV, failliet verklaard […] februari 2022, ten belope van 3.728,81 EUR 3) Verweerder voor een bedrag van 1,00 EUR provisioneel voor het niet terugbetaald saldo van de lening. De aangiften van schuldvordering van [B.I.] en [PLE] werden aanvaard, samen voor 17.979,72 EUR. Verweerder is tevens één van de bestuurders van [B.I.] NV in faling en [PLE] in faling. De aangifte van schuldvordering van verweerder ten belope van 1,00 EUR provisioneel werd aangehouden en na het derde proces-verbaal van verificatie, betwist. De betwistingsprocedure is naar de rol verzonden. III. VORDERINGEN 3.
- Eiser q.q. vordert in zijn laatste conclusie: De vordering van concluant qq. ontvankelijk en gegrond te verklaren ; Te zeggen voor recht dat de gedane betalingen opzichtens de heer [FK] voor een totaalsom van 310.000,00 EUR niet-tegenstelbaar zijn opzichtens concluant qq. / de failliete boedel van de VZW [QS] ; De heer [FK] te veroordelen tot terugbetaling aan concluant qq. / de failliete boedel van de VZW [QS], van de som van 310.000,00 EUR, te vermeerderen met de verwijlrente sedert datum van aanmaning (23.11.2023) en met de gerechtelijke rente sedert datum van dagvaarding, te rekenen aan de wettelijke rente, en zulks tot aan de integrale betaling ervan ; De heer [FK] te horen veroordelen tot de kosten van het geding. 3.
- Verweerder vordert in zijn laatste conclusie: De vordering af te wijzen als onontvankelijk, minstens ongegrond, in elk geval de vordering te herleiden tot een bedrag van 13.330 EURO, hoogstens 18.249,72 EURO, meer 1 EURO provisioneel, rente hoogstens van datum van de veroordeling. De zaak voor het overige en m.n. de finale bepaling van het nadeel van de schuldeisers van VZW [QS] in faling naar de rol te verwijzen tot vaststelling van de schuldvordering van concluant op het faillissement van VZW [QS] in faling in de procedure gekend voor uw zetel onder rolnummer V/23/
- Eiser qq. te veroordelen tot de kosten met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding begroot op 10.988,37 EURO. IV. BEOORDELING IV.A. Wat betreft de verjaring van de pauliaanse vordering 4.
- Verweerder stelt dat de vordering van eiser q.q. verjaard is met verwijzing naar de verjaringstermijn van 5 jaar voorzien in artikel 2262bis § 1, lid 2 en lid 3 oud BW. De verjaringstermijn zou aanvangen op het moment dat de vermeend benadeelde schuldeisers kennis kregen van het feit dat zij hun schuldvordering niet zouden kunnen verhalen op de vennootschap/vereniging. Volgens verweerder wisten de schuldeisers kort na de publicatie van de jaarrekening over het boekjaar 2016 dat zij “hun schuldvordering mogelijks niet zouden kunnen verhalen op de vennootschap”. De publicatie van die jaarrekening gebeurde op 24 september 2018 en de dagvaarding dateert pas van 21 november 2024, waardoor de termijn van 5 jaar is verstreken. Verweerder wijst verder op de samenstelling van de vermeende benadeelde schuldeisers. Er zijn slechts drie schuldeisers, waarvan hijzelf er één is. Van de twee overige schuldeisers was verweerder één van de bestuurders. Hieruit zou moeten afgeleid worden dat alle schuldeisers op de hoogte waren van zowel de geviseerde betalingen alsook van de financiële situatie van de VZW [QS], aldus verweerder. 4.
- Eiser q.q. verwijst naar een “meer recente visie” waarbij de pauliaanse vordering niet als een vordering onrechtmatige daad wordt benaderd maar als een persoonlijke rechtsvordering met de niet-tegenwerpelijkheid van de rechtshandeling tot gevolg. Dit zou als consequentie hebben dat artikel 2262bis §1, lid 1 oud BW van toepassing is en er dus een verjaringstermijn van 10 jaar geldt. 4.
- Eiser q.q. benadrukt dat hij geen vordering bestuurdersaansprakelijkheid stelt en bijgevolg die verjaringstermijnen niet kunnen gelden. De vordering wordt tegen verweerder gesteld in zijn hoedanigheid van begunstigde van de betalingen en niet in zijn hoedanigheid van bestuurder die beslist heeft om de betalingen uit te voeren. Ook verweerder benadrukt in zijn conclusie dat hij niet wordt aangesproken als bestuurder en dat de verjaringstermijnen inzake bestuurdersaansprakelijkheid niet gelden. Zo stelt verweerder: “Concluant wordt in deze procedure niet aangesproken als bestuurder van VZW [QS]. Elke aansprakelijkheid dienaangaande is ten andere verjaard door het verstrijken van 5 jaar na de geviseerde handeling. Concluant wordt aangesproken als ontvanger van een betaling vanuit VZW [QS].” De rechtbank kan enkel akte nemen van beide eensluidende standpunten wat dit punt betreft. 4.
- Naar het oordeel van de rechtbank is een verjaringstermijn van 5 jaar van toepassing, doch is de vordering niet verjaard. 4.4.
- Krachtens 2262bis, § 1, lid 2 en lid 3 oud BW verjaren alle rechtsvorderingen tot vergoeding van schade op grond van buitencontractuele aansprakelijkheid door verloop van vijf jaar vanaf de dag volgend op die waarop de benadeelde kennis heeft gekregen van de schade of van de verzwaring ervan en van de identiteit van de daarvoor aansprakelijke persoon. Voormelde vorderingen verjaren in ieder geval door verloop van twintig jaar vanaf de dag volgend op die waarop het feit waardoor de schade is veroorzaakt, zich heeft voorgedaan. De vordering bedoeld in artikel XX.114 WER is een toepassing van artikel 1167 oud BW, thans 5.243 BW (Cass. 11 februari 1993, AR 9535, Arr.Cass. 1993, 176). De vordering bedoeld in artikel 1167 Burgerlijk Wetboek, thans 5.243 BW strekt tot vergoeding van de schade die de bedrieglijke verarming van de schuldenaar aan de schuldeiser berokkent (zie o.a. Cass. 4 september 2020, C.20.0053.N ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200904.1N.5/3). Hieruit volgt dat dergelijke pauliaanse vordering onderworpen is aan de verjaringstermijnen bedoeld in artikel 2262bis, § 1, lid 2 en lid 3 oud BW (Cass. 26 april 2012, Arr.Cass. 2012, 1090, nr. 260). Het is niet naar recht verantwoord te stellen dat de vordering bedoeld in artikel XX.114 WER een persoonlijke vordering is die onderworpen is aan de tienjarige verjaringstermijn van artikel 2262bis, § 1, lid 1 oud BW (vgl. Cass. 25 januari 2013 C.12.0202.N ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130125.3/4). 4.4.
- Verjaringstermijnen zijn in de eerste plaats bedoeld om rechtszekerheid en een goede rechtsbedeling te waarborgen. Ook de interpretatie van deze regels moet in het teken staan van die doelstellingen. Bovendien zijn er voldoende redenen om de pauliaanse vordering (nog steeds) in de eerste plaats een indemnitaire functie toe te schrijven, ook al kunnen de gevolgen hiervan theoretisch gezien niet steeds in andere bestaande, juridisch concepten geplaatst worden. 4.4.
- De vijfjarige verjaringstermijn begint te lopen vanaf de dag waarop de benadeelde daadwerkelijk kennis heeft gekregen van de schade (Cass. 26 april 2012, Arr.Cass. 2012, 1090, nr. 260). In het kader van een faillissement en XX.114 WER wordt met benadeelde partij bedoeld de collectiviteit van schuldeisers. De daadwerkelijke kennis dient aldus te worden beoordeeld vanuit het oogpunt van die collectiviteit. 4.4.
- Wanneer de curator namens de boedel in rechte optreedt, oefent hij de gemeenschappelijke rechten van alle schuldeisers uit en niet de rechten van elk van hen (Cass. 12 februari 1981, Pas. 1981, I, 639). Gemeenschappelijke rechten zijn niet resultante van de loutere optelling van de individuele rechten van schuldeisers. Deze gemeenschappelijke rechten van alle schuldeisers zijn rechten die voortvloeien uit de schade ten gevolge van de fout - van wie ook - waardoor het passief van het faillissement toeneemt, het actief ervan vermindert of het actief dat ter beschikking moest staan van de schuldeisers maar niet langer effectief in de boedel aanwezig is (Cass. 24 oktober 2002, DAOR 2003, 278). De omstandigheid dat de gefailleerde zelf niet over een vordering op de derde beschikte, doet hieraan geen afbreuk (Cass. 24 oktober 2004, Rev.prat.soc. 2004, afl. 2, 152) Rangdoorbrekende betalingen in het licht van nakende insolventie raken uit hun aard de collectiviteit. Dergelijke betalingen raken immers de massa van goederen en rechten die het gemeen onderpand vormen van de schuldeisers. De failliete massa die later zal veruitwendigd worden in de rangregeling, wordt geaffecteerd door betalingen in de mate dat deze betalingen als rangdoorbrekend worden gekwalificeerd. Of de geviseerde betalingen als dan niet rangdoorbrekend zijn, raakt de grond van de zaak en niet de toelaatbaarheid van de vordering. 4.4.
- Bij een pauliaanse vordering wordt onder kennis van de schade verstaan: het moment waarop de benadeelde daadwerkelijk weet dat hij zijn schuldvordering niet meer kan verhalen. Het is dus van belang te bepalen vanaf welk tijdstip de collectiviteit van schuldeisers daadwerkelijk wist dat de invordering van de schuldvorderingen onmogelijk was geworden. Een louter vermoeden van kennis volstaat daarbij niet (Cass. 26 april 2012, Arr.Cass. 2012, 1090, nr. 260). 4.
- Uit het bovenstaande volgt dat ten aanzien van de collectiviteit namens wie de curator optreedt, de verjaring voor een vordering louter op basis van XX.114 WER pas een aanvang neemt op datum van de faillietverklaring. Het is pas bij de faillietverklaring dat het vermogen buiten het bezit van de gefailleerde wordt gesteld, dat de failliete boedel ontstaat, dat de rangregeling gefixeerd wordt en dus de schade juridisch bestaat. Het zou niet consequent zijn te stellen dat de verjaring op grond van XX.112 WER pas een aanvang kan nemen na het vonnis waarbij de rechtbank de datum staking van betaling vaststelt (Cass. 30 mei 2014, C.13.0470.F ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140530.2), doch tegelijk te aanvaarden dat de verjaring van de vordering op grond van XX.114 WER al zou lopen nog vóór er sprake is van boedelvorming, fixatie en rangregeling. Een faillissementspauliana is een collectieve rechtsvordering die slechts door de curator kan ingesteld worden. Vóór het ontstaan van samenloop, kan de curator ook geen kennis hebben van enige schade. (Met betrekking tot de aanvang van verjaring vgl. HvB Gent 29 maart 2012, NjW 2013, 316 en HvB Antwerpen 2 juni 2022, 2021/BV/42, onuitg.). 4.
- Zelfs indien de stelling ontwikkeld in randnummer 4.
- niet wordt gevolgd, dan nog moet worden vastgesteld dat verweerder geen valabele argumenten aanbrengt waaruit zou blijken dat de schuldeisers vóór 21 november 2019 daadwerkelijk kennis zou gehad hebben dat zij hun schuldvordering definitief, deels niet zouden kunnen recupereren. De loutere omstandigheid dat een jaarrekening een negatief eigen vermogen vertoont, bewijst niet dat de collectiviteit daadwerkelijk kennis heeft dat schuldvorderingen definitief (deels) onbetaald zouden blijven. 4.
- De vordering van eiser q.q. op grond van XX.114 WER is niet verjaard. De rechtbank ziet verder geen ambtshalve op te werpen middelen van ontoelaatbaarheid. Derhalve is de vordering van eiser q.q. toelaatbaar VI.B. De pauliaanse vordering ten gronde 4.
- Handelingen of betalingen verricht met bedrieglijke benadeling van de rechten van de schuldeisers kunnen niet worden tegengeworpen onverschillig op welke datum zij hebben plaatsgehad (artikel XX.114 WER). De rechtbank gaat hieronder de toepassingsvoorwaarden na. 4.
- Wat betreft de anterioriteitsvereiste: Klassiek wordt aangenomen dat aan de anterioriteitsvereiste is voldaan wanneer tenminste één schuldvordering in de boedel dateert van vóór de aangevochten handeling. Zodra dat het geval is, komt de pauliana ten goede aan alle schuldeisers ongeacht of hun vordering dateert van voor of van na de aangevochten handeling (Cass. 13 maart 2015, Arr.Cass. 2015, 743 en Cass. 17 oktober 1991, Arr.Cass. 1991-92, 163). Niet is vereist dat het bedrag van de schuldvordering op het tijdstip van de aangevochten handeling reeds bepaald is of dat de schuldvordering werd vastgesteld in een rechterlijke beslissing (Cass. 5 januari 2006, C.04.0607.N ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060105.10). De geviseerde betalingen dateren in casu uit de periode 17 maart 2016 tot en met 31 december
- Het volstaat te verwijzen naar de vaststelling dat een deel van de op heden openstaande schuldvordering van schuldeiser [B.I.] NV haar oorsprong vindt in een factuur van 31 juli
- Dat de initiële leningsovereenkomst op basis van dewelke de geviseerde terugbetalingen zijn gebeurd, zou dateren van vóór de oudste openstaande schuld, is niet relevant bij de beoordeling van de anterioriteitsvereiste. Het is niet de beweerdelijke leningsovereenkomst op zich die aangevochten wordt, doch wel de betalingen ervan in 2016, 2017 en
- Aan de anterioriteitsvereiste is voldaan. 4.
- Wat betreft de benadeling, bedrog en medeplichtigheid In casu zou de bedrieglijke benadeling bestaan uit het wijzigingen van de rangorde van schuldeisers. In zulk geval is er niet noodzakelijk sprake van verarming. Het netto-vermogen van de schuldenaar wordt niet geaffecteerd door de aangevochten rechtshandeling, zijnde een betaling. De liquiditeiten (actief) verminderen in dezelfde mate dat de hiermee betaalde schuld (passief) daalt. Ondanks de rechtshandelingen vermogensrechtelijk neutraal zijn in hoofde van de schuldenaar, kunnen de geviseerde betalingen toch de verhaalsrechten van de collectiviteit van schuldeisers aantasten wanneer wordt vastgesteld dat er sprake is van “rangdoorbreking”, waarbij bepaalde schuldeisers een preferente positie wordt verleend of bij voorrang worden betaald (vgl. Cass. 9 juli 1953, Arr.Cass. 1953, 788). Het uitgangspunt blijft dat een schuldenaar zijn schuldeisers ongelijk mag behandelen bij afwezigheid van samenloop. Een schuldenaar kan rechtmatige redenen hebben om de ene schuldeiser eerder of meer te betalen, dan de andere schuldeiser; ook wanneer deze beide schuldeisers van dezelfde orde zijn. Een onderneming moet niet voorafgaand aan elke uitgave een theoretische rangregeling opmaken. Selectieve betalingen kunnen evenwel onrechtmatig zijn, wanneer de schuldenaar niet meer in staat is om al zijn schuldeisers te voldoen. De rangregeling wordt relevant – ook al is er nog geen samenloop – op “het ogenblik waarop insolventie redelijkerwijze een onafwendbaar risico wordt” (zie hierover J. Vananroye, Organisatierecht: Werfbezoek aan een onvoltooide piramide in Acta Falconis VII, Antwerpen, Intersentia, 2015, p. 28, nr. 15) De tijdspanne tussen “het ogenblik waarop insolventie redelijkerwijze een onafwendbaar risico” en de uiteindelijke faillietverklaring is niet bepalend. Samenloop kan immers doelbewust uitgesteld worden om reden eigen aan de bestuurder of andere insiders (ingewijden). Dat een vennootschap/vereniging enige tijd in slaapmodus wordt gebracht om samenloop uit te stellen, maakt eerdere selectieve betalingen niet minder onrechtmatig. In tegenstelling tot wat verweerder voorhoudt, betekent “het ogenblik waarop insolventie redelijkerwijze een onafwendbaar risico wordt” niet dat de faillietverklaring “dreigend en imminent” moet zijn. Het volstaat te weten - of behoren te weten - dat het ondernemingsverhaal zal eindigen met een tekort en dus dat er geen redelijke vooruitzichten zijn om dat nog te vermijden. Het is immers die wetenschap die ertoe kan aanzetten om het onvermijdelijk nettopassief af te wentelen op andere schuldeisers en zichzelf vooraan te plaatsen op de betaalagenda. Het pauliaans bedrog kan ook afgeleid worden uit het “abnormaal karakter” van een handeling (Cass. 19 februari 2015, Arr.Cass. 2015, 473; Cass. 26 oktober 1989, Arr.Cass. 1989-90, 282; Cass. 15 maart 1985, Arr.Cass. 1984-85, 969). Een betaling van een niet-vervallen of niet-opeisbare schuld, of een betaling met verdachte spoed, kunnen abnormale handelingen zijn. Zeker wanneer die betalingen geschieden aan insiders. 4.
- Vooreerst stelt de rechtbank vast dat verweerder eraan voorbij gaat dat de opeisbaarheid van beweerde lening niet bewezen wordt. Het is niet omdat in 2012 een langlopende lening wordt toegekend en alzo geboekt wordt in de boekhouding van VZW [QS], dat hieruit automatisch zou volgen dat de lening opeisbaar was in
- Het door verweerder voorgelegde stuk 3 is door geen enkele partij ondertekend, zodat niet duidelijk is welke bewijswaarde verweerder hieraan wil toedichten. Verder wijst de rechtbank erop dat uit de boekhouding van VZW [QS] blijkt dat de VZW – die nochtans bestuurd werd door verweerder - zelf deze lening nooit als opeisbaar heeft beschouwd. Tot op het ogenblik van de faillietverklaring stond deze schuld geboekt op de boekhoudrekening 174000 “overige leningen” onder “schulden op meer dan één jaar”. Ook in de gepubliceerde jaarrekeningen van VZW [QS] - neergelegd onder het bestuur van verweerder - wordt de kwestieuze lening elk jaar, steeds opgenomen als niet-opeisbaar onder “schuld op meer dan één jaar”. Ook in de laatst neergelegde jaarrekening - neergelegd op 29 juni 2018 over het boekjaar 2017 - wordt de lening nog steeds als een “schuld op meer dan één jaar” opgenomen, terwijl op dat ogenblik al bijna 200.000,00 EUR was terugbetaald aan verweerder. Het bij voorrang terugbetalen van een niet-opeisbare vordering, is abnormaal. Quasi elke binnenkomende euro, meteen - vaak dezelfde dag - doorstorten aan de bestuurder-schuldeiser, is abnormaal. Zeker wanneer er andere schulden gekend zijn, er een uitgesproken negatief eigen vermogen bestaat en geen activiteiten meer gepland zijn. Redenen waarom verweerder niet kan voorhouden dat hij als begunstigde van de betalingen niet zou geweten hebben dat de overige schuldeisers zouden worden benadeeld. Het pauliaans bedrog staat vast wanneer de handeling abnormaal was en de schuldenaar heeft gehandeld met de wetenschap dat de schuldeisers zouden benadeeld worden (Cass. 15 maart 1985, Arr.Cass.1984-85, 969). 4.
- Zelfs indien zou aangenomen worden dat de lening wel opeisbaar was en de terugbetaling op zich niet abnormaal was, dan nog stelt de rechtbank vast dat de betalingen kaderen in een bedrieglijke benadeling. De intentie te benadelen of minstens het redelijkerwijs weten of behoren te weten dat de betalingen de overige schuldeisers zouden benadelen, acht de rechtbank bewezen. Ten tijde van de aangevochten betalingen (van 17 maart 2016 tot en met 31 december 2018) wist elke redelijk voorzichtig en vooruitziend bestuurder - of behoorde te weten - dat VZW [QS] nooit haar volledig passief kon aanzuiveren en dat de vereniging sowieso zou eindigen met een deficit. Het “ogenblik waarop insolventie redelijkerwijze een onafwendbaar risico wordt”, was reeds aangebroken op 17 maart
- Het is die wetenschap die de bestuurder had moeten aanzetten tot voorzichtigheid en eerbied voor de gelijkheid van schuldeisers. Uit de stukken blijkt dat hiervan geen sprake is geweest. Elke inkomende euro werd vanaf 17 maart 2016 quasi onmiddellijk – vaak dezelfde dag - overgemaakt naar verweerder en niet naar de overige schuldeisers. De VZW [QS] had een negatief eigen vermogen van – 222.582,00 EUR per 31 december
- Vanaf 2015 was er geen enkele activiteit meer binnen VZW [QS]. Vanaf 2015 werd geen omzet volgend uit enige activiteit gerealiseerd binnen de VZW tot datum faillietverklaring. De enige ontvangsten vanaf 2015 waren lidgelden en schenkingen, terwijl er geen enkele activiteit meer was of te verwachten was. 4.
- Verweerder stelt in conclusie dat op het ogenblik van de aangevochten betalingen “de VZW in de mogelijkheid [was] om activiteiten te ontwikkelen/haar doel te realiseren in de zin van het opzetten van producties. Dat dit naderhand niet is gebeurd maakt niet dat de toestand op het ogenblik van de geviseerde handelingen reeds precair was.” De rechtbank stelt vast dat verweerder geen enkel stuk voorlegt waaruit zou blijken - of aannemelijk wordt gemaakt - dat het realistisch was dat er ooit nog enige activiteit zou ontplooid worden binnen deze VZW. Als dit voornemen er werkelijk zou geweest zijn in de jaren 2015, 2016, 2017 en 2018 dan is het verwonderlijk dat hierover geen enkel overtuigingstuk kan voorgelegd worden. Een loutere theoretische mogelijkheid volstaat niet om de rechtbank te overtuigen. Immers, elke vennootschap/vereniging kan theoretisch gezien een activiteit ontwikkelen tot haar faillietverklaring. Er dient evenwel nagegaan te worden of die theoretisch mogelijk realistisch en oprecht is. In casu kan de rechtbank alvast niet vaststellen dat er enige intentie tot het heractiveren van de werking na 2015 aanwezig is geweest. 4.
- Ook de overige argumenten van verweerder overtuigen de rechtbank niet: 4.14.
- De aard van de inkomende gelden na 2015, is niet van belang. Ofwel zijn deze ontvangsten na 2015 rechtmatig en dan behoren zij tot het vermogen van VZW [QS]. Ofwel zijn deze ontvangsten niet rechtmatig en dan stelt zich mogelijks een ander probleem voor verweerder. De rechtbank stelt enkel vast dat verweerder in conclusie uitgebreid uitlegt waarom de ontvangsten na 2015 in hoofde van VZW [QS] wel rechtmatig waren, wat maakt dat deze gelden correct dienden te worden beheerd en aangewend. Dat er na 2015 enkel nog schenkingen werden ontvangen van andere rechtspersonen onder de controle van verweerder doet dan ook geen afbreuk aan bovenstaande vaststellingen inzake het paulianeus karakter. 4.14.
- Dat de overige twee schuldeisers ook vennootschappen zijn waarvan verweerder één van de bestuurders was, heeft geen relevantie. Verweerder stelt dat er geen sprake van bedrieglijke benadeling van “vreemde derden” kan zijn aangezien betalingen aan de twee andere schuldeisers zouden kwalificeren als onrechtstreekse betalingen aan hemzelf. Het zou geen verschil uitgemaakt hebben of er nu betaald werd aan hemzelf of aan de twee andere schuldeisers van VZW [QS] aangezien “benadeling van deze vennootschappen in wezen neer [kwam] op benadeling van zichzelf”. De rechtbank volgt deze redenering van verweerder niet. Te dezen dient vooreerst gesteld dat er een onderscheid bestaat tussen het vermogen van verweerder en het vermogen van een vennootschap – met eigen rechtspersoonlijkheid - waarvan verweerder mogelijks aandeelhouder is. Zelfs indien verweerder zou kunnen aantonen dat hij 100% aandeelhouder is van de twee andere schuldeisers, dan nog dient erop gewezen dat die schuldeisers ook failliet zijn verklaard zodat ook daar schuldeisers zijn die benadeeld zijn. In elk geval wordt geen stuk voorgelegd waarin de curatoren van de overige twee schuldeisers meedelen dat zij akkoord zijn met de feitelijke achterstelling van hun respectievelijke failliete boedel. 4.
- Het bovenstaande noopt tot de vaststelling dat de aangevochten betalingen tussen 17 maart 2016 en 31 december 2018 ten belope van 310.000,00 EUR aan verweerder, werden verricht met bedrieglijke benadeling van de rechten van de schuldeisers en met medeweten van de begunstigde van die betalingen. De voorwaarden van de pauliaanse vordering op grond van XX. 114 WER zijn voldaan. IV.C. Wijze van herstel – begroting vergoeding 4.
- Eiser q.q. vordert dat alle betalingen ten belope van 310.000,00 EUR niet-tegenstelbaar zouden worden verklaard en dat verweerder zou worden veroordeeld tot (terug)betaling van de integrale 310.000,00 EUR aan de failliete boedel van vzw [QS]. Dat er op heden maar een aanvaard passief van 17.979,72 EUR is, zou niet relevant zijn. Volgens eiser q.q. moet verweerder eerst integraal 310.000,00 EUR betalen aan de curatele, waarna verweerder zijn provisionele aangifte van schuldvordering kan begroten op 409.527,48 EUR, zodat verweerder tenslotte uit de rangregeling wellicht 95,79% van hetgeen hij terugbetaald heeft, kan recupereren. 4.
- Verweerder betwist deze zienswijze. Hij wijst erop dat een zakelijke vordering op geldsommen niet mogelijk zou zijn wanneer indien deze gelden ondertussen vermengd zijn. Verweerder stelt dat hij enkel kan gehouden zijn tot betaling van de sommen die noodzakelijk zijn om de rangregeling – zoals deze had moeten gerespecteerd worden – te herstellen. De remedie zou erin moeten bestaan dat aan de benadeelde schuldeisers een correct dividend kan toekomen. Verweerder betoogt dat het niet kan dat hij 310.000,00 EUR zou moeten betalen, terwijl er maar 17.979,72 EUR overige schulden gekend zijn en hij het saldo uiteindelijk toch zou terugkrijgen. De vordering, zoals gesteld door eiser q.q., zou enkel tot gevolg hebben dat het ereloon van de curator onnodig wordt verhoogd. 4.
- Te dezen neemt de rechtbank vooreerst in overweging: - dat er slechts drie schuldeisers gekend zijn; - dat de faillietverklaring dateert van 22 november 2022 en dat de aangiftetermijn bepaald in artikel XX.165,lid 3 WER ruimschoots overschreden is; - dat eiser q.q. geen melding maakt van hangende procedures met betrekking tot mogelijke schulden (zie artikel XX.165, lid 4 WER). Er kan aldus aangenomen worden dat de massa van schuldeisers zich in casu zal beperken tot de thans drie gekende schuldeisers. Dat niet kan uitgesloten worden dat er nog schuldeisers van gefailleerde bestaan, is niet relevant. Het is inderdaad zo dat schulden niet verdwijnen of uitdoven in hoofde van de gefailleerde wanneer deze niet tijdig en correct worden aangegeven. Echter, de vordering van de curator wordt gesteld met het oog op het beschermen van de verhaalsrechten van de schuldeisers in de massa; ten behoeve van zij die in de rangregeling kunnen komen (ook al komen zij niet in nuttige rang). Het staat vast – minstens wordt het tegenovergestelde niet aannemelijk gemaakt – dat geen andere schuldeisers meer zullen toetreden tot de rangregeling die voorwerp uitmaakt van het beoogde herstel. Twee aangiftes van schuldvordering werden aanvaard. Die schulden zijn vaststaand: - [B.I.] NV, failliet verklaard […] februari 2022, ten belope van 14.250,91 EUR - [PLE] failliet verklaard […] februari 2022, ten belope van 3.728,81 EUR De aangifte van schuldvordering van verweerder ten belope van 1,00 EUR provisioneel werd nog niet definitief begroot. De begroting van de schuldvordering hangt evident af van de uitkomst van huidige procedure. Als verweerder zou veroordeeld worden tot integrale terugbetaling van 310.000,00 EUR dan bedraagt de schuldvordering 409.527,48 EUR. In het andere geval slechts 99.527,48 EUR. Bovendien dringt de vaststelling zich op dat de schade aan de rangregeling (die moet hersteld worden door verweerder) zou vergroten, naarmate verweerder zijn eigen schuldvordering zou verhogen in die rangregeling. 4.
- Het standpunt van eiser q.q. zou in grote lijnen volgende afrekening tot gevolg hebben: Gerealiseerd actief: 310.000,00 EUR Ereloon curator: - 38.507,07 EUR BTW ereloon - 8.086,48 EUR Boedelkosten: - 1.000,00 EUR (p.m) Te verdelen provenu: 262.406,45 EUR Dit provenu zou pondspondsgewijs worden verdeeld onder de chirografaire schuldeisers als volgt: [B.I.] NV in faling 8.738,14 EUR (3,33%) ]PLE] in faling 2.309,18 EUR (0,88%) Verweerder 251.359,13 EUR (95,79%) Totaal 262.406,45 EUR In deze hypothese zou verweerder dus eerst 310.000,00 EUR moeten betalen om vervolgens 251.359,13 EUR terug ontvangen; dit alles om de 2 overige schuldeisers te vergoeden ten belope van een nettobedrag van 11.047,32 EUR. 4.
- Een pauliaanse vordering dient doelmatig te worden benaderd. Een Pauliaanse vordering strekt nog steeds tot vergoeding van schade. Het schadeherstel impliceert in casu een herstel van de rangregeling. Het bedrog dient te worden geneutraliseerd. Er dient nagegaan te worden wat het verschil is tussen de rangregeling die er zou geweest zonder de bedrieglijke handeling en de huidige rangregeling. Dat verschil dient hersteld. Dat verschil bedraagt geen 310.000,00 EUR, zoals gevorderd door eiser q.q. De Pauliaanse vordering kan voor de failliete boedel - thans in de vorm van de “rangregeling” - geen bron van winst zijn. Eénieders rechten in de rangregeling dienen te worden hersteld, doch ook niet meer dan nodig. Wel dient rekening te worden gehouden met de kosten van de vereffening, gezien deze wegen op het dividend dat de overige schuldeisers thans (wel) zullen ontvangen. Het toegebrachte netto nadeel aan de overige schuldeisers kan op heden voorlopig begroot worden op 11.047,32 EUR. Dit nadeel kan hersteld worden door verweerder 18.912,60 EUR te laten vergoeden aan de boedel,. Dit zou dan leiden tot volgende afrekening: Gerealiseerd actief: 18.912,60 EUR Ereloon curator: - 5.673,79 EUR BTW ereloon - 1.191,49 EUR Boedelkosten: - 1.000,00 EUR (p.m) Te verdelen provenu voor de schuldeisers bedraagt dan 11.047,32 EUR. Deze berekening geldt enkel als de schuldvordering van verweerder – die voorlopig begroot werd op 1,00 EUR provisioneel en betwist is – niet verder geconcretiseerd en aanvaard wordt. Het is echter niet aan de rechtbank om hierover in deze procedure beslissingen of richtlijnen aan partijen te geven. Het staat partijen evident vrij hierover akkoorden te sluiten. De definitieve begroting van de schade toegebracht aan de rangregeling zal afhangen van de afloop van de betwistingsprocedure betreffende de aangifte van schuldvordering van verweerder in de boedel, gekend onder rolnummer V/23/
- Om die redenen, wordt verweerder in huidig vonnis veroordeeld tot betalen van een provisioneel begroot bedrag en wordt de zaak naar de rol verzonden voor verdere begroting indien dit nog aan de orde zou zijn. 4.
- Behoudens de uitzonderingen die de wet bepaalt of tenzij de rechter, ambtshalve of op verzoek van een van de partijen, bij met bijzondere redenen omklede beslissing anders beveelt, onverminderd artikel 1414 Ger.W., zijn de eindvonnissen uitvoerbaar bij voorraad, zulks niettegenstaande hoger beroep en zonder zekerheidsstelling indien de rechter deze niet heeft bevolen (art. 1397, lid 1 Ger.W.). Partijen argumenteren niet op een concrete wijze waarom de rechtbank in deze zaak zou moeten afwijken van dit principe. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad. 4.
- Waar artikel 279
(1), 4°, W.Reg. in een vrijstelling van rolrechten voorziet voor alle zaken die ingeleid worden in het kader van Boek XX WER, met betrekking tot de insolventie van ondernemingen, is er geen aanleiding om in toepassing van artikel 269
(2)§ 1 W.Reg. enige veroordeling tot betaling van rolrechten uit te spreken. V. BESLISSING De rechtbank doet recht op tegenspraak en op grond van alle bovenstaande redenen, alle verdere en meer uitgebreide of strijdige conclusies verwerpende als zijnde niet-gegrond of niet ter zake dienend. De rechtbank verklaart zich bevoegd tot kennisname van de vordering. Verklaart de vorderingen van eiser q.q. ontvankelijk en gegrond in volgende mate: - Zegt voor recht dat de betalingen - daterend in de periode 17 maart 2016 en 31 december 2018 en opgesomd in randnummer 2.
- - door VZW [QS] aan [FK], zijn verricht met bedrieglijke benadeling van de rechten van de schuldeisers. - Zegt voor recht dat [FK] gehouden is tot herstel van de hierdoor geleden schade. - Veroordeelt [FK] tot betalen van een provisioneel begrote som van 18.912,60 EUR aan eiser q.q., meer de intrest aan de wettelijke intrestvoet vanaf 23 november
- - Zendt de zaak naar de rol voor eventuele verdere definitieve begroting van de te vergoeden schade. - Veroordeelt [FK] tot de kosten van dagvaarding, 428,46 euro en houdt eventuele andere vorderingen inzake de kosten aan. - Verklaart dit tussenvonnis uitvoerbaar bij voorraad. ***** Gewezen op tegenspraak door de Tweede Kamer van de Ondernemingsrechtbank van Gent – Afdeling Gent, samengesteld uit: V. Verlaeckt, rechter en voorzitter van de kamer, [FB] en [WL], rechters in ondernemingszaken, en uitgesproken door de voorzitter van de kamer in buitengewone openbare terechtzitting op 08 juli 2025 in aanwezigheid van [AV], griffier. Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060105.10 ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130125.3 ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140530.2 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200904.1N.5 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div