← België

ECLI:BE:ORGNT:2025:JUG.20250722.1

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Ondernemingsrechtbank Gent Vonnis/arrest van 22 juli 2025 ECLI nr: ECLI:BE:ORGNT:2025:JUG.20250722.1 Rolnummer: O/25/334 Rechtsgebied: Insolventierecht Invoerdatum: 2025-07-23 Raadplegingen: 411 - laatst gezien 2026-06-16 03:29 Fiche 1 Het systematisch weigeren conform de wettelijke bepalingen, bij te dragen tot de publieke middelen is manifest asociaal gedrag en ondermijnt het eerlijke handelsverkeer. Zulke onverschillige houding ingegeven door louter winstbejag, schuift de lasten door naar andere deelnemers in dat handelsverkeer – en bij uitbreiding naar elkeen die wel bijdraagt tot de maatschappij. Verweerder heeft zich jarenlang bediend van het wederrechtelijke bruto-is-netto-principe en andere meewerkende vennoten gefaciliteerd om hetzelfde te doen. Op enig moment moet dit stoppen; het economisch weefsel – en bij uitbreiding de maatschappij – dient te worden beschermd en een einde moet worden gesteld aan dit parasiteren. UTU-thesaurus: HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - INSOLVENTIE Vrije woorden: Verbod ondernemen Wettelijke bepalingen: Wetboek van economisch recht - 28-02-2013 - XX.229 - 19 ELI link Pub nr 2013A11134 Fiche 2 De houding van verweerder – die in alle opzichten niet overeenstemt met de maatschappelijke en economische normen - kan niet worden geduld in het handelsverkeer. Het economisch weefsel dient te worden beschermd. Verweerder verzoekt ondergeschikt slechts een voorwaardelijk beroepsverbod gekoppeld aan het volgen van een cursus bij DYZO of VDAB, op te leggen. Gelet op de ernst van de feiten, acht de rechtbank het absoluut noodzakelijk een effectief verbod op te leggen. Het staat verweerder vrij om tijdens de periode van verbod cursussen inzake bedrijfsbeheer, boekhouding, fiscaliteit, verantwoordelijkheidszin, ….te volgen. UTU-thesaurus: HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - INSOLVENTIE Vrije woorden: verbod ondernemen Wettelijke bepalingen: Wetboek van economisch recht - 28-02-2013 - XX.229 - 19 ELI link Pub nr 2013A11134 Tekst van de beslissing De tweede kamer van de ondernemingsrechtbank Gent — afdeling Gent heeft het volgend vonnis verleend: PARTIJEN IN HET GEDING Procureur des Konings bij de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen – afdeling Gent, woonst kiezend op zijn parket te 9000 Gent, Opgeëistenlaan 401/B, ter zitting vertegenwoordigd door […] Eiser [L.V.] Verweerder Vertegenwoordigd door mr. [X] I. INFORMATIE OVER DE PROCEDURE 1.

  1. Het geding werd ingeleid met dagvaarding betekend op 11 februari
  2. De rechtbank heeft partijen in raadkamer op de zitting van 10 juni 2025 van gehoord, waarna de debatten werden gesloten en de zaak in beraad werd genomen. De rechtbank heeft kennis genomen van het rechtsplegingsdossier en de neergelegde stukken. De bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken worden nageleefd. II. SAMENVATTING VAN DE RELEVANTE FEITEN 2.
  3. Verweerder was sinds 8 februari 2017 oprichter-bestuurder van de CVOA [AB] welke door deze rechtbank in staat van faillissement werd verklaard op 14 november
  4. Op 23 januari 2024 werd verweerder, eveneens door deze rechtbank, persoonlijk in staat van faillissement verklaard. Op 11 februari 2025 ging de procureur des Konings over tot dagvaarding van verweerder in toepassing van artikel XX.229 WER. III. DE VORDERINGEN 3.
  5. In het verzoekschrift vordert de procureur des Konings om: In toepassing van artikel XX.229 van het Wetboek van Economisch Recht te horen zeggen bij een met redenen omkleed vonnis dat het gedaagde verboden wordt om persoonlijk of door een tussenpersoon, een onderneming uit te baten én enige taak uit te oefenen die de bevoegdheid inhoudt om een rechtspersoon rechtsgeldig te verbinden gedurende een termijn van 5 jaar effectief. De procureur des Konings is van oordeel dat verweerder een kennelijk grove fout heeft begaan die heeft bijgedragen tot het faillissement. Deze kennelijk grove fout kan – aldus de procureur des Konings – worden afgeleid uit de volgende omstandigheden: - “Gedaagde was mede-oprichter van de vennootschap CVOA [AB] sedert 8 februari 2017 en was de enige bestuurder tot aan het faillissement. [….] waren mede-oprichters en tevens stille vennoten. - Volgens het laatste pv van schuldvorderingen bedroeg het totale passief ruim 176.921 euro, waarvan 163.862 euro bevoorrecht passief en 13.058 euro gewoon passief. Onder de bevoorrechte schuldeisers bevonden zich de FOD FINANCIEN (83.888 euro) en vzw Liantis Verzekeringfonds (59.021 euro) en Partena (20.271 euro). Er is derhalve sprake van misbruik van geduldige schuldeisers. - Gedaagde heeft geen aangiftes in de vennootschapsbelasting verricht, noch betalingen van sociale bijdragen. Het aanvangskapitaal werd bepaald op 18.600 euro, doch werd evenmin volstort. Gedaagde vertoonde een totaal disrespect voor alle fiscale en parafiscale verplichtingen. - De datum van staking van betaling bevindt zich volgens de curator ergens midden
  6. Volgens de depistageprint werd het eerste uitvoerende roerende beslag gelegd door vzw Liantis Verzekeringsfonds op 10 mei 2023 wegens niet betaalde sociale bijdragen. Mijn ambt bepaalt de datum van virtueel faillissement op 10 mei 2023, zodat er sprake is van laattijdige aangifte van faillissement gezien het faillissement maar op 14 november 2023 werd uitgesproken. - De rekening courant schuld van de bestuurder aan de vennootschap CVOA [AB] bedroeg 10.568 euro. De bestuurder maakte zich derhalve schuldig aan verduistering van activa/misbruik van vennootschapsgoederen. Uit het verhoor van gedaagde blijkt dat er twee voertuigen kort voor faillissement werden verkocht, waarvan de opbrengst aangewend werd voor privé-doeleinden. - Gedaagde was reeds betrokken bij een eerder faillissement, namelijk van CVOA [BEL] - Naast het faillissement van CVOA [AB] werd [L.v..] ook persoonlijk failliet verklaard bij vonnis van 23 januari 2024 van de ondernemingsrechtbank te Gent, afdeling Gent met een passief ten belope van 174.579 euro (quasi volledig bevoorrechte schuldeisers). De ernstige fouten van gedaagde en het feit dat de gedaagde reeds betrokken was bij eerdere falingen noodzaken tot het opleggen van een effectief verbod om persoonlijk of door een tussenpersoon, een onderneming uit te baten (art. XX.229 § 1 WER) en een effectief verbod om enige taak uit te oefenen die de bevoegdheid inhoudt om een rechtspersoon rechtsgeldig te verbinden (art. XX.229 § 3 en § 4 WER) teneinde gedaagde te verhinderen zijn activiteiten verder te zetten of opnieuw te beginnen.” 3.
  7. Verweerder vordert in zijn laatste conclusie: “- In eerste orde: te zeggen voor recht dat geen kennelijke grove fout is bewezen, minstens dat geen beroepsverbod moet worden opgelegd; - In tweede orde: de uitspraak inzake het beroepsverbod op te schorten, dan wel een voorwaardelijk beroepsverbod met uitstel op te leggen; - In derde orde: het effectief gedeelte van het beroepsverbod te beperkten tot maximaal 1 jaar; “ IV. DE BEOORDELING Ontvankelijkheid 4.
  8. Middelen van onontvankelijkheid worden niet opgeworpen. De rechtbank ziet geen redenen om dit ambtshalve te doen. De vordering is ontvankelijk. De grond van de zaak 4.
  9. Het van toepassing zijnde artikel XX.229 WER luidt als volgt: §
  10. De insolventierechtbank die het faillissement heeft uitgesproken of, wanneer het faillissement in het buitenland is uitgesproken de insolventierechtbank te Brussel, kan, indien blijkt dat een kennelijke grove fout van de gefailleerde heeft bijgedragen tot het faillissement, deze bij een met redenen omkleed vonnis verbod opleggen persoonlijk of door een tussenpersoon een onderneming uit te baten. §
  11. (…) §
  12. Voor de toepassing van dit artikel worden met de gefailleerde gelijkgesteld, de bestuurders en zaakvoerders van een failliet verklaarde rechtspersoon wier ontslag niet een jaar voor de faillietverklaring is bekendgemaakt, alsmede enig ander persoon die zonder beheerder of zaakvoerder te zijn, werkelijk de bevoegdheid zal gehad hebben de failliet verklaarde rechtspersoon te beheren. §
  13. Daarenboven kan de ondernemingsrechtbank die het faillissement van de rechtspersoon heeft uitgesproken, of de insolventierechtbank te Brussel wanneer het in het buitenland is uitgesproken, indien blijkt dat een kennelijke grove fout van een van de personen, krachtens paragraaf 3 gelijkgesteld met de gefailleerde, heeft bijgedragen tot het faillissement, aan deze persoon bij een met redenen omkleed vonnis het verbod opleggen om persoonlijk of door een tussenpersoon, enige taak die de bevoegdheid inhoudt om een rechtspersoon rechtsgeldig te verbinden. §
  14. De duur van het verbod bepaald in de paragrafen 1, 3 en 4 wordt vastgesteld door de rechtbank. Hij bedraagt maximum tien jaar. (…) §
  15. De rechtbank kan het verbod voorwaardelijk opleggen voor een duur van drie jaar of de uitspraak opschorten voor een zelfde duur. 4.
  16. De in het voormeld artikel aangehaalde ‘kennelijk grove fout’ betreft een ernstige inbreuk op de essentiële normen van het vennootschapsleven of een flagrante fout die getuigt van een niet verschoonbare lichtzinnigheid of onzorgvuldigheid. Het kennelijk karakter duidt erop dat het een manifeste fout betreft die ook als dusdanig door elk redelijk voorzichtig en vooruitziend ondernemer wordt aanzien. De kennelijk grove fout kan bestaan uit een geheel van feiten en gedragingen die door hun samenhang als kennelijk grof worden beschouwd. Dat de fout moet ‘bijgedragen’ hebben tot het faillissement, houdt in dat de fout een aandeel moet gehad hebben in de daaropvolgende faillietverklaring. Het faillissement moet mee veroorzaakt moet zijn door de kennelijk grove fout. Niet vereist is dat deze fout de enige, de belangrijkste of de noodzakelijke oorzaak van het faillissement is. Het volstaat dat zonder de fout, de schade zich niet in dezelfde vorm zou hebben voorgedaan. 4.
  17. De rechtbank besluit uit de feiten en gegevens, zoals door de procureur des Konings aangebracht, dat er sprake is van een kennelijk grove fout in hoofde van verweerder. De feiten en gegevens zoals aangebracht door de procureur des Konings herneemt de rechtbank hier en maakt deze tot de zijne. 4.4.
  18. Het systematisch negeren van fiscale, sociale en parafiscale verplichtingen De rechtbank stelt vast dat verweerder systematisch fiscale, sociale en parafiscale verplichtingen negeert. Het passief van CVOA [AB] bedraagt 176.921,71 EUR, waarvan 164.004,50 EUR institutionele schulden zijn - Federale Overheidsdienst Financiën 83.889,87 EUR - Liantis Sociaal Verzekeringsfonds 59.021,76 EUR - Stad Gent 511,00 EUR - PARTENA 20.581,87 EUR Uit de schuldvordering van Liantis blijkt dat verweerder gedurende 24 opeenvolgende kwartalen heeft nagelaten zijn sociale bijdragen te betalen. Gelet op de oprichting van de CVOA [AB] op 8 februari 2017 en faillietverklaring van 14 november 2023 moet de rechtbank vaststellen dat verweerder gedurende de volledige bestaansperiode van zes jaar nooit persoonlijke sociale bijdragen heeft betaald. Verweerder laat 34.492,21 EUR eigen persoonlijke sociale bijdragen onbetaald. Bovendien blijkt dat verweerder als bestuurder van de CVOA [AB] haar activiteiten structureel heeft georganiseerd met werkende vennoten die eveneens hun sociale bijdragen onbetaald laten. Uit de schuldvorderingen van Partena en Liantis blijken openstaande kwartalen voor minstens zeven werkende vennoten van de CVOA [AB], waartoe de vennootschap hoofdelijk gehouden is. - A.L 8.317,55 EUR (6 onbetaalde kwartalen) - B.P 1.655,52 EUR (2 onbetaalde kwartalen) - C.L. 1.753,77 EUR (2 onbetaalde kwartalen) - D.E. 2.479,80 EUR (4 onbetaalde kwartalen) - I.Z 4.326,06 EUR (4 onbetaalde kwartalen) - D.M. 1.963,29 EUR (6 onbetaalde kwartalen) - S.P 7.013,83 EUR (5 onbetaalde kwartalen) - K.L. 17.064,14 EUR (23 onbetaalde kwartalen) De CVOA [AB] Group heeft - onder het bestuur van verweerder - verder verschillende aanslagen inzake BTW en vennootschapsbelasting onbetaald gelaten. In het persoonlijk faillissement van verweerder werden ook meerdere hoogoplopende aanslagen in de personenbelasting onbetaald gelaten - bovenop de fiscale schulden van de CVOA - , wat opnieuw getuigt van een manifeste desinteresse in de eigen maatschappelijke verantwoordelijkheid. Verweerder was eerder oprichter en bestuurder van de CVOA [BEL] failliet verklaard op 28 mei
  19. Het systematisch weigeren conform de wettelijke bepalingen, bij te dragen tot de publieke middelen is manifest asociaal gedrag en ondermijnt het eerlijke handelsverkeer. Zulke onverschillige houding ingegeven door louter winstbejag, schuift de lasten door naar andere deelnemers in dat handelsverkeer – en bij uitbreiding naar elkeen die wel bijdraagt tot de maatschappij. Verweerder heeft zich jarenlang bediend van het wederrechtelijke bruto-is-netto-principe en andere meewerkende vennoten gefaciliteerd om hetzelfde te doen. Op enig moment moet dit stoppen; het economisch weefsel – en bij uitbreiding de maatschappij – dient te worden beschermd en een einde moet worden gesteld aan dit parasiteren. Verweerder wijst voor onder meer deze nalatigheid naar zijn boekhouder, de heer [D.V], die zijn taken ernstig zou hebben verwaarloosd. Verweerder blijft verantwoordelijk voor het voeren van een regelmatige en correcte boekhouding. Het feit dat hij daarbij een beroep deed op een externe accountant, doet aan deze verantwoordelijkheid geen afbreuk. Evenmin kan verweerder zich verschuilen achter de beweerde wanprestaties van de accountant om zich volledig onwetend te verklaren over de financiële situatie van de onderneming en haar fiscale verplichtingen. Voor het betalen van sociale bijdragen en fiscale schulden is geen boekhouder of accountant vereist. Van elke ondernemer actief in België mag verwacht worden dat hij weet dat hij fiscale aangiftes moet indienen en dat hij de schulden die hieruit volgen, naderhand ook moet betalen. Bovendien had verweerder reeds ruimer ervaring als ondernemer, gezien het eerdere faillissement van de CVOA [BEL] waarvan hij bestuurder was. 4.4.
  20. Het misbruik van geduldige schuldeisers Het misbruik van geduldige schuldeisers hangt samen met het voorgaande onder randnummer 4.4.
  21. Verweerder liet na om zijn persoonlijke sociale bijdragen te betalen voor een periode van zes jaar. Ook de schulden ten gevolge meerdere, onbetaalde aanslagen in de vennootschapsbelasting (voor de CVOA) en de personenbelasting (privéschulden verweerder) wijzen op misbruik van de geduldige schuldeisers. De schulden waarmee verweerder wordt geconfronteerd bestaan bijna uitsluitend uit overheidsschulden. 4.4.
  22. De laattijdige aangifte van faillissement Liantis liet op 10 mei 2023 uitvoerend beslag op roerend goed leggen. Het staat vast dat verweerder én de CVOA [AB] op dat moment geschokt krediet kenden en er, gelet op de omvang van de ingediende schuldvordering van Liantis, sprake was van langdurige staking van betaling. Het loutere feit dat de FOD Financiën nog derdenbeslag bij de opdrachtgever van de CVOA kan leggen, doet hieraan geen afbreuk. Integendeel, dat schulden betaald worden door derdenbeslag is abnormaal en wijst op staking van betaling. 4.4.
  23. Verduistering van activa / misbruik van vennootschapsgoederen Verweerder heeft een rekening-courantschuld van 10.568,00 EUR ten aanzien van de CVOA die niet kon worden terugbetaald. Dit wordt niet betwist. Daarnaast verklaarde hij in zijn verhoor bij de politiediensten op 30 september 2024 zelf twee voertuigen Opel, eigendom van de vennootschap in “vorig jaar september/oktober” te hebben verkocht en de gelden te hebben aangewend voor persoonlijke doeleinden. Verweerder houdt voor dat het misbruik van vennootschapsgoederen, in casu de rekening-courantschuld en de verkoop van twee voertuigen kort voor het faillissement, “anders” zou moeten bekeken worden aangezien verweerder, gelet op de vennootschapsvorm CVOA, steeds hoofdelijk aansprakelijk zal zijn voor de schulden van de vennootschap. De rechtbank kan die mening niet bijtreden. Misbruik van vennootschapsgoederen wordt niet “anders” bekeken in geval dit gepleegd wordt in het kader van een CVOA. Dat de verhaalsrechten van de schuldeisers niet worden verminderd gelet op de hoofdelijkheid van verweerder, doet niets af aan het feit dat gelden werden aangewend voor persoonlijke doeleinden, hoewel verweerder wist dat zulks op betekenisvolle wijze in het nadeel was van de vermogensbelangen van de rechtspersoon en verweerder wist dat deze gelden niet konden worden terugbetaald. Deze onttrokken gelden zijn vervolgens onoordeelkundig aangewend, met als gevolg blijvende schulden. Bovendien wijst dit opnieuw op het negeren van fiscale en sociale verantwoordelijkheid. De gelden op rekening-courant werden opnieuw “verbruikt” door verweerder zonder enige fiscale of sociaalrechtelijke afrekening. 4.4.
  24. Dit alles samen, maakt een kennelijk grove fout uit. 4.
  25. Het staat bovendien vast dat voormelde kennelijk grove fout heeft bijgedragen tot het faillissement van gefailleerde. Uit de aard van het passief blijkt dat verweerder elke overheidsschuldeiser gedurende lange periode negeert, zowel in zijn persoonlijke activiteiten alsook in de onderneming waarin hij bestuurder was. Hij verschafte zichzelf en de vennootschap op deze manier een oneigenlijk krediet en kon op die wijze een verlieslatende onderneming verderzetten. Een onderneming kan bovendien niet op duurzame wijze gevoerd worden wanneer zij niet op regelmatige wijze haar sociale en fiscale verplichtingen voldoet. Dit verzuim heeft onder meer tot gevolg dat een vertekend beeld wordt gecreëerd met betrekking tot de reële liquiditeitsvereiste en reële rendabiliteit van de activiteit. Een nauwkeurige opvolging van de financiële situatie van de onderneming wordt hierdoor moeilijk, zoniet onmogelijk. Deze opvolging is nochtans noodzakelijk om correcte beleidsbeslissingen te kunnen nemen, om tijdig te kunnen reflecteren over de toekomst van de onderneming, om desgevallend herstelmaatregelen te nemen, dan wel om de activiteiten te stoppen. Dit gebrek aan opvolging heeft bijgedragen tot de faillietverklaring. De houding van verweerder – die in alle opzichten niet overeenstemt met de maatschappelijke en economische normen - kan niet worden geduld in het handelsverkeer. Het economisch weefsel dient te worden beschermd. 4.
  26. Verweerder verzoekt ondergeschikt slechts een voorwaardelijk beroepsverbod gekoppeld aan het volgen van een cursus bij DYZO of VDAB, op te leggen. Gelet op de ernst van de feiten, acht de rechtbank het absoluut noodzakelijk een effectief verbod op te leggen. Het staat verweerder vrij om tijdens de periode van verbod cursussen inzake bedrijfsbeheer, boekhouding, fiscaliteit, verantwoordelijkheidszin, ….te volgen. 4.
  27. Op grond van het voorgaande is de rechtbank dan ook van oordeel dat aan de toepassingsvoorwaarden van artikel XX.229 WER voldaan is. De hierboven opgesomde feiten en fouten betreffen telkenmale handelingen dewelke geenszins verenigbaar zijn met een normaal economisch handelen, hetgeen noodzaakt tot het opleggen van een beroepsverbod van 5 jaar effectief. 4.
  28. Waar artikel 279

(1), 4°, W.Reg. in een vrijstelling van rolrechten voorziet voor alle zaken die ingeleid worden in het kader van Boek XX WER, met betrekking tot de insolventie van ondernemingen, is er geen aanleiding om in toepassing van artikel 269
(2)§ 1 W.Reg. enige veroordeling tot betaling van rolrechten uit te spreken. 4.
  1. Alle andere besluiten wijst de rechtbank af als ongegrond of niet ter zake dienend. V. BESLISSING De rechtbank doet recht op tegenspraak en op grond van alle bovenstaande redenen, alle verdere en meer uitgebreide of strijdige conclusies verwerpende als zijnde niet-gegrond of niet ter zake dienend. De rechtbank verklaart zich bevoegd tot kennisname van de vordering. De rechtbank verklaart de vordering van de procureur des Konings ontvankelijk en gegrond in de hiernavolgende mate: De rechtbank zegt voor recht dat [L.V.], verboden wordt om persoonlijk of door een tussenpersoon, een onderneming uit te baten (artikel XX.229 §1 WER) en verboden wordt om enige taak uit te oefenen die de bevoegdheid inhoudt om een rechtspersoon rechtsgeldig te verbinden (artikel XX.229 § 3 en § 4 WER) en dit alles voor een termijn van 5 jaar effectief vanaf heden. De rechtbank verzoekt de griffier om dit vonnis ter kennis te brengen aan de partijen en te zorgen voor publicatie in het Belgisch Staatsblad zoals voorzien in artikel XX.231, laatste alinea WER. Wijst het anders- of meergevorderde af als ongegrond. ***** Gewezen op tegenspraak door de tweede kamer van de ondernemingsrechtbank van Gent – afdeling Gent, samengesteld uit: V. Verlaeckt, rechter en voorzitter van de kamer, [PVH] en [HV], rechters in ondernemingszaken, en uitgesproken door de voorzitter van de kamer in buitengewone openbare terechtzitting op 22 juli 2025 in aanwezigheid van [ZF], griffier bij beschikking hoofdgriffier [NP] dd. 20/03/
  2. Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.