id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Ondernemingsrechtbank Gent Vonnis/arrest van 09 september 2025 ECLI nr: ECLI:BE:ORGNT:2025:JUG.20250909.1 Rolnummer: O/25/00630 Rechtsgebied: Insolventierecht Invoerdatum: 2025-09-11 Raadplegingen: 374 - laatst gezien 2026-06-19 02:31 Fiche 1 De verwerping van schuldvorderingen is een wettelijke sanctie bedoeld voor onregelmatige aangiftes van schuldvordering. Een schuldeiser die van oordeel is dat zijn schuldvordering onterecht werd verworpen, kan de verwerping “ongedaan” laten verklaren door de curator te dagvaarden. De wet voorziet geen termijn waarbinnen de betrokken schuldeiser uiterlijk de vordering tot het ongedaan maken van de verwerping, moet stellen. Een onregelmatige aangifte van schuldvordering is te onderscheiden van een aangifte voor een ongegronde vordering. Een schuldvordering waarvan de curator van oordeel is dat deze niet kan aanvaard worden op inhoudelijke gronden komt niet in aanmerking voor een de plano verwerping, maar moet worden betwist. UTU-thesaurus: HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - INSOLVENTIE Vrije woorden: Verwerping aangifte van schuldvordering Wettelijke bepalingen: Wetboek van economisch recht - 28-02-2013 - XX.156 - 19 ELI link Pub nr 2013A11134 Fiche 2 Een verwerping van een schuldvordering gebeurt niet door middel van een proces-verbaal van verificatie. Overeenkomstig artikel XX.161 WER kan een curator in een proces-verbaal enkel aanvaarden, aanhouden en betwisten; niet verwerpen. Dat in het door het register automatisch gegenereerd proces-verbaal van verificatie een tabel van “verworpen schuldvorderingen” wordt opgenomen, heeft geen juridische waarde en doet al zeker geen termijnen aanvangen ten aanzien van de schuldeisers wier schuldvordering werd verworpen. Het kan hoogstens aanzien worden als een kennisgeving via het register. UTU-thesaurus: HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - INSOLVENTIE Vrije woorden: verwerping aangifte van schuldvordering Wettelijke bepalingen: Wetboek van economisch recht - 28-02-2013 - XX.156 - 19 ELI link Pub nr 2013A11134 Tekst van de beslissing De tweede kamer van de ondernemingsrechtbank Gent — afdeling Gent heeft het volgende vonnis verleend
- NV [TBL] , met zetel […]
- BV [FLOWER], met zetel […] Eisers Allen hebbende raadsman meester […] tegen Meester [Y] , advocaat, met kantoor […] in zijn hoedanigheid van curator over het faillissement van BV [BLOEM] met zetel […] failliet verklaard bij vonnis van deze rechtbank van 15 april
- Curator BV [BLOEM] I. FEITEN DIE AANLEIDING GEVEN TOT HET GESCHIL 1.
- De BV [BLOEM] werd failliet verklaard bij vonnis van deze rechtbank op 15 april
- Mr. [Y] werd aangesteld als curator. In het vonnis van faillietverklaring werd de datum van staking van betaling voorlopig gesteld op 15 april
- Eisers beweren schuldeiser te zijn van de BV [BLOEM]. 1.
- Eerste eiser heeft op 21 april 2024 een schuldvordering ingediend in het faillissement BV [BLOEM] via het register. De aangifte werd ‘aangehouden’ onder nummer 22 in het eerste proces-verbaal van verificatie neergelegd op 23 mei
- 1.
- Tweede eiser heeft op 30 april 2024 een schuldvordering ingediend in het faillissement BV [BLOEM] via het register. De aangifte werd ‘aangehouden’ onder nummer 43 in het eerste proces-verbaal van verificatie, neergelegd op 23 mei
- 1.
- Beide aangiftes van schuldvorderingen worden “aangehouden” in het tweede proces-verbaal van verificatie neergelegd op 16 oktober
- 1.
- Naar aanleiding van het derde en laatste proces-verbaal van verificatie beslist de curator om de aangiftes van schuldvordering van eiseressen te ‘verwerpen’. In het derde proces-verbaal van verificatie – neergelegd 16 april 2025 – wordt onderaan een tabel opgenomen van “verworpen schuldvorderingen”. In deze tabel staan o.a. de schuldvorderingen van eiseres opgenomen. Voor eerste eiseres wordt in voormelde tabel in de kolom “reden verwerping” genoteerd “ander: geen begroting geen stukken geen belang” Voor tweede eiseres wordt in voormelde tabel in de kolom “reden verwerping” genoteerd “ander: geen belang en geen vordering bewezen” 1.
- Eiseres zijn niet akkoord met deze ‘verwerping’ en de gehanteerde werkwijze van de curatoren en wensen hiertegen op te komen. Op 19 mei 2025 gaat eisers over tot dagvaarding van de curator en vragen de verwerping ongedaan te maken en te zeggen voor recht dat de aangifte van schuldvordering dient te worden afgehandeld via de reguliere betwistingsprocedure voorzien in artikel XX.162 WER. 1.
- Partijen hebben conclusies genomen. Op de openbare terechtzitting van 2 september 2025 worden partijen gehoord waarna de debatten werden gesloten en de zaak in beraad werd genomen. De rechtbank heeft kennis genomen van het rechtsplegingsdossier en de neergelegde stukken. De bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken worden nageleefd. II. DE VORDERINGEN VAN PARTIJEN 2.
- Eisers vorderen in hun laatste conclusie: - Te zeggen voor recht dat de verwerping van vorderingen een wederrechtelijke -zelfs tergende handeling- is en dat de schuldvorderingen, zoals gebruikelijk en wettelijk is voorzien, dienen te worden beslecht conform de procedure voorgeschreven in artikel XX
- - Te bevelen dat curator [Y] de nodige correcties in Regsol dient aan te brengen, meer bepaald de vorderingen van concludenten dient aan te vinken als betwist. - Curator [Y] te veroordelen de kosten van het geding, inbegrepen de kosten van dagvaarding (p.m.) en van rolstelling, alsook de rechtsplegingsvergoeding, op heden begroot op 3.767,44 EUR. 2.
- De curator vordert in zijn laatste conclusie: - De vorderingen van eisers af te wijzen als ontoelaatbaar, minstens onontvankelijk en strikt subsidiair ongegrond te verklaren. - Eisers te veroordelen tot de kosten van het geding. III. DE BEOORDELING III.A. Uitgangspunten inzake verwerping van schuldvordering 3.
- De rechtbank dient zich uit te spreken over de ‘verwerping’ van schuldvorderingen voorzien in artikel XX.156 WER. In tegenstelling tot wat eisers in conclusie stellen is de ‘verwerping’ wel degelijk voorzien in de wet en werd dit niet zomaar “om louter pragmatische redenen door RegSol als tool ingevoerd”. De verwerping van schuldvorderingen is een wettelijke sanctie bedoeld voor onregelmatige aangiftes van schuldvordering. Overeenkomstig artikel XX.156 WER moet de aangifte van elke schuldeiser bevatten: zijn identiteit, zijn ondernemingsnummer en in voorkomend geval zijn beroep en woonplaats of, indien het een rechtspersoon betreft, zijn ondernemingsnummer, zijn maatschappelijke benaming en zijn zetel; het bedrag en de oorzaken van zijn schuldvordering, de eraan verbonden voorrechten, hypotheken of zakelijke zekerheden op roerende goederen, en de titel waarop zij berust. Is dat niet het geval, dan kunnen de curatoren de onregelmatige schuldvordering verwerpen of beschouwen als niet preferente schuldvordering. 3.
- Er wordt gesproken van een de plano verwerping om reden dat deze geschiedt zonder rechterlijke tussenkomst of toetsing. Het is een eigenmachtige beslissing van de curator die ogenblikkelijk gevolg heeft zonder een vonnis of een bevestiging in een proces-verbaal van verificatie. Een verwerping van een schuldvordering gebeurt niet door middel van een proces-verbaal van verificatie. Overeenkomstig artikel XX.161 WER kan een curator in een proces-verbaal enkel aanvaarden, aanhouden en betwisten; niet verwerpen. Dat in het door het register automatisch gegenereerd proces-verbaal van verificatie een tabel van “verworpen schuldvorderingen” wordt opgenomen, heeft geen juridische waarde en doet al zeker geen termijnen aanvangen ten aanzien van de schuldeisers wier schuldvordering werd verworpen. Het kan hoogstens aanzien worden als een kennisgeving via het register. De in artikel XX.162 WER voorziene mogelijkheid voor de gefailleerde en de schuldeisers om tegen de verrichte en te verrichten verificaties bezwaren te kunnen inbrengen binnen een maand na de uiterste datum zoals bepaald in artikel XX.161 voor de neerlegging van het proces-verbaal van verificatie, is niet van toepassing op de beslissing tot verwerping; net omdat de beslissing tot verwerping zich voltrekt buiten (de werkingssfeer van) een proces-verbaal van verificatie. 3.
- Een schuldeiser die van oordeel is dat zijn schuldvordering onterecht werd verworpen, kan de verwerping “ongedaan” laten verklaren. De betrokken schuldeiser dient enkel de curator te dagvaarden in de mate dat (enkel) beoogd wordt de verwerping ongedaan te maken. De gefailleerde moet slechts betrokken worden bij de verificatie of desgevallend bij bezwaar tegen een verrichte verificatie. De wet voorziet geen termijn waarbinnen de betrokken schuldeiser uiterlijk de vordering tot het ongedaan maken van de verwerping, moet stellen. Indien de rechtbank beslist de verwerping ongedaan te maken, herneemt de schuldeiser zijn rechten. De curator die meent de schuldvordering te moeten betwisten, dient alsdan de reguliere bezwaarprocedure conform artikel XX.162 WER te voeren. 3.
- De vereffening van een faillissement moet spoedig en vlot verlopen, doch niet ten koste van de rechten van verdediging; de rechten van schuldeisers moeten gerespecteerd blijven. Het wettelijk systeem van verificatie is gestoeld op maximale transparantie, collectieve controle en indien nodig rechterlijke tussenkomst. Een de plano verwerping werd ingevoerd om het aantal nutteloze betwistingen voor de rechtbank te verminderen. Geviseerd werden aanvankelijk de aangiften van schuldvordering die kennelijk niets te maken hadden met het faillissement, of anoniem dan wel onleesbaar waren ofwel volstrekt absurd waren of dubbel gebruik uitmaakten. Echter, op basis van het huidige artikel XX.156 WER kan gesteld worden dat een de plano verwerping door de curator niet enkel mogelijk is voor “kennelijk” onregelmatige, dubbele of absurde aangiften. Wel wordt ook het recht op verwerping begrensd door het verbod op rechtsmisbruik in hoofde van de curator. 3.
- Een onregelmatige aangifte van schuldvordering is te onderscheiden van een aangifte voor een ongegronde vordering. Een schuldvordering waarvan de curator van oordeel is dat deze niet kan aanvaard worden op inhoudelijke gronden komt niet in aanmerking voor een de plano verwerping, maar moet worden betwist. Een curator kan niet een schuldvordering eigenmachtig verwerpen omdat naar zijn oordeel de schuldeisers “geen belang” had om een aangifte te doen. Daarover zal een rechtbank oordelen. Inzake de draagwijdte van een (noodzakelijke) verificatie wordt immers geen onderscheid gemaakt tussen ontvankelijkheid of gegrondheid van de aangegeven schuldvordering. De verwerping kan niet toegepast worden om doelbewust een betwisting uit de weg te gaan of om schuldeisers te verschalken. Eens een schuldeiser een regelmatige aangifte van schuldvordering heeft ingediend, mag de schuldeiser erop vertrouwen dat ofwel zijn aangifte wordt aanvaard ofwel dat hij zal worden gedaagd in een betwistingsprocedure. Het is inderdaad de wettelijke taak van de curator om het passief zo veel mogelijk te beperken, maar niet ten koste van alles en niet op een wijze dat rechtmatige belangen van daadwerkelijke schuldeisers worden geschaad. 3.
- Afhankelijk van de aard van de onregelmatigheid van de aangifte, kan het verzuim nog rechtgezet worden voor of tijdens de procedure tot het ongedaan maken van de verwerping. III.B. Uitgangspunten toegepast op concrete casus 3.
- De curator voert aan dat de inleidende dagvaarding van 19 mei 2025 laattijdig is, nu zij buiten de wettelijke betwistingstermijn van één maand bepaald in artikel XX.162 WER werd betekend. Volgens de curator ving deze termijn aan op 16 april 2025, datum van neerlegging van het derde proces-verbaal van verificatie waarin de tabel van ‘verworpen schuldvorderingen’ werd opgenomen. De rechtbank volgt dit niet. Het louter opnemen van een tabel van ‘verworpen schuldvorderingen in een proces-verbaal van verificatie doet geen termijnen aanvangen. Of dit derde proces-verbaal van verificatie ter kennis werd gebracht aan eisers met wel of niet een notificatie via het register, is niet relevant. De termijn voorzien in artikel XX.162 WER voor de gefailleerde en de schuldeisers om tegen de verrichte en te verrichten verificaties bezwaren te kunnen inbrengen is niet van toepassing bij de verwerping. 3.
- De curator voert aan dat de vordering van eisers onontvankelijk zou zijn om reden dat beide vorderingen in één en dezelfde dagvaarding werden aanhangig gemaakt terwijl er geen samenhang zou zijn. De rechtbank volgt dit niet. Een schending van art. 701 Ger.W. leidt niet tot de onontvankelijkheid van de vordering. De rechtbank is bevoegd te oordelen over de gestelde vorderingen die beiden dezelfde rechtsvraag in hetzelfde faillissement als voorwerp hebben. Artikel 30 en artikel 701 Ger.W. moeten in deze context ruim en doelmatig geïnterpreteerd worden. De rechten van elke partij zijn geëerbiedigd. Elkeen heeft kunnen concluderen en kennis kunnen nemen van elkanders stukken en argumenten. 3.
- De curator voert aan dat eisers geen rechtmatig belang hebben om een aangifte te doen omdat eisers fouten zouden begaan hebben in het kader van het faillissement en zich steunen op rechten en overeenkomsten die zij wederrechtelijk zouden hebben afgedwongen of bekomen. De curator wijst erop dat verschillende procedures door de curatele zijn ingesteld tegen eisers. Naar het oordeel van de rechtbank is dit alles geen reden tot verwerping. Of eisers al dan niet een vordering hebben of zullen hebben op gefailleerde zal ten gronde moeten blijken. De procespartij die beweert houder te zijn van een subjectief recht, heeft hoedanigheid en belang om de vordering in te stellen, ook al wordt dit recht betwist. Het onderzoek naar het bestaan of de draagwijdte van het subjectief recht dat wordt ingeroepen betreft niet de ontvankelijkheid maar de gegrondheid van de vordering (Cass. 29 oktober 2015, C.13.0374.N ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20151029.2). Het is bovendien logisch dat eisers een provisionele vordering hebben ingediend om reden dat er procedures inzake pauliaanse vorderingen tegen hen hangende zijn. De uitkomst van die procedures zal immers een invloed kunnen hebben op de latere concrete begroting van de ingediende (provisionele) schuldvordering. Er was ook een zaak hangende voor de vrederechter te Wetteren waarvan de uitkomst een invloed kon hebben op de latere begroting van de schuldvordering. De curator is en was op de hoogte van deze procedures. Zelfs indien zou worden aangenomen dat een provisionele aangifte van 1,00 EUR zonder voorafgaande verwittiging kan worden verworpen op grond van artikel XX.156 WER, blijft gelden dat een schuldeiser die zich tegen die verwerping verzet, tijdens de procedure alsnog gerechtigd is de provisionele aangifte te begroten, dan wel toe te lichten waarom deze voorlopig niet kan worden begroot, teneinde de rechtbank te overtuigen de verwerping ongedaan te maken. 3.
- De curator kan ook niet gevolgd worden waar hij ondergeschikt stelt dat huidige procedure inzake de verwerping zou moeten uitgesteld worden tot de uitkomst van andere procedures inzake aansprakelijkheid en pauliaanse vorderingen gekend is. Thans moet door de rechtbank enkel geoordeeld worden of de verwerping terecht was. De betwisting van de schuldvordering ten gronde is een ander debat en zal haar eigen procedureverloop kennen dat eventueel kan beïnvloed worden door het verloop van andere aanhangige vorderingen. De curator aanziet de verwerping als een wijze van betwisting van een schuldvordering, wat het niet is. 3.
- Gelet op het bovenstaande komt de rechtbank tot de vaststelling dat de aangiftes van schuldvorderingen van eisers niet konden worden verworpen door de curator. De rechten dienen hersteld. De verwerping wordt ongedaan gemaakt. 3.
- De proceskosten vallen in de regel ten laste van de in het ongelijk gestelde partij (artikel 1017, 1e lid Ger.W.). Mr. [Y] in zijn hoedanigheid van curator van [BLOEM] BV is aan te merken als de in het ongelijk gestelde partij. De rechtbank ziet geen redenen om een verhoogde rechtsplegingsvergoeding toe te kennen. Het louter feit dat de curator een andere interpretatie geeft aan wettelijke voorschriften of aan de geest van die voorschriften een andere invulling geeft dan de rechtbank, maakt zijn handelswijze daarom niet “bijzonder tergend en roekeloos”. De wet voorziet nu eenmaal dat een curator kan verwerpen en schuldeisers kunnen zich wenden tot de rechtbank om deze ongedaan te maken. 3.
- Partijen NV [TBL] en [FLOWERS] zijn aan te merken als de in het gelijk gestelde partijen en hebben recht op een rechtsplegingsvergoeding voorzien in artikel 1022 Ger.W. De rechtsplegingsvergoeding is een forfaitaire tegemoetkoming in de kosten en erelonen van de advocaat van de in het gelijk gestelde partij. De bedragen van de rechtsplegingsvergoeding zijn vastgesteld bij KB van 26 oktober 2007 (BS 9 november 2007). De bedragen worden vastgesteld per gerechtelijke band en ten aanzien van elke partij die door een advocaat wordt bijgestaan. Wanneer eenzelfde advocaat in eenzelfde gerechtelijke band verscheidene partijen bijstaat, wordt de rechtsplegingsvergoeding onder hen verdeeld. Partijen NV [TBL] en [FLOWERS] worden bijgestaan door dezelfde advocaten. Het geschil heeft betrekking op een niet in geld waardeerbare eis. Behoudens wanneer een procedureakkoord omtrent de omvang van de rechtsplegingsvergoeding dan wel een grond of een verzoek tot afwijking van het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding voorligt, dient de rechter ambtshalve het met toepassing van de bepalingen van het Tarief Rechtsplegingsvergoeding correcte basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding te bepalen (Cass. 13 januari 2023, C.22.0158.N ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230113.1N.4). De rechtsplegingsvergoeding wordt bepaald op 1.883,72 EUR. 3.
- Waar artikel 279
(1), 4°, W.Reg. in een vrijstelling van rolrechten voorziet voor alle zaken die ingeleid worden in het kader van Boek XX WER, met betrekking tot de insolventie van ondernemingen, is er geen aanleiding om in toepassing van artikel 269
(2)§ 1 W.Reg. enige veroordeling tot betaling van rolrechten uit te spreken. In toepassing van artikel 4, § 2, lid 1 en 3 en artikel 5, § 1 van de wet van 19 maart 2017 tot oprichting van een Begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand wordt mr. [Y] q.q. verwezen in de bijdrage van 26,00 EUR aan het Begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand. IV. DE BESLISSING De rechtbank doet recht op tegenspraak en op grond van alle bovenstaande redenen, alle verdere en meer uitgebreide of strijdige conclusies verwerpende als zijnde niet-gegrond of niet ter zake dienend Zegt voor recht dat de verwerping van de schuldvordering aangegeven door NV [TBL] op 21 april 2024 in het faillissement BV [BLOEM] ongedaan wordt gemaakt. Zegt voor recht dat de verwerping van de schuldvordering aangegeven door [FLOWERS] op 30 april 2024 in het faillissement BV [BLOEM] ongedaan wordt gemaakt. Veroordeelt mr. [Y] q.q. tot de kosten van het geding aan de zijde van NV [TBL] en BV [FLOWERS] begroot op 454,70 EUR kost dagvaarding en 1.883,72 EUR rechtsplegingsvergoeding. In toepassing van artikel 4, § 2, lid 1 en 3 en artikel 5, § 1 van de wet van 19 maart 2017 tot oprichting van een Begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand wordt mr. [Y] q.q. verwezen in de bijdrage van 26,00 EUR aan het Begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand. Wijst het anders- of meergevorderde af als ongegrond. ***** Gewezen op tegenspraak door de Tweede Kamer van de Ondernemingsrechtbank van Gent – Afdeling Gent, samengesteld uit: V. Verlaeckt, rechter en voorzitter van de kamer, T. [M] en S. [V], rechters in ondernemingszaken, en uitgesproken door de voorzitter van de kamer in openbare terechtzitting op 9 september 2025 in aanwezigheid van A. Vriendt, griffier. Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20151029.2 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230113.1N.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div