← België

ECLI:BE:ORGNT:2025:JUG.20250909.2

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Ondernemingsrechtbank Gent Vonnis/arrest van 09 september 2025 ECLI nr: ECLI:BE:ORGNT:2025:JUG.20250909.2 Rolnummer: O/24/00993 Rechtsgebied: Insolventierecht Invoerdatum: 2025-09-11 Raadplegingen: 708 - laatst gezien 2026-06-18 21:36 Fiche 1 Er zijn grenzen aan opportunistisch optreden van investeerders of “redders” in een insolventiecontext. Die grenzen gelden onverkort, ook indien bestuurders en aandeelhouders van de noodlijdende onderneming zich niet verzetten of zelfs bereidwillig meestappen in een opportunistische reddingspoging om redenen die hen eigen zijn. Zodra insolventie redelijkerwijze een onafwendbaar risico vormt, verschuift de focus immers van de noden van de bestuurders en aandeelhouders naar de belangen van de schuldeisers. Een zogenaamde “redder van bedrijven in nood” kan niet enkel de potentiële baten – met een aanzienlijke risicopremie – van een geslaagde reddingsoperatie beogen en tegelijk elk risico afdekken op kap van de overige, niet-betrokken en vaak onwetende schuldeisers. Een investeerder die zich aandient als redder mag geen roulette spelen met de rechten van bestaande schuldeisers als inzet. Ook een redder moet zich realiseren dat bestaande schuldeisers in bepaalde gevallen beter af zijn zonder een avontuurlijke, risicovolle reddingsoperatie en eerder gebaat zijn met een ordentelijke vereffening van wat er rest. De overige, bestaande schuldeisers moeten niet de prijs betalen voor een verkeerde inschatting door de “redder in nood”. UTU-thesaurus: HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - INSOLVENTIE Vrije woorden: Pauliana bij insolventie Wettelijke bepalingen: Wetboek van economisch recht - 28-02-2013 - XX.114 - 19 ELI link Pub nr 2013A11134 Fiche 2 Het afsluiten van een handelshuurovereenkomst van 27 jaar middels notariële akte, waarbij de eerste 126 maanden huur vooraf worden betaald door een schuldvergelijking met een bestaande chirografaire schuld, en het toestaan van een nadelige voorkooprecht - kunnen in het licht van nakende insolventie, paulianeuze handelingen zijn wanneer deze werden verricht met bedrieglijke benadeling van de rechten van de schuldeisers. UTU-thesaurus: HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - INSOLVENTIE Vrije woorden: pauliana bij insolventie / langdurige gebruiksrechten / voorkooprecht Wettelijke bepalingen: Wetboek van economisch recht - 28-02-2013 - XX.114 - 19 ELI link Pub nr 2013A11134 Tekst van de beslissing De tweede kamer van de ondernemingsrechtbank Gent — afdeling Gent heeft het volgende vonnis verleend in de zaak tussen: Meester [G], […], handelend in zijn hoedanigheid van curator over het faillissement van BV [PLANT], failliet verklaard bij vonnis van deze rechtbank van 25 juni 2024, in persoon aanwezig. Curator [PLANT] tegen 1. BV [FLOWERS] […] met zetel [….] 2. NV [TUIN], met zetel te [..] 3. De heer [B], met rijksregisternummer […] Eerste, tweede en derde verweerder. Allen hebbende raadsman meester [P] 4. Meester [S] […], in zijn hoedanigheid van curator over het faillissement van BV [BLOEM] failliet verklaard bij vonnis van deze rechtbank van 15 april 2024, in persoon aanwezig. Curator BV [BLOEM] / vierde verweerder 5. De heer [A], met rijksregisternummer [….] Vijfde verweerder Hebbende als raadsman meester [V]. Inhoud: I. Informatie betreffende de procedure II. Kort abstract III. Actoren in het geschil IV. Samenwerking met [B] – feiten die aanleiding geven tot het geschil. V. Geschillen tussen alle actoren VI. Vorderingen van partijen VII. Beoordeling door de rechtbank VIII. Beslissing I. INFORMATIE BETREFFENDE DE PROCEDURE 1.1 Het geding werd ingeleid met de dagvaarding uitgaande van de curator van [PLANT] van 27 november 2024 Partijen hebben conclusies genomen. Partijen werden gehoord op de zitting van 17 juni 2025, waarna de debatten werden gesloten en de zaak in beraad werd genomen. 1.2. De rechtbank heeft kennis genomen van het rechtsplegingsdossier en de neergelegde stukken. De bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken werden nageleefd. II. KORT ABSTRACT 2.1. De onderhavige casus betreft de zogenaamde [BLOEM]-groep, die in 2024 failliet werd verklaard. De rechtbank wordt in essentie verzocht zich uit te spreken over de handelwijze van [B], die pas in 2023 voor het eerst bij het dossier betrokken raakte, al dan niet met het oog op een redding van de [BLOEM]-groep. Daarbij worden bepaalde transacties geviseerd waarbij [B] of zijn vennootschappen betrokken waren in de periode voorafgaand aan het faillissement. 2.2. De casus raakt aan de grenzen van wat externe investeerders of “redders”, die zich inlaten met ondernemingen in financiële moeilijkheden en waarbij insolventie op de achtergrond dreigt, kunnen en mogen doen bij een later georganiseerde exit wanneer zij tot de vaststelling komen dat ze de financiële toestand verkeerd heeft ingeschat of wanneer ze merken dat het niet meer te redden valt. Het gaat om het zoeken naar evenwicht tussen enerzijds het nemen van ondernemingsrisico’s met het oog op potentiële (eigen) winst en anderzijds het hierdoor gecreëerde risico op bijkomende benadeling van andere schuldeisers als het fout loopt. III. ACTOREN IN HET GESCHIL III.A. [BLOEM] 3.1. De BV [BLOEM] werd opgericht op 17 maart 2004 door onder andere [A] en is ingeschreven in de kruispuntbank van ondernemingen onder het nummer […] Het voorwerp van de vennootschap is onder meer klein- en groothandel in bloemen. De BV werd oorspronkelijk opgericht onder de benaming BV Extra Vertes. Op 11 april 2023 werd de maatschappelijke naam gewijzigd in BV [BLOEM]. Voor een vlotte leesbaarheid van dit vonnis, hanteert de rechtbank voor de rechtspersoon met KBO-nummer […] enkel de benaming “[BLOEM]”, ook al werden handelingen gesteld onder eerdere maatschappelijke benamingen. 3.2. Onder het bestuur van [A] werd in [BLOEM] een winkelketen opgebouwd van meer dan dertig vestigingen of verkooppunten. Die uitbouw werd in bepaalde gevallen bewerkstelligd door middel van overnames van bestaande uitbatingen. Zo is BV [PLANT] met een vestiging in [Z], een dochtervennootschap van [BLOEM] geworden op 13 februari 2019 en de BV [FLOWERS] met een vestiging in [X] op 10 oktober 2019. [A] was sinds 2014 de enige bestuurder van [BLOEM] en enige aandeelhouder tot de intrede van [B] in 2023 (zie verder). [BLOEM] werd failliet verklaard bij vonnis van de Ondernemingsrechtbank Gent, afdeling Gent van 15 april 2024, waarbij mr.[S] werd aangesteld als curator. III.B. [PLANT] 3.3. De BV [PLANT] werd opgericht in 1992 en is ingeschreven in de kruispuntbank van ondernemingen onder het nummer […] Deze vennootschap was oorspronkelijk eigendom van de heer en mevrouw [SVC]. [PLANT] was eigenaar van een tuincenter te [Z]. De site en handelspand waarin het tuincenter te [Z] werd uitgebaat, waren 100% volle eigendom van [PLANT] en zullen later - in de huidige procedure - het voorwerp uitmaken van discussie (hierna “het onroerend goed te [Z]”). Naast de uitbating van het voormelde tuincentrum te [Z], had [PLANT] nog zeven bloemenwinkels in haar beheer, met name in Blankenberge, Sint-Michiels, Waarschoot, Geraardsbergen, Beernem, Chapelle en Sint-Amands. 3.4. Op 13 februari 2019 werd [PLANT] overgenomen door [BLOEM] voor een prijs van 1.000.000,00 EUR, waarbij aan [BLOEM] werd toegestaan deze prijs af te betalen over een periode van 10 jaar. [BLOEM] verwierf onmiddellijk 1026 van de 2050 aandelen. Tot zekerheid van betaling van de prijs behielden de verkopers [SVC] de eigendom van de overige 1024 aandelen, die pas bij de betaling van de laatste schijf zouden overgaan. Verder werd in de verkoopovereenkomst een verbod tot het vervreemden of bezwaren van het onroerend goed te [Z] en eveneens een verbod tot het vervreemden van de reeds verworven 1026 aandelen zolang de volledige overnameprijs niet betaald is. Tenslotte werd een persoonlijke borgstelling van [A] bedongen ten gunste van de verkopers. Op de buitengewone algemene vergadering van 13 februari 2019 werd [BLOEM] aangesteld als bestuurder van [PLANT]. [A] werd aangeduid als vast vertegenwoordiger wat hij zou blijven tot 2023; het ogenblik dat [B] zijn intrede doet (zie verder). [PLANT] werd failliet verklaard bij vonnis van de Ondernemingsrechtbank Gent, afdeling Gent van 25 juni 2024, waarbij mr. [G] werd aangesteld als curator. III.C. [FLOWERS] 3.5. De BV [FLOWERS] werd opgericht op 28 maart 2012 en is ingeschreven in de kruispuntbank van ondernemingen onder het nummer […] Het voorwerp van de vennootschap is onder meer de uitbating van tuincentra. De BV werd oorspronkelijk opgericht onder de benaming BV […]. Op 16 december 2024 werd de maatschappelijke naam gewijzigd in BV [FLOWERS]. Voor een vlotte leesbaarheid van dit vonnis, hanteert de rechtbank voor de rechtspersoon met KBO-nummer […] enkel de benaming “[FLOWERS]”, ook al werden handelingen gesteld onder eerdere maatschappelijke benamingen. 3.6. [FLOWERS] baat onder de naam “[…]” een plantenkwekerij en tuincenter uit in [X] [BLOEM] heeft [FLOWERS] – en dus ook het tuincenter te [X] - overgenomen op 10 oktober 2019 en was sindsdien 100% aandeelhouder van [FLOWERS]. Op de bijzondere algemene vergadering van 21 oktober 2019 werd [BLOEM] aangesteld als bestuurder van [FLOWERS], met [A] als vaste vertegenwoordiger. Hij oefende dit mandaat uit tot 2023, het ogenblik dat [B] zijn intrede deed (zie verder). [FLOWERS] is niet failliet verklaard, doch werd voorafgaand aan het faillissement van [BLOEM] overgenomen door [B]. III.D. [A] 3.7. [A] was eigenaar / uiteindelijk belanghebbende van de zogenaamde [BLOEM]-groep. Volgens eigen verklaring zocht hij in 2023 professionele hulp omdat hij zelf “niet voldoende kennis [had] om de situatie van [BLOEM] en de dochterondernemingen alleen recht te trekken” (p. 4 conclusie van [A] van 9 mei 2025). Via Resolvus zou hij in contact zijn gebracht met [B]. Over de reorganisatie en de hierin geviseerde handelingen stelt [A] dat hij “de geviseerde constructies niet op poten [heeft] gezet” en hij “louter handelde onder druk van dhr. [B]”. [A] beweert verder dat [B] is opgetreden als feitelijk bestuurder van [PLANT] wat hij “zowel intern als extern [liet] gelden”. [A] was enige bestuurder van [BLOEM] en vaste vertegenwoordiger van de enige bestuurder van [PLANT] op het ogenblik van hun faillietverklaring. III.E. [B] – [TUIN] 3.8. [B] is ondernemer en bestuurder van vennootschappen. NV [TUIN] is een vennootschap die eigendom is van en bestuurd wordt door [B]. Volgens eigen verklaring kwam [B] begin 2023 in contact met [A], om reden dat [BLOEM] zich in een slechte financiële positie bevond, waarna [B] zou hebben besloten in [BLOEM] “te investeren teneinde deze weer rendabel te kunnen maken” (zie p. 6 conclusie van [B] 18 april 2025). Zoals later zal blijken, bestaat er op heden tussen partijen discussie over de wijze van dit “investeren”, de doelstelling dewelke [B] nastreefde en het uiteindelijke eindresultaat van de samenwerking. IV. SAMENWERKING MET [B] – FEITEN DIE AANLEIDING GEVEN TOT HET GESCHIL. 4.1. In het licht van financiële moeilijkheden binnen de [BLOEM]-groep, komen [A] en [B] met elkaar in contact begin 2023. De rechtbank reconstrueert de tijdslijn van de samenwerking met en de doortocht van [B] in de [BLOEM]-groep. 28 februari 2023 – 7 maart 2023 4.2. In uitvoering van het besluit van [B] om te “investeren” in [BLOEM] teneinde deze “weer rendabel te kunnen maken” en de samenwerking die in dat kader werd opgezet, koopt [B] op 28 februari 2023 van de heer [A] 94 van de 186 aandelen in [BLOEM] aan 1,00 EUR per aandeel. [A] en [B] zijn zo elk 50% aandeelhouder van [BLOEM]. Daags nadien, op de buitengewone algemene vergadering van 1 maart 2023, wordt [B] benoemd tot (mede)bestuurder van [BLOEM]. Eveneens op 1 maart 2023 wordt [A] vervangen door [B] als vaste vertegenwoordiger van [BLOEM] voor de uitoefening van het bestuursmandaat in dochtervennootschappen [PLANT] en [FLOWERS]. Volgens eigen verklaring verwierf [B] “op die wijze zicht op de ‘Groep [BLOEM]’, een noodzaak in zijn ambitie het bedrijf te redden”(pagina 6 conclusie 18 april 2025). Op 6 en 7 maart 2023 verstrekt [B] vanuit zijn vennootschap [TUIN] een krediet in de vorm van een storting van 125.000,00 EUR op de bankrekening van [BLOEM] en anderzijds in de vorm van een rechtstreekse betaling van 13.202,50 EUR aan de FOD Financiën voor fiscale schulden van [BLOEM]. Hoewel deze gelden gebruikt worden door de moedervennootschap [BLOEM], betreft dit oorspronkelijk een krediet van [TUIN] aan de dochtervennootschap [FLOWERS], die op haar beurt uitleent aan [BLOEM]. Boekhoudkundig wordt dit krediet van [TUIN] verleend aan dochtervennootschap [FLOWERS], die op haar beurt dit bedrag crediteert op de rekening-courant tussen [FLOWERS] en [BLOEM] (zie stuk 50 [B]). 15 maart 2023 – 3 april 2023. 4.3. Op 15 maart 2023 wordt [BLOEM] onder voorlopig bewind geplaatst door de voorzitter van de Ondernemingsrechtbank Gent, afdeling Dendermonde op basis van artikel XX.32 WER. Op dat ogenblik zou er een totale schuldenlast geweest zijn van 5.045.720,25 euro (waaronder 537.833,42 euro aan FOD Financiën, 348.673,84 EUR aan RSZ en 514.923,18 EUR aan leveranciers), waarvan 1.248.430,44 euro vervallen schulden waren. Er waren ook verschillende verstekvonnissen (verslag bewindvoerder, stuk 51 [B]). Op 23 maart 2023 gaat de voorlopig bewindvoerder over tot dagvaarding in faillietverklaring van [BLOEM]. In de procedure tot faillietverklaring legt [BLOEM] – op dat ogenblik bestuurd door twee bestuurders, namelijk [B] en [A], beide aandeelhouder – een herstelplan voor aan de voorlopig bewindvoerder en aan de rechtbank. Het plan bestond er onder meer in dat [B], dan wel zijn vennootschap [TUIN] een bedrag gelijk aan alle openstaande leveranciersschulden waarmee geen afbetalingsplan bestond, ter beschikking zou stellen aan [BLOEM]. Volgens een lijst toegevoegd aan het plan bedroegen die schulden 541.923,18 EUR. Onder titel “subrogatie schuldvorderingen andere leveranciers” wordt in het plan gesteld: “[B] engageert zich om via [TUIN], een aan hem gelinkte vennootschap, het volledige bedrag van alle openstaande leveranciers (cfr de lijst) in bijlage over te schrijven op derdenrekening van zijn advocaat, Meester [P], onder de opschortende voorwaarde van de onmiddellijke stopzetting van het mandaat van de voorlopige bewindvoerder na bewijs van deze storting. Mr [P] garandeert dat deze middelen niet voor andere doeleinden zal vrijgegeven worden zolang het bewijs niet geleverd is dat alle leveranciers (cfr de lijst in bijlage) betaald werden.” Verder wordt in het herstelplan verwezen naar een mogelijke rol die [TUIN] of [B] nog zal spelen in de reddingsoperatie. Er wordt voorzien in “verkoop/huur patrimonium met integrale terugbetaling van bankleningen met de opbrengsten”, “Subrogatie of opvolging afbetalingsplan van alle openstaande leveranciers”, “verkoop stocks”. Over het voornemen tot verkoop van de “stocks” wordt in het herstelplan gesteld: “gezien [TUIN] alle leveranciers cfr.lijst in bijlage zal betaald hebben […] zullen alle stocks/inboedel, op basis van een nog op te maken inventaris , per schuldsaldovergelijking verkocht worden aan [TUIN]”. Er wordt tevens voorzien om “het handelsfonds van alle winkel [te verhuren] via een huurkoopformule aan twee newco’s, dewelke opgericht worden door [A] ([BLOEM] Oost-Vlaanderen) en Jens Adams ([BLOEM] West-Vlaanderen)”. In dat kader wordt ook onder titel “overdracht huurcontracten” gesteld: “de eigenaars worden aangeschreven ten einde alle huurcontracten over te dragen naar [TUIN] en/of de uitbater, die zal instaan voor de opvolging en correcte naleving ervan. Door deze maatregelen is [[BLOEM]] gevrijwaard van alle mogelijke procedures en/of schulden.” Tenslotte wordt in het plan ook verwezen naar het saldo van de openstaande overnamesom van 575.000,00 EUR dewelke door [BLOEM] nog verschuldigd is aan verkopers [SVC] voor de overname van de aandelen [PLANT] in 2019. 4.4. Op de faillissementszitting van 27 maart 2023 wordt onder meer dit herstelplan in het debat gebracht. Bij tussenvonnis van 27 maart 2023 stelt ondernemingsrechtbank Gent, afdeling Dendermonde: Uit de informatie ter zitting blijkt dat de bestuurder bereid is de dringende schulden (ongeveer 500.000,00 euro) waarvoor geen afbetalingsplan bestaat, onmiddellijk aan te zuiveren en de gelden daartoe ter beschikking te stellen op de derdenrekening van de raadsman van de vennootschap zodat met deze gelden de betalingen kunnen worden gedaan. Gezien dit gegeven uitermate belangrijk is voor het beoordelen van de voorwaarden tot faillissement, worden de debatten heropend en de zaak gesteld op maandag 3 april 2023, voor nazicht of deze verbintenis werd nageleefd. Na dit tussenvonnis legt [BLOEM], naast voormeld herstelplan, tevens onderhandelde afbetalingsplannen voor aan de rechtbank, evenals een bewijs dat [TUIN] 500.000,00 EUR heeft overgemaakt op de derdenrekening van de raadsman van [BLOEM]. Gelet op de voorgelegde stukken, wordt bij vonnis van 3 april 2023 van de ondernemingsrechtbank Gent, afdeling Dendermonde akte genomen van de afstand van de vordering tot faillietverklaring door de voorlopig bewindvoerder en voor recht gezegd dat [BLOEM] niet in staat van faillissement was. [B] en [TUIN] stellen hierover (p.7 conclusie 18 april 2025): “Dankzij de injectie van 125.000,00 EUR, het afbetalingsplan met schuldeisers en het engagement om de dringende schulden waarvoor nog geen afbetalingsplan bestond, aan te zuiveren met de voormelde 500.000 EUR, slaagde de heer [B] er in om [BLOEM] te redden.” 4 april 2023 4.5. Na voormeld vonnis van 3 april 2023 – en nadat aldus het voorlopige bewind over [BLOEM] een einde had genomen – schrijft de raadsman van [BLOEM] op 4 april 2023 de 500.000,00 EUR van zijn derdenrekening over naar [FLOWERS]. [FLOWERS] was op dat ogenblik een 100% dochtervennootschap van [BLOEM] en had één bestuurder, met name [BLOEM] waarvoor [B] sinds 1 maart 2023 optrad als vaste vertegenwoordiger. Dat de 500.000,00 EUR niet rechtstreeks werd betaald aan [BLOEM] noch rechtstreeks aan de schuldeisers van [BLOEM] opgenomen in de bestaande lijst van openstaande leveranciers, is volgens [B] “eenvoudig te verantwoorden”. Hij “wenste niet het risico te lopen dat zijn investering zou terecht komen in de vennootschap die mogelijks toch nog zou kunnen worden failliet verklaard”. [B] en [TUIN] stellen hierover (p.9 conclusie 18 april 2025): “Dat de gelden niet gestort werden op rekening van [BLOEM] betekent echter niet dat zij werden afgewend van hun oorspronkelijke doel! De heer [B] voorzag, als ervaren maar ook voorzichtig en redelijk ondernemer, een manier waarbij op het niveau van de ‘Groep-[BLOEM]’ betalingsverkeer zou worden georganiseerd dat finaal [BLOEM] en haar dochters ten goede kwam en waarbij het opgenomen engagement van aanzuivering van schulden zou worden nageleefd, zonder het risico te lopen zijn investering in rook te zien opgaan en zonder de werking van de vennootschap te bemoeilijken.” Na ontvangst van voormelde 500.000,00 EUR door [FLOWERS] wordt hiermee “betalingsverkeer georganiseerd” volgens een welbepaald stappenplan. Naar het oordeel van [B] kwam dit stapsgewijze en georganiseerd betalingsverkeer ten goede aan [BLOEM] en diens dochtervennootschappen, en werd hierdoor ook het engagement tot aanzuivering van schulden nageleefd. De curatoren van [BLOEM] en [PLANT] zullen hierover later in procedures een andere mening hebben. 4.6. Op 4 april 2023 ontvangt [FLOWERS] op haar rekening aldus 500.000,00 EUR vanwege [TUIN]. [FLOWERS] wordt zo schuldenaar van [TUIN] ten belope deze 500.000,00 EUR. Deze 500.000,00 EUR wordt doorgestort aan [PLANT] (200.000,00 EUR) en [BLOEM] (300.000,00 EUR) in het kader van verkopen van voorraad: - Op 4 april 2023 koopt [FLOWERS] de integrale voorraad van [PLANT] voor 188.679,24 EUR excl. btw, 200.000,00 EUR incl. btw. Er wordt een verkoopfactuur nr. 230084 opgemaakt met melding “verkoop integrale stock volgens lijst/foto’s in bijlage”. De voorraad wordt niet fysiek verplaatst. [FLOWERS] betaalt effectief 200.000,00 EUR aan [PLANT]. - Eveneens op 4 april 2023 koopt [FLOWERS] de integrale voorraad van [BLOEM] voor 283.018,87 EUR excl. btw, 300.000,00 EUR incl. btw. Er wordt een verkoopfactuur nr. 230298 opgemaakt met melding “verkoop integrale stock volgens lijst/foto’s in bijlage”. De voorraad wordt niet fysiek verplaatst. [FLOWERS] betaalt effectief 300.000,00 EUR aan [BLOEM]. Nog steeds op 4 april 2023 verkoopt [FLOWERS] de zopas verworven voorraden opnieuw terug aan [PLANT] en [BLOEM] voor dezelfde bedragen als bij de aankoop, respectievelijk voor 200.000,00 EUR en 300.000,00 EUR incl. btw. [FLOWERS] stelt twee verkoopfacturen op voor “verkoop integrale stock volgens lijst/foto’s in bijlage”. Op de facturen wordt gemeld: “Deze goederen worden verkocht met eigendomsvoorbehoud: de verkoper blijft eigenaar van de goederen tot wanneer aan de integrale betaling van de prijs is voldaan”. [BLOEM] en [PLANT] betalen deze facturen niet. De schulden voortvloeiend uit de (weder)verkopen worden geboekt door creditering van de rekening-courant tussen de betrokken vennootschappen. [FLOWERS] houdt aldus een vordering op [BLOEM] van 300.000,00 EUR en op [PLANT] van 200.000,00 EUR. Tot slot – nog steeds op 4 april 2023 – wordt de zopas ontstane schuld van 300.000,00 EUR in hoofde van [BLOEM] tegenover [FLOWERS], overgedragen naar [PLANT] in afboeking van haar historische opgebouwde rekening-courant-schuld tegenover [BLOEM]. Het eindresultaat van dit “georganiseerd betaalverkeer” op 4 april 2023 was: - dat [PLANT] en [BLOEM] respectievelijk 200.000,00 EUR en 300.000,00 EUR liquiditeiten ter beschikking hebben gekregen uit hoofde van (leveranciers)krediet vanwege [FLOWERS]. - dat [FLOWERS] een eigendomsvoorbehoud heeft op de volledige voorraad van zowel [PLANT] als van [BLOEM], en dit als zekerheid voor het door haar verleende (leveranciers)krediet. - dat [FLOWERS] een schuldvordering had op [PLANT] ten belope van 500.000,00 EUR. Op het ogenblik van dit “georganiseerd betalingsverkeer” is [B] zowel bestuurder van [BLOEM], alsook vaste vertegenwoordiger van de enige bestuurder in [PLANT] en [FLOWERS]. 11 april 2023 4.7. Op de buitengewone algemene vergadering van 11 april 2023 in [BLOEM] – waarvan een proces-verbaal door notaris [R] op die datum wordt opgesteld – wordt het ontslag van [B] als bestuurder van [BLOEM] genotuleerd. [A] wordt opnieuw enige bestuurder van [BLOEM]. Nog op 11 april 2023 wordt op de buitengewone algemene vergadering van [FLOWERS] – waarvan een proces-verbaal door notaris [R] op die datum wordt opgesteld – [BLOEM] ontslagen als bestuurder van [FLOWERS] en wordt [B] aangesteld als enige bestuurder van [FLOWERS]. Ook wordt beslist de maatschappelijke zetel van [FLOWERS] te verplaatsen naar het privéadres van [B] te 9000 Gent, Kouter 158, bus 501. 29 mei 2023 4.8. Volgens verkoopfactuur 22700613 gedateerd op 29 mei 2023 verkoopt [PLANT] haar 7 bloemenwinkels aan [BLOEM] voor 400.000,00 EUR. Later zou deze prijs aangepast zijn naar 248.846,47 EUR. De overnamesom voor deze bloemenwinkels brengt geen liquiditeiten op voor [PLANT]. De prijs wordt afgeboekt van – of gecompenseerd met – de bestaande schuld van [PLANT] aan [BLOEM] op rekening-courant. Op de factuur wordt genoteerd “verkoop handelsfonds van alle bloemenwinkels (Blankenberge, Sint Michiels, Waarschoot, Geraardsbergen, Beernem, Chapelle en Sint-Amands) met eigendomsvoorbehoud”. 4.9. Na deze transactie heeft [PLANT] geen eigen bloemenwinkels meer, enkel nog het tuincenter te [Z]. Van de 51 werknemers die per einde maart 2023 in dienst waren bij [PLANT], worden 46 werknemers met einddatum 30 april 2023 uit dienst gezet. De resterende werknemers worden in juni en juli 2023 uit dienst geplaatst. Binnen enkele weken werd aldus het volledige personeelsbestand binnen [PLANT] afgebouwd. [B] stelt hierover (p.13 van zijn conclusie van 18 april 2025): “[A] had de intentie om binnen [BLOEM] enkel bloemenwinkels te exploiteren en de exploitatie van het tuincenter te [Z] toe te vertrouwen aan [PLANT]. Er diende ook een betere aflijning te komen tussen beide vennootschappen, zowel op het vlak van administratie, boekhouding en personeelsbeleid. In dat kader verkocht [PLANT], op 29.05.2023, 7 winkels aan [BLOEM] […] voor een bedrag van 400.000 EUR.” Op 29 mei 2023 was [B] nog steeds vast vertegenwoordiger van de enige bestuurder van [PLANT] (verkoper) én 50% aandeelhouder van [BLOEM] (koper). 22 juni 2023 4.10. [B], in zijn hoedanigheid van vaste vertegenwoordiger van [BLOEM] als bestuurder van [PLANT], stelt op 22 juni 2023 een “verslag van het bestuursorgaan aan de aandeelhouder” op. In dit verslag wordt vastgesteld dat de alarmbelprocedure voor [PLANT] moet worden toegepast. Er wordt verwezen naar herstelmaatregelen die worden uitgeschreven in een herstelplan dat aan het verslag wordt gehecht (stuk 48 curator [PLANT]). Het herstelplan focust voornamelijk op het kunnen verkopen van het onroerend goed te [Z] en het kunnen verkopen van de [PLANT] aandelen in het bezit van [BLOEM]. In het herstelplan wordt meerdere keren verwezen naar het noodzakelijk akkoord van [SVC]. 27 juni 2023 - 6 juli 2023 4.11. Eind juni 2023 onderhandelt [B] met de initiële verkopers van [PLANT], nl. [SVC] die nog een uitstaande schuld hebben van meer dan 500.000,00 EUR uit hoofde van de overname-overeenkomst gesloten op 13 februari 2019. [B] wil onder meer bekomen dat verkopers [SVC] afstand doen van de clausules inzake het verbod tot vervreemding van het onroerend goed van [PLANT] en het verbod tot vervreemding van de aandelen [PLANT] (stukken 16, 17 en 18 curator [PLANT]). [B] schrijft onder meer aan de raadsman van [SVC] in een mail van 30 juni 2023: “De voorgestelde maatregelen kunnen namelijk enkel gerealiseerd worden mits zij afstand doen van de clausules van de verkoop van het pand en/of de [PLANT] aandelen in het bezit van [BLOEM]”. Zijn voorstel omschrijft [B] als “het enige alternatief om het vermogen van de vennootschap (op termijn) te herstellen, aan al haar verplichtingen te laten voldoen en de faling nog te kunnen vermijden.” Partijen komen echter niet tot een akkoord en er wordt geen afstand bekomen vanwege [SVC]. De raadsman van [SVC] antwoordt aan [B] onder meer: “Niet akkoord, ook een huurkoop is een vervreemding, weliswaar onder termijn. Cliënten behouden zich het recht voor onmiddellijke betaling van het saldo van de prijs te vorderen mocht u die transactie toch doorgaan laten vinden. […] Ik zie overigens ook niet in hoe deze transactie het vermogen zou kunnen herstellen, tenzij met enige boekhoudkundige creativiteit” (stuk 17 curator [PLANT]). In welke hoedanigheid [B] onderhandelt en deze mails stuurt aan de raadsman van [SVC], wordt niet meegedeeld in deze mailberichten. [B] was sinds 11 april 2023 geen bestuurder meer van [BLOEM] en volgens eigen verklaring was [B] geen (vaste vertegenwoordiger van

  1. de)bestuurder van [PLANT] meer sinds 29 juni 2023, terwijl mails worden gezonden na deze datum. 30 juni 2023 4.12. Vervolgens koopt [B] – volgens eigen verklaring op 30 juni 2023 – alle aandelen in [FLOWERS] van de moedervennootschap [BLOEM] voor een prijs van 200.000,00 EUR en wordt hij aldus enige eigenaar van [FLOWERS]. In [FLOWERS] werd het tuincentrum te [X] uitgebaat. [B] was op dat ogenblik al enige bestuurder van [FLOWERS] en dit sinds 11 april 2023, datum waarop ook de maatschappelijke zetel van [FLOWERS] naar het privéadres van [B] werd verplaatst. Deze prijs van 200.000,00 EUR wordt daadwerkelijk op 30 juni 2023 via overschrijving betaald aan [BLOEM] die over deze liquiditeiten kan beschikken. De curator van [BLOEM] zal later een vordering stellen tot niet-tegenstelbaarheid van deze verkoop van aandelen van [FLOWERS] door [BLOEM] aan [B]. 20 juli 2023 4.13. Op 20 juli 2023 publiceert [BLOEM] in het Belgisch staatsblad dat uit “de notulen” van blijkt dat [BLOEM] op 29 juni 2023 reeds heeft beslist om [B] te vervangen door [A] als vaste vertegenwoordiger van [BLOEM] voor de uitoefening van het bestuursmandaat in [PLANT]. Op 20 juli 2023 en 1 augustus 2023 wisselen [B] en de raadsman van [SVC] mails uit. 16 augustus 2023 4.14. [A] stelt in zijn hoedanigheid van bestuurder van [BLOEM] een “verslag van het bestuursorgaan aan de aandeelhouders” op (stuk 39 [B]). In het verslag wordt vastgesteld dat voor de BV [BLOEM] de alarmbelprocedure dient toegepast te worden. Als onderdeel van het “herstelplan” stelt [A] onder meer het volgende voor: “verkoop alle patrimonium” en “verkoop Aandelen [PLANT] (mits akkoord Familie [SVC])”. Verder wordt genoteerd “indien geen akkoord aangaande verkoop aandelen [PLANT]: Verkoop 5 winkels à gemiddeld 60.000 € = 300.000 €.” 5 september 2023 4.15. [A] en [B] tekenen op 5 september 2023 een “minnelijke ontbinding overeenkomst tot overdracht aandelen”. De initiële overeenkomst van 28 februari 2023 waarbij [B] 50% aandelen verwierf in [BLOEM] wordt door partijen met terugwerkende kracht ontbonden verklaard. [A] wordt opnieuw 100% aandeelhouder van [BLOEM]. In de overeenkomst – getekend door beide partijen – wordt in de voorafgaande uiteenzetting gesteld: “Na onderzoek is gebleken dat de boekhouding van [BLOEM] BV (voorheen Extra Vertes) niet overeenstemde met de boekhouding zoals deze door de verkoper voorgesteld werd op datum van overname van de aandelen”. Op 5 september was [B] aldus geen aandeelhouder of bestuurder meer van [BLOEM] en [PLANT], doch wel enige bestuurder en aandeelhouder van [FLOWERS]. 1 oktober 2023 4.16. Volgens verkoopfacturen 23705784, 23705785, 23705786 en 23705787 worden op 1 oktober 2023 vier bloemenwinkels verkocht door [BLOEM] aan [FLOWERS], telkens voor 60.000,00 € excl. btw, zijnde 71.100,00 EUR incl. btw (stuk 19 [B]). Meer bepaald de vestigingen in Harelbeke, Waregem, Izegem en Brugge. Telkens met dezelfde omschrijving “Overname stock bloemen en planten (detail in bijlage) € 10.000,00; Overname inboedel winkel (detail in bijlage) € 50.000,00 ” De betaling van de overnameprijs geschiedt middels schuldvergelijking. De overnameprijzen worden integraal (4 x 71.100,00 €) afgeboekt in de bestaande rekening-courant tussen [BLOEM] en [FLOWERS] (stuk 50 [B]). [BLOEM] had vóór deze operatie een schuld aan [FLOWERS] van 292.386,35 EUR op rekening-courant. Deze wordt aldus verminderd met 284.400,00 EUR. Voor de intrede van [B] bedroeg de rekening-courant-schuld van [BLOEM] aan [FLOWERS] reeds 163.864,25 EUR, doch deze werd verhoogd naar aanleiding van de initiële geldinbreng door [TUIN], die via [FLOWERS] bij [BLOEM] terecht is gekomen (zie randnummer 4.2). De curator van [BLOEM] zal later een vordering stellen tot niet-tegenstelbaarheid van deze verkoop van 4 winkels door [BLOEM] aan [FLOWERS]. 4.17. Nog op 1 oktober 2023 verkoopt [BLOEM] een vijfde bloemenwinkel, een vestiging te Kortrijk, aan [BLAD] voor 70.000,00 EUR excl. btw, zijnde 82.450,00 EUR incl. btw. [B] is tevens aandeelhouder en enige bestuurder van [BLAD] Deze prijs wordt (wel) effectief betaald door [BLAD] op rekening van [BLOEM] (stuk 21 [B]). De curator van [BLOEM] zal later een vordering stellen tot niet-tegenstelbaarheid van deze verkoop aan [BLAD] 9 oktober 2023 4.18. Op 9 oktober 2023 had [PLANT] een totale schuld aan [FLOWERS] van 505.456,75 EUR. Deze schuld tegenover [FLOWERS] is in essentie tot stand gekomen door het “georganiseerd betaalverkeer” op 4 april 2023, namelijk een injectie van 200.000,00 EUR in het kader van de transactie met de voorraad van [PLANT] en 300.000,00 EUR door overname van de schuld van [BLOEM] aan [FLOWERS], dit laatste door middel van compensatie van de bestaande schuldpositie tussen [BLOEM] en [PLANT] (zie randnummer 4.6). De schuldvordering van 505.456,75 EUR op [PLANT] wordt op 9 oktober 2023 overgedragen door [FLOWERS] naar [TUIN]. [B] tekent op 9 oktober 2023 daartoe een overeenkomst tot “schuldsaldovergelijking” als bestuurder van [TUIN] en bestuurder van [FLOWERS]. Op dat ogenblik zijn beide vennootschappen eigendom van [B] en door hem bestuurd. [TUIN] wordt schuldeiser van [PLANT]. 4.19. Nog op 9 oktober 2023 wordt een notariële akte verleden voor notaris [R] te Gent, waarbij [PLANT] het onroerend goed te [Z] in handelshuur geeft aan [TUIN] voor een periode van 27 jaar. Dit betreft het handelspand waarin het tuincenter te [Z] werd uitgebaat door [PLANT], dan wel de facto uitgebaat door [BLOEM] (zie verder). In de akte wordt vooreerst gesteld dat [PLANT] vertegenwoordigd door [A] erkent schuldenaar te zijn van [TUIN], vertegenwoordigd door [B], voor een bedrag van 505.456,75 EUR. De huurprijs wordt vastgesteld op 4.000,00 EUR per maand. Er wordt bepaald dat de huurprijs van de eerste 126 maanden “bij wijze van voorafbetaling” ten belope van 504.000,00 EUR wordt betaald door middel van schuldvergelijking met de bestaande rekening-courant schuld van [PLANT] aan [TUIN]. De schuld van [PLANT] ten aanzien van [TUIN] wordt aldus gecompenseerd met 126 maanden vooraf betaalde huur. Er wordt verder een voorkooprecht toegekend aan [TUIN] op voormeld onroerend goed met een “basisprijs voor de uitoefening van het voorkooprecht vijfhonderdduizend euro te indexeren [bedraagt]”. Er wordt gesteld dat het recht van voorkoop niet accessoir verbonden is aan de handelshuur en dus niet uitdooft bij de beëindiging van de huur. Tenslotte wijst de notaris op de “atypische prijsbepaling” waarna [A] een verklaring heeft afgelegd: De partij voornoemd sub 2 verklaart hierop door ondergetekende notaris te zijn gewezen op de atypische prijsbepaling in het kader van het voorkooprecht en meer in het bijzonder het feit dat op de afgesproken verkoopprijs alle reeds betaalde huurgelden in mindering worden gebracht. Hierop verklaart voornoemde heer [A] in zijn hoedanigheid zoals voormeld, dat dit voor hem geen onevenwichtig beding inhoudt en deze bestuurshandeling het vennootschapsbelang dient, in die zin dat het voorkooprecht zoals bedongen een constitutief bestanddeel uitmaakt van de overeengekomen handelshuur, waarbij honderdzesentwintig maanden huur vooruit worden betaald, ter compensatie van de schuld van de voornoemde vennootschap [PLANT] en waardoor een aanzienlijke schuldverlichting tot stand is gebracht, wat niet opweegt tegenover het gederfde huurrendement. Bovendien is de reeds vastgelegde prijs van vijfhonderdduizend euro (te indexeren), honderdtwintigduizend euro meer dan de waardering opgenomen in het schattingsverslag de dato 18 augustus 2023, opgemaakt door de heer Kenneth Smith, beëdigd landmeter-expert, wat het gederfde huurrendement aanzienlijk compenseert. De curator van [PLANT] zal later de niet-tegenstelbaarheid vorderen van onder meer deze toegestane handelshuur met compensatie van vooraf betaalde huur. 27 oktober 2023 4.20. Uit factuur 23700100 van 27 oktober 2023 blijkt dat [PLANT] het handelsfonds van het tuincenter te [Z] verkoopt aan [BLOEM] voor een prijs van 400.000,00 EUR. Een som die mag afbetaald worden aan 8.000,00 EUR per maand. Later zal blijken dat [BLOEM] de maandelijkse som van 8.000,00 EUR niet betaalt. 4.21. Volgens de curator van [PLANT] was de feitelijke overdracht van dit handelsfonds reeds eerder stilzwijgend gerealiseerd en werd het tuincenter vanaf juli-augustus 2023 reeds de facto uitgebaat door [BLOEM], waarbij de verkoopfactuur van 27 oktober 2023 slechts een formaliteit vormde. Hij verwijst dienaangaande naar het gebrek aan enig personeelslid binnen [PLANT] vanaf juli 2023. Vanaf 8 november 2023 4.22. Bij beschikking van 8 november 2023 van de voorzitter van de Ondernemingsrechtbank Gent, afdeling Gent werd [BLOEM] opnieuw onder voorlopig bewind geplaatst op basis van artikel XX.32 WER. Mr. Declercq wordt aangesteld als voorlopig bewindvoerder. Bij vonnis van 16 januari 2024 van de ondernemingsrechtbank Gent, afdeling Gent werd voor [BLOEM] de procedure gerechtelijke reorganisatie met oog op overdracht onder gerechtelijk gezag geopend met een periode van opschorting tot 15 mei 2024. Op 12 maart 2024 legt de gedelegeerd rechter een verslag neer waarbij hij de rechtbank adviseert een einde te maken aan de opschorting. Op 29 maart 2024 legt mr. Declercq in haar hoedanigheid van voorlopig bewindvoerder van [BLOEM] een verzoek tot voortijdige beëindiging van de gerechtelijke reorganisatie neer. Bij vonnis van de ondernemingsrechtbank Gent, afdeling Gent van 15 april 2024 wordt de procedure gerechtelijke reorganisatie voortijdig beëindigd. In datzelfde vonnis werd [BLOEM] failliet verklaard en mr. [S] aangesteld als curator. 4.23. Bij beschikking van 6 mei 2024 van de voorzitter van de ondernemingsrechtbank Gent, afdeling Gent werd [PLANT] onder voorlopig bewind geplaatst op basis van artikel XX.32 WER. Bij vonnis van de ondernemingsrechtbank Gent, afdeling Gent van 25 juni 2024 werd [PLANT], op dagvaarding van de voorlopig bewindvoerder, failliet verklaard en mr. [G] aangesteld als curator. 4.24. Op het ogenblik van haar faillietverklaring heeft [PLANT] geen uitbatingen meer. Zij heeft geen enkel actief meer, uitgezonderd: - Een vordering op [BLOEM] uit hoofde van de niet-betaalde overnamesom voor het handelsfonds van het tuincenter te [Z]. - Een onroerend goed te [Z] dat de komende 10 jaar, integraal wordt gehuurd door [TUIN] zonder inkomsten voor de boedel. V. GESCHILLEN TUSSEN ALLE ACTOREN 5.1. Na de onderscheiden faillissementen zijn diverse geschillen gerezen en werden meerdere procedures opgestart. Op grond van de processtukken én de gehouden pleidooien schetst de rechtbank de standpunten en lopende procedures in hoofdzaak als volgt: 5.1.1. Volgens de curator van [PLANT] werd deze vennootschap gebruikt als middel om de gevolgen van de mislukte investering van [B] in de [BLOEM]-groep te neutraliseren. De handelshuurovereenkomst met betrekking tot het onroerend goed te [Z], gekoppeld aan de verrekening van 126 vooraf betaalde maanden huur, wordt door de curator omschreven als het sluitstuk van de ontmanteling van [PLANT]. Dit vormde mee de aanleiding voor de huidige procedure. 5.1.2. De curator van [BLOEM] stelt dat [B] gedurende lange tijd als feitelijk bestuurder van zowel BV [BLOEM] als BV [PLANT] heeft opgetreden. Volgens de curator draagt hij de verantwoordelijkheid voor de faillissementen, minstens voor het volledige passief ervan. Er wordt hem verweten misbruik te hebben gemaakt van de financiële moeilijkheden en [A] te hebben gemanipuleerd. De curator verwijt [B] een reeks frauduleuze handelingen te hebben gesteld waardoor BV [BLOEM] van haar belangrijkste activa werd beroofd. Zo zouden de rendabelste winkels zijn onttrokken aan het actief; ook het tuincentrum te [X] en het tuincentrum te [Z], zouden via onrechtmatige constructies zijn verworven. Er werden procedures door de curator van [BLOEM] ingesteld om enerzijds bepaalde transacties aan te vechten via de pauliaanse vordering en anderzijds [B] en zijn vennootschappen aansprakelijk te stellen voor bestuurdersfouten met betrekking tot het volledige netto-passief van het faillissement [BLOEM], momenteel begroot op circa vijf miljoen euro. Meerdere procedures ten gronde zijn in dit verband hangende. Daarnaast verwijt de curator van [BLOEM] de raadsman van [B] een fout doordat deze op 4 april 2023 een bedrag van 500.000 EUR aan zijn cliënt zou hebben vrijgegeven via de derdenrekening, terwijl - naar het oordeel van de curator van [BLOEM] - beloofd zou zijn deze som rechtstreeks aan de schuldeisers door te storten. De rechtbank zou door [B] en diens raadsman doelbewust misleid geweest zijn met als doel een faillietverklaring in april 2023 uit te stellen. Hiervoor loopt ook een aansprakelijkheidsprocedure tegen de betrokken raadsman. 5.1.3. De curatoren van [BLOEM] en van [PLANT] menen dat de datum van staking van betaling in beide faillissementen moet worden teruggebracht naar 4 april 2023. Hieromtrent zijn ook procedures aanhangig gemaakt. 5.1.4. [B] en zijn vennootschappen betwisten alle aantijgingen. Zij stellen dat de betrokken transacties en beslissingen in het belang waren van de [BLOEM]-vennootschappen én hun schuldeisers. Het feit dat het reddingsplan uiteindelijk niet volledig geslaagd is, zou hen niet kunnen worden aangerekend. Daarnaast wijzen zij naar [A] – enig bestuurder en aandeelhouder – die volgens hen ten onrechte buiten schot blijft. Het faillissement van dochtervennootschap [PLANT] schrijven zij toe aan het foutief optreden van de curator van moedervennootschap [BLOEM]. Verder verwijten [B] en zijn vennootschappen de curator van [BLOEM] roekeloze procesvoering en een foutieve afwikkeling van het faillissement. Zij hebben onder meer hiervoor een klacht met burgerlijke partijstelling neergelegd bij de onderzoeksrechter tegen de curator van [BLOEM] en derden, en hebben tevens een procedure gevoerd tot vervanging van de curator dewelke door het hof van beroep werd afgewezen. Tot slot stellen zij dat de curator van [BLOEM] hun ingediende schuldvorderingen “wederrechtelijk” heeft verworpen, wat opnieuw tot een afzonderlijke procedure aanleiding heeft gegeven. [B] en zijn vennootschappen houden voor dat de curator van [BLOEM] de rechter-commissarissen doelbewust verkeerd heeft ingelicht met het oog op het verkrijgen van machtiging tot dadelijke verkoop van het handelsfonds en voorraad van [PLANT] overeenkomstig artikel XX.142 WER. Er werd derdenverzet aangetekend tegen de machtiging. VI. VORDERINGEN VAN PARTIJEN IN HUIDIGE CASUS 6.1. Curator van [PLANT], mr. [G], vordert in laatste conclusie: Te zeggen voor recht dat (
  2. i)de overeenkomst van schuldsaldovergelijking met ‘09.10.2025’ als datering, (
  3. ii)de notariële akte dd. 09.10.2023 inhoudende de schulderkenning, de toegestane handelshuur en het voorkooprecht aangaande het onroerend goed gelegen te [Z], en de voorziene wijzen van schuldvergelijking, alsook (iii) de verkoop van het handelsfonds van de site te [Z] bij factuur dd. 27.10.2023, niet-tegenstelbaar zijn opzichtens concluant qq. / de failliete boedel van de BV [PLANT] ; De NV [TUIN], de heer [B] en de heer [A] in solidum te veroordelen tot vergoeding en aldus tot betaling aan concluant qq. van de tot op heden gekende bijkomend geleden schade in hoofde van de BV [PLANT] en/of haar boedel, zijnde een provisionele som van 80.000,00 EUR (20 x 4.000,00 EUR per maand) per juni 2025, en te actualiseren in de loop van het geding, en te vermeerderen met de verwijlrente sedert de maandelijkse vervaldata tot aan de dag van de dagvaarding, en sedertdien te vermeerderen met de gerechtelijke rente, te rekenen aan de wettelijke rentevoet ; De zaak naar de bijzondere rol te verzenden met het oog op verdere instaatstelling omtrent de uiteindelijke schadebegroting, met inbegrip van de schadelijke gevolgen van de handelingen in relatie tot de uiteindelijke faillietverklaring van BV [PLANT] ; De gestelde vordering ten aanzien van meester [S] in zijn hoedanigheid van curator over het faillissement van de BV [BLOEM] hem te veroordelen tot wederafgifte van het handelsfonds van de site te [Z], dan wel de bekomen verkoopsopbrengst uit de realisatie hiervan binnen de afwikkeling van het faillissement van BV [BLOEM], naar de bijzondere [rol] te verzenden ; De kosten van het geding aan te houden. 6.2. De eerste, tweede en derde verweerders vorderen in laatste conclusie: Desgevallend na het Openbaar Ministerie te hebben gehoord in zijn advies; Alvorens recht te doen: In toepassing van art. 19, lid 3 Ger.W. curator [S] te veroordelen tot voorlegging van: • 1) het verslag van de expert m.b.t. de verkoop van activa (waaronder de transactie aan 17.500,00 EUR) en • 2) het bewijs van de formele goedkeuring van de pandhouders met de verkoop zoals vermeld in zijn verzoek tot dringende verkoop. Dit alles onder verbeurte van een dwangsom van 2.500,00 EUR per dag vertraging, met een maximum van 100.000,00 EUR; In hoofdorde: De zaak te verwijzen naar de rol in afwachting van een eindvonnis in de procedure derdenverzet tegen het vonnis d.d. 26.11.2024 waarbij de datum staking van betaling werd vervroegd naar 04.04.2023 (AR: A/24/03058). In ondergeschikte orde: • De vordering van eiser q.q. voor zover deze gericht is tegen concludenten ontvankelijk doch ongegrond te verklaren. • De vordering van eiser q.q. voor zover deze gericht tegen 4de verweerder, curator [BLOEM], ontvankelijk en gegrond te verklaren. Met verwijzing van eiser in de kosten van het geding, inbegrepen de rechtsplegingsvergoeding, op heden begroot op 9.418,60 EUR; 6.3. De curator van [BLOEM], mr. [S], - zijnde vierde verweerder - vordert in laatste conclusie: De hoofdeis van de curatele [PLANT] ontvankelijk en gegrond te verklaren in zoverre zij gericht is tegen [B] – [FLOWERS] – [TUIN]. De hoofdeis van de curatele [PLANT] ontvankelijk en gegrond te verklaren in zoverre zij gericht is tegen de curatele [BLOEM] ongegrond te verklaren. De tegeneis gesteld door [B] – [FLOWERS] – [TUIN] ontoelaatbaar, onontvankelijk dan wel ongegrond te verklaren, minstens de behandeling van de tegeneis op te schorten totdat definitieve uitspraak zal zijn gedaan in de procedure derdenverzet tegen de beschikking artikel XX.142 WER, thans hangende voor uw rechtbank onder nummer O/24/00454. 6.4. Vijfde verweerder vordert in laatste conclusie: Het dossier te willen verzenden naar de bijzondere rol in afwachting van het resultaat van de procedure derdenverzet met betrekking tot de terugzetting van de datum van staking van betaling in het faillissement [PLANT], gekend onder AR A/24/03058. Ondergeschikt De vordering van eiser q.q. af te wijzen als ontvankelijk, maar ongegrond. Eiser q.q. te verwijzen in de kosten van het geding, in hoofde van concluant begroot op de rechtsplegingsvergoeding ten bedrage van € 3.500,00 VII. BEOORDELING 7.1. Eerste, tweede en derde verweerder betwisten de ontvankelijkheid van de tegen hun door eiser q.q. gestelde vorderingen niet. De rechtbank ziet geen ambtshalve op te werpen middelen van onontvankelijkheid. De tegen eerste, tweede en derde verweerder vorderingen zijn ontvankelijk. 7.2. Ten gronde wordt door de curator van [PLANT] aan de rechtbank gevraagd uitspraak te doen over de constructie met betrekking tot het onroerend goed en handelsfonds van de vestiging te [Z] en de mogelijke schadelijke gevolgen van deze constructie. Zoals zal blijken uit de navolgende motivering, bestaat er voor de rechtbank geen twijfel dat zowel het sluiten van de handelshuurovereenkomst met betrekking tot het pand te [Z] op 9 oktober 2023, als het verkopen van het handelsfonds [Z] op 27 oktober 2023, te aanzien zijn als handelingen verricht met bedrieglijke benadeling van de rechten van de schuldeisers van [PLANT] (zie randnummer 7.6). Abstractie makend van het complex feitenrelaas en van de hoogoplopende, onderlinge verwijten – die enkel maar afleiden van de essentie – dringt de eenvoudige vaststelling zich op dat een chirografaire schuldeiser zich op 9 oktober 2023 bij voorrang op andere schuldeisers, op een abnormale wijze heeft laten “betalen” (of laten vergoeden) door middel van een notariële handelshuurovereenkomst op een ogenblik waarop insolventie redelijkerwijze een onafwendbaar risico was geworden. 7.3. Samen met eiser q.q. stelt de rechtbank vast dat [PLANT] werd opgeofferd om te vermijden dat [B] zijn investering in [BLOEM] zou verloren zien gaan. 7.3.1. De realiteit is dat [B] in een investeringsverhaal is gestapt en zich kort nadien heeft gerealiseerd dat de financiële situatie van [BLOEM] slechter was dan gedacht of voorgespiegeld. Vervolgens werden alle risico’s bij de overige schuldeisers gelegd en werd onder meer [PLANT] – en de waardevolle uitbating te [Z] – in het vizier genomen. De kiem van de problematiek komt tot uiting in de verklaring van [B] en [A] die zij hebben opgenomen in de overeenkomst tot minnelijke ontbinding van aandelenoverdracht van 5 september 2023, waar zij gezamenlijk stellen dat “na onderzoek gebleken [is] dat de boekhouding van [BLOEM] BV (voorheen Extra Vertes) niet overeenstemde met de boekhouding zoals deze door de verkoper voorgesteld werd op datum van overname van de aandelen”. Dit is echter een aangelegenheid tussen (verkoper) [A] en (koper) [B]. De schudeisers staan hier buiten. [B] had begrepen dat hij zijn geïnvesteerde gelden enkel kon recupereren via de dochtervennootschap [FLOWERS] (tuincenter [X]) en dochtervennootschap [PLANT] (tuincenter [Z]). Alle interne boekingen tussen de verbonden vennootschappen in de periode van april tot oktober 2023 zijn enkel terug te brengen tot deze doelstelling. Met betrekking tot [PLANT] werd [B] evenwel geconfronteerd met een veto van partij [SVC] die niet wenste mee te gaan in zijn plannen met betrekking tot de uitbating in [Z]. Het plan dat [SVC] niet wensten te aanvaarden, heeft [B] uitgeschreven in een “herstelplan” gedateerd op 22 juni 2023 (stuk 48 curator [PLANT]). Analyse van dit plan noopt tot de vaststelling dat dit plan geen uitstaan heeft met een redding of een herstel, doch enkel gericht is op het verwerven van de uitbating te [Z], wat doorzien werd door (de raadsman van) [SVC]. De wens om de uitbating te [Z] te verwerven maakte op dat ogenblik al lang geen deel meer uit van “een reorganisatie”, maar wel van “de oplossing” om zonder kleerscheuren uit het [BLOEM]-verhaal te kunnen stappen. Er kan vastgesteld worden dat [B] finaal wel het resultaat dat hij beoogde met zijn afgewezen “herstelplan” de facto heeft bereikt, hetzij zonder instemming van [SVC] en mits miskenning van ieders rechten. 7.3.2. [B] is ondernemer en mag zich opportunistisch opstellen en winstkansen maximaliseren, ook in het kader van ondernemingen in moeilijkheden. Terecht wijst hij erop dat hij “geen liefdadigheidsinstelling is” en dat hij “nergens heeft gesteld dat hij dat geld ‘gratis’ ter beschikking zou stellen of zou schenken, wat van een ondernemer ook niet mag worden verwacht of vermoed”. Toch zijn er grenzen aan opportunistisch optreden van investeerders of “redders” in een insolventiecontext. Die grenzen gelden onverkort, ook indien bestuurders en aandeelhouders van de noodlijdende onderneming zich niet verzetten of zelfs bereidwillig meestappen in een opportunistische reddingspoging om redenen die hen eigen zijn. Zodra insolventie redelijkerwijze een onafwendbaar risico vormt, verschuift de focus immers van de noden van de bestuurders en aandeelhouders naar de belangen van de schuldeisers. Een zogenaamde “redder van bedrijven in nood” kan niet enkel de potentiële baten – met een aanzienlijke risicopremie – van een geslaagde reddingsoperatie beogen en tegelijk elk risico afdekken op kap van de overige, niet-betrokken en vaak onwetende schuldeisers. Een investeerder die zich aandient als redder mag geen roulette spelen met de rechten van bestaande schuldeisers als inzet. Ook een redder moet zich realiseren dat bestaande schuldeisers in bepaalde gevallen beter af zijn zonder een avontuurlijke, risicovolle reddingsoperatie en eerder gebaat zijn met een ordentelijke vereffening van wat er rest. De overige, bestaande schuldeisers moeten niet de prijs betalen voor een verkeerde inschatting door de “redder in nood”. 7.3.3. [B] wijst er meermaals op dat hij 838.202,50 EUR heeft “geïnvesteerd”, dat hij “niet de parasiet is die de curator van hem wil maken” en dat de geviseerde handelingen de schuldeisers tot voordeel hebben gestrekt. Er kan inderdaad niet ontkend worden dat [B] aanvankelijk effectief rechtstreeks en onrechtstreeks krediet heeft verschaft aan [BLOEM] en [PLANT]. Op 4 april 2023 werd hoe dan ook 300.000,00 EUR en 200.000,00 EUR liquiditeiten effectief ter beschikking gesteld aan respectievelijk [BLOEM] en [PLANT]. Gelden waarover vrij kon beschikt worden én die aan het ondernemingsrisico werden onderworpen. Er wordt door partijen ook niet ontkend dat [B] eerder op 6 en 7 maart 2023 vanuit [TUIN] reeds 138.202,50 EUR liquiditeiten – via [FLOWERS] – ter beschikking van [BLOEM] had gesteld en dat die gelden opnieuw volledig aan een zeker ondernemingsrisico werden onderworpen. Doch voor de rechtbank is het evenzeer duidelijk dat het aanvankelijk door [B] verschafte krediet vanaf september 2023 de facto werd stopgezet en er werd overgeschakeld naar een recuperatiemodus en het organiseren van een exit. [B] heeft zijn investeringen (minstens) gerecupereerd. Er kan verwezen worden naar overname van 4 bloemenwinkels door [FLOWERS] uit [BLOEM] voor 284.400,00 EUR op 1 oktober 2023 en waarbij de prijs werd gecompenseerd met de uitstaande schuld die ontstaan is door het eerder verschafte krediet. Evenals naar de compensatie ten belope van 504.000,00 EUR in het kader van de afgesloten handelshuurovereenkomst op 9 oktober 2023. Een investeerder of kredietverschaffer – die zich bijvoorbeeld heeft vergist in de werkelijke financiële toestand of in de haalbaarheid van een sanering – mag in beginsel beslissen om de samenwerking stop te zetten en over te schakelen in recuperatiemodus. Alleen stelt zich dan de vraag of dit op een rechtmatige wijze is gebeurd en of hierbij schade werd veroorzaakt aan anderen. 7.3.4. Eerste, tweede en derde verweerders herhalen meermaals dat deze casus enkel mag beoordeeld worden op basis van “facts and figures” (feiten en cijfers). De vaststelling dringt zich op dat [PLANT] in maart 2023 een waardevol tuincenter en 7 bloemenwinkels uitbaatte met 51 personeelsleden en dat enkele maanden later, [PLANT] geen tuincenter, geen bloemenwinkels, geen personeelsleden meer had én opgescheept zit met een langdurige handelshuur waardoor zij haar eigen onroerend goed de komende 10 jaar niet meer kan gebruiken. Dit terwijl [PLANT] geen enkele liquiditeit heeft ontvangen voor de overname van het handelsfonds van haar tuincenter en haar 7 bloemenwinkels, zodat aan [PLANT] elke kans op herstel van haar financiële positie werd ontnomen. 7.4. Wat betreft de pauliaanse vordering Handelingen of betalingen verricht met bedrieglijke benadeling van de rechten van de schuldeisers kunnen niet worden tegengeworpen onverschillig op welke datum zij hebben plaatsgehad (artikel XX.114 WER). De rechtbank gaat hieronder de toepassingsvoorwaarden na. 7.4.1. Wat betreft de anterioriteitsvereiste: Klassiek wordt aangenomen dat aan de anterioriteitsvereiste is voldaan wanneer tenminste één schuldvordering in de boedel dateert van vóór de aangevochten handeling. Zodra dat het geval is, komt de pauliana ten goede aan alle schuldeisers ongeacht of hun vordering dateert van voor of van na de aangevochten handeling (Cass. 13 maart 2015, Arr.Cass. 2015, 743 en Cass. 17 oktober 1991, Arr.Cass. 1991-92, 163). Niet is vereist dat het bedrag van de schuldvordering op het tijdstip van de aangevochten handeling reeds bepaald is of dat de schuldvordering werd vastgesteld in een rechterlijke beslissing (Cass. 5 januari 2006, C.04.0607.N ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060105.10). Niet noodzakelijk is dat de schuldvordering reeds opeisbaar is. Het is voldoende dat de schuldvordering in haar oorzaak bestaat. De aangevochten handelingen in casu dateren van 9 en 27 oktober 2023. Ten dezen volstaat het te verwijzen naar onder meer de aangifte van schuldvordering van KBC BANK voor 111.819,29 EUR uit hoofde van een toegestaan krediet op 15 december 2020 (stuk 33 curator [PLANT]). Er kan ook verwezen worden naar de opzegging van het krediet door PMV Standaardleningen op 28 september 2023 met vraag tot onmiddellijke terugbetaling (stuk 19 curator [PLANT]). PMV Standaardleningen heeft een aangifte van schuldvordering ingediend voor 88.688,81 EUR uit hoofde van een toegestaan krediet op 14 juli 2021 (stuk 34 curator [PLANT]). Aan de anterioriteitsvereiste is voldaan, wat ook niet wordt betwist door verweerders. 7.4.2. Wat betreft de benadeling van de schuldeisers: De pauliaanse vordering heeft tot doel het verhaalsrecht van de schuldeisers te beschermen. Het volstaat derhalve dat (de uitoefening van) het verhaalsrecht van de schuldeisers op enige wijze wordt bemoeilijkt of dat de schuldeisers hun verhaalsrecht niet meer (volledig) kan uitoefenen opdat voldaan is aan de voorwaarde van benadeling (Cass. 5 januari 2006, Arr.Cass. 2006). De hinder of aantasting aan de uitwinningsmogelijkheden kan zowel van juridische alsook van praktische aard zijn. Werkelijke verarming van de boedel is niet vereist. Zo kan het toestaan van langdurige (zakelijke of persoonlijke) gebruiksrechten op onroerend goed een hinderlijke handeling zijn. Indien de schuldenaar daarvoor een marktconforme vergoeding ontvangt, verarmt een dergelijke handeling hem strikt genomen niet. Toch zijn dergelijke langdurige gebruiksrechten vaak hinderlijk voor schuldeisers: bij tegeldemaking van het betrokken goed nemen dergelijke gebruiksrechten de interesse bij veel kandidaat-overnemers weg (zie G. Lindemans, Commentaar bij art. 5.243 BW – Pauliaanse vordering in X., Bijzondere overeenkomsten. Artikelsgewijze commentaar met overzicht van rechtspraak en rechtsleer, afl.131, p.157). De benadeling kan ook bestaan uit het wijzigen van de rangorde van schuldeisers. Ook al zijn rechtshandelingen vermogensrechtelijk neutraal in hoofde van de schuldenaar, kunnen deze toch de verhaalsrechten van de collectiviteit van schuldeisers aantasten wanneer wordt vastgesteld dat er sprake is van “rangdoorbreking”, waarbij bepaalde schuldeisers een preferente positie wordt verleend of bij voorrang worden betaald (vgl. Cass. 9 juli 1953, Arr.Cass. 1953, 788). Dit op “het ogenblik waarop insolventie redelijkerwijze een onafwendbaar risico wordt”, ook al is er nog geen formele samenloop (zie hierover J. Vananroye, Organisatierecht: Werfbezoek aan een onvoltooide piramide in Acta Falconis VII, Antwerpen, Intersentia, 2015, p. 28, nr. 15); de regels van de samenloop werpen immers hun schaduw vooruit (E. Dirix, Grenzen van de wilsautonomie inzake zakelijke zekerheidsrechten, In H. Bocken, Bijzondere overeenkomsten 2007-2008, p. 149). Op het ogenblik van de aangevochten rechtshandeling, moet de faillietverklaring niet dreigend en imminent zijn. Het volstaat te weten – of behoren te weten – dat het ondernemingsverhaal zal eindigen met een tekort en dus dat er geen redelijke vooruitzichten zijn om dat nog te vermijden. Het is immers die wetenschap die ertoe kan aanzetten om het onvermijdelijk nettopassief af te wentelen op andere schuldeisers en zichzelf vooraan te plaatsen op de betaalagenda. Het ogenblik waarop insolventie redelijkerwijze een onafwendbaar risico wordt, is niet gelijk te stellen met de formele datum van staking van betaling. 7.4.3. In casu dient vastgesteld dat de notariële akte van 9 oktober 2023 – en in het bijzonder de hierin toegestane handelshuur, voorkooprecht en schuldvergelijking – de verhaalsrechten van de schuldeisers benadeelt: - Vooreerst worden de realisatiemogelijkheden van het onroerend goed door de curator ernstig belemmerd. Het onroerend goed dat thans gevat is door het collectief beslag van het faillissement werd bezwaard met een handelshuurovereenkomst voor 27 jaar waarbij de huurder de komende 10 jaar geen huur zal betalen. Dit heeft een rechtstreekse, ernstige negatieve impact op de huidige realisatiewaarde. De verhaalsrechten van de schuldeisers zijn hierdoor benadeeld. De curator zal in gegeven omstandigheden – in de mate dat het onroerend goed überhaupt onder deze voorwaarden verkoopbaar is – minder opbrengst realiseren bij een verkoop op heden, dan wanneer dit aangevochten handelshuurcontract niet bestond. Deze loutere vergelijking volstaat om de benadeling te weerhouden. Zelfs indien de huurprijs en randvoorwaarden marktconform zouden zijn, dan nog verandert dit niets aan het gegeven dat de handelshuurovereenkomst de concrete uitvoering op het actiefbestanddeel onder het collectief beslag bemoeilijkt (zie HvB Gent, 20 juni 1989, TGR 1989, 95). Het verhuren van een onroerend goed impliceert bovendien ook verhuurdersverplichtingen, zoals onder meer grote herstellingen en brandverzekering. Terwijl in concrete omstandigheden geen inkomsten tegenover staan voor de boedel komende 10 jaar. De eerste, tweede en derde verweerder stellen dat “de massa van de schuldeisers overduidelijk niet [werd] benadeeld. Het is namelijk dankzij concludenten dat minstens 838.202,50 EUR werd geïnjecteerd in de Groep- [BLOEM], waarvan minstens 200.000,00 EUR rechtstreeks in [PLANT]”. Dit argument is niet pertinent. De aangevochten handeling is niet de kredietverlening op 4 april 2023, doch wel het op 9 oktober 2023 vestigen van een handelshuur en een voorkooprecht op het onroerend goed evenals de wijze van terugbetaling van het verleende krediet. - Verder is het opgenomen voorkooprecht ten gunste van [TUIN] een benadeling van de verhaalsrechten van de schuldeisers. Onder artikel 14 “voorkooprecht” van hoofdstuk “handelshuur” wordt aan [TUIN] een voorkooprecht toegekend. Los van het feit dat bepaalde voorwaarden van dit voorkooprecht in de akte onduidelijk – of gewoonweg onjuist zijn omschreven – staat wel vast dat dit voorkooprecht werd toegekend aan [TUIN] gekoppeld aan een basisprijs van 500.000,00 EUR, waarbij aan [TUIN] werd toegestaan het niet-verbruikt huurgenot aan 4.000,00 EUR per maand in mindering te brengen van deze basisprijs in geval van uitoefening van het voorkooprecht. Met andere woorden aan [TUIN] werd een optie verleend om het onroerend goed aan te kopen voor een prijs van 500.000,00 EUR die weliswaar enkel kan uitgeoefend worden in geval van verkoop, wat net de finaliteit is van een faillissementsvereffening. De argumentatie van de eerste, tweede en derde verweerder argumenteren dat dit een minimumprijs is en “geen plafond” kan niet gevolgd worden om de eenvoudige reden dat dit geen aansluiting vindt in de tekst van de clausules in de handelshuurovereenkomst. Welke interpretatie verweerders ook willen geven aan dit voorkooprecht, de realiteit is dat op basis van artikel 14 – in geval van een verkoop van het onroerend goed door de curator – [TUIN] het onroerend goed kan aankopen voor 500.000,00 EUR verminderd met het niet-verbruikte huurgenot, dat op heden nog 408.000,00 EUR bedraagt. Dit impliceert dat een uitoefening van het voorkooprecht – zoals het in casu is omschreven -, de rangdoorbreking ten gunste van een chirografaire schuldeiser opnieuw zou bevestigen, gezien de vooraf betaalde som in aftrok kan genomen worden (zie verder). Ten overvloede – doch niet determinerend – kan nog verwezen worden naar een schattingsverslag van 1 juli 2023 van expert Nauwelaers waarbij voor het kwestieuze onroerend goed een venale verkoopwaarde van 1.197.367,03 EUR bij verdere exploitatie wordt weerhouden. In dit verslag wordt [B] vermeld als “aanvrager”. De berekeningen van de eerste, tweede en derde verweerder omtrent de “waarde van handelshuurovereenkomst” kunnen overigens niet gevolgd worden. De waarde van een handelshuurovereenkomst op vandaag is niet gelijk aan alle te vervallen huurgelden in de komende 27 jaren, te vermeerderen met de alsdan te realiseren verkoopprijs. Zulke berekening gaat in tegen elke economische logica en juridische realiteit. - Tenslotte bestaat de benadeling van de verhaalsrechten van de schuldeisers erin dat de overeengekomen wijze van “voorafbetaling van huur” door middel van een schuldvergelijking in essentie neerkomt op rangdoorbreking. Het betreft een betaling bij voorrang ten belope van 504.000,00 EUR in het licht van nakende insolventie. [TUIN] was een chirografaire schuldeiser die destijds krediet heeft verschaft en zich heeft onderworpen aan het ondernemingsrisico. Dat risico houdt in dat insolventie kan intreden. Door de toegepaste schuldvergelijking – wat een betaling inhoudt – onttrekt [TUIN] zich wetens willens aan de onvermijdelijke samenloop en de voor haar nadelige rangregeling gezien de aanwezigheid van pandhoudende en bevoorrechte schuldeisers. Vanuit het oogpunt van de boedel kwalificeert deze betaling door schuldvergelijking evident als een benadeling. De boedel heeft minder actief om uit te delen volgens de wettige redenen van voorrang. Dat een schuldvergelijking in beginsel geen invloed heeft op het netto-vermogen, doet hieraan geen afbreuk; de rang werd doorbroken, wat schade impliceert die dient hersteld te worden. De aangevochten handeling moet niet onmiddellijk een benadeling veroorzaken. Het volstaat dat de benadeling een rechtstreeks gevolg is van de betwiste rechtshandeling. In casu betreft de rangdoorbreking (schade) een onmiddellijk feit gezien de doorgevoerde schuldvergelijking. De hinder en schade voor de failliete boedel volgend uit de bezwaring van het onroerend goed, wordt pas veruitwendigd na faillietverklaring, doch vindt haar rechtstreekse oorzaak in de aangevochten rechtshandeling. Wat betreft de rangregeling, wijst de rechtbank erop dat [PLANT] op 22 maart 2019 en 6 juni 2019 een pand op ondernemingsgoederen heeft toegestaan aan KBC Bank respectievelijk voor 120.000,00 EUR en 75.000 EUR. KBC Bank heeft een aangifte van schuldvordering ingediend ten belope van 111.819,29 EUR (stukken 32 en 33 curator [PLANT]). Er zijn ook bevoorrechte schuldeisers waaronder de FOD Financiën en de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid. 7.4.4. Wat betreft het bedrog van de schuldenaar Er is sprake van bedrog indien de schuldenaar wist of behoorde te weten dat door de bestreden handeling te stellen hij de verhaalsrechten van de schuldeisers zou schaden. Het pauliaans bedrog kan ook afgeleid worden uit het abnormaal karakter van een handeling (Cass. 19 februari 2015, Arr.Cass. 2015, 473; Cass. 26 oktober 1989, Arr.Cass. 1989-90, 282; Cass. 15 maart 1985, Arr.Cass. 1984-85, 969). De vaststelling van het abnormale karakter van handelingen kan worden gestoeld op een geheel van feiten en gedragingen, die door hun onderlinge samenhang het abnormale karakter ervan aantoonbaar maken. Uit de stukken blijkt [PLANT] met als enige formele bestuurder [A], zeer zeker wist of behoorde te weten dat hij door de notariële akte op 9 oktober te ondertekenen hij de verhaalsrechten van de schuldeisers van [PLANT] zou schaden. De rechtbank komt tot dit besluit op basis van de volgende, in samenhang beschouwde, vaststellingen: - Wetenschap financiële situatie Op 9 en 27 oktober 2023 had [PLANT] geen personeel meer in dienst, geen activiteiten meer en opeisbare schulden die zij niet kon voldoen. Er kan onder andere verwezen worden naar het opgezegd krediet door PMV Standaardleningen op 28 september 2023 met vraag tot onmiddellijke terugbetaling van het uitstaande bedrag van 87.290,65 EUR (stuk 19 curator [PLANT]). Een schuld die ook onbetaald was op datum van faillietverklaring. De bestuurder wist aldus – of behoorde te weten – dat op 9 oktober insolventie in hoofde van [PLANT] een onafwendbaar risico was geworden. De rechtbank stelt vast dat ook [B] en [TUIN] zelf niet langer krediet wensten te verschaffen aan [PLANT] in oktober 2023. Ook zij hebben het krediet opgezegd ten aanzien van [PLANT]. Nadat door verschillende boekhoudkundige ingrepen de vorderingen bij [TUIN] werden gecentraliseerd in de vorm van een rekening-courant op [PLANT], wordt in de notariële akte van 9 oktober 2023 geschreven: “voormelde schuld is onmiddellijk opeisbaar”, waarna deze rekening-courant aldus onmiddellijk opeisbaar werd gesteld om zo de schuldvergelijking te kunnen doorvoeren. Ofwel houdt [TUIN] voor dat zij de rekening-courant niet opeisbaar had gesteld en dan is er sprake van een betaling van een niet-opeisbare schuld wat in de gegeven omstandigheden abnormaal zou zijn. Ofwel houdt [TUIN] voor dat het wel een opeisbare schuld was en dat impliceert dan het einde van de kredietverschaffing door [TUIN], waaruit dan weer kan afgeleid worden dat het krediet geschokt was. De rechtbank wijst er ook op dat de op 9 oktober 2023 verleden notariële akte – waaruit de opeisbaarstelling blijkt – vooraf diende te worden voorbereid (redactie, opzoekingen…) en dat de instructie hiertoe niet pas op 9 oktober 2023 is gegeven, maar hoogstwaarschijnlijk enkele dagen eerder. In elk geval dringt de vaststelling zich op dat de twee grote kredietverschaffers van [PLANT] de kredieten hebben stopgezet eind september, begin oktober 2023. Dat de beslissingen hiertoe kort bij elkaar liggen, is geen toeval maar een louter gevolg van de dreigende insolventie. De wetenschap van het insolventierisico kan ook afgeleid worden uit het “verslag van het bestuursorgaan aan de aandeelhouders” van [PLANT] van 22 juni 2023, opgesteld met het oog op het toepassen van de alarmbelprocedure. Hierin wordt het volgende opgenomen: “Gezien het netto-actief van de vennootschap negatief (dreigt te worden
  4. of)is geworden en het niet langer vaststaat dat de vennootschap , volgens de te verwachten ontwikkelingen, in staat zal zijn om gedurende minstens twaalf volgende maanden haar schulden te voldoen naarmate deze opeisbaar worden, is de vennootschap verplicht om de alarmbelprocedure toe te passen”. Zoals eerder gesteld, is niet vereist dat de faillietverklaring onmiddellijk dreigt; voldoende is dat zich, naar objectieve maatstaven, een voorzienbaar risico op insolventie voordoet. Het doorvoeren van dergelijke schuldvergelijking én het toestaan van zulke schadelijke bezwaring op het enig resterende actiefbestanddeel, op een ogenblik dat net de alarmbelprocedure werd toegepast, is in het licht van de concrete omstandigheden overigens abnormaal. - Doelbewuste contractuele schending De inhoud van de overeenkomst tot handelshuur en voorkooprecht van 9 oktober 2023, is in strijd met de bepalingen van de initiële overnameovereenkomst van 13 februari 2019 gesloten tussen verkopers [SVC] en koper [BLOEM], doch waarin ook [PLANT] én [A] verschijnen als contractspartij. In deze overeenkomst is onder meer in artikel 4.5. het verbod opgenomen om het onroerend goed [Z] te bezwaren of te vervreemden (stuk 2 curator [PLANT]). [A] kan niet voorhouden niet op de hoogte te zijn geweest van dit verbod. Het toestaan van een handelshuur van 27 jaar is wel degelijk een bezwaring. Bovendien was er een verbod tot vervreemding van de uitrusting van het tuincenter te [Z]. In strijd hiermee werd het handelsfonds van het tuincenter [Z] (en de uitrusting) verkocht op 27 oktober 2023. Het doelbewust schenden van contractuele bepalingen, is minstens als abnormaal te omschrijven. De doelbewuste derde-medeplichtigheid aan contractbreuk in hoofde van [TUIN] is ook abnormaal (zie verder). - Wijze van betaling In de akte van 9 oktober staat onder punt I.4 en II.3 duidelijk dat de schuldvergelijking “een betaling” betreft. Dit betreft een onmiddellijke, aflopende rechtshandeling. Dat de eerste 126 maanden van de toegestane handelshuur worden “vooraf betaald” door middel van schuldvergelijking met een bestaande schuld, is uit haar aard reeds een abnormale wijze van betalen en handelen. Eén welbepaalde chirografaire schuldeiser bij voorrang integraal betalen op een ogenblik dat de schuldenaar zich in dergelijke precaire, financiële situatie bevindt, is abnormaal. Ook de notaris heeft in de notariële akte gewezen op het “atypisch” karakter van de overeenkomst. Volgens eerste, tweede en derde verweerder zou dit enkel wijzen “op het niet alledaagse karakter van deze bepaling, maar niet op enige onrechtmatigheid.”. De handeling moet niet steeds “onrechtmatig” zijn; abnormaal volstaat. Het “niet alledaags karakter” draagt in elk geval bij tot het abnormaal karakter. De rechtbank kan eerste, tweede en derde verweerder niet volgen waar zij in randnummer 108 van hun conclusie van 18 april 2025 stellen dat [PLANT] “krediet” kreeg door het feit dat [TUIN] “genoegen nam” met huurgenot op lange termijn in plaats van liquiditeiten eiste. Er was geen sprake van krediet aan [PLANT], integendeel. De operatie hield een onmiddellijke opeisbaarheid in met onmiddellijke betaling. Als [TUIN] werkelijk “krediet” had willen geven dan had zij maandelijks haar schuld op rekening-courant kunnen compenseren met het lopend huurgenot van maand tot maand. Echter, dat wenste [TUIN] niet omwille van het risico op insolventie. - Transactie met insider (ingewijde): De wederpartij in en de begunstigde van de notariële akte van 9 oktober 2023 betreft [TUIN], geleid door enig bestuurder [B] die ook aandeelhouder is. [B] is ontegensprekelijk als een “insider” van [PLANT] te beschouwen; hij en [TUIN] zijn niet zomaar een loutere derde. [B] was middels [TUIN] de grootste schuldeiser van [PLANT], waarvan hij enige tijd bestuurder is geweest. Hetgeen door [PLANT] uitgevoerd werd in oktober 2023 is in essentie hetgeen [B] als toenmalige bestuurder van [PLANT] heeft omschreven in zijn “herstelplan” op 22 juni 2023 (stuk 48 curator [PLANT]). Weliswaar zonder akkoord van [SVC] [B] beweert slechts (vaste vertegenwoordiger van
  5. de)bestuurder van [PLANT] te zijn geweest tot 29 juni 2023. Deze bewering strijdt alvast met de uitgaande mailberichten van [B] na deze voorgehouden datum van ontslag, waarin hij in naam en voor rekening van [PLANT] onderhandelingen voert met de raadsman van [SVC] (stukken 16, 17, 18 en 40 curator [PLANT]). In zijn verweer stelt [B] dat hij ten onrechte “als insider of feitelijk bestuurder” wordt voorgesteld. Om als “insider” te worden beschouwd, is niet noodzakelijk dat bewezen wordt dat [B] ook “feitelijk bestuurder” was. Een “insider” kan ook een aandeelhouder zijn, of vrienden en familie van de bestuurder. Ook schuldeiser die geheel op de hoogte is van het reilen en zeilen binnen de vennootschap en die door de grootorde van diens schuldpositie de facto een beslissende invloed kan uitoefenen op het beleid net omwille van de nakende insolventie, kan beschouwd worden als een “insider”. - Voorbereidende boekhoudkundige ingrepen en haastig gedrag De voorafgaandelijke boekhoudkundige verwerkingen in de boekhoudingen van [PLANT] en [BLOEM] zijn schijnbaar neutraal, doch zijn dat niet (altijd). Zo houdt het overdragen van vorderingen op derden – waarop pandrechten en voorrechten rusten – in ruil voor schulden, wanneer het risico op insolventie tastbaar wordt, een vorm van rangdoorbreking in, ook al is dit een schijnbaar neutrale operatie. Zo wordt bij het overdragen en compenseren van onderlinge rekening-couranten aan nominale waarde geen rekening gehouden met de inbaarheid. Dit kan boekhoudkundig correct zijn maar in realiteit kunnen deze schijnbare neutrale operaties wel reële vermogensverschuivingen teweegbrengen in een context van nakende insolventie. Zo was ook de dubbele wederverkoop van de integrale voorraad met eigendomsvoorbehoud op 4 april 2023 (zie randnummer 4.6) – hoewel boekhoudkundig correct – in realiteit niet neutraal, gezien deze operatie enkel gericht was op het verschaffen van een zekerheid aan [TUIN] in de vorm van eigendomsvoorbehoud, tegen de rechten van de pandhouder op ondernemingsgoederen in (stuk 32 curator [PLANT]). Het valt moeilijk te betwisten dat het enerzijds centraliseren van alle schulden ten aanzien van externe schuldeisers in [PLANT] en het anderzijds centraliseren van alle schuldvorderingen op [PLANT] in [TUIN], louter werd opgezet met het oog op het (kunnen) tot stand brengen van een schuldvergelijking met betrekking tot het onroerend goed te [Z]. De door verweerders achteraf aan de diverse compensaties en overdrachten toegekende motieven zijn gekunsteld en ontberen elke onderbouw vanuit een economische of bedrijfsmatige logica. De enigen die, al dan niet oprecht, geloven dat de aangevochten handelingen in het belang waren of zijn geweest van [PLANT] zijn wellicht eerste, tweede en derde verweerder. Zo was er geen “noodzaak” om haar rekening-couranten af te bouwen. Die noodzaak werd gecreëerd of geënsceneerd om reden dat [B] uit het investeringsverhaal wenste te stappen. Langs de zijde van [PLANT] of [BLOEM] was er geen “noodzaak”, wel langs de zijde van [B]. Zo kon [PLANT] eerder genieten van krediet van haar moedervennootschap [BLOEM] tot het ogenblik dat [BLOEM] onder het bestuur van [B] heeft beslist om op 4 april 2023 de schuldvordering van [BLOEM] op [PLANT] over te dragen aan [FLOWERS], die vervolgens op 9 oktober deze vordering heeft overgedragen op [TUIN], die op haar beurt meteen dit “krediet” opeisbaar heeft gemaakt. [PLANT] krijgt aldus in plaats van een “interne” schuldeiser (moedervennootschap) een externe schuldeiser, die een heel andere agenda voert dan de moedervennootschap, buiten elk groepsbelang. Dat niet alle voorbereidende boekingen op zich foutief of verdacht zijn, is op zich minder relevant. Wat wél van belang is, is dat deze voorbereidende handelingen aantonen dat de verwerende partijen zich er zeer goed van bewust waren dat een exit uit het investeringsverhaal zonder verlies, enkel mogelijk was via het onroerend goed te [Z]. - Het gehaaste karakter waarmee de handelshuur en het voorkooprecht notarieel werden geformaliseerd op 9 oktober 2023, is abnormaal, zeker gelet op het feit dat slechts elf dagen voordien een belangrijk krediet werd opgezegd door PMV. Des te meer omdat de betwiste operatie – die kennelijk met spoed werd uitgevoerd – geen enkele liquiditeit heeft opgeleverd voor [PLANT]. Van een schuldenaar die zijn verplichtingen langdurig niet kan nakomen en geconfronteerd wordt met opgezegde kredieten, mag verwacht worden dat hij zich in de eerste plaats richt op het verwerven van liquiditeiten en dat zijn handelingen daarop afgestemd zijn. - Verkoop handelsfonds tuincentrum [Z] Dat het handelsfonds van het tuincentrum te [Z] voor 400.000,00 EUR op 27 oktober 2023 wordt verkocht aan [BLOEM] is op zich al abnormaal, aangezien het handelsfonds al eerder geruisloos bij [BLOEM] was ondergebracht. Dat eerste, tweede en derde verweerders in conclusie stellen dat “dankzij de investeringen van concludenten bevond [PLANT] zich dan ook in een relatief goede financiële positie eind 2023” kan de rechtbank moeilijk plaatsen. [PLANT] is sinds 29 mei 2023 feitelijk vereffend en was na de zomer van 2023 een compleet inactieve vennootschap met opeisbare schulden en een opgezegd krediet, wachtend tot de moedervennootschap failliet wordt verklaard om vervolgens te worden meegesleurd. In elk geval heeft ook de verkoop van het handelsfonds van het tuincentrum te [Z] niet tot enige liquiditeiten op korte termijn geleid voor [PLANT], ondanks de noodzaak hiertoe gezien de opgezegde kredieten. Aan koper [BLOEM] werd weliswaar toegestaan de overnameprijs van 400.000,00 EUR af te betalen aan 8.000,00 EUR per maand, doch alle partijen wisten op dat ogenblik dat [BLOEM] dit niet kon betalen. [BLOEM] kon zelfs haar lopende huurverplichtingen in de diverse vestigingen – en ook voor [Z] – al lange tijd niet meer voldoen. Vanuit bedrijfseconomisch perspectief ontbeerde de verkoop van het handelsfonds aan [BLOEM] iedere verantwoording, hetgeen het abnormale karakter van de transactie onderstreept. De enige reden waarom alsnog tot facturatie werd overgegaan, was van louter boekhoudkundige aard, met als enig doel een kunstmatige opwaardering van de resultaatrekening van [PLANT]. Zowel de voorgehouden “verkoop” alsook de weerhouden “prijs” ten belope van 400.000,00 EUR hebben niets te maken met de realiteit. [A] was op het ogenblik van de verkoop van het handelsfonds van [PLANT] aan [BLOEM] bestuurder van beide vennootschappen. [A] wist of behoorde te weten dat hij door deze handelingen te stellen de schuldeisers van [PLANT] bedrieglijk zou benadelen. 7.4.5. Wat betreft de medeplichtigheid van de wederpartij Er is sprake van medeplichtigheid in hoofde van de derde (wederpartij) wanneer deze op de hoogte was of minstens op de hoogte diende te zijn van de abnormaliteit van de handeling en het feit dat de desbetreffende handeling nadeel toebracht aan de verhaalsrechten van schuldeisers van de toekomstige gefailleerde (Cass. 26 oktober 1989, Arr.Cass. 1989-90, 282). Opzet om te schaden, is niet vereist. Het is voldoende dat de derde bewust deelneemt aan het pauliaans bedrog (vgl. met artikel 5.243, 2de lid). De medeplichtigheid wordt aan de derde-rechtspersoon toegerekend via de nauw betrokken aanwijsbare rechtssubjecten achter die rechtspersoon (S. Loosveld, “L’action paulienne: une institution séculaire en pleine vogue”, TBBR 2001, 163). Medeplichtigheid in hoofde van [B] leidt evident eveneens tot kennis en medeplichtigheid in hoofde van [TUIN], geleid door haar enige bestuurder [B]. Het bewijs van de medeplichtigheid kan met alle middelen van recht geleverd, dus ook met vermoedens. De rechtbank acht de medeplichtigheid in hoofde van [TUIN] bewezen en baseert haar oordeel op volgende elementen: - Uit de mailcommunicatie tussen [B] en de raadsman van [SVC] blijkt zeer duidelijk dat [B] zich bewust was dat hij als derde zou meewerken aan contractbreuk indien het onroerend goed [Z] met zulke handelshuurovereenkomst zou bezwaard worden (stukken 16, 17, 18 en 40 curator [PLANT]). - Verweerders stellen dat zij “totaal vreemd” zijn aan de overeenkomst gesloten tussen [BLOEM], [PLANT] en [SVC] Dit is geen pertinent argument. Immers, elkeen die schuldig is aan derde-medeplichtigheid aan contractbreuk is “vreemd” aan de overeenkomst aangezien men een “derde” is. Belangrijker is de vaststelling dat [TUIN] de clausules kende, besefte dat de voorgenomen transactie juridisch niet kon, werd gewaarschuwd op voorhand dat dit juridisch niet kon en niettemin toch heeft meegewerkt aan de transactie. - [B] – en dus [TUIN] – waren bovendien zeer goed op de hoogte van de precaire financiële situatie van de [BLOEM]-groep met [PLANT] in het bijzonder. Op 27 juni 2023 liet [B] aan de raadsman van [SVC] weten dat hij zich genoodzaakt zag de alarmbelprocedure op te starten. Drie dagen later, op 30 juni 2023, waarschuwde hij dat een faillissement een reëel risico zou vormen indien geen medewerking werd verleend. Uit alle stukken van het dossier, bestaat geen twijfel dat [B] als voormalig vaste vertegenwoordiger van de enige bestuurder van [PLANT] op de hoogte was van de financiële situatie van [PLANT] op het ogenblik van de aangevochten handelingen. Dit los van de discussie of [B] na zijn ontslag zich gedragen heeft als de feitelijke bestuurder van [PLANT]. 7.4.6. De overige argumenten van eerste, tweede en derde verweerder overtuigen de rechtbank niet. - Uit stuk 71 en 74 van [B] kan geenszins afgeleid worden dat de oorzaak van huidige pauliaanse vordering “besproken en goedgekeurd” zou zijn met KBC en ING. - Uit stuk 70 van [B] blijkt enkel dat in maart 2023 bepaalde openstaande leveranciers bereid waren afbetalingstermijnen toe te kennen aan [BLOEM]. Zulks heeft geen relevantie met de aangevochten handeling van 9 en 27 oktober 2023 ten aanzien van [PLANT] - De doorgevoerde schuldvergelijking kan volgens verweerders niet abnormaal zijn gezien er voor [PLANT] “geen redelijk alternatief was” om de rekening-courant schuld aan [TUIN] te kunnen betalen. De rechtbank volgt deze stelling niet. [PLANT] had wel degelijk een ander alternatief, namelijk ofwel de boeken neerleggen ofwel een gerechtelijke reorganisatie doen openen ofwel schuldeisers gelijk behandelen. Als een schuldenaar in een situatie komt waarbij zij haar opeisbare schulden enkel kan betalen door gekunstelde compensaties en abnormale bezwaringen van haar enig onroerend goed, dan is dit meer dan een indicatie van nakende insolventie. - Dat de aangevochten handeling voor [TUIN] inderdaad de enige optie was om haar investering ooit terug te krijgen, doet niet ter zake. Het abnormaal karakter moet beoordeeld worden vanuit het oogpunt en belang van [PLANT] die evident ook andere schuldeisers had die zij ook niet kon betalen. - De omstandigheid dat de frauduleuze handeling niet alle schuldeisers in het faillissement op dezelfde wijze heeft benadeeld, neemt niet weg dat de pauliaanse vordering na faillissement de vergoeding beoogt van collectieve schade waarvoor enkel de curator bevoegd is om op te treden. Deze vordering komt dan ook ten goede van alle samenlopende schuldeisers ongeacht het tijdstip van het ontstaan van hun respectieve schuldvorderingen (Cass. 13 maart 2015, C.14.0415.N ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150313.4). - Verweerders betwisten dat zij “bevoorrecht” schuldeiser zijn geworden door de doorgevoerde schuldvergelijking en stellen “de stelling dat [TUIN] middels de huurovereenkomst veranderde van een gewone schuldeiser naar een bevoorrechte schuldeiser faalt. […]Men verrekende aldus een gewone schuldvordering met een gewone schuldvordering. Van preferentiële toebedeling is geen sprake.” Dergelijk argument is niet pertinent. Het gaat immers niet over een “voorrecht” in de zin de hypotheekwet, maar wel over een “voorrang” die voortvloeit uit een schuldvergelijking. Een schuldvergelijking impliceert een onmiddellijke betaling bij voorrang op de andere concurrentiële schuldeisers. Uit deze “voorrang” blijkt – in gegeven omstandigheden – de bedrieglijk onttrekking aan de samenloop. - Dat zonder de aangevochten handelshuurovereenkomst er ook geen huurinkomsten zouden geweest zijn voor [PLANT] aangezien [BLOEM] de lopende huur niet kon betalen, is niet ter zake en ook niet bewezen. De benadeling bestaat onder meer ook in de loutere aantasting van de praktische uitwinningsmogelijkheden. Bovendien kon (de curator van) [PLANT] perfect het onroerend goed verhuren aan een derde – waarbij de huurgelden dan zouden toekomen aan de pandhouders op deze vorderingen – en of beslissen om het onroerend goed onbelast te verkopen met vrije liquiditeiten tot gevolg om haar redding te bewerkstelligen. - Dat de loutere faillietverklaring van [PLANT] te wijten zou zijn aan beweerdelijke fouten van de curator van [BLOEM] wordt geenszins bewezen. De loutere verkoop van het resterende actief dat zich bevond in [Z] – of deze nu wel of niet foutief was – heeft niet geleid tot het faillissement van [PLANT]. Het faillissement van [PLANT] was al lange tijd onafwendbaar. De kredieten waren opgezegd en de betaling gestaakt. [PLANT] had op het ogenblik van haar faillietverklaring geen vrije beschikking meer van haar eigen handelspand, had geen personeel meer en geen liquiditeiten. [B] en zijn vennootschappen schetsen een overdreven en niet met de realiteit strokende voorstelling van de problematiek omtrent de verkoop van de resterende goederen te [Z], met het doel de aandacht af te leiden van de eigen verantwoordelijkheid in deze. Uit niets blijkt dat het faillissement louter zou zijn gevolgd uit deze transactie. Er kan dienaangaande verwezen worden naar het duidelijk standpunt van de voorlopig bewindvoerder van [PLANT] over de faillissementsvoorwaarden en de reden waarom hij is overgegaan tot dagvaarding in faillietverklaring. Hoogstens kan de wijze van verkoop een invloed hebben op het netto-passief van [PLANT]. Als de curator van [PLANT] meent dat de rechten van de boedel geschaad zijn door een fout met betrekking tot het resterende actief aanwezig in [Z], dan staat het hem vrij hierin initiatieven te nemen. Dit doet echter geen afbreuk aan het feit dat verweerders pauliaanse handelingen hebben gesteld die thans dienen te worden geneutraliseerd. Met betrekking tot de opmerkingen van [B] over de verkoop van de aanwezige goederen te [Z] en het vernietigen van het handelsfonds door de curator van [BLOEM], heeft de rechtbank geen kennis: - Dat [TUIN] in haar hoedanigheid van onderverhuurder aan [BLOEM] procedurele acties zouden ondernomen hebben ondernomen om deze verkoop te verhinderen (cfr. curator ad hoc) of om de activa voorafgaand aan het faillissement onder pandbeslag te plaatsen. - Dat [PLANT] – of diens schuldeisers bij wijze van zijdelingse vordering – na het faillissement van [BLOEM] de goederen formeel zouden hebben gerevindiceerd op basis van een vermeend eigendomsvoorbehoud. Het is bovendien opmerkelijk dat [B] thans zulke bezorgdheden uit over het handelsfonds van [PLANT]. [B] was nochtans de vaste vertegenwoordiger van de enige bestuurder van [PLANT] op het ogenblik dat het volledige personeelsbestand van [PLANT] uit dienst werd geplaatst en alle bloemenwinkels van [PLANT] werden “verkocht” door middel van een loutere verrekening in rekening-courant, waardoor het [PLANT] als onderneming onmogelijk werd gemaakt haar herstel in de toekomst te bewerkstelligen. Tevens is het [B] die louter uit eigen belang heeft meegewerkt aan het voor lange tijd onbruikbaar maken van het handelspand van [PLANT], waardoor [PLANT] haar gebruikelijke activiteit niet meer kon uitoefenen om te porberen opnieuw financieel gezond te worden. Tenslotte - volstrekt ten overvloede - stelt de rechtbank samen met de curator van [BLOEM] vast dat op vandaag het tuincentrum te [Z] wordt uitgebaat onder de naam “[GROEN]” door een vennootschap die niet heeft betaald aan [PLANT] of [BLOEM] voor enig handelsfonds van dat tuincentrum; en dat – al dan niet toevallig – op vandaag eveneens onder de benaming “[GROEN]” de bloemenwinkels te Brugge, Izegem, Harelbeke, Kortrijk en Waregem én het tuincenter te [X] worden uitgebaat. Allen vestigingen overgenomen door [B] of diens vennootschappen (zie randnummers 4.12, 4.16, 4.17). En dat de vennootschap achter “[GROEN]” eveneens werd opgericht bij akte verleden voor notaris [R]. - De bewering van verweerders dat “[PLANT] nog zeker tot eind 2023 een gezonde vennootschap [was]” en dat “de cijfers van [PLANT] eind 2023 er relatief goed [uitzagen]” vindt geen aansluiting met de realiteit. De door verweerders gehanteerde interpretatie van balansen kan niet gevolgd worden. [PLANT] heeft in het boekjaar 1.07.2022 – 30.6.2023 een verlies gemaakt van 462.670,41 EUR. In dit negatief resultaat zit reeds de verkoop van de 7 bloemenwinkels op 29 mei 2023 voor een prijs van 248.846,47 EUR. Dit was een louter interne transactie tussen [PLANT] en [BLOEM] dewelke enkel verrekend werd in rekening-courant. Het operationele verlies was aldus groter. Uit de tussentijdse resultaatrekening voor de periode 1.7.2023 – 31.12.2023 blijkt een vermeend positief resultaat van 460.163,14 EUR. Echter, in deze tussentijdse balans zit de verkoop van het integrale handelsfonds van 400.000,00 € op 7 oktober 2023 vervat die weliswaar werd gefactureerd doch niet betaald. Eveneens werd in dit tussentijds resultaat nog geen enkele afschrijving geboekt en is er geen doorrekening van kosten gebeurd. Na oktober 2023 had [PLANT] geen enkele activiteit meer. Zij kon op geen enkele wijze nog inkomsten verwerven, zij had geen personeel meer en er was geen werkkapitaal. Er waren opgezegde kredieten die niet betaald konden worden. Het was een inactief gemaakte vennootschap wiens faillietverklaring onvermijdelijk was. De rechtbank begrijpt dit alles niet als “een gezonde vennootschap”. 7.5. Verweerders vorderen de zaak onbepaald uit te stellen tot er duidelijkheid is op de definitieve datum van staking van betaling die het voorwerp uitmaakt van andere procedures. De rechtbank gaat hier niet op in. De uitkomst van dit geschil en de vordering van de curator op basis van artikel XX.114 WER wordt niet gedetermineerd door de uiteindelijk weerhouden of te weerhouden datum van staking van betaling in hoofde van [PLANT]. Er is aldus geen noodzaak om de uitkomst van de procedures op grond van XX.105 WER hierover af te wachten. 7.6. Verweerders vorderen de voorlegging van bepaalde stukken alvorens recht te doen. De rechtbank ziet de relevantie van de gevraagde stukken niet in de context van huidig geschil. De door de curator van [BLOEM] georganiseerde verkoop van de resterende activa te [Z] – die mogelijks zou ressorteren onder een eigendomsvoorbehoud van [PLANT] – is niet relevant voor de uitkomst van huidige procedure. Er is een afzonderlijke procedure hangende met betrekking tot de machtiging tot dadelijke verkoop van 28 april 2024. 7.7. Besluit: 7.7.1. Eiser q.q. toont aan dat de notariële akte van 9 oktober 2023 met de hierin bepaalde schuldvergelijking, handelshuur en voorkooprecht,
  6. i)een benadeling van de schuldeisers inhoudt,
  7. ii)dat deze handeling werd gesteld met bedrieglijk inzicht en iii) met medeplichtigheid van de begunstigde. De pauliaanse vordering is gegrond. 7.7.2. Dit met uitzondering van de vordering met betrekking tot het niet-tegenstelbaar verklaren van de overeenkomst tot “schuldsaldovergelijking”, gesloten op 9 oktober 2023 tussen verweerders, [TUIN] en [FLOWERS] (randnummer 4.17). Het betreft een overdracht van schuld waarin [PLANT] als schuldenaar geen partij is en waarin de gemeenrechtelijke regels van overdracht van schuldvordering worden toegepast. Vermogensrechtelijk is dit een neutrale transactie ten aanzien van [PLANT]. Het betreft weliswaar een “voorbereidende handeling” die het pauliaanse bedrog inzake de geviseerde handelshuurovereenkomst heeft gekleurd. Dit op zich volstaat in huidige casus niet om tot niet-tegenstelbaarheid te besluiten. De rechtbank ziet ook de noodzaak daartoe niet. 7.7.3. De curator van [PLANT] verzoekt om de vordering tot niet-tegenstelbaarheid van de overdracht van het handelsfonds van het tuincentrum te [Z] aan [BLOEM] naar de rol te verzenden. De curator van [BLOEM] verzet zich daartegen niet, zodat op dit verzoek kan ingegaan worden. 7.7.4. Dat de rechtbank thans tot het oordeel komt dat er fouten zijn gebeurd ten aanzien van (dochtervennootschap) [PLANT] en haar schuldeisers, betekent niet noodzakelijk dat hier gevolgen uit kunnen getrokken worden naar het niveau van (moedervennootschap) [BLOEM]. 7.8. Wat betreft de rechtgevolgen van de gegrondverklaring van de pauliaanse vordering 7.8.1. Niet-tegenstelbaarheid Een succesvolle pauliaanse vordering heeft tot gevolg dat de aangevochten rechtshandeling niet-tegenwerpelijk is aan de agerende schuldeiser, in casu de curator. De aangevochten rechtshandeling is in haar geheel niet-tegenwerpelijk (Cass. 15 mei 1992, AR7515, Arr.Cass. 1991-92, 876). Wanneer de aangevochten handeling erin bestaat beperkt zakelijke rechten op het goed te vestigen of persoonlijke rechten met betrekking tot het goed te verlenen, dient de agerende schuldeiser daarmee geen rekening te houden. Hij kan die rechten voor onbestaande houden (J. Del Corral, Pauliaanse vordering, in APR, p.79, nr.126 met verwijzing naar Rb. Gent 5 april 1973, RW 1973-74, 1895 en R. Kruithof, “Verbintenissen (1974-1980). Overzicht van rechtspraak”, TPR 1983, 691, nr. 187). In casu houdt dit onder meer concreet in dat de curator de in de notariële akte van 9 oktober 2023 doorgevoerde schuldvergelijking, de toegestane handelshuur en het toegekend voorkooprecht voor onbestaande mag houden en het onroerend goed [Z] vrij en zuiver van deze bezwaringen kan verkopen. Of er ondertussen nog andere bezwaringen op het onroerend goed zijn aangebracht, is op heden niet gekend. De niet-tegenstelbaarheid zal tevens als gevolg hebben dat [TUIN] (opnieuw) een schuldvordering – in beginsel ten belope van 504.000,00 EUR – zal krijgen op gefailleerde. Dit zal een schuld in de massa zijn indien de aangifte aanvaard wordt. 7.8.2. Vergoeding Eiser q.q. vordert afgifte van de door [TUIN] genoten vruchten. [TUIN] oefent immers sinds 9 oktober 2023 alle huurrechten uit op het onroerend goed [Z], ondertussen bijna 23 maanden. Bepaalde delen van het onroerend goed zouden onderverhuurd worden. Verweerders betwisten en stellen dat de niet-tegenstelbaarheid van de bestreden rechtshandeling kan beschouwd worden als een herstel in natura en dat om die reden eiser q.q. geen recht heeft op een bijkomende vergoeding. Eerste, tweede en derde verweerders stellen hierover in conclusie: Oordelen dat concludenten, indien de notariële huurovereenkomst niet-tegenstelbaar zou worden verklaard, nu ook huurgelden moeten betalen, zou een verrijking zonder oorzaak inhouden in hoofde van [PLANT]. Zo zouden concludenten immers worden gedwongen om hun eigen investering dubbel te betalen. I.p.v. dat de R/C-schuld t.o.v. concludenten wordt vereffend d.m.v. de gecompenseerde huurgelden, moeten concludenten dan huurgelden betalen, terwijl [PLANT] de geïnvesteerde gelden volledig mag behouden. Wanneer de terecht aangevochten handeling voor de derde-medeplichtige vruchten heeft opgebracht, kan de agerende schuldeiser zijn verhaalsrecht ook uitoefenen op de vruchten die het goed sedert de betwiste rechtshandeling heeft opgebracht. Aan het herstel in natura wordt dan retroactieve werking verleend. Gezien de derde-medeplichtigheid in hoofde van [TUIN] reeds hierboven werd vastgesteld, is er geen goede trouw in hare hoofde en kan zij de vruchten niet houden (vgl. met artikel 5.122 BW). Het staat vast dat [TUIN] uitvoering heeft gegeven aan de aangevochten handelshuur en dus sindsdien huurgenot heeft gehad. Teruggave en dus vergoeding ervan dringt zich op. Een definitieve begroting van de te betalen vergoeding is op heden niet mogelijk: - [TUIN] heeft weliswaar in de notariële akte van 9 oktober 2023 zelf een huurwaarde van 4.000,00 EUR per maand aanvaard voor het onroerend goed te [Z]. In conclusie ontwikkelen verweerders geen enkel middel omtrent de begroting van dit huurgenot zodat er op heden geen reden is om hiervan af te wijken. - Doch er bestaat onduidelijkheid of [TUIN] op heden op haar beurt het onroerend goed [Z] verhuurt aan één of meerdere onderhuurders. In de mate dat [TUIN] bovenop de voormelde 4.000,00 EUR ook winst zou maken, dient ook deze meeropbrengst te worden afgedragen aan de curator van [PLANT]. - Indien zou blijken dat [TUIN] ondertussen het onroerend goed op haar beurt heeft bezwaard, dan kan dit bovendien leiden tot bijkomende schade in hoofde van de failliete boedel. - Het passief van [PLANT] is op heden niet definitief begroot. Volgens verklaring ter zitting bedraagt het ingediend passief in [PLANT] ongeveer 580.000 EUR (zie ook stuk 72 [B]). Gelet op de bijkomende schuldvordering van [TUIN] in de massa ten gevolge de huidige niet-tegenstelbaarverklaring – die weliswaar nog dient te worden geconcretiseerd en geverifieerd – zal het passief mogelijks nog significant stijgen. - De totale afrekening tussen alle partijen zal slechts kunnen gemaakt worden wanneer duidelijk is wat het uiteindelijke netto-passief is. Dat de afrekening evident anders zal zijn wanneer de curator het onroerend goed [Z] kan verkopen voor 1.000.000,00 EUR dan wel wanneer slechts voor 500.000,00 EUR. - De pauliaanse vordering mag geen bron van winst zijn voor de gefailleerde, doch [TUIN] mag ook geen winst of voordeel halen uit haar foutief gedrag. Elke maand dat [TUIN] huurgenot heeft en blijft hebben, betreft in realiteit een rangdoorbrekende betaling indien er geen vergoeding verschuldigd is. Om deze redenen, acht de rechtbank het passend voorlopig enkel een provisie toe te kennen, die kan vermeerderen of verminderen. De provisie wordt op heden bepaald op 88.000,00 EUR, rekening houdend met de door partijen aanvaarde huurprijs en tijdsverloop. 7.8.3. Het zal in belangrijke mate afhangen van de houding en het handelen van de eerste, tweede en derde verweerder hoe de uiteindelijke afrekening tussen partijen in deze zaak zal uitvallen. Indien zij dit vonnis correct uitvoeren en constructief meewerken aan de afwikkeling van het faillissement van [PLANT], kan de schade worden beperkt en is het niet uitgesloten dat het passief grotendeels kan worden vergoed. Hierin begrepen aan de schulden aan verweerders. 7.9. De rechtbank wijst er evenwel nu reeds op dat het bewust en nodeloos rekken van de procedure, enkel met het doel nog zoveel mogelijk maanden gebruik van het onroerend te compenseren en dus de rangdoorbreking verder te zetten, aanleiding kan geven tot een bijkomende schadevergoeding. Het verschuldigd zijn van die schadevergoeding zal dan niet afhangen van de omvang van het passief. De vordering tot schadevergoeding is dan immers niet gebaseerd op de pauliaanse vordering. Deze vergoeding kan desgevallend worden aangewend ter betaling van intresten aan de schuldeisers (vgl. Cass. 13 oktober 2011, C.10.0570.N ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20111013.12) of, in voorkomend geval, als dividend voor de aandeelhouder. VIII. BESLISSING De rechtbank doet recht op tegenspraak en op grond van alle bovenstaande redenen, alle verdere en meer uitgebreide of strijdige conclusies verwerpende als zijnde niet-gegrond of niet ter zake dienend. De rechtbank verklaart zich bevoegd tot kennisname van de vordering. Verklaart de vorderingen van eiser q.q. ontvankelijk en gegrond in volgende mate: - Zegt voor recht dat de, in de notariële akte van 9 oktober 2023 verleden voor notaris [R] onder hoofdstuk I op pagina 3 omschreven, overeengekomen en doorgevoerde schuldvergelijking tussen [TUIN] en [PLANT], in toepassing van art. XX.114 WER niet-tegenstelbaar is aan eiser q.q. / de faillissementsboedel van BV [PLANT] - Zegt voor recht dat de, in de notariële akte van 9 oktober 2023 verleden voor notaris [R] - onder hoofdstuk II op pagina 3 en volgende, omschreven, overeengekomen en door [PLANT] aan [TUIN] toegestane handelshuurovereenkomst betreffende het onroerend goed [Z], in toepassing van art. XX.114 WER niet-tegenstelbaar is aan eiser q.q. / de faillissementsboedel van BV [PLANT] - Zegt voor recht dat de, in de notariële akte van 9 oktober 2023 verleden voor notaris [R] onder artikel 14 op pagina 6 en volgende, omschreven, overeengekomen en door [PLANT] aan [TUIN] toegestane voorkooprecht betreffende het onroerend goed te [Z], in toepassing van art. XX.114 WER niet-tegenstelbaar is aan eiser q.q. / de faillissementsboedel van BV [PLANT] - Veroordeelt [TUIN] tot het betalen van een provisie van 88.000,00 EUR aan eiser q.q. / de faillissementsboedel van BV [PLANT] - Zegt voor recht dat voor de definitieve begroting van de vergoeding waartoe [TUIN] dient veroordeeld te worden met betrekking tot de vruchten volgend uit het paulianeus handelen, wordt de zaak naar de rol gestuurd. - Houdt de vordering van eiser q.q. tot veroordeling tot betalen van een schadevergoeding tegen [TUIN], [B], [FLOWERS] en [A] voor het overige aan en zendt de zaak wat deze vordering betreft, naar de rol. - Houdt de vordering tegen de mr. [S] q.q. in zijn hoedanigheid van curator van [BLOEM], betreffende de niet-tegenstelbaarheid van de overdracht van het handelsfonds van het tuincentrum te [Z] aan en zendt de zaak wat deze vordering betreft, naar de rol. - Houdt de zaak aan wat de kosten betreft. - Verklaart dit tussenvonnis uitvoerbaar bij voorraad. ***** Gewezen op tegenspraak door de Tweede Kamer van de Ondernemingsrechtbank van Gent – Afdeling Gent, samengesteld uit: V. Verlaeckt, rechter en voorzitter van de kamer, P. [VH] en S. [S] rechters in ondernemingszaken, en uitgesproken door de voorzitter van de kamer in openbare terechtzitting op 9 september 2025 in aanwezigheid van Z. Foré, griffier bij beschikking hoofdgriffier N. Pettens dd. 20/03/2025. Gerelateerde publicatie(
  8. s)citeert: ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060105.10 ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20111013.12 ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150313.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.