← België

ECLI:BE:ORGNT:2025:JUG.20250909.3

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Ondernemingsrechtbank Gent Vonnis/arrest van 09 september 2025 ECLI nr: ECLI:BE:ORGNT:2025:JUG.20250909.3 Rolnummer: O/24/00863 Rechtsgebied: Insolventierecht Invoerdatum: 2025-09-11 Raadplegingen: 351 - laatst gezien 2026-06-19 04:14 Fiche 1 Het verkopen van activa kan aanzien worden als een daad van vereffening. Echter, voor de vaststelling van een feitelijke ontbinding en vereffening in het licht van artikel XX.105, 6de WER volstaat het evenwel niet om louter te verwijzen naar de verkoop van activa, zelfs niet wanneer deze plaatsvinden in het licht van nakende insolventie. Vereist is dat eerst de ontbinding wordt vastgesteld, hetgeen niet uitsluitend wordt bepaald door eventuele activa-verkopen, maar veeleer door de vraag of de vennootschap na die verkopen nog het maatschappelijk doel kan en wil nastreven. Aanwijzingen dat de ontbinding uitgevoerd is om de schuldeisers schade toe te brengen zijn voldoende. Maar aanwijzingen dat handelingen gesteld zijn om schuldeisers schade toe te brengen die evenwel niet kaderen in een (feitelijke) vereffening na (feitelijke) ontbinding, volstaan niet om de datum van staking van betaling terug te stellen. Zulke handelingen kunnen aangevochten worden op basis van artikel XX.114 WER, los van de datum van staking van betaling. UTU-thesaurus: HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - INSOLVENTIE Vrije woorden: Terugstelling datum staking van betaling meer dan 6 maanden voor faillietverklaring - feitelijke vereffening - afwijzing Wettelijke bepalingen: Wetboek van economisch recht - 28-02-2013 - XX.105, lid 6 - 19 ELI link Pub nr 2013A11134 Fiche 2 Uit de mogelijke feitelijke vereffening van één van de dochtervennootschappen, kan niet meteen afgeleid worden dat ook de moedervennootschap feitelijk wordt vereffend. Dit zijn onderscheiden problematieken die een afzonderlijke analyse behoeven. UTU-thesaurus: HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - INSOLVENTIE Vrije woorden: terugstelling datum van staking van betaling meer dan 6 maanden voor faillietverklaring - feitelijke vereffening - afwijzing Wettelijke bepalingen: Wetboek van economisch recht - 28-02-2013 - XX.105, lid 6 - 19 ELI link Pub nr 2013A11134 Tekst van de beslissing De tweede kamer van de ondernemingsrechtbank Gent — afdeling Gent heeft het volgende vonnis verleend In de zaak O/24/00863:

  1. BV [FLOWERS] […]
  2. NV [TUIN], […]
  3. De heer [B], […] Eisers op derdenverzet Allen hebbende raadsman meester [P] tegen Meester [G], handelend in zijn hoedanigheid van curator over het faillissement van BV [PLANT], […] Verweerder q.q. op derdenverzet en Meester [S], in zijn hoedanigheid van curator over het faillissement van BV [BLOEM] Curator BV [BLOEM] BV [BLOEM] vertegenwoordigd door haar bestuurder, zijnde [AS] Hebbende als raadsman mr. [V] Gefailleerde En in de zaak O/24/00856: Meester [S] in zijn hoedanigheid van curator over het faillissement van BV [BLOEM], Curator BV [BLOEM] Tegen BV [BLOEM], Ter zitting vertegenwoordigd door mr. [V] raadsman van [BLOEM] en [AS] Gefailleerde En
  4. BV [FLOWERS]
  5. NV [TUIN]
  6. De heer [B] Vrijwillig tussenkomende partijen Allen hebbende raadsman meester [P] I. INFORMATIE OVER DE PROCEDURE 1.
  7. De BV [BLOEM] werd failliet verklaard bij vonnis van deze rechtbank op 15 april
  8. Mr. [S] werd aangesteld als curator. In het vonnis van faillietverklaring werd de datum van staking van betaling gesteld op 15 april
  9. De BV [PLANT] werd failliet verklaard bij vonnis van deze rechtbank op 25 juni
  10. Mr. [G] werd aangesteld als curator. 1.
  11. Op 8 mei 2024 gaat de curator van [BLOEM] over tot dagvaarding tot terugstelling van datum van staking van betaling en vordert: “In hoofdorde: bij tussenvonnis de datum van staking van betaling terug te plaatsen conform artikel XX. 105 WER op zes maanden voor faillissementsdatum. In subsidiaire orde: akte te verlenen aan verzoeker qq van zijn vordering om de datum van staking van betaling nog vroeger terug te plaatsen tot op de datum van het feitelijke ontbindingsbesluit dat samenvalt met de acties door [B] ondernomen om de beste en waardevolste activa uit de gefailleerde vennootschap te halen; de zaak voor verdere instaat stelling te verzenden naar de rol. “ Bij vonnis van 11 juni 2024 van deze rechtbank - in de zaak gekend onder rolnummer 0/24/00463 - wordt de datum van staking van betaling in hoofde van BV [BLOEM] teruggebracht naar 15 oktober
  12. De rechtbank motiveert: “De rechtbank stelt vast dat de omstandigheden en feiten in de dagvaarding niet worden betwist, en verweerder ter zitting bevestigt dat de gefailleerde op 15 oktober 2023 op duurzame wijze was opgehouden te betalen. De rechtbank sluit zich aan bij de vordering strekkende tot het maximaal vervroegen van de datum van staking van betaling tot 15 oktober
  13. Uit de aangegeven schuldvorderingen blijkt dat de vennootschap toen reeds geconfronteerd was met een onoverkomelijke schuldenlast en een faillissement onvermijdbaar was geworden. Uit de beschikking van 8 november 2023 tot aanstelling van een voorlopig bewindvoerder artikel XX.32 WER blijkt ook dat de RSZ-schuld toen reeds was opgelopen tot 356.407,61 euro en de RSZ reeds was overgegaan tot gedwongen tenuitvoerleggingen, en de fiscale schulden in de sector BTW waren opgelopen tot 291.695 euro en in de sector directe belastingen 83.914,32 euro, waarvoor eveneens gedwongen uitvoering werd aangevat. Het gegeven dat nadien een overdracht onder gerechtelijk gezag, hetgeen thans expliciet een vereffeningsprocedure is, werd opgestart, doet hieraan geen afbreuk.” Dit vonnis wordt op 11 juni 2024 opgeladen in het register en een uittreksel wordt gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad van 3 juli 2024, met verbetering op 8 juli
  14. 1.
  15. Op 13 september 2024 gaat de curator van [PLANT] over tot het dagvaarden van BV [BLOEM] in terugstelling van datum van staking van betaling en vordert: “De vordering van verzoeker qq. ontvankelijk en gegrond te horen verklaren; De gefailleerde BV [BLOEM] zich te horen zeggen voor recht dat in toepassing van art. XX.105 lid 6 WER het tijdstip waarop zij opgehouden heeft te betalen vervroegd wordt en met name bepaald wordt op 04.04.2023; Het te wijzen vonnis minstens gemeen en tegenstelbaar te verklaren aan de heer [AS] als voormalig bestuurder” Bij vonnis van 8 oktober 2024 van deze rechtbank - in de zaak gekend onder rolnummer 0/24/00766 - wordt de datum van staking van betaling in hoofde van BV [BLOEM] een tweede keer teruggesteld, nu naar 4 april
  16. De rechtbank motiveert: “De beide verwerende partijen verklaren zich ter zitting uitdrukkelijk akkoord met de vordering van de curator. De rechtbank sluit zich aan bij de hierboven geciteerde motivering van de curator en maakt deze tot de hare. De rechtbank besluit dat er afdoende aanwijzingen zijn inzake de feitelijke ontbinding en vereffening. […] Naar oordeel van de rechtbank zijn er in casu voldoende aanwijzingen van de intentie om de schuldeisers te benadelen. De vennootschap zelf blijft op heden compleet berooid achter. Door de gestelde handelingen is het onderpand van zowel de bevoorrechte als de gewone schuldeisers weggemaakt. Hoewel het niet cruciaal is in de beoordeling in toepassing van art. XX.105 lid 6 WER (zie supra), stelt de rechtbank ook vast dat de vennootschap reeds ten tijde van de eerste daad van feitelijke invereffeningstelling (zijnde met de verkoopfactuur van 04/04/2023) haar betaling had gestaakt. Blijkens de door de curator voorgelegde stukken dateert de laatste betaling van 28/02/2023, zijnde een aflossing voor de maand maart 2024 (stuk 20 curator). Ook andere schuldeisers drongen toen al aan op betaling. Conform de beslagberichten dateren de eerste uitvoeringsdaden ook al van 30/03/2023 (stukken 35 en 36 curator). Naar oordeel van de rechtbank dient de datum van staking van betaling dan ook te worden teruggezet tot 4 april 2023, zoals gevorderd door de curator.” De rechtbank beslist als volgt: “Zegt voor recht dat de datum van staking van betaling in het faillissement BV [BLOEM], met zetel te […] dient te worden teruggebracht naar 4 april 2023.” Een uittreksel van dit vonnis van 8 oktober 2024 wordt gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad van 14 oktober 2024, weliswaar met een verkeerde tekst. 1.
  17. Op 14 oktober 2024 gaat de curator van BV [BLOEM] nogmaals over tot dagvaarding tot terugstelling van datum van staking van betaling en vordert eveneens de terugstelling naar 4 april 2023: “In hoofdorde: in toepassing van artikel XX. 105, laatste lid WER de datum van staking van betaling in het faillissement van de BV [BLOEM] terug te brengen tot de datum van het feitelijk ontbindingsbesluit dat zich situeert op 4 april
  18. In subsidiaire orde: in de hypothese dat de rechtbank de datum van 4 april 2023 als datum van het feitelijke ontbindingsbesluit van de BV [BLOEM] niet zou kunnen aannemen, de heropening van de debatten te bevelen, met het oog op de verdere instaatstelling en behandeling ten gronde.” Bij vonnis van deze rechtbank van 26 november 2024 – in de zaak gekend onder O/24/00856 – worden de debatten ambtshalve heropend gelet op de vaststelling dat de datum van staking van betaling reeds werd teruggesteld naar 4 april 2023 bij vonnis van 8 oktober
  19. De zaak werd uitgesteld naar 20 mei
  20. 1.
  21. Op 25 oktober 2024 gaan partijen [B], [TUIN] en [FLOWERS] over tot dagvaarding derdenverzet tegen het vonnis van 8 oktober 2024 waarbij de datum van staking van betaling in hoofde van BV [BLOEM] werd teruggesteld naar 4 april 2023 op vordering van de curator van [PLANT]. Deze zaak is gekend onder O/24/
  22. 1.
  23. Op 12 maart 2025 gaan partijen [B], [TUIN] en [FLOWERS] over tot vrijwillige tussenkomst in de zaak gekend onder O/24/00856, waarbij de curator van BV [BLOEM] ook de terugstelling van de datum van staking van betaling in hoofde van BV [BLOEM] naar 4 april 2023 heeft gevorderd. 1.
  24. In de zaak gekend onder O/24/00863 komen partijen op de openbare zitting van 5 november 2024 conclusietermijnen overeen. Rechtsdag wordt bepaald op 20 mei
  25. Op de openbare zitting van 20 mei 2025 wordt de zaak gekend onder O/24/00863 uitgesteld naar 2 september
  26. In de zaak gekend onder O/24/00856 komen partijen op de openbare zitting van 20 mei 2025 conclusietermijnen overeen. Rechtsdag wordt bepaald op 2 september
  27. 1.
  28. Partijen hebben conclusies genomen. Op de openbare terechtzitting van 2 september 2025 waren in de zaken O/24/00863 en O/24/00856 aanwezig of vertegenwoordigd: - Mr. [G] q.q. - Mr. [S] q.q. - Mr. [P] advocaat van [FLOWERS], [TUIN] en [B] - Mr. [V], advocaat van [BLOEM] en [AS] - [B] Partijen worden gehoord, waarna de debatten werden gesloten en de beide zaken in beraad genomen. De rechtbank heeft kennis genomen van het rechtsplegingsdossier en de neergelegde stukken. De bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken worden nageleefd. II. VORDERINGEN VAN PARTIJEN 2.
  29. Wat betreft de procedure O/24/00863 2.1.
  30. Partijen [B], [TUIN] en [FLOWERS] vorderen in hun laatste conclusie Het derdenverzet ontvankelijk en gegrond te verklaren; Het vonnis van 8 oktober 2024 (rolnummer O/24/00766) teniet te doen; Opnieuw wijzende de door curator [G] bij dagvaarding van 13.09.2024 ingestelde vordering onontvankelijk te verklaren, minstens deze vordering af te wijzen als ongegrond; De publicatie van het tussen te komen vonnis te bevelen in de bijlagen van het Belgisch Staatsblad op kosten van eerste verweerder; Met verwijzing van eerste verweerder in de kosten van het geding, inbegrepen de rechtsplegingsvergoeding, op heden begroot op 1.800,00 EUR; 2.1.
  31. Mr. [G] in zijn hoedanigheid van curator van [PLANT], vordert in zijn laatste conclusie: De vordering van eisers op derdenverzet af te wijzen als onontvankelijk minstens als ongegrond; Het vonnis van de Ondernemingsrechtbank Gent, afdeling Gent dd. 08.10.2024 (O/24/00766) in al haar onderdelen te bevestigen ; De eisers op derdenverzet te veroordelen tot de kosten van het geding 2.1.
  32. Mr. [S] in zijn hoedanigheid van curator van [BLOEM], vordert in zijn laatste conclusie Het derdenverzet ontoelaatbaar, dan wel onontvankelijk, en minstens ongegrond te verklaren. Kosten ten laste van de eisers in derdenverzet. 2.
  33. Wat betreft procedure O/24/00856: 2.2.
  34. Mr. [S] in zijn hoedanigheid van curator van [BLOEM], vordert in zijn laatste conclusie Onderhavige procedure samen te voegen met de procedure gekend onder AR O/24/00863; Het verzoek vrijwillige tussenkomst ontoelaatbaar, dan wel onontvankelijk, en minstens ongegrond te verklaren. De vordering van de curatele toelaatbaar, ontvankelijk en gegrond verklaren en derhalve te zeggen voor recht dat conform artikel XX.105, laatste lid WER de datum van staking van betaling inzake het faillissement BV [BLOEM] teruggeplaatst wordt naar 04/04/
  35. Kosten ten laste van verweerster, de vrijwillig tussenkomende partijen dienen hun eigen kosten te dragen. 2.2.
  36. Partijen [B], [TUIN] en [FLOWERS] vorderen in hun laatste conclusie Alvorens recht te doen: Curator [S] bij toepassing van art. 19, lid 3 Ger.W. te veroordelen tot voorlegging van: • Het verslag van de expert waarnaar wordt verwezen in het verzoekschrift ex art. XX.142 WER (Stuk 24), onder verbeurte van een dwangsom van 2.500,00 EUR per dag, met een maximum van 100.000,00 EUR, te rekenen vanaf datum vonnis; • Een detail van de ingediende schuldvorderingen voor het faillissement [BLOEM], onder verbeurte van een dwangsom van 2.500,00 EUR per dag, met een maximum van 100.000,00 EUR, te rekenen vanaf datum vonnis. In hoofdorde: De conclusie d.d. 14.08.2025 van curator [S]uit de debatten te weren en een mogelijke vraag tot toekenning van nieuwe conclusietermijnen af te wijzen. Vervolgens de vordering van curator [S] af te wijzen als onontvankelijk dan wel ongegrond. Curator [S] te veroordelen tot de kosten van de rechtspleging. III. DE BEOORDELING III.A. CONCLUSIES EN STUKKEN 3.
  37. Partijen verklaren dat alle door partijen neergelegde conclusies en stukken in het debat mogen blijven. De afstand van eerdere vorderingen tot wering uit de debatten werd genoteerd op het zittingsblad. III.B. SAMENHANG 3.
  38. Rechtsvorderingen kunnen als samenhangende zaken worden behandeld, wanneer zij onderling zo nauw verbonden zijn dat het wenselijk is ze samen te behandelen en te berechten, ten einde oplossingen te vermijden die onverenigbaar kunnen zijn wanneer de zaken afzonderlijk worden berecht (artikel 30 Ger.W.). De rechter oordeelt op onaantastbare wijze of zaken al dan niet samen worden gevoegd wegens samenhang. De rechtbank stelt hierbij vast dat in de zaken gekend onder O/24/00863 en O/24/00856 de relevante feiten dezelfde zijn en de vordering hetzelfde voorwerp heeft. Met het oog op een goede rechtsbedeling is het aangewezen om de vorderingen in beide zaken als samenhangend te beschouwen. Dat de ene zaak wordt gevoerd op derdenverzet en de andere zaak niet, verhindert niet dat de zaken samengevoegd kunnen worden. De rechtbank beslist in beide gevallen in eerste aanleg. Dat elke procedure haar eigen ontvankelijkheidsvraagstukken heeft, verhindert niet dat de zaken gevoegd worden. De zaken O/24/00863 en O/24/00856 worden gevoegd in toepassing van artikel 30 Ger.W. III.C. ONTVANKELIJKHEID VAN HET DERDENVERZET IN DE PROCEDURE O/24/
  39. 3.
  40. De curator van [PLANT] en de curator van [BLOEM] betwisten de ontvankelijkheid van het door partijen [B], [TUIN] en [FLOWERS] ingestelde derdenverzet in de procedure O/24/
  41. De curator van [PLANT] en de curator van [BLOEM] werpen op dat de eisers op derdenverzet met hun dagvaarding van 25 oktober 2024 niet alle noodzakelijke partijen hebben gedagvaard; de gefailleerde vennootschap [BLOEM] BV zou niet zijn gedagvaard zodat op grond van de artikelen 1125 Ger.W., XX.105 WER en XX.108 WER het derdenverzet ontoelaatbaar zou zijn. Er zou geen herstel mogelijk zijn gezien het verstrijken van de termijn tot derdenverzet. 3.
  42. De rechtbank volgt dit niet. 3.4.
  43. In het exploot van de initiële dagvaarding van 13 september 2024 uitgaande van de curator van [PLANT] wordt vermeld: Dagvaarding gegeven aan: BV [BLOEM] met ondernemingsnummer 0864.326.319, in faling verklaard […] De betekening doende in handen van: 1) Meester [S] in zijn hoedanigheid van curator over het faillissement van BV [BLOEM] voormeld […] 2) [AS] in zijn hoedanigheid van vaste vertegenwoordiger van de voornoemde BV [BLOEM], als bestuurder van de BV [PLANT] voormeld. Er bestaat geen twijfel dat wel degelijk de BV [BLOEM] de gedaagde partij is en dat het exploot voor de BV [BLOEM] in handen wordt gegeven van de curator en [AS] in toepassing van artikel 42, 5° Ger.W. (hierover, zie verder). Hierbij dient wel opgemerkt dat de heer [AS] in de dagvaarding in zijn hoedanigheid van “vaste vertegenwoordiger van BV [BLOEM], dewelke bestuurder is van BV [PLANT],” wordt vermeld en niet in zijn hoedanigheid van bestuurder van [BLOEM] BV wat hij nochtans is. 3.4.
  44. In het vonnis van 8 oktober 2024 dat volgt op deze dagvaarding en waartegen thans derdenverzet wordt aangetekend, worden 3 rechtssubjecten – al dan niet partijen – vermeld: “De tweede kamer van de ondernemingsrechtbank Gent — afdeling Gent heeft het volgend vonnis verleend in de zaak van : - Meester [G], […] handelend in zijn hoedanigheid van curator over het faillissement van BV [ PLANT], […] Eiser q.q., tegen: - Meester [S], […], handelend in zijn hoedanigheid van curator over het faillissement van BV [BLOEM], […] - De heer [AS]in zijn hoedanigheid van vaste vertegenwoordiger van BV [BLOEM], dewelke bestuurder is van BV [PLANT ]. Verweerders”. De BV [BLOEM] wordt niet als partij als dusdanig vermeld of omschreven in de aanhef van het vonnis ofschoon deze werd gedagvaard. 3.4.
  45. De dagvaarding tot derdenverzet tegen voormeld vonnis, werd op 25 oktober 2024 betekend aan de 3 rechtssubjecten zoals deze worden vermeld in het vonnis a quo van 8 oktober 2024 en dit met exact dezelfde gehanteerde omschrijving, nl: - Meester [G] “handelend in zijn hoedanigheid van curator over het faillissement van BV [PLANT]” - Meester [S], “handelend in zijn hoedanigheid van curator over het faillissement van BV [BLOEM]” - De heer [AS], “in zijn hoedanigheid van vaste vertegenwoordiger van BV [BLOEM], dewelke bestuurder is van BV [PLANT]” Overeenkomstig artikel 1125 Ger. W. wordt het derdenverzet gebracht voor de rechter die de bestreden beslissing heeft gewezen met dagvaarding aan alle partijen. Eisers op derdenverzet hebben alle partijen gedagvaard zoals deze vermeld worden in het vonnis dat zij wensen te bestrijden. Eisers op derdenverzet hebben in hun dagvaarding exact dezelfde omschrijving gebruikt zoals in het vonnis a quo werd opgenomen. 3.4.
  46. De rechtbank neemt aan dat ondanks de gehanteerde omschrijving in het vonnis van 8 oktober 2024 de BV [BLOEM] wel degelijk procespartij was in het vonnis van 8 oktober
  47. In casu worden in het vonnis van 8 oktober 2024 weliswaar de organen vermeld in wiens handen de dagvaarding voor de BV [BLOEM] werd gegeven. Dit louter feit maakt echter die organen niet tot procespartij in vervanging van de BV [BLOEM]. Los van de omschrijving in het vonnis was en blijft de BV [BLOEM] procespartij in het vonnis. Hieruit volgt dan ook meteen dat het ingestelde derdenverzet bij dagvaarding van 25 oktober 2024 wel degelijk gericht was tegen BV [BLOEM], evenwel vertegenwoordigd door haar organen. Immers, wanneer een proceshandeling wordt ingesteld tegen een orgaan van vertegenwoordiging van de vennootschap met rechtspersoonlijkheid, wordt die geacht ingesteld te zijn tegen de vennootschap (Cass. 24 oktober 1974, Pas. 1975, I, 235 en Cass. 23 januari 1978, Pas. 1978, I, 596). De curator van [PLANT] heeft met zijn dagvaarding van 13 september 2024 te kennen gegeven dat BV [BLOEM] minstens kon worden vertegenwoordigd door [AS], los van de omschrijving van diens hoedanigheid (zie verder). [AS] heeft dit ook aanvaard gezien hij zich in de oorspronkelijke procedure uitdrukkelijk akkoord heeft verklaard met de vordering en geen excepties nopens de inleidende dagvaarding heeft opgeworpen. Eisers op derdenverzet hebben – net zoals de curator van [PLANT] dat heeft gedaan – , de heer [AS] terecht aangezien als een orgaan van de gefailleerde. Een rechtsmiddel aangewend tegen [AS] in deze casus wordt aldus geacht te zijn ingesteld tegen BV [BLOEM]. Er kan niet enerzijds aangenomen worden dat BV [BLOEM] met de initiële dagvaarding van 13 september 2024 correct werd opgeroepen en vertegenwoordigd en vervolgens stellen dat BV [BLOEM] niet correct zou zijn gedaagd in derdenverzet als exact dezelfde wijze van dagvaarding wordt gehanteerd. Zoals blijkt uit voormelde cassatierechtspraak is het louter feit dat wel of niet “BV [BLOEM]” wordt vermeld, niet relevant. Het blijft een vordering tegen de vennootschap. Het derdenverzet is ontvankelijk. III.D. DE ONTVANKELIJKHEID VAN DE VORDERING UITGAANDE VAN DE CURATOR VAN [PLANT] 3.
  48. Eisers op derdenverzet stellen dat de oorspronkelijke vordering tot terugstelling van de datum van staking van betaling naar 4 april 2024 uitgaande van curator van [PLANT], onontvankelijk is. 3.5.
  49. Vooreerst wordt voorgehouden dat de oorspronkelijke dagvaarding van 13 september 2024 uitgaande van de curator van [PLANT] enkel “aan de curator en aan de bestuurder van de gefailleerde” werd betekend die niet “als gefailleerde bestempeld kunnen worden” terwijl artikel XX.105 WER voorschrijft dat de procedure tot terugstelling van datum van staking van betaling moet ingeleid worden met een dagvaarding “betekend aan de gefailleerde en aan de curatoren”. Deze exceptie mist feitelijke grondslag. De dagvaarding werd wel degelijk betekend aan de gefailleerde BV [BLOEM] (zie pagina 14 van de dagvaarding, letterlijk geciteerd hierboven onder randnummer 3.3.1.). De dagvaarding werd enkel in handen gegeven in toepassing van artikel 42, 5° Ger.W. aan onder andere de heer [AS]. Overeenkomstig artikel 42, 5° Ger.W. worden betekeningen aan vennootschappen met rechtspersoonlijkheid, op de maatschappelijke zetel of, bij gebreke daarvan, de bedrijfszetel of, indien er geen is, aan de persoon of aan de woonplaats van een der beheerders, zaakvoerders of vennoten. Aangezien de zetel door BV [BLOEM] in faling was verlaten, werd terecht betekend aan [AS] die zowel bestuurder en vennoot is van BV [BLOEM]. Dat [AS] in de dagvaarding verkeerdelijk werd opgenomen in “ in zijn hoedanigheid van vaste vertegenwoordiger van BV [BLOEM], dewelke bestuurder is van BV [PLANT] “ en niet in zijn hoedanigheid van “bestuurder van [BLOEM] BV“ of “vennoot van [BLOEM] BV” doet hieraan geen afbreuk. Als dit gegeven al tot nietigheid zou kunnen leiden overeenkomstig artikel 47bis Ger.W. moet vastgesteld worden dat er geen belangenschade is (artikel 861 Ger.W.). [AS] was aanwezig op de zitting en heeft zich akkoord verklaard met de vordering tot terugstellen van de datum van staking van betaling inzake [BLOEM] BV. Wel had kunnen worden opgeworpen dat de curator niet als afzonderlijke partij als dusdanig werd gedagvaard. De curator en de gefailleerde zijn nochtans onderscheiden partijen. Niettemin werd de dagvaarding wel “betekend aan de curator” en stelt de rechtbank vast dat de curator aanwezig was ter zitting en zich akkoord heeft verklaard met de vordering in zijn hoedanigheid van curator. Het derdenverzet geeft overigens aanleiding tot een volledig nieuwe behandeling van het geschil. In de procedure derdenverzet heeft de curator van [BLOEM] conclusies neergelegd met daarin zijn middelen waarover de partijen uitleg hebben gegeven. 3.5.
  50. Verder stellen eisers op derdenverzet dat de oorspronkelijke vordering van de curator van [PLANT] onontvankelijk zou zijn op grond van de exceptio obscuri libelli. De vordering van de curator van [PLANT] zou berusten op een vergissing. Hij zou de terugstelling van staking van betaling in het faillissement [PLANT] beoogd hebben en bij vergissing in het beschikkend gedeelte van de dagvaarding deze gevorderd hebben in het faillissement [BLOEM] BV, wat ook meteen de verklaring zou zijn voor de ongewone wijze van betekening. Het zou “onmogelijk” voor gefailleerde geweest zijn, gepast verweer te voeren. De rechtbank stelt vast dat de curator van [PLANT] op heden nog steeds volhardt in de oorspronkelijke vordering tot het terugstellen van de datum van staking van betaling in het faillissement [BLOEM] BV en motiveert waarom hij als belanghebbende dient aangezien te worden. De rechtbank stelt bovendien vast dat de gefailleerde de inleidende dagvaarding en de daarin gestelde vordering en bijhorende motivering blijkbaar wel heeft begrepen, aangezien zij zich – bij monde van haar bestuurder [AS] – akkoord heeft verklaard met de gevorderde terugstelling. Ook thans in de procedure derdenverzet verklaart [AS] bij monde van zijn raadsman ter zitting dat hij akkoord is met de procedure tot terugstelling van de datum staking van betaling in het faillissement [BLOEM]. Het arrest van 29 juni 2006 heeft geen relevantie daar niet vaststaat dat de “verkeerde partij” werd gedagvaard. De vordering is wel degelijk hetgeen oorspronkelijk gevorderd werd en op heden nog steeds gevorderd wordt. 3.5.
  51. In tegenstelling tot wat eisers op derdenverzet voorhouden, is de curatele van [PLANT] wel degelijk belanghebbende om de datum van staking van betaling in het faillissement [BLOEM] correct te doen vaststellen. Immers, vanuit de failliete boedel van [PLANT] worden vorderingen gesteld ten aanzien van de failliete boedel van [BLOEM] inzake vermeende paulianeuze handelingen met het oog op niet-tegenstelbaarheid en vergoeding. De datum van staking van betaling kan in die procedures relevant zijn. 3.5.
  52. Tenslotte stellen eisers op derdenverzet dat de vordering van de curator van [PLANT] ontoelaatbaar zou zijn om reden dat de datum van staking van betaling in het faillissement [BLOEM] BV reeds werd vervroegd naar 15 oktober 2023 bij vonnis van 11 juni 2024 op vordering van de curator van [BLOEM]. Dit vonnis zou kracht van gewijsde hebben verkregen, wat zou verhinderen dat de curator van [PLANT] nadien nog zulke vordering tot terugstelling kan stellen. De rechtbank volgt dit niet. Het bepalen van de datum van staking van betaling is steeds voorlopig. Zo lang de vorderingen tot het wijzigen van deze datum op ontvankelijke wijze worden gesteld binnen de 6 maanden na faillietverklaring, kunnen verschillende opeenvolgende vonnissen met betrekking tot het vaststellen van de datum van staking van betaling geveld worden. Deze vonnissen hebben ten opzichte van elkaar geen gezag van gewijsde, op voorwaarde dat hetgeen zeker en noodzakelijkerwijs werd beslist in een eerder vonnis, niet miskend wordt. In het vonnis van 11 juni 2024 heeft de rechtbank zich niet uitgesproken over het al dan niet voldaan zijn van de voorwaarden gesteld in artikel XX.105, 6de lid WER. 3.
  53. De vordering van de curator [PLANT] is ontvankelijk. Zelfs indien zou geoordeeld worden dat de vordering van de curator van [PLANT] onontvankelijk zou zijn, dan nog blijft de vordering van de curator van [BLOEM] overeind (zie verder). III.D. DE ONONTVANKELIJKHEID VAN DE VRIJWILLIGE TUSSENKOMST IN PROCEDURE O/24/00856 3.
  54. De curator van [BLOEM] stelt dat de vrijwillige tussenkomst van partijen [B], [TUIN] en [FLOWERS] in de procedure O/24/00856 niet toegelaten kan worden. Hij motiveert dat derden niet kunnen tussenkomen in een procedure tot terugstelling van de datum van staking van betaling. Dit zou het vereffeningsbewind van de curator onnodig vertragen. Derden zouden enkel derdenverzet kunnen aantekenen van zodra er een vonnis tot terugstelling is uitgesproken. De rechtbank volgt deze stelling niet. Overeenkomst artikel XX.105, 3de lid heeft “iedere belanghebbende” de mogelijkheid om een procedure tot terugstelling van de datum van staking van betaling te initiëren. Een belanghebbende heeft wel degelijk een eigen recht, in tegenstelling tot wat de curator van [BLOEM] meent. Het recht wordt rechtstreeks ontleend aan artikel XX.105, 3de lid WER. Een belanghebbende kan dan ook vrijwillig tussenkomen in een hangende zaak waarin moet geoordeeld worden over de datum van staking van betaling; ook om zijn eigen recht uit te putten. Er is immers evident voldoende samenhang gezien de vorderingen hetzelfde voorwerp hebben. Het recht voor een belanghebbende om te verhinderen dat de datum van staking van betaling wordt teruggesteld - en dus in dat kader verweer te voeren - , zit vervat in het recht om de datum van staking van betaling te doen terugstellen. 3.
  55. Tussenkomst mag de berechting niet vertragen (artikel 814 Ger.W.) Dit geldt des te meer in de faillissementsafwikkeling. In casu stelt de rechtbank vast dat de datum van staking van betaling bij vonnis van 8 oktober 2024 reeds werd teruggesteld naar 4 april
  56. Dit vonnis is uitvoerbaar bij voorraad en heeft bestaan tot op heden. De vrijwillige tussenkomst in de tweede procedure dateert van 12 maart
  57. Het valt niet in te zien welke vertraging er rechtstreeks zou kunnen volgen uit deze vrijwillige tussenkomst. Een derdenverzet nadien, had de bekomen titel even precair gemaakt zoals voorheen het geval was. 3.
  58. De curator van [BLOEM] is van oordeel is dat de vrijwillig tussenkomende partijen weliswaar beschikken over een belang, maar dit belang zou “onrechtmatig” zijn gezien beweerdelijke fraude en fouten. Dit is niet ter zake. Zelfs indien er sprake zou zijn van fouten of fraude, ontneemt dit niet het recht om de rechtbank een correcte datum van staking van betaling te laten vaststellen. III.E. DE ONTVANKELIJKHEID VAN DE VORDERING UITGAANDE VAN DE CURATOR [BLOEM] BV 3.
  59. Partijen [B], [TUIN] en [FLOWERS] stellen dat de vordering tot terugstelling van de datum van staking van betaling naar 4 april 2023 uitgaande van de curator van [BLOEM] in de procedure O/24/00856, onontvankelijk is. 3.10.
  60. De curator van [BLOEM] BV zou geen belang hebben gehad om op 14 oktober 2024 over te gaan tot dagvaarding tot het terugstellen van de datum van staking van betaling naar 4 april 2023 aangezien op dat ogenblik er reeds een vonnis van 8 oktober 2024 was waarin de datum reeds op 4 april 2023 was vastgesteld. De rechtbank volgt dit niet. Gezien bepaalde bezorgheden omtrent het al dan niet te hebben verzuimd aan vormvereisten in de procedure gekend onder O/24/00863 op vordering van de curator van [PLANT] - die uiteindelijk heeft geleid tot het vonnis van 8 oktober 2024 - , had de curator van [BLOEM] BV wel degelijk belang om een eigen, afzonderlijke procedure in te leiden voor het verstrijken van de termijn van 6 maanden. Dit ter bewaring van recht in geval de vordering van de curator van [PLANT] – in geval van het aanwenden van een rechtsmiddel – alsnog onontvankelijk zou verklaard worden nadat de termijn van 6 maanden zou zijn verstreken. De curator kon deze autonome vordering stellen om te verhinderen dat hij tussen wal en schip zal raken. 3.10.
  61. Nog volgens partijen [B], [TUIN] en [FLOWERS] zou de vordering van de curator van [BLOEM] onontvankelijk zijn om reden dat de curator zijn “keuzerecht” heeft uitgeput. Bedoeld wordt dat de curator van [BLOEM] in zijn eerste procedure tot terugstelling van de datum van staking van betaling heeft gevorderd deze terug te brengen naar 15 oktober 2023 - wat ook werd toegekend bij vonnis van 11 juni 2024 – zodat diezelfde curator niet nadien een tweede procedure kan aanvangen om de datum van staking van betaling een tweede keer te laten vervroegen. De rechtbank volgt dit niet. In geval een curator de datum van staking van betaling in een eerste procedure heeft laten wijzigen tot 6 maanden voor de faillietverklaring, dan verhindert niets diezelfde curator nadien een tweede procedure te voeren tot het opnieuw verplaatsen van het tijdstip tot meer dan 6 maanden voor vonnis van faillietverklaring, op grond van vermeende feitelijke vereffening met de bedoeling nadeel te berokkenen aan de schuldeisers. Dit op voorwaarde dat de tweede procedure wordt aangevangen binnen de vervaltermijn van 6 maanden na vonnis van faillietverklaring én dit op voorwaarde dat hetgeen zeker en noodzakelijkerwijs werd beslist in het eerste vonnis niet wordt miskend. Te dezen stelt de rechtbank vast dat in het eerste vonnis van 11 juni 2024 de rechtbank geen uitspraak heeft gedaan - in welke zin of richting dan ook – over de thans voorgehouden feitelijke vereffening met de bedoeling nadeel te berokkenen aan de schuldeisers. 3.10.
  62. De door partijen [B], [TUIN] en [FLOWERS] ontwikkelde argumentatie met betrekking tot de vordering in “hoofdorde“ en “ondergeschikte orde” mist relevantie. Als een rechtbank de in hoofdorde gestelde vordering integraal toekent dan hoeft de rechtbank niet meer te oordelen over de vordering in ondergeschikte orde. Hieruit kan niet afgeleid worden dat de rechtbank de vordering in “ondergeschikte orde” impliciet zou hebben afgewezen. Een voorbehoud is overigens geen vordering in de zin van de artikelen 12 tot 14 Ger.W. 3.
  63. De vordering van de curator van [BLOEM] BV in de procedure O/24/00856 is ontvankelijk. Zelfs indien zou geoordeeld worden dat de vordering van de curator van [BLOEM] BV onontvankelijk zou zijn, dan nog blijft de vordering van de curator van [PLANT] overeind (zie boven). III.F. TEN GRONDE 3.
  64. BV [BLOEM] werd failliet verklaard bij vonnis van 15 april
  65. Tussen partijen bestaat geen discussie dat in het faillissement van [BLOEM] bij vonnis van 11 juni 2024 de datum van staking van betaling met zes maanden werd vervroegd en werd bepaald op 15 oktober 2023, en dat tegen dit vonnis geen rechtsmiddel werd aangewend. In huidige procedure rest de vraag of de datum meer dan 6 maanden voor het vonnis van faillietverklaring moet gesteld worden om reden dat er sprake was van eerdere feitelijke vereffening met de bedoeling nadeel te berokkenen aan de schuldeisers. Oorspronkelijke eisers beogen een terugstelling naar 4 april 2023, zijnde meer dan één jaar voor het vonnis van faillietverklaring. 3.
  66. De gefailleerde wordt geacht op te houden te betalen vanaf het vonnis van faillietverklaring of vanaf de dag van zijn overlijden wanneer de faillietverklaring nadien is uitgesproken. Dit tijdstip mag door de rechtbank alleen worden vervroegd wanneer ernstige en objectieve omstandigheden ondubbelzinnig aangeven dat de betalingen voor het vonnis hebben opgehouden; deze omstandigheden moeten in het vonnis worden vermeld. Het vonnis mag het tijdstip van staking van betaling niet vaststellen op meer dan zes maanden voor het vonnis van faillietverklaring, tenzij dit vonnis het faillissement betreft van een meer dan zes maanden voor de faillietverklaring ontbonden rechtspersoon waarvan de vereffening al dan niet werd afgesloten, en waarvoor aanwijzingen bestaan dat deze is of wordt bewerkstelligd met de bedoeling nadeel te berokkenen aan de schuldeisers. In dat geval kan het tijdstip van de staking van betaling worden vastgesteld op de dag van het ontbindingsbesluit. De mogelijkheid om de datum van staking van betaling vast te stellen op meer dan zes maanden voor het vonnis van faillietverklaring voorzien in artikel XX.105, 6de lid WER is bedoeld om twijfelachtige of frauduleuze vereffeningen tegen te gaan (Parl.St. Kamer 1995-96, nr. 330/13, 1-2 en nr. 330/7, 6-7; Parl.St. Kamer 1995-96, nr. 329/17, 35) Voor de toepassing van deze bijkomende bepaling van art. XX.105, 6de lid in fine WER is niet vereist dat de rechtspersoon officieel en conform de wettelijke formaliteiten ontbonden werd; deze bepaling is evenzeer van toepassing in geval van een feitelijke vereffening (Cass. 19 januari 2006, Arr. Cass. 2006, 174). Er is sprake van een feitelijke ontbinding indien en van zodra uit het geheel van feitelijke omstandigheden niet anders afgeleid kan worden dan dat de rechtspersoon ontbonden is en vereffend werd/wordt, zonder dat deze ontbinding ook formeel (zijnde conform de wettelijk voorgeschreven formaliteiten) vastgesteld wordt. Het is niet vereist dat de feitelijke vereffening reeds volledig of grotendeels is voltrokken. De wet hecht uitsluitend belang aan het tijdstip van ontbinding en het aanvangspunt van de vereffening, niet aan het eindpunt of de tussentijdse stand van zaken. Zo zal het laattijdig aanwenden van procedures van gerechtelijke reorganisatie zonder belang zijn zodra door de rechtbank wordt vastgesteld dat de ontbinding reeds voordien een feit was en de feitelijke vereffening werd aangevat met de enkele bedoeling de confrontatie met overige schuldeisers en de concurrentie met andere kandidaat-overnemers in de procedure van gerechtelijke reorganisatie te ontwijken. Verdacht zijn inzonderheid die gevallen waarin een schuldenaar in het licht met nakende insolventie belangrijke activa verkoopt om één schuldeiser te voldoen en zich vervolgens vrijwel onmiddellijk wendt tot de gerechtelijke reorganisatie met het oog op een overdracht onder gerechtelijk gezag om de resterende activa (wel) te onderwerpen aan het beheer van een vereffeningsdeskundige en collectieve controle. Het verkopen van activa kan aanzien worden als een daad van vereffening. Echter, voor de vaststelling van een feitelijke ontbinding en vereffening in het licht van artikel XX.105, 6de WER volstaat het evenwel niet om louter te verwijzen naar de verkoop van activa, zelfs niet wanneer deze plaatsvinden in het licht van nakende insolventie. Vereist is dat eerst de ontbinding wordt vastgesteld, hetgeen niet uitsluitend wordt bepaald door eventuele activa-verkopen, maar veeleer door de vraag of de vennootschap na die verkopen nog het maatschappelijk doel kan en wil nastreven. Aanwijzingen dat de ontbinding uitgevoerd is om de schuldeisers schade toe te brengen zijn voldoende. Maar aanwijzingen dat handelingen gesteld zijn om schuldeisers schade toe te brengen die evenwel niet kaderen in een (feitelijke) vereffening na (feitelijke) ontbinding, volstaan niet om de datum van staking van betaling terug te stellen. Zulke handelingen kunnen aangevochten worden op basis van artikel XX.114 WER, los van de datum van staking van betaling. Het is niet tegenstrijdig enerzijds te zeggen voor recht dat de faillissementsvoorwaarden eerder dan 6 maanden voor het vonnis van faillietverklaring waren voldaan en anderzijds te oordelen dat geen toepassing kan gemaakt worden van de mogelijkheid voorzien in art. XX. 105, 6de lid WER om de datum van staking van betaling verder dan 6 maand te plaatsen als er geen feitelijke vereffening na feitelijke ontbinding kan vastgesteld worden. Er kan immers sprake zijn van een verderzetting van een reddeloos verloren onderneming zonder dat er sprake is van een ontbinding of feitelijke vereffening. Niet vereist is dat met de feitelijke vereffening nadeel wordt berokkend aan alle schuldeisers. Een feitelijke vereffening met het opzet de rangorde te doorbreken – en dus de collectiviteit van schuldeisers te benadelen – volstaat. De mogelijkheid tot de uitgebreide terugbrenging van de datum van staking van betaling voorzien in artikel 105, 6de lid WER houdt een uitzondering in op de klassieke toets van de faillissementsvoorwaarden. De tekst van de wet is duidelijk. Eens wordt vastgesteld dat de rechtspersoon ontbonden is, waarvan de vereffening al dan niet werd afgesloten, en waarvoor aanwijzingen bestaan dat deze is of wordt bewerkstelligd met de bedoeling nadeel te berokkenen aan de schuldeisers, wordt het tijdstip van de staking van betaling vastgesteld op de dag van het weerhouden ontbindingsbesluit. Niet noodzakelijk is het bewijs van objectieve en ernstige omstandigheden die ondubbelzinnig aantonen dat het krediet op een welbepaald concreet tijdstip tijdens deze uitgebreide periode (zijnde vanaf de datum van ontbinding tot zes maanden voor de faillietverklaring) wankelde (Brussel 18 september 2007, T.B.H. 2008/10, p. 879). Er kan immers niet aangenomen worden dat - als er indicaties zijn van het voornemen om de schuldeisers te benadelen - er nog sprake kan zijn enig rechtmatig of geïnformeerd vertrouwen in hoofde van de schuldeisers. Er wordt geen publiciteit gegeven aan een feitelijke vereffening. Ook de beoordeling van het “te hebben opgehouden te betalen” bij een feitelijke vereffening met de bedoeling schuldeisers nadeel te berokkenen, verliest haar pertinentie. Bij een feitelijke vereffening worden doorgaans net liquiditeiten gegenereerd om te kunnen blijven betalen, weliswaar op een selectieve wijze of om tijd te winnen. Het blijven betalen is dan net een middel om nadeel te berokkenen aan schuldeisers. 3.
  67. Volgens de curatoren van [PLANT] en [BLOEM] zou reeds op 4 april 2023 een feitelijk ontbindingsbesluit zijn genomen, daags na het vonnis van 3 april 2023 van de ondernemingsrechtbank Gent, afdeling Dendermonde waarbij werd geoordeeld dat de faillissementsvoorwaarden niet zijn voldaan. In conclusie verwijzen de curatoren naar verschillende handelingen en transacties die zouden wijzen op een feitelijke vereffening. De rechtbank volgt dit niet. De rechtbank oordeelt dat niet kan worden aangenomen dat BV [BLOEM] sinds 4 april 2023 feitelijk is vereffend. Er kan noch per 4 april 2023, noch in de periode tussen 4 april 2023 en 15 oktober 2023 een (impliciet) ontbindingsbesluit van BV [BLOEM] worden vastgesteld. Het is mogelijk dat in de periode vanaf 4 april 2023 wetens en willens, paulianeuze transacties zijn opgezet met als doel het merendeel van de schuldeisers te benadelen ten gunste van een selecte groep, doch dit vormt het voorwerp van een ander debat. De in conclusie aangevoerde feiten zijn niet van die aard dat zij een feitelijke vereffening van BV [BLOEM] aantonen. Loutere aanwijzingen, of zelfs het bewijs, van paulianeus handelen volstaan niet om de datum van staking van betaling meer dan 6 maanden terug te stellen op grond van artikel XX.105 6de lid WER. 3.
  68. Dat [BLOEM] de aandelenparticipatie “May Flowers” heeft verkocht aan [B] op 30 juni 2023 en dat [BLOEM] 5 winkels heeft verkocht aan [FLOWERS] op 1 oktober 2023 volstaan niet om tot feitelijke vereffening van BV [BLOEM] te besluiten. [BLOEM] beschikte na deze verkopen op 1 oktober 2023, nog steeds over 24 bloemenwinkels die in eigen beheer verder werden uitgebaat en 2 winkels onder franchising. Er waren nog verschillende onroerende goederen. Op het ogenblik van de aanvraag tot opening gerechtelijke procedure op 28 december 2024 waren er nog ongeveer 60 werknemers in dienst. Op het ogenblik van faillietverklaring 15 april 2024 werden nog steeds 26 winkels uitgebaat met eigen personeel. De onroerende goederen die [BLOEM] bezat op 4 april 2023 – en die geschat worden op minstens anderhalf miljoen euro - waren op datum faillietverklaring, nl. 15 april 2024 nog steeds in eigendom van [BLOEM]. Alles in verhouding plaatsend, kan niet gesteld worden dat er sprake was van een feitelijke vereffening van [BLOEM] omwille van de loutere transacties met [B] en zijn vennootschappen. 3.
  69. In conclusie haalt de curator van [BLOEM] transacties aan die evenwel enkel betrekking hebben op de dochtervennootschap [PLANT]. Uit de mogelijke feitelijke vereffening van één van de dochtervennootschappen, kan niet meteen afgeleid worden dat ook de moedervennootschap feitelijk wordt vereffend. Dit zijn onderscheiden problematieken die een afzonderlijke analyse behoeven. 3.
  70. De overige feiten overtuigen de rechtbank evenmin om tot het bewijs van een ontbindingsbesluit met betrekking tot de BV [BLOEM] te komen. Dit leidt tot de vaststelling dat de datum van staking van betaling in het faillissement [BLOEM] BV behouden blijft op 15 oktober 2023, zoals geoordeeld bij vonnis van deze rechtbank van 11 juni
  71. De rechtbank benadrukt dat dit vonnis geen uitspraak doet over de oorzaken, motieven, al dan niet foutief karakter of gevolgen van de door partijen aangebrachte feiten en transacties, behalve dat zij beslist heeft dat artikel XX.105, 6de lid WER niet kan worden toegepast. 3.
  72. De proceskosten vallen in de regel ten laste van de in het ongelijk gestelde partij (artikel 1017, 1e lid Ger.W.). Mr. [S] in zijn hoedanigheid van curator van [BLOEM] BV en mr. [G] in zijn hoedanigheid van curator van [PLANT] BV zijn beiden te aanzien als de in het ongelijk gestelde partij. Partijen [B], NV [TUIN] en [FLOWERS] zijn te aanzien als de in het gelijk gestelde partijen en hebben recht op een rechtsplegingsvergoeding voorzien in artikel 1022 Ger.W. De rechtsplegingsvergoeding is een forfaitaire tegemoetkoming in de kosten en erelonen van de advocaat van de in het gelijk gestelde partij. De bedragen van de rechtsplegingsvergoeding zijn vastgesteld bij KB van 26 oktober 2007 (BS 9 november 2007). De bedragen worden vastgesteld per gerechtelijke band en ten aanzien van elke partij die door een advocaat wordt bijgestaan. Wanneer eenzelfde advocaat in eenzelfde gerechtelijke band verscheidene partijen bijstaat, wordt de rechtsplegingsvergoeding onder hen verdeeld. Partijen [B], NV [TUIN] en [FLOWERS] worden bijgestaan door dezelfde advocaten. De zaken zijn samengevoegd om reden dat de vorderingen in de beide zaken hetzelfde geschil uitmaken. Dit leidt tot de vaststelling dat er weliswaar meerdere in het ongelijk gestelde partijen zijn, doch dat er maar één geschil bestaat en dus maar één RPV verschuldigd is. Dat er initieel twee zaken aanhangig waren en naderhand ambtshalve gevoegd werden, doet hieraan geen afbreuk. Het geschil heeft betrekking op een niet in geld waardeerbare eis. Behoudens wanneer een procedureakkoord omtrent de omvang van de rechtsplegingsvergoeding dan wel een grond of een verzoek tot afwijking van het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding voorligt, dient de rechter ambtshalve het met toepassing van de bepalingen van het Tarief Rechtsplegingsvergoeding correcte basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding te bepalen (Cass.13 januari 2023, C.22.0158.N ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230113.1N.4, 13 januari 2023). De rechtsplegingsvergoeding wordt bepaald op 1.883,72 EUR. Waar artikel 279

(1), 4°, W.Reg. in een vrijstelling van rolrechten voorziet voor alle zaken die ingeleid worden in het kader van Boek XX WER, met betrekking tot de insolventie van ondernemingen, is er geen aanleiding om in toepassing van artikel 269
(2)§ 1 W.Reg. enige veroordeling tot betaling van rolrechten uit te spreken. In toepassing van artikel 4, § 2, lid 1 en 3 en artikel 5, § 1 van de wet van 19 maart 2017 tot oprichting van een Begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand worden de curatoren verwezen in de bijdrage van 26,00 EUR aan het Begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand. 3.
  1. Elk vonnis dat de datum van staking van betaling vaststelt, worden, door de curator binnen vijf dagen na hun respectievelijke dagtekening bij uittreksel bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad (XX.107 WER). IV. DE BESLISSING De rechtbank doet recht op tegenspraak en op grond van alle bovenstaande redenen, alle verdere en meer uitgebreide of strijdige conclusies verwerpende als zijnde niet-gegrond of niet ter zake dienend
  2. Voegt de zaken O/24/00863 en O/24/00856 samen in toepassing van artikel 30 Ger.W.
  3. Verklaart het derdenverzet (O/24/00863) uitgaande van [B], NV [TUIN] en BV [FLOWERS] ontvankelijk en gegrond. Doet het vonnis van de ondernemingsrechtbank Gent, afdeling Gent van 8 oktober 2024 gekend onder rolnummer O/24/00766 teniet.
  4. Opnieuw rechtdoende, Verklaart de vordering van de oorspronkelijke eiser, mr. [G] q.q. ontvankelijk, doch ongegrond.
  5. Verklaart de vordering (O/24/00856) van mr. [S] q.q. ontvankelijk, doch ongegrond.
  6. Zegt voor recht dat de datum van staking van betaling in het faillissement BV [BLOEM] niet eerder dan 15 oktober 2023 wordt vastgesteld.
  7. Beveelt mr. [S] q.q. dit vonnis bij uittreksel binnen de 5 dagen bekend te maken in het Belgisch Staatsblad.
  8. Veroordelen mr. [G] q.q. en mr. [S] q.q. solidair, tot het betalen van één rechtsplegingsvergoeding van 1.883,72 EUR aan [B] , NV [TUIN] en BV [FLOWERS] samen.
  9. Veroordeelt mr. [G] q.q. tot de kost van het exploot derdenverzet ten belope van 769,38 EUR.
  10. Zegt dat mr. [G] q.q. en mr. [S] q.q. hun eigen kosten dienen te dragen. In toepassing van artikel 4, § 2, lid 1 en 3 en artikel 5, § 1 van de wet van 19 maart 2017 tot oprichting van een Begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand worden mr. [G] q.q. en mr. [S] q.q. samen verwezen in de bijdrage van 26,00 EUR aan het Begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand. Wijst het anders- of meergevorderde af als ongegrond. ***** Gewezen op tegenspraak door de Tweede Kamer van de Ondernemingsrechtbank van Gent – Afdeling Gent, samengesteld uit: V. Verlaeckt, rechter en voorzitter van de kamer, T. [M]en S. [V] rechters in ondernemingszaken, en uitgesproken door de voorzitter van de kamer in openbare terechtzitting op 9 september 2025 in aanwezigheid van A. Vriendt, griffier. Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230113.1N.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.