← België

ECLI:BE:ORGNT:2025:JUG.20250909.4

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Ondernemingsrechtbank Gent Vonnis/arrest van 09 september 2025 ECLI nr: ECLI:BE:ORGNT:2025:JUG.20250909.4 Rolnummer: A/24/03058 Rechtsgebied: Overige - Insolventierecht Invoerdatum: 2025-09-11 Raadplegingen: 303 - laatst gezien 2026-06-18 09:37 Fiche 1 Het louter feit dat de rechtbank in het vonnis a quo het orgaan en vennoot vermeldt in wiens handen de dagvaarding voor de BV werd gegeven, maakt die subjecten niet tot procespartij in vervanging van de BV. Los van de omschrijving in het vonnis was en blijft de BV procespartij in het vonnis. wanneer een proceshandeling wordt ingesteld tegen een orgaan van vertegenwoordiging van de vennootschap met rechtspersoonlijkheid, wordt die geacht ingesteld te zijn tegen de vennootschap (Cass. 24 oktober 1974, Pas. 1975, I, 235 en Cass. 23 januari 1978, Pas. 1978, I, 596). Het strijdt met artikel 6 EVRM om een rechtszoekende de toegang tot de rechter te ontzeggen bij wijze van een niet-ontvankelijkheidverklaring om de loutere reden dat hij bij het aanwenden van een rechtsmiddel exact dezelfde namen en beschrijvingen hanteert zoals vermeld in het vonnis dat hij wil aanvechten. UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - GERECHTELIJK RECHT- ALGEMENE BEGINSELEN Vrije woorden: Ontvankelijkheid derdenverzet - verschil omschrijving partijen dagvaarding en vonnis a quo Fiche 2 Het is niet vereist dat de feitelijke vereffening reeds volledig of grotendeels is voltrokken. De wet hecht uitsluitend belang aan het tijdstip van ontbinding en het aanvangspunt van de vereffening, niet aan het eindpunt of de tussentijdse stand van zaken. Niet vereist is dat met de feitelijke vereffening nadeel wordt berokkend aan alle schuldeisers. Een feitelijke vereffening met het opzet de rangorde te doorbreken – en dus de collectiviteit van schuldeisers te benadelen – volstaat. Er kan niet aangenomen worden dat - als er indicaties zijn van het voornemen om de schuldeisers te benadelen - er nog sprake kan zijn enig rechtmatig of geïnformeerd vertrouwen in hoofde van de schuldeisers. Er wordt geen publiciteit gegeven aan een feitelijke vereffening. Ook de beoordeling van het “te hebben opgehouden te betalen” bij een feitelijke vereffening met de bedoeling schuldeisers nadeel te berokkenen, verliest haar pertinentie. Bij een feitelijke vereffening worden doorgaans net liquiditeiten gegenereerd om te kunnen blijven betalen, weliswaar op een selectieve wijze of om tijd te winnen. Het blijven betalen is dan net een middel om nadeel te berokkenen aan schuldeisers. UTU-thesaurus: HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - INSOLVENTIE Vrije woorden: terugstelling staking van betaling - feitelijke vereffening - toekenning/gegrond Wettelijke bepalingen: Wetboek van economisch recht - 28-02-2013 - XX.105, lid 6 - 19 ELI link Pub nr 2013A11134 Tekst van de beslissing De tweede kamer van de ondernemingsrechtbank Gent — afdeling Gent heeft het volgende vonnis verleend in de zaak tussen:

  1. BV [FLOWERS]
  2. NV [TUIN]
  3. De heer [B] Eisers op derdenverzet Allen hebbende raadsman meester [P] tegen Meester [G], handelend in zijn hoedanigheid van curator over het faillissement van BV [PLANT], Verweerder q.q. op derdenverzet en Meester [S], in zijn hoedanigheid van curator over het faillissement van BV [BLOEM] Curator BV [BLOEM] BV [PLANT], vertegenwoordigd door de vaste vertegenwoordiger van haar bestuurder, die tevens bestuurder is van de vennoot van [PLANT], zijnde de heer [AS], Ter zitting vertegenwoordigd door mr. [V], raadsman van [BLOEM] en [AS]. Gefailleerde I. INFORMATIE OVER DE PROCEDURE 1.
  4. De BV [PLANT] werd failliet verklaard bij vonnis van deze rechtbank op 25 juni
  5. Mr. [G] werd aangesteld als curator. In het vonnis van faillietverklaring werd de datum van staking van betaling gesteld op 25 juni
  6. 1.
  7. Op 14 oktober 2024 is de curator van [PLANT] overgegaan tot dagvaarding in terugstelling van datum van staking van betaling en vordert: "De vordering van verzoeker qq. ontvankelijk en gegrond te horen verklaren; De gefailleerde BV [PLANT] zich te horen zeggen voor recht dat in toepassing van art. XX.105 lid 6 WER het tijdstip waarop zij opgehouden heeft te betalen vervroegd wordt en met name bepaald wordt op 04.04.2023; Het te wijzen vonnis minstens gemeen en tegenstelbaar te verklaren aan de heer [AS] als voormalig bestuurder; Kosten als naar recht." 1.
  8. Bij vonnis van 26 november 2024 van deze rechtbank werd de datum van staking van betaling in hoofde van [PLANT] teruggesteld naar 4 april
  9. De rechtbank motiveert: De beide verwerende partijen verklaren zich ter zitting uitdrukkelijk akkoord met de vordering van de curator. De rechtbank sluit zich aan bij de hierboven geciteerde motivering van de curator en maakt deze tot de hare. De rechtbank besluit dat er afdoende aanwijzingen zijn inzake de feitelijke ontbinding en vereffening. […] Naar oordeel van de rechtbank zijn er in casu voldoende aanwijzingen van de intentie om de schuldeisers te benadelen. De vennootschap zelf blijft op heden compleet berooid achter. Door de gestelde handelingen is het onderpand van zowel de bevoorrechte als de gewone schuldeisers weggemaakt. Hoewel het niet cruciaal is in de beoordeling in toepassing van art. XX.105 lid 6 WER (zie supra), stelt de rechtbank ook vast dat de vennootschap reeds ten tijde van de eerste daad van feitelijke invereffeningstelling (zijnde met de verkoopfactuur van 04/04/2023) haar betalingen had gestaakt. Blijkens de door de curator voorgelegde stukken dateert de laatste betaling van 28/02/2023, zijnde een aflossing voor de maand maart 2024 (stuk 20 curator). Ook andere schuldeisers drongen toen al aan op betaling. Conform de beslagberichten dateren de eerste uitvoeringsdaden ook al van 30/03/2023 (stukken 35 en 36 curator). Naar oordeel van de rechtbank dient de datum van staking van betaling dan ook te worden teruggezet tot 4 april 2023, zoals gevorderd door de curator. [….] Zegt voor recht dat de datum van staking van betaling in het faillissement BV [PLANT] dient te worden teruggebracht naar 4 april 2023.” Een uittreksel van dit vonnis van 26 november 2024 werd gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad van 2 december
  10. 1.
  11. Op 16 december 2024 zijn partijen [B], [TUIN] en [FLOWERS] overgegaan tot dagvaarding in derdenverzet tegen het vonnis van 26 november
  12. Het derdenverzet werd ingeleid op 7 januari
  13. Conclusietermijnen werden bepaald. Partijen hebben conclusies genomen. Op de openbare terechtzitting van 2 september 2025 waren aanwezig of vertegenwoordigd: - Mr. [G] q.q. - Mr. [S] q.q. - Mr. [P] advocaat van [FLOWERS], [TUIN] en [B] - Mr. [V], advocaat van [BLOEM] en [AS] - [B] Partijen werden gehoord waarna de debatten werden gesloten en de zaak in beraad werd genomen. De rechtbank heeft kennis genomen van het rechtsplegingsdossier en de neergelegde stukken. De bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken worden nageleefd. II. VORDERINGEN VAN PARTIJEN 2.
  14. De eisers op derdenverzet vorderen in hun laatste conclusie In hoofdorde: Het derdenverzet ontvankelijk en gegrond te verklaren; Het vonnis van 26 november 2024 (AR: O/24/0855) teniet te doen; Opnieuw wijzende de door curator [G] bij dagvaarding van 14.10.2024 ingestelde vordering onontvankelijk te verklaren, minstens deze vordering af te wijzen als ongegrond; In ondergeschikte orde: De datum staking van betaling in het faillissement van [PLANT] te bepalen op 28.04.2024, i.e. de datum waarop curator [S] het handelsfonds te [Z] aan een te lage prijs heeft verkocht met miskenning van de rechten van de schuldeisers; De publicatie van het tussen te komen vonnis te bevelen in de bijlagen van het Belgisch Staatsblad op kosten van eerste verweerder; Met verwijzing van eerste verweerder in de kosten van het geding, inbegrepen de rechtsplegingsvergoeding, op heden begroot op 1.883,72 EUR; 2.
  15. De curator van [PLANT] vordert in zijn laatste conclusie: De syntheseconclusie na art. 748 §2 Ger.W. van eisers op derdenverzet van 26.05.2025 uit de debatten te weren wegens procesmisbruik; De vordering van eisers op derdenverzet, zowel zoals geformuleerd in hooforde als geformuleerd in ondergeschikte orde, af te wijzen als onontvankelijk minstens als ongegrond; Het vonnis van de Ondernemingsrechtbank Gent, afdeling Gent dd. 26.11.2024 (O/24/00855) te bevestigen in al haar onderdelen ; De eisers op derdenverzet te veroordelen tot de kosten van het geding 2.
  16. De curator van [BLOEM] vordert in zijn laatste conclusie: Het derdenverzet ontoelaatbaar, dan wel onontvankelijk, en minstens ongegrond te verklaren. De tegeneis van de consoorten [B] af te wijzen als ontoelaatbaar dan wel onontvankelijk, minstens ongegrond. Kosten ten laste van de eisers in derdenverzet. III. DE BEOORDELING III.A. Conclusies en stukken 3.
  17. Partijen verklaren dat alle door partijen neergelegde conclusies en stukken in het debat mogen blijven. De afstand van eerdere vorderingen tot wering uit de debatten werd genoteerd op het zittingsblad. III.B. Ontvankelijkheid van het derdenverzet 3.
  18. De curator van [PLANT] en de curator van [BLOEM] betwisten de ontvankelijkheid van het door partijen [B], [TUIN] en [FLOWERS] ingestelde derdenverzet. De curator van [PLANT] en de curator van [BLOEM] werpen op dat de eisers op derdenverzet met hun dagvaarding van 16 december 2024 niet alle noodzakelijke partijen hebben gedagvaard; de gefailleerde vennootschap [PLANT] zou niet zijn gedagvaard zodat op grond van de artikelen 1125 Ger. Wb., XX.105 WER en XX.108 WER het derdenverzet ontoelaatbaar zou zijn. Er zou geen herstel mogelijk zijn gezien het verstrijken van de termijn tot derdenverzet. 3.
  19. De rechtbank volgt dit niet. 3.3.
  20. In het exploot van de initiële dagvaarding van 14 oktober 2024 uitgaande van de curator van [PLANT] wordt vermeld: Dagvaarding gegeven aan: BV [PLANT] met ondernemingsnummer 0447.264.030, in faling verklaard […] De betekening doende in handen van: 1) Meester [S],, advocaat in zijn hoedanigheid van curator over het faillissement van de voormalige bestuurder van gefailleerde, de BV [BLOEM] […] 2) [AS], in zijn hoedanigheid van voormalige vaste vertegenwoordiger van de voornoemde BV [BLOEM], als bestuurder van de BV [PLANT] voormeld. Er bestaat geen twijfel dat wel degelijk de BV [PLANT] de gedaagde partij is en dat het exploot voor de BV [PLANT] in handen wordt gegeven van [AS] en de curator van [BLOEM] BV in toepassing van artikel 42, 5° Ger.W. 3.3.
  21. In het vonnis van 26 november 2024 dat volgt op deze oorspronkelijke dagvaarding en waartegen thans derdenverzet wordt aangetekend, worden 3 rechtssubjecten – al dan niet partijen – vermeld: “De tweede kamer van de ondernemingsrechtbank Gent — afdeling Gent heeft het volgend vonnis verleend in de zaak van : - Meester [G], […] handelend in zijn hoedanigheid van curator over het faillissement van BV [PLANT], […] Eiser q.q., tegen: - Meester [S], […], handelend in zijn hoedanigheid van curator over het faillissement van BV [BLOEM], […] - De heer [AS], […] in zijn hoedanigheid van vaste vertegenwoordiger van BV [BLOEM], dewelke bestuurder is van BV [PLANT]. Verweerders”. De BV [PLANT] wordt niet als partij als dusdanig vermeld of omschreven in de aanhef van het vonnis hoewel [PLANT] werd gedagvaard. 3.3.
  22. De dagvaarding tot derdenverzet tegen voormeld vonnis werd op 16 december 2024 betekend aan de 3 rechtssubjecten zoals deze worden vermeld in het vonnis a quo van 26 november 2024 en dit met exact dezelfde gehanteerde omschrijving, nl: - Meester [G] “handelend in zijn hoedanigheid van curator over het faillissement van BV [PLANT]” - Meester [S], “handelend in zijn hoedanigheid van curator over het faillissement van BV [BLOEM]” - De heer [AS], “in zijn hoedanigheid van vaste vertegenwoordiger van BV [BLOEM], dewelke bestuurder is van BV [PLANT]” Overeenkomstig artikel 1125 Ger. W. wordt het derdenverzet gebracht voor de rechter die de bestreden beslissing heeft gewezen met dagvaarding aan alle partijen. Eisers op derdenverzet hebben alle partijen gedagvaard zoals deze vermeld worden in het vonnis dat zij wensen te bestrijden. Eisers op derdenverzet hebben in hun dagvaarding exact dezelfde omschrijving gebruikt zoals in het vonnis a quo werd opgenomen. 3.3.
  23. De rechtbank neemt aan dat ondanks de gehanteerde omschrijving in het vonnis van 26 november 2024 de BV [PLANT] wel degelijk procespartij was in dat vonnis In casu worden in het vonnis van 26 november 2024 weliswaar het orgaan en vennoot vermeld in wiens handen de dagvaarding voor de BV [PLANT] werd gegeven. Dit louter feit maakt echter die subjecten niet tot procespartij in vervanging van de BV [PLANT]. Los van de omschrijving in het vonnis was en blijft de BV [PLANT] procespartij in het vonnis. Hieruit volgt dan ook meteen dat het ingestelde derdenverzet bij dagvaarding van 16 december 2024 wel degelijk gericht was tegen BV [PLANT], evenwel vertegenwoordigd door haar organen. Immers, wanneer een proceshandeling wordt ingesteld tegen een orgaan van vertegenwoordiging van de vennootschap met rechtspersoonlijkheid, wordt die geacht ingesteld te zijn tegen de vennootschap (Cass. 24 oktober 1974, Pas. 1975, I, 235 en Cass. 23 januari 1978, Pas. 1978, I, 596). De curator van [PLANT] heeft met zijn dagvaarding van 14 november 2024 te kennen gegeven dat BV [PLANT] minstens kon worden vertegenwoordigd door [AS]. [AS] én de curator van BV [BLOEM] heeft dit ook aanvaard gezien hij zich in de oorspronkelijke procedure uitdrukkelijk akkoord heeft verklaard met de vordering en geen excepties nopens de inleidende dagvaarding heeft opgeworpen. Eisers op derdenverzet hebben – net zoals de curator van [PLANT] dat heeft gedaan – , de heer [AS] aangezien als een orgaan van de gefailleerde. Een rechtsmiddel aangewend tegen [AS] in deze casus wordt aldus geacht te zijn ingesteld tegen BV [PLANT]. 3.3.
  24. Het zou overigens strijden met artikel 6 EVRM om een rechtszoekende de toegang tot de rechter te ontzeggen bij wijze van een niet-ontvankelijkheidverklaring om de loutere reden dat hij bij het aanwenden van een rechtsmiddel exact dezelfde namen en beschrijvingen hanteert zoals vermeld in het vonnis dat hij wil aanvechten. Het is de rechtbank - en niet één van de partijen - die in het vonnis a quo de BV [PLANT] niet als dusdanig als partij heeft vermeld hoewel uit de inleidende dagvaarding duidelijk bleek dat [PLANT] procespartij was. Dit mag geen negatieve gevolgen hebben voor de rechtzoekende. Het derdenverzet is ontvankelijk. III.C. De ontvankelijkheid van de oorspronkelijke vordering uitgaande van de curator van [PLANT] 3.
  25. Eisers op derdenverzet stellen dat de oorspronkelijke vordering tot terugstelling van de datum van staking van betaling naar 4 april 2023 uitgaande van curator van [PLANT], onontvankelijk is. Zij houden voor dat de oorspronkelijke dagvaarding van 13 september 2024 uitgaande van de curator van [PLANT] enkel “aan de curator en aan de bestuurder van de gefailleerde” werd betekend die niet “als gefailleerde bestempeld kunnen worden” terwijl artikel XX.105 WER voorschrijft dat de procedure tot terugstelling van datum van staking van betaling moet ingeleid worden met een dagvaarding “betekend aan de gefailleerde en aan de curatoren”. Deze exceptie mist feitelijke grondslag. De dagvaarding werd wel degelijk betekend aan de gefailleerde BV [PLANT] (zie pagina 14 van de dagvaarding, letterlijk geciteerd hierboven onder randnummer 3.3.1.). De dagvaarding werd enkel in handen gegeven in toepassing van artikel 42, 5° Ger.W. aan onder andere de heer [AS]. Overeenkomstig artikel 42, 5° Ger.W. worden betekeningen aan vennootschappen met rechtspersoonlijkheid, op de maatschappelijke zetel of, bij gebreke daarvan, de bedrijfszetel of, indien er geen is, aan de persoon of aan de woonplaats van een der beheerders, zaakvoerders of vennoten. Aangezien de zetel door [PLANT] in faling was verlaten, werd betekend aan [AS] in zijn hoedanigheid Ook aan de curator van BV [BLOEM] werd betekend, minstens omdat gefailleerde vennoot is van [PLANT]. De vordering van de curator [PLANT] is ontvankelijk. III.D. Ten gronde 3.
  26. De BV [PLANT] werd failliet verklaard op 25 juni
  27. In het vonnis van faillietverklaring werd de datum van staking van betaling gesteld op 25 juni
  28. De curator van [PLANT] beoogt met de huidige procedure de datum van staking van betaling terug te stellen naar 4 april
  29. Naar het oordeel van de curator moet de datum van staking van betaling meer dan zes maanden voor het vonnis van faillietverklaring gesteld worden, om reden dat er sprake is van een eerdere feitelijke vereffening met de bedoeling nadeel te berokkenen aan de schuldeisers. 3.
  30. [AS] is akkoord met de zienswijze en de vordering van de curator van [PLANT]. De curator van [BLOEM] sluit zich eveneens aan bij het standpunt van de curator van [PLANT] en vraagt eveneens de terugstelling naar 4 april 2023 in het faillissement [PLANT]. Partijen [B], [TUIN] en [FLOWERS] betwisten en stellen dat er geen redenen zijn om de datum van staking van betaling terug te stellen. Hoogstens zou deze datum kunnen worden teruggesteld naar 28 april 2024 en niet
  31. 3.
  32. Voor het feitenrelaas en de standpunten van partijen verwijst de rechtbank naar de uitvoerige conclusies van partijen en omvangrijke stukkenbundels. 3.
  33. De gefailleerde wordt geacht op te houden te betalen vanaf het vonnis van faillietverklaring of vanaf de dag van zijn overlijden wanneer de faillietverklaring nadien is uitgesproken. Dit tijdstip mag door de rechtbank alleen worden vervroegd wanneer ernstige en objectieve omstandigheden ondubbelzinnig aangeven dat de betalingen voor het vonnis hebben opgehouden; deze omstandigheden moeten in het vonnis worden vermeld. Het vonnis mag het tijdstip van staking van betaling niet vaststellen op meer dan zes maanden voor het vonnis van faillietverklaring, tenzij dit vonnis het faillissement betreft van een meer dan zes maanden voor de faillietverklaring ontbonden rechtspersoon waarvan de vereffening al dan niet werd afgesloten, en waarvoor aanwijzingen bestaan dat deze is of wordt bewerkstelligd met de bedoeling nadeel te berokkenen aan de schuldeisers. In dat geval kan het tijdstip van de staking van betaling worden vastgesteld op de dag van het ontbindingsbesluit. De mogelijkheid om de datum van staking van betaling vast te stellen op meer dan zes maanden voor het vonnis van faillietverklaring voorzien in artikel XX.105, 6de lid WER is bedoeld om twijfelachtige of frauduleuze vereffeningen tegen te gaan (Parl.St. Kamer 1995-96, nr. 330/13, 1-2 en nr. 330/7, 6-7; Parl.St. Kamer 1995-96, nr. 329/17, 35) Voor de toepassing van deze bijkomende bepaling van art. XX.105, 6de lid in fine WER is niet vereist dat de rechtspersoon officieel en conform de wettelijke formaliteiten ontbonden werd; deze bepaling is evenzeer van toepassing in geval van een feitelijke vereffening (Cass. 19 januari 2006, Arr. Cass. 2006, 174). Er is sprake van een feitelijke ontbinding indien en van zodra uit het geheel van feitelijke omstandigheden niet anders afgeleid kan worden dan dat de rechtspersoon ontbonden is en vereffend werd/wordt, zonder dat deze ontbinding ook formeel (zijnde conform de wettelijk voorgeschreven formaliteiten) vastgesteld wordt. Het is niet vereist dat de feitelijke vereffening reeds volledig of grotendeels is voltrokken. De wet hecht uitsluitend belang aan het tijdstip van ontbinding en het aanvangspunt van de vereffening, niet aan het eindpunt of de tussentijdse stand van zaken. Zo zal het laattijdig aanwenden van procedures van gerechtelijke reorganisatie zonder belang zijn zodra door de rechtbank wordt vastgesteld dat de ontbinding reeds voordien een feit was en de feitelijke vereffening werd aangevat met de enkele bedoeling de confrontatie met overige schuldeisers en de concurrentie met andere kandidaat-overnemers in de procedure van gerechtelijke reorganisatie te ontwijken. Verdacht zijn inzonderheid die gevallen waarin een schuldenaar in het licht van nakende insolventie belangrijke activa verkoopt om één schuldeiser te voldoen en zich vervolgens vrijwel onmiddellijk wendt tot de gerechtelijke reorganisatie met het oog op een overdracht onder gerechtelijk gezag om de resterende activa (wel) te onderwerpen aan het beheer van een vereffeningsdeskundige en collectieve controle. Het verkopen van activa kan aanzien worden als een daad van vereffening. Echter, voor de vaststelling van een feitelijke ontbinding en vereffening in het licht van artikel XX.105, 6de lid WER volstaat het evenwel niet om louter te verwijzen naar de verkoop van activa, zelfs niet wanneer deze plaatsvinden in het licht van nakende insolventie. Vereist is dat eerst de ontbinding wordt vastgesteld, hetgeen niet uitsluitend wordt bepaald door eventuele activa-verkopen, maar veeleer door de vraag of de vennootschap na die verkopen nog het maatschappelijk doel kan en wil nastreven. Aanwijzingen dat de ontbinding uitgevoerd is om de schuldeisers schade toe te brengen zijn voldoende. Maar aanwijzingen dat handelingen gesteld zijn om schuldeisers schade toe te brengen die evenwel niet kaderen in een (feitelijke) vereffening na (feitelijke) ontbinding, volstaan niet om de datum van staking van betaling terug te stellen. Zulke handelingen kunnen aangevochten worden op basis van artikel XX.114 WER, los van de datum van staking van betaling. Het is niet tegenstrijdig enerzijds te zeggen voor recht dat de faillissementsvoorwaarden eerder dan 6 maanden voor het vonnis van faillietverklaring waren voldaan en anderzijds te oordelen dat geen toepassing kan gemaakt worden van de mogelijkheid voorzien in art. XX.105, 6de lid WER om de datum van staking van betaling verder dan 6 maanden te plaatsen als er geen feitelijke vereffening na feitelijke ontbinding kan vastgesteld worden. Er kan immers sprake zijn van een verderzetting van een reddeloos verloren onderneming zonder dat er sprake is van een ontbinding of feitelijke vereffening. Niet vereist is dat met de feitelijke vereffening nadeel wordt berokkend aan alle schuldeisers. Een feitelijke vereffening met het opzet de rangorde te doorbreken – en dus de collectiviteit van schuldeisers te benadelen – volstaat. De mogelijkheid tot de uitgebreide terugbrenging van de datum van staking van betaling voorzien in artikel XX.105, 6de lid WER houdt een uitzondering in op de klassieke toets van de faillissementsvoorwaarden. De tekst van de wet is duidelijk. Eens wordt vastgesteld dat de rechtspersoon ontbonden is, waarvan de vereffening al dan niet werd afgesloten, en waarvoor aanwijzingen bestaan dat deze is of wordt bewerkstelligd met de bedoeling nadeel te berokkenen aan de schuldeisers, wordt het tijdstip van de staking van betaling vastgesteld op de dag van het weerhouden ontbindingsbesluit. Niet noodzakelijk is het bewijs van objectieve en ernstige omstandigheden die ondubbelzinnig aantonen dat het krediet op een welbepaald concreet tijdstip tijdens deze uitgebreide periode (zijnde vanaf de datum van ontbinding tot zes maanden voor de faillietverklaring) wankelde (Brussel 18 september 2007, TBH 2008/10, p. 879). Er kan immers niet aangenomen worden dat - als er indicaties zijn van het voornemen om de schuldeisers te benadelen - er nog sprake kan zijn enig rechtmatig of geïnformeerd vertrouwen in hoofde van de schuldeisers. Er wordt geen publiciteit gegeven aan een feitelijke vereffening. Ook de beoordeling van het “te hebben opgehouden te betalen” bij een feitelijke vereffening met de bedoeling schuldeisers nadeel te berokkenen, verliest haar pertinentie. Bij een feitelijke vereffening worden doorgaans net liquiditeiten gegenereerd om te kunnen blijven betalen, weliswaar op een selectieve wijze of om tijd te winnen. Het blijven betalen is dan net een middel om nadeel te berokkenen aan schuldeisers. 3.
  34. Na toepassing van bovenstaande principes op de feiten en stukken zoals aangevoerd door partijen, komt de rechtbank tot het oordeel dat de datum van staking van betaling in het faillissement [PLANT] dient te worden teruggesteld naar 29 mei
  35. - De rechtbank stelt een feitelijke vereffening van [PLANT] vast die is aangevangen op 29 mei 2023 met de bedoeling de rechten van de schuldeisers te benadelen. - In maart 2023 exploiteerde [PLANT] zeven bloemenwinkels en één tuincentrum te [Z]. De vennootschap had toen 51 werknemers in dienst en was eigenaar van een waardevol onroerend goed in [Z], vrij van huur- of gebruiksrechten, waarin het tuincentrum werd uitgebaat. - Vanaf april 2023 werden de werknemers systematisch uit dienst geplaatst: 46 van de 51 in april en de laatste 5 in juni en juli. Binnen enkele weken werd aldus het volledige personeelsbestand afgebouwd. - Op 29 mei 2023 werden de zeven bloemenwinkels overgedragen aan [BLOEM]. De verkoopprijs werd geboekt in rekening-courant en bracht geen liquide middelen in [PLANT]. - Op 28 september 2023 zegde PMV Standaardleningen de kredietovereenkomsten op en eiste van [PLANT] de onmiddellijke terugbetaling van 87.290,65 EUR. Deze schuld is tot op heden onbetaald gebleven. - Op 9 oktober 2023 werd een notariële akte verleden waarbij [PLANT] haar enig onroerend goed in handelshuur gaf aan [TUIN] voor 27 jaar. De huurprijs voor de komende 126 maanden werd gecompenseerd met een bestaande schuldvordering, waardoor het onroerend goed voor [PLANT] feitelijk onbruikbaar werd en opnieuw geen liquiditeiten werden gegenereerd. - Op 27 oktober 2023 droeg [PLANT] het handelsfonds van het tuincentrum over aan [BLOEM] voor 400.000,00 EUR. Deze prijs werd evenwel niet betaald en zou onbetaald blijven tot het faillissement. Volgens de curator was de feitelijke overdracht van dit handelsfonds reeds eerder stilzwijgend gerealiseerd en werd het tuincentrum vanaf juli-augustus reeds de facto uitgebaat door [BLOEM], waarbij de verkoopfactuur van 27 oktober 2023 slechts een formaliteit vormde. De vraag kan gesteld worden hoe [PLANT] een tuincentrum kan uitbaten zonder personeel. - Na deze laatste transactie resteerde er voor [PLANT] enkel nog een oninbare vordering op [BLOEM], met weliswaar een eigendomsvoorbehoud aan gekoppeld, en het door de handelshuurovereenkomst feitelijk onbruikbaar gemaakt onroerend goed. [PLANT] had geen personeel meer, geen activiteit meer en het laatste handelsfonds was verkocht. 3.
  36. Deze reeks van transacties past in het klassieke patroon van een feitelijke vereffening, erop gericht om selectieve schuldeisers te bevoordelen. Eisers op derdenverzet willen doen voorkomen dat deze reeks van transacties en feitelijkheden “daden van reorganisatie” zijn en geen “vereffeningsdaden”. De rechtbank volgt dit niet. Het is de overtuiging van de rechtbank dat [PLANT] werd opgeofferd om de geïnvesteerde gelden van [B] te kunnen recupereren. De feitelijke vereffening van [PLANT] was noodzakelijk om een exit zonder financiële kleerscheuren mogelijk te maken voor eisers op derdenverzet die ondertussen begrepen hadden dat de ware financiële situatie van de [BLOEM]-groep problematisch was of althans aanzienlijk problematischer dan zij aanvankelijk hadden aangenomen. Op de zitting van 2 september 2025 heeft [B] - wellicht oprecht - bevestigd dat hij nooit aan het investeringsverhaal in [BLOEM] zou begonnen zijn als hij in maart 2023 de reële financiële situatie kende. Dit sluit ook aan bij de verklaring van [B] weergegeven in de aanhef van de “overeenkomst tot minnelijke ontbinding van aandelenoverdracht” van 5 september 2023 (stuk 2 eisers op derdenverzet). Het is deze verkeerde inschatting die de kiem vormt voor al hetgeen nadien volgt. 3.
  37. Door de feitelijke vereffening van [PLANT] – en alle boekingen en transacties die daarmee gepaard gingen – werden de omstandigheden gecreëerd waardoor eisers op derdenverzet de voor hen problematische samenloop in de [BLOEM] groep konden vermijden. De transacties die de vennootschap [PLANT] heeft moeten “ondergaan” vanaf mei 2023 hebben niets te maken met het belang van [PLANT]. Het opzettelijk willen doorbreken van de rang in het licht van nakende insolventie, kwalificeert als het doelbewust nadeel willen berokkenen aan schuldeisers in de zin van artikel XX.105, 6de lid WER. Zelfs indien het opzet daartoe niet reeds op 29 mei 2023 aanwezig was, staat vast dat dit uiterlijk eind september 2023 het geval was, toen duidelijk werd dat partij [SVC] niet wenste akkoord te gaan met het plan van [B] met betrekking tot het tuincenter, waarna de opdracht aan de notaris werd gegeven om de notariële akte tot handelshuur van 27 jaar voor te bereiden. Dat [PLANT] bijna één jaar later nog steeds beschikte over een oninbare vordering van 400.000,00 € op [BLOEM] en een voor lange tijd onbruikbaar onroerend goed, doet geen afbreuk aan het feit dat de feitelijke vereffening van [PLANT] een aanvang heeft genomen op 29 mei
  38. Of de voorraad van [PLANT] op 28 april 2024 nu wel of niet te goedkoop werd verkocht – al dan niet in strijd met een eigendomsvoorbehoud - is niet relevant om vast te stellen dat [PLANT] feitelijk vereffend is tussen mei en oktober
  39. De bewering van eisers op derdenverzet dat [PLANT] eind 2023 nog een “gezonde vennootschap” was, vindt geen aansluiting met de werkelijkheid. In realiteit was [PLANT] sinds de zomer 2023 een compleet inactieve vennootschap met opeisbare schulden en een opgezegd krediet, wachtend tot de moedervennootschap failliet wordt verklaard om vervolgens te worden meegesleurd. 3.
  40. De proceskosten vallen in de regel ten laste van de in het ongelijk gestelde partij (artikel 1017, 1e lid Ger.W.). Partijen [B], [TUIN] en [FLOWERS] zijn te aanzien als de in het ongelijk gesteld partij. IV. BESLISSING De rechtbank doet recht op tegenspraak en op grond van alle bovenstaande redenen, alle verdere en meer uitgebreide of strijdige conclusies verwerpende als zijnde niet-gegrond of niet ter zake dienend
  41. Verklaart het derdenverzet uitgaande van [B], NV [TUIN] en BV [FLOWERS] ontvankelijk en deels gegrond. Doet het vonnis van de ondernemingsrechtbank Gent, afdeling Gent van 26 november 2024 gekend onder rolnummer O/24/00855 teniet.
  42. Opnieuw rechtdoende, Verklaart de vordering van de oorspronkelijke eiser, mr. [G] q.q. ontvankelijk en gegrond als volgt Zegt voor recht dat de datum van staking van betaling in het faillissement BV [PLANT dient te worden teruggebracht naar 29 mei
  43. Beveelt de publicatie van dit vonnis bij uittreksel in het Belgisch Staatsblad.
  44. Verwijzen [B], NV [TUIN] en BV [FLOWERS] tot de gerechtskosten. In toepassing van artikel 4, § 2, lid 1 en 3 en artikel 5, § 1 van de wet van 19 maart 2017 tot oprichting van een Begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand worden [B], NV [TUIN] en BV [FLOWERS] samen verwezen in de bijdrage van 26,00 EUR aan het Begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand. Wijst het anders- of meergevorderde af als ongegrond. ***** Gewezen op tegenspraak door de Tweede Kamer van de Ondernemingsrechtbank van Gent – Afdeling Gent, samengesteld uit: V. Verlaeckt, rechter en voorzitter van de kamer, T. [M] en S. [V], rechters in ondernemingszaken, en uitgesproken door de voorzitter van de kamer in openbare terechtzitting op 9 september 2025 in aanwezigheid van A. Vriendt, griffier. Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.