← België

ECLI:BE:ORGNT:2025:JUG.20251104.1

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Ondernemingsrechtbank Gent Vonnis/arrest van 04 november 2025 ECLI nr: ECLI:BE:ORGNT:2025:JUG.20251104.1 Rolnummer: O/24/00814 Rechtsgebied: Insolventierecht Invoerdatum: 2025-12-04 Raadplegingen: 269 - laatst gezien 2026-06-15 07:38 Fiche 1 Een handeling kan slechts niet-tegenwerpelijk worden verklaard op grond van artikel XX.112 WER indien ze schade heeft berokkend aan de boedel. De loutere vaststelling dat het faillissement leidt tot kosten van het noodzakelijk vereffeningsbewind terwijl er geen actief meer is, volstaat reeds om vast te stellen dat de boedel door de uitbetalingen van alle liquiditeiten voorafgaand aan de faillietverklaring, benadeeld is geworden. UTU-thesaurus: HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - INSOLVENTIE Vrije woorden: XX.112 voorwaarden Wettelijke bepalingen: Wetboek van economisch recht - 28-02-2013 - XX.112 - 19 ELI link Pub nr 2013A11134 Fiche 2 In het kader van een procedure op basis van artikel XX.112 WER stelt de rechtbank vast dat de ontvanger van de gelden kennis had van de staking van betaling. De ontvanger van de betalingen, was de enige bestuurder en hoofdaandeelhouder van gefailleerde. UTU-thesaurus: HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - INSOLVENTIE Vrije woorden: kennis staking van betaling XX 112 WER Wettelijke bepalingen: Wetboek van economisch recht - 28-02-2013 - XX.112 - 19 ELI link Pub nr 2013A11134 Fiche 3 Een vordering wegens onrechtmatige daad kan naast een pauliaanse vordering ingesteld worden. Ten opzichte van eenieder wiens betrokkenheid bij de pauliaanse handeling een fout uitmaakt, kan door de faillissementscurator een aansprakelijkheidsvordering worden ingesteld. Een bestuurder maakt een fout in de zin van artikel 1382 (oud) BW door over te gaan tot feitelijke vereffening, zonder besluit van de algemene vergadering. Verder begaat een bestuurder een fout door op een ogenblik dat insolventie onafwendbaar was, alle liquiditeiten aan zichzelf te betalen wetende dat dit de schuldeisers zou benadelen. Een normaal zorgvuldig bestuurder, geplaatst in dezelfde omstandigheden, zou dergelijke betalingen niet hebben uitgevoerd. UTU-thesaurus: HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - INSOLVENTIE Vrije woorden: Onrechtmatige daad naast pauliaanse vordering Wettelijke bepalingen: Wetboek van economisch recht - 28-02-2013 - XX.112 - 19 ELI link Pub nr 2013A11134 Tekst van de beslissing De tweede kamer van de ondernemingsrechtbank Gent – afdeling Gent heeft het volgend vonnis verleend: De PARTIJEN IN HET GEDING Mr. [X] q.q., in haar hoedanigheid van curator over het faillissement van NV [AB GROEP], in staat van faillissement verklaard bij faillissementsvonnis van [….] 2022 van de tweede kamer van de Ondernemingsrechtbank Gent, afdeling Gent. Eiseres q.q. En

  1. [PAB] BV Eerste verweerder
  2. De heer [DAEL] Tweede verweerder Hebbende als raadsman : Mr. [Z] I. INFORMATIE OVER DE PROCEDURE Het geding werd ingeleid met dagvaarding betekend op 30 september
  3. Bij beschikking van 22 oktober 2024 heeft de rechtbank, in overeenstemming met artikel 747, §2 Ger.W., de conclusietermijnen tussen partijen afgesproken bekrachtigd en heeft zij de rechtsdag bepaald. De rechtbank heeft de partijen in openbare terechtzitting van 7 oktober 2025 gehoord, waarna de debatten werden gesloten en de zaak in beraad werd genomen. De rechtbank heeft kennis genomen van het rechtsplegingsdossier en de neergelegde stukken. De bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken worden nageleefd. II. FEITEN DIE AANLEIDING GEVEN VOOR HET GESCHIL 2.
  4. Tweede verweerder is oprichter en bestuurder van eerste verweerder. Eerste verweerder is een investeringsvehikel gericht op het investeren in familiebedrijven. Op 27 juni 2018 wordt door onder meer tweede verweerder de NV [AB GROEP] (initieel onder de naam “[…]”) opgericht met het oog op de overname van BV [AB ELECTRO]. Pascal [AB] was eigenaar van [AB ELECTRO]. [AB GROEP] zou fungeren als holding met dewelke de aandelen van de doelvennootschap [AB ELECTRO] zouden verworven worden. Eerste verweerder, met als vaste vertegenwoordiger tweede verweerder, wordt benoemd als één van de bestuurders van [AB GROEP]. 2.
  5. Op 4 juli 2018 wordt tussen Pascal [AB] als verkoper en de zopas opgerichte holding [AB GROEP] als koper, een koopovereenkomst van alle aandelen in [AB ELECTRO] gesloten voor een bedrag van 3.650.000,00 euro. [AB ELECTRO] wordt een 100% dochtervennootschap van [AB GROEP]. Een bedrag van 3.100.000,00 euro wordt op overdrachtsdatum betaald en een bedrag van 550.000,00 euro wordt aangewend onder de vorm van een achtergestelde verkoperslening. Op 4 juli 2018 wordt tussen Pascal [AB] en [AB GROEP] een 'overeenkomst van vendor loan' gesloten voor het saldo. 2.
  6. Enige tijd na de overdracht van aandelen, ontstaan er financiële problemen en andere conflicten binnen [AB GROEP] en [AB ELECTRO]. Op 31 maart 2022 verkoopt [AB GROEP] alle aandelen in [AB ELECTRO] aan een “vennootschap in oprichting” en dit voor één symbolische euro; aandelen waarvoor 4 jaar eerder 3.650.000,00 euro werd betaald. 2.
  7. Op het ogenblik van voormelde verkoop van aandelen, zijn de verplichtingen volgend uit de “overeenkomst van vendor loan” nog niet voldaan. Het saldo van de verkoopprijs verschuldigd aan de oorspronkelijke aandeelhouder Pascal [AB], is onbetaald gebleven. Nadat Pascal [AB] in kennis wordt gesteld van de verkoop van alle aandelen [AB ELECTRO], gaat Pascal [AB] op 23 april 2023 over tot dagvaarding van [AB GROEP] in faillietverklaring. 2.
  8. Bij vonnis van […] 2022 van deze rechtbank wordt [AB GROEP] failliet verklaard en wordt mr. [X], eiseres q.q., aangesteld als curator. In het vonnis van faillietverklaring van […] 2022 wordt het tijdstip van staking van betaling bepaald op 7 april
  9. In het vonnis wordt gesteld: "Gelet op de door eisende partij neergelegde stukken en gegevens komt het aangewezen voor de datum van staking te bepalen op de datum waarop de raad van bestuur van NV [AB GROEP] heeft besloten om deficitair te vereffenen.". 2.
  10. Na haar aanstelling stelt eiseres q.q. vast dat – naast het feit dat [AB GROEP] haar enige wezenlijk actief heeft verkocht op 31 maart 2022 voor 1,00 euro – in de periode van 30 maart 2022 tot en met 31 mei 2022 een totaalbedrag van 140.799,28 euro door [AB GROEP] werd uitgekeerd aan eerste verweerder, in zijn hoedanigheid van bestuurder van [AB GROEP]. Op 30 maart 2022 betaalde [AB GROEP] aan eerste verweerder een bedrag van 41.714,47 euro - 26.616,05 euro voor 6 facturen voor een maandelijkse bestuurdersvergoeding. - 3.681,93 euro voor factuur “doorrekening kosten”. - 11.416,49 euro voor 6 facturen voor maandelijkse “dienstverlening”. Op 31 maart 2022 betaalde [AB GROEP] aan eerste verweerder een bedrag van 76.372,65 euro - 28.833,72 euro voor 5 facturen voor een maandelijkse bestuurdersvergoeding. - 15.538,93 euro voor 5 facturen voor maandelijkse “dienstverlening” - 32.000,00 euro voor terugbetaling rekening courant in voordeel van eerste verweerder Na deze uitbetalingen aan eerste verweerder stond de rekening van [AB GROEP] op 178,80 euro. Eiseres q.q. stelt ook vast dat op 31 mei 2022 een opgevraagd BTW-tegoed ten belope van 22.861,47 euro door de fiscale Administratie wordt betaald op de rekening van [AB GROEP] waar nog een saldo op stond van 28,69 euro; en dat op dezelfde dag 22.861,47 euro + 28,69 euro, samen 22.890,16 euro wordt betaald aan eerste verweerder. - 13.177,22 euro voor 2 facturen voor een maandelijkse bestuurdersvergoeding. - 9.608,64 euro voor 3 facturen voor maandelijkse “dienstverlening” - 104,30 euro voor terugbetaling rekening courant in voordeel van eerste verweerder Na deze uitbetalingen aan eerste verweerder stond de rekening van [AB GROEP] op 0,00 euro. Zeven dagen later werd [AB GROEP] failliet verklaard. 2.
  11. Mede gelet op deze vaststellingen start eiseres q.q. een procedure tot het vervroegen van de datum van staking van betaling in toepassing van artikel XX.105 WER. Bij verstekvonnis van deze rechtbank van 17 januari 2023 wordt de datum van staking van betaling vervroegd naar 1 februari
  12. Tegen dit verstekvonnis wordt verzet aangetekend door gefailleerde. Bij vonnis van deze rechtbank van 12 december 2023 werd dit verzet ongegrond verklaard. De rechtbank stelt in de verzetsprocedure vast dat er sprake is geweest van een “ontmanteling en feitelijke vereffening van de gefailleerde met uitkering van de laatste liquiditeiten aan de bestuurder/aandeelhouder [eerste verweerder]” met “het opzet om de schuldeiser te benadelen en voor voldongen feiten te plaatsen”. Verder wijst de rechtbank erop dat de gelden van door gefailleerde geïnde vorderingen tijdens de feitelijke vereffening steeds onmiddellijk werden overgemaakt aan eerste verweerder. De rechtbank stelt hierover “aldus werd al het mogelijke actief gerealiseerd en terstond uitgekeerd met benadeling van de samenlopende schuldeisers”. De rechtbank stelt nog “reeds in februari 2022 was het duidelijk dat de schuld onmogelijk kon worden voldaan binnen een kader waarbij de opeisbaarheid nog langer zou kunnen worden uitgesteld” en stelt vast dat gefailleerde “manifest wetens en willens” foutieve jaarrekeningen heeft gepubliceerd om “de dramatische financiële situatie verborgen [te houden]”. De rechtbank benadrukt in het vonnis op verzet dat de datum van staking van betaling wordt vervroegd zowel op grond van artikel 105, lid 2 WER, alsook op grond van artikel XX.105, lid 6 WER. 2.
  13. Tegen het vonnis op verzet van 12 december 2023 werd hoger beroep aangetekend door gefailleerde. Dit hoger beroep werd ongegrond verklaard bij arrest van 23 juni
  14. De datum van staking van betaling werd ook door het hof van beroep vastgesteld op 1 februari
  15. Dit zowel op grond van artikel XX.105, lid 2 WER, alsook op grond van artikel XX.105, lid 6 WER. 2.
  16. Na tussengekomen arrest van 23 juni 2025 activeert eiseres q.q. huidige procedure. In huidige zaak viseert eiseres q.q. de betalingen die [AB GROEP] aan eerste verweerder heeft gedaan tussen 30 maart 2022 en 31 mei
  17. Eiseres q.q. vordert de niet-tegenstelbaarheid van de betalingen voor een totaalbedrag van 140.977,28 euro: - terugbetaling rekening-courant: 32.104,30 euro; - facturen dienstverlening: 40.067,99 euro; - bestuurdersvergoedingen: 68.626,99 euro. Verweerders betwisten de vordering. III. VORDERINGEN VAN PARTIJEN 3.
  18. Eiseres q.q. vordert in laatste conclusie “
  19. Te horen zeggen voor recht dat de betaling van de totale som van 140.977,28 EUR door de gefailleerde NV [AB GROEP] aan eerste verweerder [PAB] BV niet tegenstelbaar is aan de boedel. Eerste verweerder [PAB] BV uit dien hoofde te veroordelen om aan concluante q.q. teruggave te doen door middel van betaling van de som van 140.977,28 EUR, te vermeerderen met de wettelijke verwijlrente sedert de respectievelijke data waarop de verscheidene betalingen werden doorgevoerd aan eerste verweerder tot aan de dagvaarding en met de gerechtelijke rente sedertdien tot aan de algehele betaling;
  20. Te horen zeggen voor recht dat, onverminderd de niet-tegenstelbaarheid, [PAB] BV tevens op grond van art. 1382 BW gehouden is om over te gaan tot vergoeding van het door de paulianeuze handelingen gelegen nadeel in hoofde van de faillissementsboedel van NV [AB GROEP]; Dienvolgens te horen zeggen voor recht dat tweede verweerder de heer [DAEL], als vast vertegenwoordiger van eerste verweerder [PAB] BV, samen met eerste hoofdelijk gehouden is tot vergoeding van deze schade en aldus tweede gedaagde hoofdelijk met eerste gedaagde te veroordelen tot betaling aan concluante q.q. van de som van 140.799,28 EUR, te vermeerderen met de wettelijke verwijlrente sedert de respectievelijke data waarop de verscheidene betalingen werden doorgevoerd aan eerste gedaagde tot aan de dagvaarding en met de gerechtelijke rente sedertdien tot aan de algehele betaling;
  21. Verweerders hoofdelijk, in solidum of voor elk voor het geheel te veroordelen tot de kosten van het geding;
  22. Het uit te spreken vonnis uitvoerbaar te horen verklaren bij voorraad niettegenstaande alle verhaal en zonder borgstelling of kantonnement.” 3.
  23. Verweerders vorderen in laatste conclusie: “De vordering van de curator q.q. ontvankelijk doch ongegrond te verklaren. De curator q.q. te veroordelen tot de gerechtskosten” IV. BEOORDELING DOOR DE RECHTBANK 4.
  24. De ontvankelijkheid van de vordering wordt niet betwist. De rechtbank ziet geen ambtshalve op te werpen middelen van onontvankelijkheid. Derhalve is de vordering ontvankelijk. 4.
  25. Zoals deze rechtbank in het vonnis van 12 december 2023 en het hof van beroep in het arrest van 23 juni 2025 reeds voor recht hebben vastgesteld, werd [AB GROEP] feitelijk vereffend. Er werd vastgesteld dat er aanwijzingen zijn dat dit gebeurde met het doel de schuldeisers te benadelen. De datum van staking van betaling werd geplaatst op 1 februari 2022 zowel op grond van artikel XX.105, lid 6 WER, alsook op grond van artikel XX.105, lid 2 WER. Deze datum van staking van betaling staat vast. 4.
  26. Uit de feiten en de stukken blijkt een scenario waarbij het enige actiefbestanddeel (zijnde de aandelen van [AB ELECTRO]) wordt overgedragen voor 1,00 euro op een ogenblik dat insolventie onafwendbaar is. Tegelijkertijd worden alle aanwezige liquiditeiten uitbetaald aan de bestuurder-aandeelhouder die insider (ingewijde) is. Het betreft een feitelijke vereffening die begint op 30 maart 2022 en op 31 maart 2022 in essentie al voltrokken is. Dat deze werkwijze werd gehanteerd om finaal de belangrijkste externe schuldeiser zonder zekerheden – namelijk de onbetaalde, oorspronkelijke aandeelhouder met een restvordering van 570.948,53 euro – buiten spel te zetten, is duidelijk. Het is dan ook niet verwonderlijk dat deze schuldeiser onmiddellijk is overgegaan tot dagvaarding in faillietverklaring van zodra hij kennis had van de uitgevoerde ontmanteling. De onnodige vraag kan gesteld worden waarom een schuldenaar die manifest insolvent is en dit ook beseft, toch opteert voor de feitelijke vereffening met overdrachten van activa – buiten elke controle om en zonder transparantie naar de schuldeisers toe – eerder dan zich te wenden tot één van de beschikbare insolventieprocedures die eveneens oplossingen kunnen bieden voor overdrachten onder controle en toezicht van een rechtbank, een insolventiefunctionaris én de schuldeisers. Treffend is het gegeven dat zelfs nadat [AB GROEP] op 22 april 2022 werd gedagvaard in faillietverklaring door Pascal [AB], eerste verweerder tijdens de lopende faillissementsprocedure de op 31 mei 2022 binnengekomen BTW-teruggave ten belope van 22.861,47 euro dezelfde dag nog aan zichzelf uitkeerde, zodat de rekening zeker op 0,00 euro staat op het ogenblik van faillietverklaring. 4.
  27. Eiseres q.q. steunt haar vordering in hoofdorde op de artikelen XX.111 WER en XX.112 WER en ondergeschikt op artikel XX.114 WER. Overeenkomstig artikel XX.112 WER kunnen alle betalingen door de schuldenaar wegens vervallen schulden gedaan, en alle handelingen onder bezwarende titel door hem aangegaan na de staking van betaling en voor het vonnis van faillietverklaring, niet-tegenwerpbaar verklaard worden, indien zij die van de schuldenaar iets hebben ontvangen of met hem hebben gehandeld, kennis hadden van de staking van betaling. Wat betreft de toepassingsvoorwaarden van XX.112 WER: 4.4.
  28. Het staat vast dat alle geviseerde betalingen dateren van na datum van staking van betalen, die werd teruggebracht naar 1 februari
  29. Een loutere kennis van de staking van betaling volstaat. Het vaststellen van kwade trouw of bedrieglijk opzet is niet vereist (Cass. 25 mei 1978, Pas. 1978, I, 1090). 4.4.
  30. De rechtbank stelt vast dat de ontvanger van de gelden, zijnde eerste verweerder, kennis had van de staking van betaling. Eerste verweerder was enige bestuurder en hoofdaandeelhouder van [AB GROEP] (vgl. HvB Gent 27 maart 2002, TRV 2003, 673; HvB Gent 28 oktober 2002, Huur 2003, 136; HvB Brussel 22 december 1994, TBH 1995-96, 136). Eerste verweerder is op zoek gegaan naar een overnemer voor alle activa van [AB GROEP] om de enige reden dat de situatie hopeloos was. Eerste verweerder wist tijdens de onderhandelingen met de potentiële koper dat er sowieso een tekort zou ontstaan in hoofde van [AB GROEP] na de voorgenomen transactie, dat [AB GROEP] nadien een lege doos zou zijn en dat insolventie aldus onafwendbaar zou zijn. Eerste verweerder kende exact het tekort dat zou ontstaan na verkoop van de activa en de uitbetalingen van alle liquiditeiten aan zichzelf. Eerste verweerder stelt dat zij op het ogenblik van het ontvangen van de betalingen geen kennis van staking van betaling had “aangezien zij er rechtmatig van kon uitgaan dat zij mogelijk een regeling zou kunnen treffen met de overblijvende schuldeisers van [AB GROEP]”. De rechtbank kan dit argument niet plaatsen. Op welke manier eerste verweerder een regeling kan treffen wanneer hij elke eurocent naar zichzelf overschrijft, wordt niet duidelijk gemaakt. Het feit dat net voor de verkoop van alle activa vooreerst alle openstaande facturen van eerste verweerder bij voorrang moesten betaald worden, is net omdat eerste verweerder zich wel degelijk bewust was van de situatie van staking van betaling. 4.4.
  31. De betalingen gebeurden vrijwillig en zijn handelingen ten bezwarende titel. Dat de schuldenlast in hoofde van [AB GROEP] door de betalingen in gelijke mate is afgenomen en dat de betalingen vermogensrechtelijk neutraal waren, is in deze niet relevant. 4.4.
  32. Een handeling kan slechts niet-tegenwerpelijk worden verklaard op grond van artikel XX.112 WER indien ze schade heeft berokkend aan de boedel (Cass. 1 oktober 1998, Arr.Cass. 1998, 925). Verweerders betwisten dat de geviseerde betalingen nadeel zouden berokkend hebben aan de boedel. De loutere vaststelling dat het faillissement leidt tot kosten van het noodzakelijk vereffeningsbewind terwijl er geen actief meer is, volstaat reeds om vast te stellen dat de boedel door de uitbetalingen van alle liquiditeiten voorafgaand aan de faillietverklaring benadeeld is geworden. 4.4.
  33. Ten overvloede stelt de rechtbank nog dat de door verweerders ontwikkelde argumentatie over het “nadeel” niet gevolgd worden. Verweerders argumenteren dat de tegoeden op de bankrekening van [AB GROEP] in geval van samenloop sowieso zouden zijn toegekomen aan BNP Paribas Fortis gelet op diens pandrecht; en dat verweerders het krediet van BNP Paribas Fortis “hebben overgenomen” na faillissement van [AB GROEP]. Hieruit zou volgens verweerders volgen dat de boedel niet benadeeld werd. Vanuit het oogpunt van de failliete boedel zou de betaling van alle liquiditeiten aan eerste verweerder – in plaats van aan BNP Paribas Fortis - geen verschil gemaakt hebben. De rechtbank volgt deze redenering niet. De rechtbank houdt enkel rekening met de realiteit zoals deze zich heeft voorgedaan en op heden is, niet met alternatieve scenario’s. De rechtbank stelt vast uit het 3de en laatste proces-verbaal van verificatie blijkt dat er 4 schuldeisers zijn.
  34. Liantis Sociaal Verzekeringsfonds VZW 3.805,68 EUR
  35. BNP PARIBAS FORTIS 1.000.250,86 EUR
  36. Pascal [AB] 570.948,53 EUR
  37. Tom [D] 31.062,32 EUR Op 14 maart 2023 heeft schuldeiser BNP Paribas Fortis aan eiseres q.q. meegedeeld dat er geen rekening meer diende te worden gehouden met de schuldvordering. De aangifte werd aldus ingetrokken. Eiseres q.q. – en dus ook de rechtbank – moet aldus rekening houden met volgende samenstelling van de massa van schuldeisers:
  38. Liantis Sociaal Verzekeringsfonds VZW 3.805,68 EUR
  39. Pascal [AB] 570.948,53 EUR
  40. Tom [D] 31.062,32 EUR Verweerders zullen eigen redenen gehad hebben om het krediet van BNP Parisbas Fortis over te nemen. Het valt op dat verweerders bijzonder karig zijn met uitleg en stavingstukken omtrent de globale regeling met BNP Paribas Fortis. Er wordt geen overeenkomst voorgelegd waaruit de modaliteiten van de schuldovername blijken. Het enige wat de rechtbank vaststelt is dat BNP Paribas Fortis meedeelt dat de curator geen rekening meer moet houden met de ingediende aangifte van schuldvordering. Eerste verweerder argumenteert alsof hij definitief en volkomen in de rechten is getreden van een pandhoudende schuldeiser, doch op basis van de stukken in het dossier kan de rechtbank dit niet vaststellen. Wettelijke of conventionele subrogatie kan niet vastgesteld worden; er ligt geen bewijs voor dat eerste verweerder BNP Paribas Fortis heeft betaald. Het “verder afbetalen” van een schuld – op basis van een eigen aangegane kredietovereenkomst – volstaat hiertoe niet. Er liggen ook geen stukken voor waaruit blijkt dat BNP Paribas Fortis haar schuldvordering op [AB GROEP] heeft overgedragen op verweerders. Er wordt ook geen eigen aangifte van schuldvordering in het faillissement van [AB GROEP], uitgaande van verweerders voorgelegd. 4.
  41. De rechtbank stelt aldus vast dat aan de voorwaarden van artikel XX.112 WER is voldaan. Voor de handelingen bedoeld in artikel XX.112 WER is de niet-tegenwerpelijkheid aan de boedel facultatief. De rechter beschikt over een appreciatiemarge (Cass. 25 mei 1978, Pas. 1978, I, 1090). Gelet echter op de kwade trouw en opzet in hoofde van eerste verweerder, is een sanctie noodzakelijk en dringt herstel in de vorm van niet-tegenwerpelijkheid zich op. Eerste verweerder dient het ontvangene terug te geven, vermeerderd met intresten vanaf de litigieuze handeling gelet op de kwade trouw (artikel 5.122 BW). 4.
  42. Het beantwoorden van het juridisch vraagstuk omtrent het al dan niet “vervallen zijn” van een rekening-courantschuld of van de facturen bestuurdersvergoeding, is niet noodzakelijk om huidige geschil op te lossen. Het volstaat dat de rechtbank over alle geviseerde betalingen heeft vastgesteld dat deze zijn uitgevoerd na staking van betaling, dat de ontvanger kennis had van de staking van betaling en dat de boedel werd benadeeld. Aan de voorwaarden van artikel XX.112 WER is voldaan, zodat de voorwaarden van artikel XX.111 WER (en van artikel XX. 114 WER) niet moeten worden onderzocht. 4.
  43. Eiseres q.q. stelt ook een vordering wegens onrechtmatige daad tegen beide verweerders. Tweede verweerder betreft de vaste vertegenwoordiger van eerste verweerder als bestuurder van [AB GROEP]. Wanneer een rechtspersoon een mandaat opneemt van lid van een bestuursorgaan of dagelijks bestuurder, benoemt hij een natuurlijke persoon als vaste vertegenwoordiger die wordt belast met de uitvoering van dat mandaat in naam en voor rekening van de rechtspersoon. Deze vaste vertegenwoordiger moet aan dezelfde voorwaarden voldoen als de rechtspersoon en is hoofdelijk met hem aansprakelijk alsof hij zelf het betrokken mandaat in eigen naam en voor eigen rekening had uitgevoerd (artikel 2:55 WVV). Een vordering wegens onrechtmatige daad kan naast een pauliaanse vordering ingesteld worden. Ten opzichte van eenieder wiens betrokkenheid bij de pauliaanse handeling een fout uitmaakt, kan door de faillissementscurator een aansprakelijkheidsvordering worden ingesteld. Eerste verweerder heeft als bestuurder van [AB GROEP] een fout in de zin van artikel 1382 (oud) BW begaan door over te gaan tot feitelijke vereffening, zonder besluit van de algemene vergadering. Eerste verweerder heeft als bestuurder van [AB GROEP] een fout in de zin van artikel 1382 (oud) BW gemaakt door op een ogenblik dat insolventie onafwendbaar was, alle liquiditeiten aan zichzelf te betalen wetende dat dit de schuldeisers zou benadelen. Een normaal zorgvuldig bestuurder, geplaatst in dezelfde omstandigheden, zou dergelijke betalingen niet hebben uitgevoerd. Deze fouten staan in oorzakelijk verband tot de schade, zijnde een tekort aan liquide middelen overeenstemmend met de aan eerste verweerder betaalde bedragen, samen 140.977,28 euro. De vordering van de eiseres q.q. lastens eerste verweerder is aldus ook gegrond op basis van artikel 1382 (oud) BW. Tweede verweerder is als vaste vertegenwoordiger hoofdelijk met eerste verweerder aansprakelijk voor de schade begroot op 140.977,28 euro op grond van voormeld artikel 2:55 WVV. 4.
  44. De proceskosten vallen in de regel ten laste van de in het ongelijk gestelde partij (artikel 1017, 1e lid Ger.W.). In casu zijn verweerders de in het ongelijk gestelde partijen. Aan de curator, die uitsluitend optreedt als gerechtelijk mandataris, die de haar bij wet toevertrouwde gemeenschappelijke rechten van het geheel van de schuldeisers uitoefent, komt geen rechtsplegingsvergoeding toe. Artikel 279

(1), 4°, W.Reg. voorziet in een vrijstelling van rolrechten voor alle zaken die ingeleid worden in het kader van Boek XX WER, met betrekking tot de insolventie van ondernemingen. Hiermee wordt niet bedoeld de procedures die een curator voert (deels) op grond van artikel 1382 (oud) BW. Een rolrecht is wel degelijk verschuldigd. V. BESLISSING De rechtbank doet recht op tegenspraak en op grond van alle bovenstaande redenen, alle verdere en meer uitgebreide of strijdige conclusies verwerpende als zijnde niet-gegrond of niet ter zake dienend. Verklaart de vordering van mr.[X] q.q. ontvankelijk en gegrond als volgt: Zegt voor recht dat de betalingen door [AB GROEP] BV aan BV [PAB] op 30 maart 2022 ten belope van 41.714,47 euro, op 31 maart 2022 ten belope van 76.372,65 euro en op 31 mei 2022 ten belope van 22.890,16 euro, niet tegenstelbaar zijn aan de failliete boedel van [AB GROEP] BV. Veroordeelt BV [PAB] en [DAEL] hoofdelijk tot het betalen aan mr. [X] q.q. in haar hoedanigheid van curator van NV [AB GROEP] van een bedrag van 140.977,28 euro, meer de intresten aan de wettelijke intrestvoet vanaf 30 maart 2022 op 41.714,47 euro, vanaf 31 maart 2022 op 76.372,65 euro en vanaf 31 mei 2022 op 22.890,16 euro, dit steeds tot datum algehele betaling. De rechtbank veroordeelt BV [PAB] en [DAEL] hoofdelijk tot de kosten van het geding, aan de zijde van mr. [X] q.q. begroot op 380,26 euro kosten van dagvaarding en tot betaling van het rolrecht begroot op 165 euro aan de Belgische Staat (FOD Financiën) die instaat voor de inning. In toepassing van artikel 4, § 2, lid 1 en 3 en artikel 5, § 1 van de wet van 19 maart 2017 tot oprichting van een Begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand worden BV [PAB] en [DAEL] samen verwezen in de bijdrage van 26,00 euro aan het Begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand. Wijst het anders- of meergevorderde af als ongegrond. Dit vonnis is gewezen door de Ondernemingsrechtbank Gent, afdeling Gent, tweede kamer, samengesteld uit rechter, kamervoorzitter, Vincent Verlaeckt, en de rechters in ondernemingszaken [...] en is op de openbare zitting van 4 november 2025 uitgesproken door rechter, kamervoorzitter Vincent Verlaeckt in aanwezigheid van Ann Vriendt. Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.