id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Ondernemingsrechtbank Gent Vonnis/arrest van 04 november 2025 ECLI nr: ECLI:BE:ORGNT:2025:JUG.20251104.2 Rolnummer: O/23/00402 Rechtsgebied: Insolventierecht - Burgerlijk recht - Overige Invoerdatum: 2025-12-04 Raadplegingen: 273 - laatst gezien 2026-06-17 19:49 Fiche 1 Het overlijden van één van de twee vennoten van een (Nederlandse) VOF heeft in beginsel de ontbinding van de vennootschap tot gevolg. In conclusie gaan partijen eraan voorbij dat de vennoot van de VOF overleden is. Er wordt geen vennootschapscontract tussen de vennoten voorgelegd, zodat de rechtbank de gevolgen van het overlijden van één van de twee vennoten niet kan beoordelen. Het loutere feit dat een curator in onbeheerde nalatenschap werd aangesteld, is niet relevant in het vraagstuk omtrent het procesrechtelijk lot van de VOF. De debatten worden heropend. UTU-thesaurus: HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - INSOLVENTIE Vrije woorden: Gevolgen overlijden vennoot VOF Fiche 2 Het Verjaringsverdrag van 14 juni 1974 behoort tot het Belgisch materieel recht. De toepasselijkheid van het Belgisch recht brengt dus ook de toepassing van het Verjaringsverdrag met zich mee. Dat Nederland geen verdragspartij is bij het Verjaringsverdrag, is niet relevant. Het Verjaringsverdrag is immers ook op indirecte wijze van toepassing indien de regels van internationaal privaatrecht tot gevolg hebben dat het recht van een Verdragsluitende Staat op de koopovereenkomst van toepassing zou zijn (artikel 3, lid 1, (
- b)Verjaringsverdrag). De verjaringstermijn van 4 jaar geldt ook in geval van faillietverklaring van de eisende partij. Voorliggend geschil betreft een zuivere contractuele aangelegenheid waar de curator de contractuele rechten uitput van de gefailleerde jegens een niet-betalende contractspartij. De verjaringstermijn begint niet opnieuw te lopen ten aanzien van de curator. De gevallen waarbij de verjaringstermijn “ophoudt te lopen” zijn opgenomen in de artikelen 13, 14, 15 en 18 Verjaringsverdrag. De loutere faillietverklaring van de schuldeiser wordt niet vermeld. De gevallen waarin de verjaringstermijn “opnieuw [..] begint te lopen” zijn opgenomen in de artikelen 17.2, 19 en 20 Verjaringsverdrag. De loutere faillietverklaring van de schuldeiser wordt niet vermeld. UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - VERJARING (BURGERLIJK RECHT) Vrije woorden: verjaringsverdrag 14 juni 1974 / curator / faillissement schuldeiser Fiche 3 Het vonnis van faillietverklaring heeft tot gevolg dat de niet-vervallen schulden opeisbaar worden ten aanzien van de gefailleerde. Dit heeft tot gevolg dat de rekening-courant wordt afgesloten gezien het juridische onmogelijk is geworden om de uitvoering van het contract voort te zetten. De datum van faillietverklaring geldt voor de opstelling van de rekeningen tussen partijen. Dat de curator niet voorafgaandelijk heeft in gebreke gesteld, maakt niet dat de vordering tot invordering van de rekening-courant onontvankelijk is. Een dagvaarding of enige andere akte waarmee een vordering in rechte wordt ingesteld, wordt beschouwd als een ‘met een aanmaning gelijkgestelde akte'. Vanaf de dagvaarding – die geldt als eerste ingebrekestelling – kan aanspraak gemaakt worden op intresten. UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - GERECHTELIJK RECHT- ALGEMENE BEGINSELEN Vrije woorden: voorafgaandelijke ingebrekestelling door curator / Opeisbaarheid rekening courant bij faillissement Tekst van de beslissing De tweede kamer van de ondernemingsrechtbank Gent – afdeling Gent heeft het volgend vonnis verleend in de zaak van: Mr. [X] q.q., handelend in zijn hoedanigheid van curator over het faillissement van BV [LENS], Eiser q.q. VOF [Optiek BRIL], Eerste verweerster [MIN] Rudy Tweede verweerder Beide hebbende als raadsman: mr. [A] Mr. [Z] q.q., in haar hoedanigheid als curator over de onbeheerde nalatenschap van wijlen [PLUS] Peggy, overleden te Brugge op 30 januari 2024 Verweerster in gedwongen tussenkomst I. INFORMATIE OVER DE PROCEDURE De zaken gekend onder rolnummers O/23/00402 en O/23/00403 werden ingeleid bij dagvaarding van 17 maart 2023 en 29 maart 2023. Op 20 oktober 2023 is tweede verweerder overgegaan tot dagvaarding in gedwongen tussenkomst en vrijwaring in de zaken O/23/00402 en O/23/00403 Partijen namen conclusies. De rechtbank heeft kennis genomen van het rechtsplegingsdossier en de neergelegde stukken. De bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken worden nageleefd. II. SAMENVATTING VAN DE RELEVANTE FEITEN 2.1. Eiser q.q. is curator over het faillissement van de BV [LENS]. De BV [LENS] werd op 6 september 2005 opgericht door tweede verweerder en verweerster in gedwongen tussenkomst, hierna respectievelijk ‘[MIN]’ en ‘[PLUS]’. Zij werden daarbij benoemd als zaakvoerder. Eerste verweerster is een Nederlandse onderneming, VOF [Optiek BRIL], eveneens opgericht door [MIN] en [PLUS] in 1990. VOF [Optiek BRIL] baat een optiekwinkel uit in [A], Nederland. BV [LENS] fungeert als aan- en verkoopschakel in België voor VOF [Optiek BRIL]. 2.2. [MIN] en [PLUS] waren gehuwd. Er waren lange tijd ernstige huwelijksproblemen, minstens sinds 2012; partijen hadden afzonderlijke woonplaatsen, verschillende procedures werden gevoerd en overspel werd vastgesteld door een gerechtsdeurwaarder. Een echtscheiding volgt in 2021. Bijgevolg was de verstandhouding tussen de vennoten van VOF [Optiek BRIL], die dezelfde waren als van BV [LENS], ernstig verstoord. In de feiten bestuurde [MIN] de VOF [Optiek BRIL] in Nederland en bestuurde [PLUS] de BV [LENS] in België. 2.3. Uit een publicatie in de bijlagen van het Belgisch Staatsblad van 6 april 2010, blijkt dat op 13 maart 2010 de bijzondere algemene vergadering van de BV [LENS] heeft beslist het ontslag van [MIN] als bestuurder van BV [LENS] te aanvaarden met ingang van 31 december 2006. [PLUS] blijft sindsdien enige bestuurder van BV [LENS]. 2.4. Na het boekjaar 2016 worden door BV [LENS] geen jaarrekeningen meer neergelegd en andere fiscale verplichtingen niet nagekomen. Op 17 maart 2022 wordt de BV [LENS] door de FOD Financiën gedagvaard in faillissement. De BV [LENS] wordt bij vonnis van deze rechtbank op 19 april 2022 in staat van faillissement verklaard. In het vonnis tot faillietverklaring wordt verwezen naar 109.472,58 euro fiscale schulden in hoofde van BV [LENS]. 2.5. Op 10 juni 2022 stelt eiser q.q. de VOF [Optiek BRIL] in gebreke voor openstaande facturen ten aanzien van de BV [LENS] voor een totaal bedrag van 43.826,18 euro in hoofdsom. In dit schrijven is geen verwijzing naar een rekening-courant. De ingebrekestelling wordt integraal betwist door de accountant van VOF [Optiek BRIL] op 23 juni 2022. Deze betwisting blijft onbeantwoord waarna een rappel wordt verstuurd op 7 september 2022 die vanwege eiser q.q ook onbeantwoord blijft. 2.6. Op 17 maart 2023 dagvaardt eiser q.q. de VOF [Optiek BRIL] en [MIN] voor de invordering van de openstaande facturen ten belope van 43.826,18 euro in hoofdsom. Die zaak is gekend onder rolnummer O/23/403. Op dezelfde dag laat eiser q.q. een tweede dagvaarding betekenen waarbij hij de VOF [Optiek BRIL] en [MIN] dagvaardt voor de invordering van een rekening-courantschuld ten aanzien van de BV [LENS] ten belope van 173.113,84 euro. Die zaak is gekend onder rolnummer O/23/402. 2.7. Op 17 oktober 2023 gaat [MIN] over tot dagvaarding in gedwongen tussenkomst en vrijwaring van [PLUS] in beide zaken. [PLUS] komt te overlijden op 30 januari 2024. Bij beschikking van de rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge, wordt mr. [Z] aangesteld als curator over de onbeheerde nalatenschap van [PLUS]. Mr. [Z.] legt in die hoedanigheid conclusies neer en herneemt – voor zo ver als nodig – het geding in naam van de onbeheerde nalatenschap van [PLUS]. III. DE VORDERINGEN IN O/23/00402 EN O/23/00403 In zaak O/23/00402 3.1. In de conclusies neergelegd op 22 mei 2025 vordert eiser q.q.: “De vordering ontvankelijk, toelaatbaar en gegrond te verklaren, Verweerders solidair te veroordelen tot betaling aan de curatele het bedrag van 173.113,84 EUR, te vermeerderen met de gerechtelijke intresten aan de wettelijke rentevoet vanaf datum dagvaarding tot datum der algehele betaling. Verweerders solidair te veroordelen tot de gerechtskosten aan de zijde van de curator begroot als volgt: • Kosten exploot dagvaarding in debet 140,15 EUR Verweerders solidair, minstens de ene bij gebreke aan de andere, te veroordelen tot de rolrechten jegens de Belgische Staat. Het vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren zonder borgstelling en met uitsluiting van kantonnement.” 3.2. In de conclusies neergelegd op 28 april 2025 vorderen eerste en tweede verwerende partijen: “In hoofdorde de vordering van BV [LENS] in faillissement, vertegenwoordigd door curator mr. [X] q.q. onontvankelijk en ongegrond te verklaren. BV [LENS] in faillissement, vertegenwoordigd door curator mr. [X] q.q. te veroordelen tot de gedingkosten, waaronder een rechtsplegingsvergoeding in hoofde van de heer Rudy [MIN] en VOF [Optiek BRIL] begroot op 4.200 EUR (basisbedrag). In ondergeschikte orde, de tussenvordering in gedwongen tussenkomst en vrijwaring lastens mr. [Z] in haar hoedanigheid als curator over de onbeheerde nalatenschap van wijlen Peggy [PLUS], ontvankelijk en gegrond te verklaren. Dienvolgens haar q.q. in voormelde hoedanigheid te veroordelen tot vrijwaren voor alle bedragen, of minstens de helft van de bedragen, waartoe de heer Rudy [MIN] en/of VOF [Optiek BRIL] zou veroordeeld worden ten aanzien van BV [LENS] in faillissement (oorspronkelijke eisende partij op hoofdvordering). Hierbij haar q.q. te veroordelen tot de gedingkosten, waaronder een rechtsplegingsvergoeding in hoofde van de heer Rudy [MIN] begroot op 1.680 EUR (basisbedrag).” 3.3. In de conclusies neergelegd op 23 maart 2025 vordert verweerster in gedwongen tussenkomst: “Iedere vordering lastens concluante als onontvankelijk, minstens als ongegrond te horen afwijzen. Eiser in tussenkomst en vrijwaring te veroordelen tot alle kosten van het geding, zoals begroot in onderstaande kostenstaat. Kostenstaat RPV : 4.800,00 EUR” In zaak O/23/00403 3.4. In de conclusies neergelegd op 22 mei 2025 vordert eiser q.q.: “De vordering ontvankelijk, toelaatbaar en gegrond te verklaren, Verweerders solidair, minstens ten allerminste de ene bij gebreke aan de andere te veroordelen tot betaling aan de curatele het bedrag van 62.378,42 EUR te vermeerderen met de gerechtelijke intresten aan de wettelijke rentevoet op de hoofdsom 43.826,18 EUR vanaf datum dagvaarding tot datum der algehele betaling. Verweerders solidair, minstens ten allerminste de ene bij gebreke aan de andere te veroordelen tot de gerechtskosten aan de zijde van de curator begroot als volgt: Kosten exploot dagvaarding in debet 47,90 EUR Verweerders solidair, minstens ten allerminste de ene bij gebreke aan de andere te veroordelen tot de rolrechten jegens de Belgische Staat. Het vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren zonder borgstelling en met uitsluiting van kantonnement.” 3.5. In de conclusies neergelegd op 22 mei 2025 vorderen eerste en tweede verwerende partijen: “In hoofdorde de vordering van BV [LENS] in faillissement, vertegenwoordigd door curator mr. [X] q.q. ontvankelijk doch ongegrond te verklaren. BV [LENS] in faillissement, vertegenwoordigd door curator mr. [X] q.q. te veroordelen tot de gedingkosten, waaronder een rechtsplegingsvergoeding in hoofde van de heer Rudy [MIN] en VOF [Optiek BRIL] begroot op 4.200 EUR (basisbedrag). In ondergeschikte orde, de tussenvordering in gedwongen tussenkomst en vrijwaring lastens mr. [Z] in haar hoedanigheid als curator over de onbeheerde nalatenschap van wijlen Peggy [PLUS], ontvankelijk en gegrond te verklaren. Dienvolgens haar q.q. in voormelde hoedanigheid te veroordelen tot vrijwaren voor alle bedragen, of minstens de helft van de bedragen, waartoe de heer Rudy [MIN] en/of VOF [Optiek BRIL] zou veroordeeld worden ten aanzien van BV [LENS] in faillissement (oorspronkelijke eisende partij op hoofdvordering). Hierbij haar q.q. te veroordelen tot de gedingkosten, waaronder een rechtsplegingsvergoeding in hoofde van de heer Rudy [MIN] begroot op 1.680 EUR (basisbedrag).” 3.6. In de conclusies neergelegd op 23 maart 2025 vordert verweerster in gedwongen tussenkomst: “Iedere vordering lastens concluante als onontvankelijk, minstens als ongegrond te horen afwijzen. Eiser in tussenkomst en vrijwaring te veroordelen tot alle kosten van het geding, zoals begroot in onderstaande kostenstaat. Kostenstaat RPV : 4.800,00 EUR” IV. DE BEOORDELING IV.A. SAMENHANG 4.1. Er is sprake van samenhang wanneer eisen onderling zo nauw verbonden zijn dat het wenselijk is ze samen te behandelen en te berechten, om onverenigbare oplossingen bij een afzonderlijke behandeling te vermijden (artikel 30 Ger.W.). Het is de rechter die op onaantastbare wijze oordeelt of de zaken al dan niet samen worden gevoegd wegens samenhang. De rechtbank stelt hierbij vast dat de partijen in beide zaken dezelfde zijn en dat de feiten gelijklopend zijn. Met het oog op een goede rechtsbedeling is het aangewezen om de vorderingen in beide zaken als samenhangend te beschouwen. Partijen verklaren ter zitting geen bezwaar te hebben tegen samenvoeging. De zaken O/23/00402 en O/23/00403 worden gevoegd. IV.B. STUKKEN 4.2. Volgens de inventaris van stukken – vermeld op de kaft van het stukkenbundel van [MIN], neergelegd op 7 mei 2025, in de zaak O/23/00402 – wordt onder stuk 1b de boekhouding van de VOF [Optiek BRIL] van het boekjaar 2016 opgenomen. In conclusies verwijst [MIN] ook naar cijfers uit deze boekhouding van 2016. De rechtbank stelt echter vast dat in beide zaken stuk 1b de boekhouding betreft van boekjaar 2012 en niet van 2016. Nochtans is de boekhouding 2016 van VOF [Optiek BRIL] een bewijs van een ter zake dienend feit, noodzakelijk ter oplossing van het geschil. 4.3. De rechtbank stelt vast dat het stukkenbundel van eiser q.q. verschillende stukken bevat waarbij op de achterzijde teksten en afbeeldingen zijn aangebracht die geen aansluiting lijken te vinden met de voorzijde. Zo worden op de achterzijde mailberichten aan personen die de rechtbank niet kan plaatsen in deze casus, weergegeven. Het is niet aan de rechtbank te bepalen wat al dan niet als “kladpapier” in een stukkenbundel moet aanzien worden. 4.4. De debatten worden onder meer om deze redenen heropend. IV.C. OVERLIJDEN VENNOOT VOF 4.5. Eiser q.q. vordert in de gevoegde zaken, betaling van 43.826,18 euro uit hoofde van openstaande facturen en 173.113,84 euro uit hoofde van een rekening-courant schuld van VOF [Optiek BRIL], een vennootschap onder firma naar Nederlands recht. [MIN] en [PLUS] waren de vennoten van de VOF [Optiek BRIL] Vennoten van een VOF naar Nederlands recht zijn onbeperkt aansprakelijk voor de schulden van de vennootschap (artikel 18 WvK). Op grond hiervan heeft eiser q.q. ook [MIN] mee gedagvaard op 17 maart 2023 tot betaling van vermeende schulden van de VOF. Er wordt een uittreksel uit het Nederlands handelsregister van 5 januari 2024 voorgelegd waarin [MIN] en [PLUS] worden vermeld als enige vennoten van de VOF sinds 1997. Er liggen geen stukken voor waaruit zou blijken dat [PLUS] zou zijn uitgetreden als vennoot. In conclusie gaan partijen eraan voorbij dat mevrouw [PLUS] is overleden op 30 januari 2024. Het overlijden van één van de twee vennoten van een (Nederlandse) VOF heeft in beginsel de ontbinding van de vennootschap tot gevolg. Er wordt geen vennootschapscontract tussen [MIN] en [PLUS] voorgelegd, zodat de rechtbank de gevolgen van het overlijden van één van de twee vennoten niet kan beoordelen. Mogelijk heeft het overlijden van [PLUS] als vennoot van de VOF een invloed op de beoordeling van deze casus. In tegenstelling tot wat partijen lijken aan te nemen, is het loutere feit dat een curator in onbeheerde nalatenschap werd aangesteld, niet relevant in het vraagstuk omtrent het lot van de VOF. De rechtbank heropent ambtshalve de debatten om partijen toe te laten standpunt hierover in te nemen. IV.D. GEBREK AAN VOORAFGAANDELIJKE INGEBREKESTELLING IN O/23/00402 4.6. Eiser q.q. vordert de veroordeling tot betaling van VOF [Optiek BRIL] en [MIN] voor een openstaande rekening-courant ten bedrage van 173.113,84 euro. VOF [Optiek BRIL] en [MIN] stellen dat die vordering onontvankelijk is omdat hiervoor geen ingebrekestelling werd verstuurd. Zij verwijzen onder meer naar een cassatiearrest van 9 april 1976 (Arr.Cass. 1976, 921) en naar de artikelen 5.83, 3de lid en 5.231, 2de lid BW en de artikelen 1139, 1146 en 1153 (oud) BW. De rechtbank stelt inderdaad vast dat er geen ingebrekestelling werd gestuurd tot betaling van een saldo op rekening-courant. De ingebrekestelling van 10 juni 2022 uitgaande van eiser q.q. heeft enkel betrekking op openstaande facturen. 4.7. Een rekening-courant is een overeenkomst tussen twee partijen, al dan niet handelaars, die met elkaar in regelmatige betrekkingen zijn en die overeenkomen dat alle wederzijdse schuldvorderingen voortkomende uit die betrekkingen — en die zeker, vaststaand en geoorloofd zijn en slaan op onderling vervangbare zaken — opgenomen worden in één rekening waarvan alleen het saldo opeisbaar is bij het afsluiten van de rekening. Op het einde van het boekjaar wordt het saldo van de rekening-courant vastgesteld, waarop dan desgevallend de ‘wettelijke intresten rekening-courant’ zijn verschuldigd. Bij de start van het nieuwe boekjaar wordt de schuld vervolgens hernieuwd. Een rekening-courant is niet opeisbaar zolang deze niet is afgesloten (HvB Gent 23 februari 2015, DAOR 2015, afl. 114, 128; HvB Brussel 27 september 2012, TBH 2014, afl. 9, 866). Het vonnis van faillietverklaring heeft tot gevolg dat de niet-vervallen schulden opeisbaar worden ten aanzien van de gefailleerde (XX.116 WER). Dit heeft tot gevolg dat de rekening-courant wordt afgesloten gezien het juridische onmogelijk is geworden om de uitvoering van het contract voort te zetten. De datum van faillietverklaring geldt voor de opstelling van de rekeningen tussen partijen (Luik 15 oktober 2002, TBH 2004, afl. 2, 138). 4.8. Het wordt niet betwist dat geen formele ingebrekestelling voor de openstaande rekening-courant gebeurde vanwege de curator. Echter, VOF [Optiek BRIL] en [MIN] kunnen niet gevolgd worden waar zij stellen dat dit zou leiden tot de onontvankelijkheid van de vordering zoals deze gesteld is door eiser q.q. Eiser q.q. vordert enkel (moratoire) intresten vanaf datum dagvaarding. Eiser q.q. beoogt geen contractuele sancties voor de periode voorafgaand aan de inleidende dagvaarding. Een dagvaarding of enige andere akte waarmee een vordering in rechte wordt ingesteld, wordt beschouwd als een ‘met een aanmaning gelijkgestelde akte’ (Cass. 27 maart 2000, Pas. 2000, I, 643; Cass. 25 februari 1993, RW 1993-94, 126). De verbintenis tot betalen blijft bestaan, ook zonder ingebrekestelling. Door te dagvaarden wordt gevraagd de betalingsverplichting te voldoen. Vanaf de dagvaarding – die geldt als eerste ingebrekestelling – kan aanspraak gemaakt worden op intresten. 4.9. Dat het Hof van Cassatie een voorafgaande ingebrekestelling alvorens toepassing te kunnen maken van een sanctie, tot een algemeen rechtsbeginsel heeft gemaakt (Cass. 9 april 1976, Arr.Cass.1976, 921) doet hieraan geen afbreuk, evenmin de artikelen 1153 oud BW, 5.83 en 5.231 BW. De door verweerder gemaakte verwijzing naar rechtsleer met betrekking tot ingebrekestellingsbedingen is niet relevant. De rechtbank kan niet vaststellen dat eiser q.q. niet ter goeder trouw zou gehandeld hebben of rechtsmisbruik zou gepleegd hebben. Derhalve is de vordering tot veroordeling tot betaling door VOF [Optiek BRIL], [PLUS] en [MIN] voor een openstaande rekening-courant ten bedrage van 173.113,84 EUR niet onontvankelijk om loutere reden van het gemis aan voorafgaande ingebrekestelling IV.E. WAT BETREFT DE VERJARING IN ZAAK O/23/00403 4.10. In de zaak O/23/00403 vordert eiser q.q. betaling van vermeende openstaande facturen uitgaande van gefailleerde BV [LENS], gericht aan VOF [Optiek BRIL]. Gefailleerde BV [LENS] was gevestigd in België, VOF [Optiek BRIL] in Nederland. Verweerders stellen dat (enkel) deze vordering is verjaard. Zij verwijzen naar The Convention on the Limitation Period in the International Sale of Goods oftewel het verdrag van 14 juni 1974 inzake de bevrijdende verjaring bij internationale koop van roerende zaken en het Protocol van 11 april 1980 houdende wijziging van dit verdrag (hierna het “Verjaringsverdrag”). Zie hierover onder andere: - B. Tilleman, “Conformiteit onder het Weens Koopverdrag. Termijnen voor niet-conformiteit” in B. Tilleman, Overeenkomsten. Deel 2. Bijzondere overeenkomsten. A. Koop. Deel 2. Gevolgen van de koop, Wolters Kluwer Belgium, 2022, 692; - B.Tilleman en G. Velghe, “Recente ontwikkelingen in het kooprecht (2008-2011)”, Themis 67 - Bijzondere Overeenkomsten, Die Keure, 2011, 77. - B. Van Baeveghem, “Vorderingen uit internationale koopovereenkomsten van roerende zaken verjaren na vier jaar” in TvW 2009/1, Die Keure, 47-48; - D. Deferme, “Hoofdstuk 9. Verjaring” in B. Devolder en B. Tilleman, Recht en onderneming 56 – Weens Koopverdrag, Die Keure, 2022, 1183, nr. 1738; 4.11. De kwestieuze facturen hebben betrekking op verkoop van brillen en toebehoren door een vennootschap gevestigd in België (verkoper) aan een vennootschap gevestigd in Nederland (koper). De facturen bevatten geen algemene of bijzondere voorwaarden, minstens worden deze niet voorgelegd. Het toepasselijk recht wordt bepaald door de Verordening (EG) Nr. 593/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2008 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst (hierna de ‘Rome I-Verordening’). Krachtens artikel 12, eerste lid,
- d)Rome I-Verordening wordt de verjaring van de verbintenissen beheerst door het recht dat ingevolge de Rome I-Verordening van toepassing is. Overeenkomstig artikel 4 van de Rome I-Verordening wordt bij gebreke van een rechtskeuze, de overeenkomst voor de verkoop van roerende zaken beheerst door het recht van het land waar de verkoper zijn gewone verblijfplaats heeft, in casu België. Het Belgisch recht is van toepassing. 4.12. Bij wet van 15 juli 2008 is België toegetreden tot het Verjaringsverdrag. Het Verjaringsverdrag behoort tot het Belgisch materieel recht. De toepasselijkheid van het Belgisch recht brengt dus ook de toepassing van het Verjaringsverdrag met zich mee. Dat Nederland geen verdragspartij is bij het Verjaringsverdrag, is niet relevant. Het Verjaringsverdrag is immers ook op indirecte wijze van toepassing indien de regels van internationaal privaatrecht tot gevolg hebben dat het recht van een Verdragsluitende Staat op de koopovereenkomst van toepassing zou zijn (artikel 3, lid 1, (
- b)Verjaringsverdrag). Zoals gesteld is het Belgisch recht van toepassing en België is verdragspartij bij het Verjaringsverdrag. Het verjaringsverdrag is onder meer van toepassing op internationale koopovereenkomsten betreffende roerende lichamelijke zaken. Het leveren van brillen en toebehoren vanuit België aan Nederland wordt hieronder begrepen (artikel 1 Verjaringsverdrag). 4.13. Krachtens artikel 8 van het Verjaringsverdrag is de toepasselijke verjaringstermijn vier jaar. De verjaringstermijn voor een vordering tot betaling van facturen vangt aan bij het verstrijken van de betalingstermijn, meer bepaald vanaf de vervaldatum van de facturen (artikel 9 en 10.1 Verjaringsverdrag). De betaaltermijn van de facturen bedraagt 14 dagen. De laatste factuur dateert van 31 oktober 2018. De verjaringstermijn is aangevangen op 14 november 2018. Dit zou betekenen dat de verjaring zou zijn ingetreden op 14 november 2022 (zie evenwel randnummer 4.17). Eiser q.q. – die werd aangesteld als curator op 19 april 2022 – is pas overgegaan tot dagvaarding op 17 maart 2023. Meer dan 4 jaar na het verstrijken van de betalingstermijn. 4.14. Krachtens artikel 13 Verjaringsverdrag houdt de verjaringstermijn op te lopen wanneer de schuldeiser enige handeling verricht die, krachtens het recht van het gerecht waarbij de zaak aanhangig is gemaakt, wordt beschouwd als de inleiding van een gerechtelijke procedure tegen de schuldenaar. Hetzelfde geldt wanneer de schuldeiser in de loop van een reeds ingezette procedure een vordering instelt waaruit zijn wil blijkt om zijn recht tegen de schuldenaar te doen gelden. Een dagvaarding ten gronde tot veroordeling tot een geldsom betreft een handeling tot inleiding van een gerechtelijke procedure tegen de schuldenaar. Echter, op het ogenblik van de dagvaarding op 17 maart 2023 was de vordering reeds verjaard (zie evenwel randnummer 4.17). Overeenkomstig artikel 15 Verjaringsverdrag houdt de verjaringstermijn op te lopen wanneer de schuldeiser zijn recht doet gelden door een vordering in faillietverklaring van zijn schuldenaar te stellen of door de faillietverklaring van de schuldenaar op vordering van een derde. Echter, in casu is de schuldeiser failliet, niet de schuldenaar, zodat artikel 15 geen toepassing vindt. Zelfs als zou blijken dat de VOF [Optiek BRIL] is ontbonden door het overlijden van [PLUS] op 30 januari 2024 – en dat dan de verjaringstermijn “ophoudt te lopen” –, dan nog moet vastgesteld worden dat de reguliere verjaringstermijn van 4 jaar reeds verstreken was op 14 november 2022. 4.15. Eiser q.q. argumenteert dat hij als curator niet eerder dan 19 april 2022, dag van zijn aanstelling en faillietverklaring, een vordering “kon” stellen. Artikel 9 Verjaringsverdrag stelt immers dat de verjaringstermijn pas loopt vanaf de datum waarop de vordering door de schuldeiser “kan” worden ingesteld. Eiser q.q. verwijst nog naar artikel 2251 (oud) BW en Cass. 2 maart 2017, F.12.0056.F ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170302.2. De rechtbank volgt deze redenering niet. Voorliggend geschil betreft een zuivere contractuele aangelegenheid waar de curator de contractuele rechten uitput van de gefailleerde jegens een niet-betalende contractspartij. De verjaringstermijn begint niet opnieuw te lopen ten aanzien van de curator. De theorie inzake aanvang van verjaringstermijnen bij onrechtmatige daad en een vordering in bestuurdersaansprakelijkheid door een curator is in deze niet relevant. 4.16. Het verjaringsverdrag is niet opgesteld in termen van “stuiting” en “schorsing”. De gevallen waarbij de verjaringstermijn “ophoudt te lopen” zijn opgenomen in de artikelen 13, 14, 15 en 18 Verjaringsverdrag. De loutere faillietverklaring van de schuldeiser wordt niet vermeld. De gevallen waarin de verjaringstermijn “opnieuw [..] begint te lopen” zijn opgenomen in de artikelen 17.2, 19 en 20 Verjaringsverdrag. De loutere faillietverklaring van de schuldeiser wordt niet vermeld. 4.17. Echter, overeenkomstig artikel 20 Verjaringsverdrag begint een nieuwe verjaringstermijn van vier jaar te lopen vanaf de datum waarop de schuldenaar vóór het verstrijken van de verjaringstermijn schriftelijk zijn verplichting jegens de schuldeiser erkent. Ook de betaling van interesten of de gedeeltelijke nakoming van een verbintenis door de schuldenaar heeft hetzelfde gevolg als een erkenning, indien uit deze betaling of uit deze nakoming redelijkerwijs kan worden afgeleid dat de schuldenaar zijn verbintenis erkent. Tussen partijen is voortdurende verrekening geweest van wederzijdse facturen. Aan partijen wordt gevraagd standpunt te willen innemen met betrekking tot artikel 20 Verjaringsverdrag. IV.F. VORDERING REKENING-COURANT 4.18. Eiser q.q. vordert betaling van een vermeende openstaande rekening-courant ten aanzien van VOF [Optiek BRIL] ten belope van 173.458,84 euro. 4.19. Verweerders betwisten deze aanspraak. Zij argumenteren dat er een samenwerking bestond tussen BV [LENS] en VOF [Optiek BRIL]. Dit waren beide vennootschappen van het echtpaar [MIN] – [PLUS]. De Nederlandse vennootschap zou gebruikt zijn voor klanten in Nederland en de Belgische vennootschap voor de aan- en doorverkoop in België. Tussen de vennootschappen zou voortdurende verrekeningen aan de hand van doorfacturatie met marge en commissies gebeuren. Er zou geen schuld aan BV [LENS] bestaan. Door lang aanslepende echtelijke moeilijkheden zou reeds vóór de formele echtscheiding de feitelijke situatie geëvolueerd zijn dat [MIN] de VOF [Optiek BRIL] verderzette en dat [PLUS] als enige bestuurder de BV [LENS] verderzette. [PLUS] zou door bepaalde persoonlijke problemen haar bestuurstaken binnen BV [LENS] verwaarloosd hebben waardoor de boekhouding van BV [LENS] niet accuraat werd gevoerd. Zo liet [PLUS] na om vanaf boekjaar 2016 nog jaarrekeningen voor BV [LENS] neer te leggen en zouden de actuele (voornamelijk fiscale) schulden van BV [LENS] enkel het gevolg zijn van de nalatigheid van [PLUS] als bestuurder. [MIN] stelt dat de boekhouding van VOF [Optiek BRIL] wel accuraat werd bijgehouden door hemzelf, dat in die boekhouding wel de verrekeningen tussen beide vennootschappen steeds nauwkeurig werden bijgehouden en dat alle stavingstukken wel werden geboekt, in tegenstelling tot de administratieve situatie binnen BV [LENS]. Tenslotte wijst [MIN] erop dat dat hij geen zaakvoerder/bestuurder meer is van BV [LENS] sinds 2010 en dat eiser q.q. niet zomaar de boekhouding van BV [LENS] aan hem kan tegenwerpen in 2022. 4.20. Eiser q.q. steunt zijn vordering op de neergelegde jaarrekening voor de BV [LENS] van het boekjaar eindigend per 30 juni 2016 (stuk 4 eiser q.q.). - De jaarrekening werd goedgekeurd door de algemene vergadering van 6 juli 2017 en neergelegd op 20 juli 2017. In deze jaarrekening staat onder post 41 “overige vorderingen” een bedrag van 173.458,00 euro uitgedrukt. - Eiser q.q. brengt een (interne) balans voor per 30 juni 2016 waar onder “B. Overige vorderingen” de totaalsom van 173.458,13 euro wordt uitgesplitst tussen “NTB KB OP IF” ten belope van 344,29 euro en “R/C [OPTIEK BRIL]” ten belope van 173.113,84 euro (cfr. negatief saldo op boekhoudrekening 489100). - In de bijlagen bij de balans (stuk 3 eiser q.q.) wordt een historiek van de “R/C [Optiek BRIL]” gevoegd, waaruit blijkt dat de rekening-courant op 1 juli 2015 een bedrag vertoonde van 213.865,85 euro in het voordeel van BV [LENS] en na een reeks van transacties, de rekening-courant op 30 juni 2016 een bedrag vertoonde van 173.113,84 euro in het voordeel van BV [LENS]. De rekening-courant wordt gebruikt voor het boeken van wederzijds aankopen en ontvangsten van elkanders klanten. - Tenslotte legt eiser q.q. onder zijn stuk 4 een brief voor, gedateerd 19 januari 2017, van de toenmalige accountant gericht aan BV [LENS]. In dit schrijven wordt door de accountant gewezen op enerzijds de rekening-courantstand van 173.113,84 euro ten opzichte van VOF [Optiek BRIL] doch anderzijds ook op het ontbreken van verschillende stavingstukken in het kader van de afrekening tussen beide vennootschappen. In conclusie stelt eiser q.q. over zijn eigen stukken summier “een goedgekeurde jaarrekening is een bindend bewijs” en “bovendien is de jaarrekening 30.6.2016 goedgekeurd door dezelfde achtermannen van de debiteur rekening courant. Zij hebben deze goedgekeurd!”. 4.21. Eiser q.q. stelt over de vordering van 173.113,84 euro dat “geen ernstige discussie [kan] gevoerd worden”. De door verweerders gemaakte opmerkingen omschrijft eiser q.q. als een “fameuze verrekeningsconstructie” die “kant noch wal [raakt]” waarbij hij stelt dat verweerders “met stukken […] goochelen”. De rechtbank is hiervan niet overtuigd. Een heropening van debatten dringt zich (opnieuw) op. 4.22. Het wordt niet betwist dat er een samenwerking bestond tussen VOF [Optiek BRIL] en BV [LENS] met doorfacturatie en commissies op aan- en verkopen. Uit het schrijven, gedateerd op 19 januari 2017, van de toenmalige accountant van BV [LENS] kan minstens afgeleid worden dat belangrijke (staving)stukken en overeenstemmende boekingen ontbraken in de boekhouding van BV [LENS], in bijzonder wat betreft de onderlinge relatie tussen VOF [Optiek BRIL] en BV [LENS]. Dit zowel in de boekhouding over het boekjaar 2016 alsook met betrekking tot eerdere boekjaren. Eiser q.q. stelt in zijn conclusie dat de jaarrekening “gestaafd is door diverse concordante onderliggende stukken”. De eigen accountant van BV [LENS] stelt evenwel zelf dat er beduidende correcties werden geboekt zonder stavingstukken en dat “dit problemen kan opleveren bij een mogelijke controle”. Er wordt melding gemaakt van het ontbreken van creditnota’s ten gunste van VOF [Optiek BRIL] en het niet geboekt zijn van aankoopfacturen uitgaande van VOF [Optiek BRIL]. Dit schrijven sluit aan bij de bewering van [MIN] dat [PLUS] als bestuurder van de BV [LENS] de boekhouding niet nauwkeurig voerde en dat dit bewijswaarde van de boekhouding aantast. Dat [PLUS] haar bestuur heeft verwaarloosd blijkt alvast uit het gegeven dat zij na 2016 geen enkele jaarrekening meer heeft neergelegd voor BV [LENS]. De feitenrechter beoordeelt nog steeds vrij de wettelijke bewijswaarde van de gegevens uit de boeken en kan bijgevolg oordelen dat de boeken eenzijdig, onvolledig of onnauwkeurig zijn (Cass. 3 december 2007, RW 2010-11, afl. 9, 382). Dit geldt des te sterker wanneer blijkt dat er een ernstig verstoorde relatie bestaat met de persoon aan wie men de boekhouding wil tegenwerpen, wanneer de eigen boekhouder aangeeft dat tal van bewijsstukken ontbreken en boekingen zonder stukken zijn verricht, of wanneer wordt vastgesteld dat vijf opeenvolgende jaarrekeningen ontbreken en sprake is van administratieve verwaarlozing. 4.23. Eiser q.q. verwijst naar de balans 2016 van BV [LENS], doch neemt enkel de post “R/C [Optiek BRIL]” ten belope van 173.113,84 euro in overweging. Echter, de rechtbank stelt vast dat deze balans ook nog andere posten bevat die partijen onbesproken laten: 4.23.1. Een post “op te maken creditnota’s” ten belope van 88.034,15 euro (rek. 444100, stuk 1 eiser q.q.). In stuk 2 van eiser q.q. wordt het detail van de op te maken creditnota’s opgenomen. Er lijkt te kunnen vastgesteld worden dat er minstens nog 60.322,73 euro in het voordeel van VOF [Optiek BRIL] moet geboekt worden ofwel dat BV [LENS] nog voor 60.322,73 euro creditnota’s moet uitreiken aan VOF [Optiek BRIL]. 4.23.2. Een post “te ontvangen facturen / (NTB IF)” ten belope van 57.944,77 euro (rek. 444000, stuk 1 eiser q.q.). Met “NTB IF” wordt bedoeld “nog in te boeken inkoopfacturen”. In stuk 2 van eiser q.q. wordt het detail van de nog te boeken aankoopfacturen opgenomen. Er lijkt te kunnen vastgesteld worden dat er nog minstens 21.958,04 euro en 24.590,00 euro, samen 46.548,04 euro, in het voordeel van VOF [Optiek BRIL] moet geboekt worden. Uit de historiek van de rekening-courant “[Optiek BRIL]” die eiser q.q. in casu wil invorderen, lijkt te kunnen worden vastgesteld dat in het verleden wederzijdse facturatie tussen de vennootschappen op deze rekening-courant werd verrekend, wat schijnbaar nog niet was gebeurd bij het afwerken van de jaarrekening 2016 met betrekking tot de “te ontvangen facturen / (NTB IF)”. 4.23.3. Een post “rekening-courant zaakvoerders” ten belope van 69.797,04 euro in het voordeel van de zaakvoerder(s), te betalen door BV [LENS]. De rechtbank brengt in herinnering dat [MIN] en [PLUS] nog steeds gehuwd waren in 2016 en dat thans van hen rechtstreeks betaling wordt gevraagd. Samen betreft dit 176.667,81 euro (69.797,04 euro + 60.322,73 euro + 46.548,04 euro). 4.23.4. Hieruit zou kunnen afgeleid worden dat uit de jaarrekening 2016 van BV [LENS] enerzijds een vordering op verweerders ten belope van 173.113,84 euro blijkt, doch dat evenzeer in diezelfde jaarrekening 2016 een schuld aan verweerders ten belope van 176.667,81 euro per 30 juni 2016 uitgedrukt staat. Gezien deze vaststellingen niet eerder werden opgeworpen, is het gepast de debatten te heropenen. Aan eiser q.q. wordt gevraagd concreet en per post, standpunt te willen innemen over deze vaststellingen door de rechtbank in het licht van de gestelde vordering. De rechtbank brengt in herinnering dat een onderneming in boekhoudkundige stukken buitengerechtelijke bekentenissen kunnen opnemen. 4.24. Om het toekomstig debat beter af te lijnen, wijst de rechtbank er verder nog op dat [MIN] minstens sinds 13 maart 2010 geen bestuurder van BV [LENS] meer was en dat sindsdien [PLUS] enige bestuurder was. Uit geen enkel stuk in het dossier kan afgeleid worden dat [MIN] betrokken was bij het voeren van de boekhouding van BV [LENS] na de datum van zijn ontslag in 2010. De jaarrekening van 2016 – het stuk waarop eiser q.q. zijn vordering op baseert – zou zijn goedgekeurd door de algemene vergadering van aandeelhouders van 6 juli 2017. [MIN] betwist dit en wijst naar de totale verwaarlozing van het bestuur door [PLUS] na zijn ontslag en huwelijksproblemen. [MIN] stelt dat in werkelijkheid geen algemene vergaderingen werden gehouden en dus niets werd goedgekeurd. Eiser q.q. stelt dat de jaarrekeningen zijn “goedgekeurd” door [MIN]. Eiser q.q. legt echter geen enkel stuk voor waaruit dit zou blijken. Door eiser q.q. worden geen notulen van de algemene vergadering van 6 juli 2017 voorgelegd of enige andere notulen of stukken waarin [MIN] verschijnt. Uitnodigingen van algemene vergaderingen van BV [LENS] worden niet voorgelegd. Ter zitting kon eiser q.q. niet bevestigen dat hij aan de fiscale administratie heeft verzocht om de (wellicht getekende) notulen van de algemene vergadering, gevoegd door BV [LENS] bij de fiscale aangifte 2016 (of latere), over te maken. Dergelijke stukken die door de vennootschap in tempore non suspecto (in onverdachte tijden) worden neergelegd, kunnen nochtans één en ander verduidelijken. Ter zitting kon eiser q.q. niet bevestigen of hij de uiteenzetting nopens de samenwerking en verrekening tussen BV [LENS] en VOF [Optiek BRIL] heeft voorgelegd of afgetoetst met het accountancy-kantoor Fiscocount, zijnde de laatste gekende boekhouder van BV [LENS]. IV.G. HEROPENING VAN DEBATTEN 4.25. De procespartijen zijn verplicht de gepaste ijver aan de dag te leggen om de zaak te doen vooruitgaan en in staat van wijzen te brengen. Partijen zijn ertoe gehouden in hun conclusies alle middelen voor te dragen die hun eis of verweer kunnen schragen (zie ook Cass. 3 januari 1980, Arr.Cass. 1979, 510). Het is niet aan de rechtbank om door middel van tussenvonnissen een zaak in staat te laten stellen. Een burgerlijk proces verloopt in beginsel niet in verschillende fases, maar partijen moeten het wel minstens voor de rechtbank mogelijk maken ernstig te kunnen oordelen op basis van conclusies en stukkenbundels. De rechtbank ziet zich genoodzaakt de debatten te heropenen. Enerzijds om partijen standpunten te laten innemen met betrekking tot verschillende punten en anderzijds om stukken te laten voorleggen: - Aan partijen wordt gevraagd standpunt in te nemen over de gevolgen van het overlijden van vennoot [PLUS] met betrekking tot de VOF [Optiek BRIL], in relatie met de gestelde vorderingen in deze procedure. - Aan partijen wordt gevraagd de vennootschapsovereenkomst van de VOF [Optiek BRIL] voor te leggen. - Aan eiser q.q. wordt gevraagd standpunt te nemen met betrekking tot de vaststellingen uiteengezet in randnummer 4.23. - Aan eiser q.q. wordt gevraagd te verduidelijken van welke stavingstukken de bedrukte achterzijde deel uitmaakt van zijn stukkenbundel waarop de rechtbank acht mag slaan. - Aan eiser q.q. wordt gevraagd de notulen en het jaarverslag van de bestuurder voor te leggen van (minstens) de algemene vergadering van BV [LENS] van 6 juli 2017. - Aan eiser q.q. wordt gevraagd de laatst gekende (en geboekte) versie van de interne jaarrekening van BV [LENS] voor te leggen, minstens een van Fiscocount ontvangen overzicht of verklaring voor te leggen met betrekking tot de laatste stand van de onderlinge schuldpositie, gestaafd met stukken uit de boekhouding (zoals journalen of historieken). - Eiser q.q. vordert betaling en verwijst in conclusie naar “achtermannen en bestuursorganen die aan de teugels trekken, zowel aan de zijde van de schuldenaar aks aan de zijde van de schuldeiser”. Eiser q.q. maakt meermaals gewag van “fouten” van verweerder(
- s)en maakt verwijzingen naar “fraus omnia corrumpit”, “Nemo auditur propriam turpitudinem allegans”, “de belangen van de boedel der schuldeisers [die] zijn van openbare orde en primeren”, “rookgordijn” en “constructies”. Aan eiser q.q. wordt gevraagd in het licht van de verplichte ambtshalve aanvulling van rechtsgronden door de rechtbank, duidelijkheid te scheppen of hij zijn vordering tot betaling enkel steunt op contractuele gronden dan wel op een extra-contractuele grondslag. - Aan tweede verweerder en verweerster in gedwongen tussenkomst en vrijwaring wordt gevraagd mee te delen en desgevallend te staven met stukken: o datum echtscheiding [MIN]-[PLUS]; o het huwelijksstelsel waaronder zij gehuwd waren en of het huwelijksvermogen al vereffend is, mee te delen wat; o en wat zijn/haar aandelenbezit in de BV [LENS] en VOF [Optiek BRIL] was/is. - In het schrijven van 23 juni 2022 wordt door eerste en tweede verweerder uiteengezet dat er in 2017 en 2018 verrekening gebeurd is met de openstaande facturen van BV [LENS] ten belope van 43.826,18 euro. VOF [Optiek BRIL] zou een vordering gehad hebben van 44.745,45 euro. In dit schrijven wordt verwezen naar “bijlagen”. Echter, de rechtbank stelt vast dat de facturen ten belope van 44.745,45 euro niet gevoegd zijn. De rechtbank beveelt eerste en tweede verweerder de overeenstemmende facturen ten belope van 44.745,45 euro, gericht aan BV [LENS], voor te leggen. - De rechtbank beveelt eerste en tweede verweerder een historiek voor te leggen van de door VOF [Optiek BRIL] boekhoudkundig verwerkte en ingeboekte (onderlinge) in- en verkoopfacturen van/aan BV [LENS] en dit voor de jaren 2016, 2017 en 2018. - In conclusie én inventaris verwijzen eerste en tweede verweerder naar de boekhouding van VOF [Optiek BRIL] over het boekjaar 2016. Deze boekhouding is niet gevoegd in het bundel. Wel werd in stukkenbundel een “accountantsrapport inzake financiële verslaggeving over het jaar 2012” gevoegd. De rechtbank beveelt eerste en tweede verweerder het correcte “accountantsrapport inzake financiële verslaggeving over het jaar 2016” voor te leggen. - De rechtbank beveelt eerste en tweede verweerder een historiek voor te leggen uit de boekhouding van de VOF [Optiek BRIL] van de rekening-courantstand tussen VOF [Optiek BRIL] en BV [LENS] in periode 2015 tot en met 2020. - Aan alle partijen wordt gevraagd standpunt in te nemen over de hoegrootheid van de rechtsplegingsvergoeding en over het gegeven dat een faillissementscurator en een curator in onbeheerde nalatenschap procespartijen zijn. Het debat zal integraal hernomen worden. Partijen kunnen bijkomende informatie of stukken aanleveren en moeten zich in conclusie niet beperken tot bovenstaande punten. V. BESLISSING De rechtbank doet recht op tegenspraak en op grond van alle bovenstaande redenen, alle verdere en meer uitgebreide of strijdige conclusies verwerpende als zijnde niet-gegrond of niet ter zake dienend. Alvorens verder recht te doen, heropent de debatten. Ten einde partijen toe te laten standpunten in te nemen en stukken voor te leggen zoals bepaald in randnummer 4.25. De rechtbank bepaalt conclusietermijnen als volgt: Eiser q.q. uiterlijk: 25 november 2025 Verweerders uiterlijk: 9 januari 2026 Eiser q.q. uiterlijk: 9 februari 2026 Verweerders uiterlijk: 25 februari 2026 Bepaalt de datum voor de pleidooien op dinsdag 10/03/2026 om 10.00 uur op de terechtzitting van de TWEEDE KAMER in zittingszaal 1.1 in het gerechtsgebouw te 9000 Gent, Opgeëistenlaan 401. - Houden de kosten aan. Dit vonnis is gewezen door de Ondernemingsrechtbank Gent, afdeling Gent, tweede kamer, samengesteld uit rechter, kamervoorzitter, V. Verlaeckt, en de rechters in ondernemingszaken [...] en is op de openbare zitting van 4 november 2025 uitgesproken door rechter, kamervoorzitter V. Verlaeckt in aanwezigheid van Z. Foré, griffier bij beschikking hoofdgriffier N. Pettens dd. 16/09/2025. Gerelateerde publicatie(
- s)citeert: ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170302.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div