id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Ondernemingsrechtbank Gent Vonnis/arrest van 05 november 2025 ECLI nr: ECLI:BE:ORGNT:2025:JUG.20251105.1 Rolnummer: A/14/000901 Rechtsgebied: Insolventierecht Invoerdatum: 2025-12-04 Raadplegingen: 176 - laatst gezien 2026-06-17 12:18 Fiche De kosten en erelonen van een vereffenaar voor prestaties voorafgaand aan een faillissement zijn geen boedelkosten in het daaropvolgende faillissement. De erelonen en kosten van een vereffenaar zijn weliswaar kosten “van” de vereffening, doch niet “van” de faillissementsvereffening. Het louter feit dat de vereffenaar zou zijn aangesteld door een rechtbank als “gerechtelijk vereffenaar”, maakt niet dat deze kosten zouden kwalificeren als boedelkosten in het navolgend faillissement. Of de staat van ereloon en kosten van een gerechtelijk vereffenaar in alle omstandigheden valt onder het voorrecht bedoeld in de artikelen 17 en 19, 1° van de hypotheekwet van 16 december 1851 - zoals de curator voorhoudt - , moet de rechtbank in de taxatieprocedure niet beantwoorden. UTU-thesaurus: HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - INSOLVENTIE Vrije woorden: Boedelkosten / kosten vereffenaar voorafgaand aan faillissement Wettelijke bepalingen: Wetboek van economisch recht - 28-02-2013 - XX.20 - 19 ELI link Pub nr 2013A11134 Tekst van de beslissing De tweede kamer van de ondernemingsrechtbank Gent – afdeling Gent heeft het volgend vonnis verleend in het faillissement van: [X] IN VEREFFENING, werd in staat van faillissement verklaard bij vonnis van deze rechtbank van 12 maart 2014, waarbij mr.[Y] , werd aangewezen als curator.
- DE RECHTSPLEGING Het faillissementsdossier werd ingezien, in het bijzonder het schriftelijk positief advies van de rechter-commissaris, mevrouw [Z] dd. 28 juli 2025 over de begroting van de staat van ereloon en kosten van de curator. De artikelen 2 en 30 tot en met 41 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken en de bepalingen van de Faillissementswet werden nageleefd.
- HET VERZOEK Bij verzoekschrift neergelegd in het register op 24 juli 2025 verzoekt de curator om het ereloon en de kosten te begroten.
- DE BEOORDELING Voor de begroting van de staat van onkosten en ereloon van de curator dient toepassing te worden gemaakt van het koninklijk besluit van 26 april 2018 houdende vaststelling van de regels en barema's tot bepaling van de kosten en het ereloon van de insolventiefunctionarissen. Uit het verzoekschrift en de stukken blijkt: • een gerealiseerd actief van 70.868,02 euro, • de gemaakte aanrekenbare kosten 17.464,04 euro belopen, • De nog aanrekenbare sluitingskosten 499,22 euro bedragen. Verzoeker neemt in de te begroten boedelkosten een factuur op onder de noemer “factuur vereffenaar” ten belope van 11.577,50 euro. In tegenstelling tot wat verzoeker stelt, zijn de kosten en erelonen van een vereffenaar voor prestaties voorafgaand aan een faillissement geen boedelkosten in het daaropvolgende faillissement (vgl. met Cass. 27 april 2012, RW 2012-13, 1705; Cass. 7 maart 2002, TBH 2002, 389; Cass. 9 maart 2000, RW 2000-01, 480; Cass. 2 mei 1997, RW 1997-98, 503; Cass. 16 juni 1988, TBH 1988, 765; Cass. 30 mei 1968, Pas. 1968, I, 1126). De erelonen en kosten van een vereffenaar zijn weliswaar kosten “van” de vereffening, doch niet “van” de faillissementsvereffening. Een gerechtelijk vereffenaar is een schuldeiser “in de massa” van het navolgend faillissement. Het louter feit dat de vereffenaar zou zijn aangesteld door een rechtbank als “gerechtelijk vereffenaar”, maakt niet dat deze kosten zouden kwalificeren als boedelkosten in het navolgend faillissement. Geheel in lijn met het voorgaande, merkt de rechtbank nog op dat de wetgever in dat opzicht met de wet van 11 augustus 2017 (BS 11 september 2017) een anomalie heeft verholpen door uit het toenmalige artikel 8 van de faillissementswet van 8 augustus 1997 - dat betrekking had op de erelonen van een voorlopig bewindvoerder - de zin “in geval van faillissement van de schuldenaar zijn de kosten schulden, van de boedel” te vervangen door “bij een navolgende samenloop van schuldeisers geniet de vordering van de voorlopige bewindvoerder het voorrecht bedoeld in de artikelen 17 en 19, 1°, van de hypotheekwet van 16 december 1851”. Of de staat van ereloon en kosten van een gerechtelijk vereffenaar in alle omstandigheden valt onder het voorrecht bedoeld in de artikelen 17 en 19, 1° van de hypotheekwet van 16 december 1851 - zoals de curator voorhoudt - moet de rechtbank in dit geding niet beantwoorden. De boedel dient deze kosten ten belope van 11.577,50 euro aldus in mindering te nemen van de thans opgegeven opsomming. De kosten worden aldus begroot op 17.464,04 – 11.577,50 euro = 5.886,54 euro. Aldus kan de staat van kosten en erelonen begroot worden zoals hierna bepaald.
- DE BESLISSING Op die gronden, de tweede kamer van de ondernemingsrechtbank Gent – afdeling Gent, rechtdoende op verzoekschrift : - Begroot het ereloon van de curator op 19.512,86 euro, te vermeerderen met de BTW, hetzij een bedrag van 23.610,56 euro. - Begroot de aanrekenbare kosten op 6.385,76 euro. - Verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad. Dit vonnis is gewezen door de Ondernemingsrechtbank Gent, afdeling Gent, tweede kamer, samengesteld uit rechter en voorzitter van de tweede kamer, Vincent Verlaeckt, en de rechters in ondernemingszaken Firmin Bulté en Patrick Dumortier en is op de buitengewone openbare zitting van 05 november 2025 uitgesproken door rechter en voorzitter van de tweede kamer, Vincent Verlaeckt in aanwezigheid van griffier Ann Vriendt. Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div