← België

ECLI:BE:ORGNT:2025:JUG.20251113.1

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Ondernemingsrechtbank Gent Vonnis/arrest van 13 november 2025 ECLI nr: ECLI:BE:ORGNT:2025:JUG.20251113.1 Rolnummer: N/25/00133 Rechtsgebied: Insolventierecht Invoerdatum: 2025-12-04 Raadplegingen: 270 - laatst gezien 2026-06-15 19:22 Fiche 1 prejudiciële vraag 1: Schendt artikel XX.173, §3, 4de lid van het Wetboek Economisch Recht (WER) de artikelen 10 en 11 van de Grondwet doordat artikel XX.173, §3, 4de lid WER bepaalt dat de gedeeltelijk geweigerde kwijtschelding van restschulden in hoofde van een gefailleerde natuurlijke persoon evenredig wordt verdeeld over alle schuldeisers zonder inachtneming van de wettige reden van voorrang – ofschoon slechts één schuldeiser van een gefailleerde natuurlijke persoon eigen schade heeft geleden volgend uit de weerhouden kennelijk grove fouten die hebben bijgedragen tot het faillissement begaan door gefailleerde – terwijl een schuldeiser van een gefailleerde rechtspersoon, die eigen schade heeft geleden volgend uit kennelijk grove fouten die hebben bijgedragen tot het faillissement begaan door een orgaan van de gefailleerde, wel ‘persoonlijke genoegdoening' kan bekomen die niet evenredig dient verdeeld te worden over alle schuldeisers? UTU-thesaurus: HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - INSOLVENTIE Vrije woorden: kwijtschelding / eigen schade Wettelijke bepalingen: Wetboek van economisch recht - 28-02-2013 - XX.173 - 19 ELI link Pub nr 2013A11134 Fiche 2 Prejudiciële vraag 2: Schendt artikel XX.173, §3, 4de lid van het Wetboek Economisch Recht (WER) de artikelen 10 en 11 van de Grondwet doordat artikel XX.173, §3, 4de lid WER bepaalt dat de gedeeltelijk geweigerde kwijtschelding van restschulden in hoofde van een gefailleerde natuurlijke persoon evenredig wordt verdeeld over alle schuldeisers zonder inachtneming van de wettige reden van voorrang, dit zonder onderscheid te maken tussen enerzijds schuldeisers die wel eigen schade hebben geleden door de kennelijk grove fouten die aan de grondslag liggen van de weigering van de kwijtschelding en anderzijds schuldeisers die geen eigen schade hebben geleden; en dit zonder onderscheid te maken of de weerhouden kennelijk grove fouten hebben geleid tot vermindering van actief, dan wel tot vermeerdering van passief; minstens doordat de gedeeltelijk geweigerde kwijtschelding van restschulden in hoofde van een gefailleerde natuurlijke persoon evenredig wordt verdeeld over alle schuldeisers zonder inachtneming van de wettige reden van voorrang in alle gevallen, zonder dat er rekening kan worden gehouden met de aard van de schade in welke zin dan ook, die werd veroorzaakt door de door de rechtbank weerhouden kennelijk grove fout(en)? UTU-thesaurus: HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - INSOLVENTIE Vrije woorden: Kwijtschelding / eigen schade Fiche 3 Prejudiciële vraag 3: Schendt artikel XX.173, §3, 4de lid Wetboek Economisch Recht (WER) het artikel 16 Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 1 Eerste Aanvullend Protocol EVRM, in zoverre artikel XX.173, §3, 4de lid WER tot gevolg heeft dat de gedeeltelijk geweigerde kwijtschelding van restschulden in hoofde van een gefailleerde natuurlijke persoon evenredig wordt verdeeld over alle schuldeisers zonder inachtneming van de wettige reden van voorrang, ook in geval schuldeisers eigen schade hebben geleden door de kennelijk grove fouten die aan de grondslag liggen van de gedeeltelijke weigering? UTU-thesaurus: HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - INSOLVENTIE Vrije woorden: kwijtschelding / eigen schade Tekst van de beslissing De tweede kamer van de ondernemingsrechtbank Gent – afdeling Gent heeft het volgend vonnis verleend in het faillissement van: PARTIJEN IN HET GEDING Mevrouw [SL] Eiseres De heer [JJ] in faling verklaard bij vonnis van deze rechtbank van 20 februari 2024, Hebbende als raadsman: mr. [G] Gefailleerde Meester [O] in zijn hoedanigheid van curator over het faillissement van [JJ] Curator I. FEITEN DIE AANLEIDING GEVEN TOT HET GESCHIL 1.1. Gefailleerde werd failliet verklaard bij vonnis van deze rechtbank van 20 februari 2024. Eiseres is schuldeiser van gefailleerde. Op 6 maart 2024 heeft eiseres een aangifte van schuldvordering ingediend ten belope van 5.418,16 EUR. Deze aangifte van schuldvordering werd in het gewoon passief aanvaard door de curator in het eerste proces-verbaal van verificatie, neergelegd 25 maart 2024. Uit het derde en laatste proces-verbaal van verificatie blijkt een totaal passief van 287.910,83 EUR. Uit de goedgekeurde rangregeling blijkt dat de curatele in totaal 14.148,09 EUR kon uitdelen aan de schuldeisers. Eiseres kwam niet in nuttige orde en heeft als schuldeiser geen dividend ontvangen. Haar restschuld blijft 5.418,16 EUR. Op 24 april 2025 legt de curator een verzoekschrift tot sluiting van het faillissement overeenkomstig artikel XX.171 WER neer. 1.2. Op 18 mei 2025 legt eiseres een verzoekschrift tot verzet tegen de kwijtschelding in toepassing van artikel XX.173 WER neer. Gefailleerde werd hiervan in kennis gesteld bij gerechtsbrief van 21 mei 2025. De zaak werd ingeleid op de zitting van 27 mei 2025 en uitgesteld naar de zitting van 17 juni 2025, waarop conclusietermijnen werden bepaald. Partijen hebben conclusies genomen. 1.3. Op de zitting van 30 september 2025 werden de partijen gehoord. 1.3.1. Eiseres legt uit dat zij als klant voorschotten ten belope van 5.418,16 EUR heeft betaald aan gefailleerde, die schrijnwerker was. Zij stelt dat gefailleerde met dit voorschot geen materialen voor het afgesproken project heeft aangekocht, doch dit wel heeft gebruikt om andere schulden te betalen. Dit op een ogenblik dat hij wist dat een faillissement onvermijdelijk was. Eiseres is van oordeel dat zij werd misleid en aan het lijntje werd gehouden door gefailleerde. Gefailleerde zou bij het aangaan van de samenwerking en het ontvangen van de voorschotten doelbewust gelogen hebben over zijn financiële situatie en gezondheidstoestand. Ter zitting verduidelijkt eiseres haar verzoekschrift en conclusie, voor zo ver als nodig. Zij vraagt in hoofdorde de kwijtschelding in haar geheel te weigeren aan gefailleerde en ondergeschikt de gedeeltelijke kwijtschelding enkel uit te spreken voor de restschulden van de overige schuldeisers en aldus de weigering van de kwijtschelding enkel te betrekken op haar eigen restvordering ten belope van 5.418,16 EUR. 1.3.2. Gefailleerde stelt dat hij geen kennelijk grove fouten heeft begaan, minstens dat deze fouten niet hebben bijgedragen tot het faillissement. Ondergeschikt stelt gefailleerde dat eiseres geen belang in de zin van artikel 17 Ger.W. heeft om de gehele weigering van de kwijtschelding te eisen. Hij wijst erop dat het totale restpassief meer dan 270.000,00 EUR bedraagt en dat de restschuld ten aanzien van eiseres slechts 5.418,16 EUR bedraagt. Eiseres zou enkel kunnen vragen dat de schuld aan haar niet zou worden kwijtgescholden. 1.3.3. De curator verduidelijkt ter zitting dat hijzelf geen verzoekschrift tot verzet tegen de kwijtschelding heeft neergelegd om de enkele reden dat eiseres reeds verzet had aangetekend. 1.4. De debatten werden gesloten en de zaak werd in beraad genomen. II. BEOORDELING DOOR DE RECHTBANK 2.1. Overeenkomstig artikel XX.173 WER heeft elke belanghebbende het recht te vorderen dat de kwijtschelding geheel of gedeeltelijk wordt geweigerd. In casu bedraagt het totale restpassief meer dan 270.000,00 EUR en is er verzet tegen de kwijtschelding uitgaande van slechts één schuldeiser met een restschuld van 5.418,16 EUR. De verzetdoende schuldeiser vordert dat de kwijtschelding geheel wordt geweigerd. Ondergeschikt vordert de verzetdoende schuldeiser dat enkel de kwijtschelding van de restschuld aan haar zou geweigerd worden. 2.2. Om de redenen hieronder uiteengezet, ziet de rechtbank zich genoodzaakt prejudiciële vragen te stellen aan het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de grondwettigheid van het huidige artikel XX.173 WER. De antwoorden op de prejudiciële vragen zullen een invloed hebben op de te wijzen beslissing, in de zin dat het antwoord op de vraag of de (mogelijke) gedeeltelijke kwijtschelding betrekking moet of kan hebben op alle schulden dan wel enkel op de schuld aan eiseres, bepaald zal worden door het antwoord op de hieronder gestelde prejudiciële vragen. Het faillissement waarop het vraagstuk betrekking heeft, is opengevallen op 20 februari 2024. Artikel XX.173 WER, zoals gewijzigd door de wet van 7 juni 2023, is aldus van toepassing (zie verder). 2.3. Met de invoeging van boek XX in het Wetboek Economisch Recht bij wet van 11 augustus 2017 (BS 11 september 2017) werd een nieuwe regeling inzake de kwijtschelding van restschulden bij faillietverklaring van een natuurlijke persoon voorzien. Het concept van de verschoonbaarheid werd verlaten. Door de kwijtschelding wordt de schuldenaar voortaan bevrijd van de schuld; de schuld verdwijnt. De wetgever had “de wil om voor gefailleerden te goeder trouw een tweede kans en een snelle herstart van deze laatsten na faillissement mogelijk te maken” (Parl.St., Kamer 2016-17, nr. 54-2407/001, 97-98). Waar bij de verschoonbaarheid het een “alles of niets”-verhaal betrof volgens de meerderheidstrekking, heeft de wetgever in boek XX WER aan de rechtbank de uitdrukkelijke mogelijkheid gegeven om de kwijtschelding slechts gedeeltelijk toe te kennen. Dit geeft aan de faillissementsrechter de mogelijkheid om in elk individueel geval – dat steeds gekenmerkt wordt door concrete omstandigheden en voorgaanden – een evenwicht te vinden tussen sanctie, verantwoordelijkheid, nieuwe kansen en perspectief. 2.4. De kwijtschelding van de restschulden wordt geregeld in de artikelen XX.173 en XX.174 WER. Het oorspronkelijke artikel XX.173, § 3 WER stelde: ‘Elke belanghebbende met inbegrip van de curator en het openbaar ministerie kan, bij verzoekschrift waarvan door de griffier wordt kennis gegeven aan de gefailleerde, vanaf de bekendmaking van het faillissementsvonnis vorderen dat de kwijtschelding slechts voor een deel wordt toegekend of volledig geweigerd bij gemotiveerde beslissing, indien de gefailleerde kennelijk grove fouten heeft begaan die hebben bijgedragen tot het faillissement.’ Hoven van beroep en rechtbanken hebben op grond van voormeld artikel geoordeeld dat het belang van de individuele schuldeiser zich enkel situeert in de weigering van de kwijtschelding van haar eigen vordering. Een specifieke of individuele schuldeiser zou geen belang hebben bij de weigering van de kwijtschelding van andere schulden, laat staan van alle schulden. Aldus, indien er geen verzet tegen de kwijtschelding uitgaat van de curator of het openbaar ministerie, zou de verzetdoende individuele schuldeiser kunnen bekomen dat enkel voor zijn eigen schuldvordering de kwijtschelding wordt geweigerd. In dat geval ontzegt de rechtbank enkel de kwijtschelding voor die welbepaalde restschuld. Dit heeft als gevolg dat de individuele schuldeiser niet in concurrentie zal komen met de andere (passieve) schuldeisers bij een latere uitvoering op het nieuwe vermogen van de ex-gefailleerde. De toekomstige koek moet door minder schuldeisers gedeeld worden. De kansen op recuperatie van de restvordering verhogen in hoofde van de verzetdoende schuldeiser, wat meteen zijn (eigen) belang aanschouwelijk maakt. Enkel wanneer de curator of het openbaar ministerie zich verzetten tegen de kwijtschelding, zou de weigering van de kwijtschelding betrekking kunnen hebben op de totaliteit van de restschulden. Deze visie wordt niet door iedereen gedeeld. Er wordt evenzeer betoogd dat een individuele schuldeiser wel de gehele weigering van de kwijtschelding kan vorderen en dat een beslissing tot weigering van de kwijtschelding door de rechtbank een beslissing op het collectieve niveau betreft en elke schuldeiser op gelijke wijze zou moeten raken. Zie over dit onderwerp onder meer: - HvB Antwerpen 2 september 2021, TIBR 2022/1, RS-38. - HvB Gent, 8 september 2025, 2024/AR/1202, onuitg. - Orb. Henegouwen, afd. Charleroi, 19 januari 2021, JLMB, 2021/26, p. 1170. - Orb. Gent, afd. Brugge 18 januari 2021, TIBR 2021, 128-129. Zie hierover ook onder meer: - B. Wylleman, “Kwijtschelding” in H. Braeckmans, F. De Tandt, E. Dirix, E. Van Camp en T. Lysens (eds.), Faillissement & Reorganisatie, Mechelen, Kluwer, losbl., nr. 64. - I. Verougstraete, “Een gedeeltelijke kwijtschelding als deel van een collectieve beslissing”, TBH 2021, afl. 8, 1085-1086. - D. Pasteger, “De l’excusabilité à l’effacement: le point sur les mécanismes de fresh start, et de décharge des cautions, dans le Livre XX du Code de droit économique”, TBH 2018/3, p. 271 nr. 17 - J. Vandenbogaerde, “De groeipijn van de kwijtschelding van restschulden. Een bloemlezing uit recente rechtspraak”, TIBR 2021/2, nr. 30. - F. Reynaert, “De tweedekansdoctrine binnen het nieuwe insolventierecht”, DAOR 2020, p. 26, nr. 22 - G. Pirard en A. Henderickx, “Effacement des dettes 'versus' excusabilité du failli – contestation des tiers – effacement partiel”, JLMB 2019, afl. 31, p. 1457-1458, nr. 11-18. 2.5. De vraag zou kunnen worden gesteld of onder het oorspronkelijke artikel XX.173 WER bovenstaande discussie wel op de juiste gronden werd gevoerd en of er wel een zwart-wit standpunt diende te worden ingenomen aangaande de vraag of een individuele schuldeiser “belang” had om een collectieve beslissing (tot niet-kwijtschelding) uit te lokken. Er zou immers ook aangenomen kunnen worden dat zowel de strekking van de collectieve sanctie alsook de strekking van de louter individuele genoegdoening in hoofde van de schuldeiser naar recht verantwoord zijn, doch dat de keuze tussen beiden afhangt van de concrete omstandigheden van de casus. Niet zozeer wie verzet tegen de kwijtschelding aantekent, maar eerder de aard van de veroorzaakte schade, zou determinerend kunnen zijn. - Een klant van wie een voorschot werd gevraagd net voor faillietverklaring en desgevallend slachtoffer is van oplichting door de gefailleerde, zou bij verzet kunnen aanvoeren dat de gedeeltelijke weigering van de kwijtschelding enkel betrekking moet hebben op zijn schuldvordering. Het is immers enkel die klant die eigen schade heeft geleden door de fout, niet de andere schuldeisers. Het is net de collectiviteit die geprofiteerd heeft van de kennelijk grove fout want zij heeft liquiditeiten ontvangen die zij niet had mogen ontvangen en verdelen. - Indien de kennelijk grove fout echter enkel bestaat uit het niet bijhouden van een boekhouding en het niet naleven van eender welke regel van het vennootschapsleven, dan zou kunnen worden gesteld dat het meest passend is om een gedeeltelijke kwijtschelding te spreiden over alle restschulden, ook al werd het verzet tegen de kwijtschelding enkel ingediend door één individuele schuldeiser. De kennelijke grove fout treft dan alle schuldeisers en geeft vorm aan het volledig passief. Het betreft dan collectieve schade. 2.6. Hoewel deze klassiek niet geassocieerd worden met faillissementen van natuurlijke personen, zouden redeneringen in termen van “individuele/collectieve schade” en “vermeerdering passief/vermindering actief” richtinggevend kunnen zijn in het vraagstuk omtrent de noodzakelijke gevolgen van een gedeeltelijke kwijtschelding. Dit zijn typische insolventie-concepten die zich situeren in de context van bestuurdersaansprakelijkheid. Doch de rechtbank brengt in herinnering dat de gehele of de gedeeltelijke weigering van kwijtschelding voor een natuurlijke persoon nu eenmaal is, wat bestuurdersaansprakelijkheid is voor een vennootschapsbestuurder. (zie J. Vananroye en R. Verheyden, “De insolventieprocedures in het nieuwe Boek XX WER” in M.E. Storme (ed.), Insolventie- en beslagrecht. Themis 107, die Keure, 2018, 39-40) Het volstaat te verwijzen naar het criterium van de ‘kennelijk grove fout die heeft bijgedragen tot het faillissement’ dat door de wetgever wordt gebruikt in artikel XX.173 WER (kwijtschelding) alsook in artikel XX.225 WER (bestuurdersaansprakelijkheid). Het leerstuk van het onderscheid tussen eigen en collectieve schade toont aan dat bij samenloop en boedelvorming, het karakter van de schade haar belang niet verliest. Als dat het geval is bij kennelijk grove fouten begaan in de context van een onderneming in vennootschapsvorm, dan stelt zich de vraag waarom dat ook niet zou gelden bij kennelijk grove fouten begaan in de context van een onderneming als natuurlijke persoon. 2.7. Bij wet van 7 juni 2023 (BS 7 juli 2023) werd onder andere §3 van artikel XX.173 WER als volgt gewijzigd: ‘Het recht te vorderen dat de kwijtschelding geheel of gedeeltelijk wordt geweigerd, vervalt na drie jaar te rekenen vanaf het ogenblik dat het recht opname te vorderen bedoeld in XX.165, derde lid, verstreken is. […] De door de rechtbank gedeeltelijk geweigerde kwijtschelding wordt evenredig verdeeld over alle schuldeisers zonder inachtneming van de wettige reden van voorrang.’ In de memorie van toelichting bij het wetsontwerp van 20 maart 2023 dat heeft geleid tot deze laatste wetswijzing (Parl.St., Kamer 2022-23, DOC 55 3231/001, p. 90) wordt hierover gesteld: ‘Indien een gedeeltelijke kwijtschelding wordt bevolen zal een evenredige vermindering van alle schulden gebeuren ook al werd de weigering slechts door één schuldeiser gevraagd. De beslissing tot gedeeltelijke weigering is immers in hoofdorde een sanctie genomen in het kader van een collectieve procedure en de individuele genoegdoening is hier een bijzaak. Dit strookt met het advies van de Raad van State in Parl.Doc.nr. 54-2454.’ Bedoeld wordt het advies 71.404/2 van 31 mei 2022 (Parl.St., Kamer, 2021-2022, nr. 55-2454/002) waarin wordt gesteld: ‘Fundamenteler nog is dat van de gelegenheid gebruik moet worden gemaakt om in de tekst van artikel XX.173, § 3, van het Wetboek te preciseren wat dient te worden verstaan onder gedeeltelijke weigering. Een dergelijke weigering kan namelijk worden opgevat als een weigering die op een gedeelte van de schulden van de gefailleerde slaat, dan wel als een weigering die betrekking heeft op alle schulden die naar evenredigheid zouden worden verminderd voor alle schuldeisers. In dat verband moet men rekening houden met het grondwettelijke beginsel van gelijkheid en non-discriminatie, dat voor alle schuldeisers in acht genomen moet worden. De wetgever moet over die kwesties ook meer uitleg verschaffen in het vervolg van de parlementaire voorbereiding.’ 2.8. Gelet op de memorie van toelichting – waarin aldus gesteld wordt dat het verminderen van schulden evenredig dient te gebeuren ‘ook al werd de weigering slechts door één schuldeiser gevraagd’ – zou op het eerste gezicht kunnen betekenen dat na de voormelde wetswijziging in 2023 de rechtspraak naar dewelke verwezen wordt in randnummer 2.4. moeilijk houdbaar is voor faillissementsprocedures geopend vanaf 1 september 2023. Er zou dan ook kunnen worden gesteld dat voor de faillissementen geopend vanaf 1 september 2023 voortaan één schuldeiser de weigering van de kwijtschelding van alle restschulden kan vragen en dat een gedeeltelijke weigering steeds moet uitgedrukt worden in een percentage dat evenredig zal gelden voor elke schuldeiser. In alle gevallen, zou elke schuldeiser aldus in gelijke mate de kwijtschelding moeten ondergaan dan wel in gelijke mate genieten van de (gedeeltelijke) weigering van die kwijtschelding. De vraag stelt zich echter of die regel uitgedrukt in het huidige artikel XX. 173 WER wel bestaanbaar is met de grondwet (zie verder). Door ongelijke situaties of verschillende categorieën van personen, toch op gelijke wijze te behandelen, kan het gelijkheidsbeginsel geschonden worden. Mogelijk is het net die ogenschijnlijke gelijkheid in voormelde regel die de onverantwoorde ongelijkheid in de hand werkt (zie verder). De vraag dringt zich op of het opgelegde uitgangspunt dat erin bestaat dat individuele genoegdoening bij gedeeltelijke kwijtschelding slechts “bijzaak” is, wel grondwetsconform is. Die “bijzaak” raakt immers wel het door artikel 16 G.W. gewaarborgde bescherming van het eigendomsrecht (zie verder). 2.9. Artikel XX.173 WER interpreteren in overeenstemming met hetgeen op pagina 90 van de memorie van toelichting wordt gesteld – en zoals hierboven geciteerd in randnummer 2.7. – , leidt mogelijk tot ongrondwettige situaties. Om te illustreren wat het gevolg kan zijn van het gewijzigde artikel XX.173 WER na de wet van 7 juni 2023 – en wat mogelijk als problematisch kan ervaren worden – verwijst de rechtbank naar volgende (niet-fictieve) voorbeelden: 2.9.1. Voorbeeld 1: Een leasemaatschappij die na faillissement moet vaststellen dat de schuldenaar in de maanden voor zijn faillietverklaring twee lease-voertuigen wederrechtelijk heeft verkocht voor 20.000,00 EUR en dat die gelden niet meer aanwezig zijn op het ogenblik van de faillietverklaring. De rechtbank kan oordelen dat deze verkoop van de twee voertuigen – eigendom van de leasemaatschappij – een kennelijk grove fout uitmaakt die heeft bijgedragen tot het faillissement in de zin van artikel XX. 173 WER. Het is mogelijk dat die fout, de enige fout is die de gefailleerde gemaakt heeft, doch dat gezien de omstandigheden deze ene fout een zulk grof karakter heeft dat de gehele of gedeeltelijke weigering van de kwijtschelding zich opdringt. Het is mogelijk dat de rechtbank van oordeel is dat een gedeeltelijke weigering van de kwijtschelding volstaat omdat die ene fout - hoewel zij kennelijk grof is - slechts beperkt heeft bijgedragen tot het faillissement; bijvoorbeeld een faillissement waar de restschuld ten aanzien van de leasemaatschappij 15.000,00 EUR bedraagt op een totaal restpassief van 200.000,00 EUR. De vraag stelt zich of het in die omstandigheden in alle redelijkheid te verantwoorden is dat in geval de rechtbank besluit tot de gedeeltelijke weigering van de kwijtschelding, de restschuld van 15.000,00 EUR ten aanzien van de gedupeerde leasemaatschappij op evenredige wijze, moet worden verminderd ten gunste van de overige schuldeisers? Het is in beginsel enkel de leasemaatschappij die schade heeft geleden door die ene kennelijk grove fout en niet de overige schuldeisers. Door andermans goed te verkopen wordt ook geen schade veroorzaakt aan de boedel, integendeel, de boedel wordt verrijkt door de kennelijk grove fout. Het is immers eigen schade in hoofde van de leasemaatschappij, dewelke los staat van de boedel. Als de boedel zich wederrechtelijk verrijkt dan heeft dit tot gevolg dat er meer actief kan worden verdeeld onder de andere schuldeisers. In geval de rechtbank de kwijtschelding voor 10% weigert, zou dit betekenen dat de gedupeerde leasemaatschappij – die desgevallend slachtoffer is van een misdrijf – slechts 1.500,00 EUR zal kunnen recupereren terwijl de verkoop van haar eigendom de enige reden was om tot gedeeltelijke kwijtschelding te besluiten. De overige schuldeisers profiteren dan (een tweede keer) van een misdrijf begaan door de gefailleerde tegenover een andere schuldeiser die hierdoor (eigen) schade heeft geleden. De overige schuldeisers kunnen dan ook 10% van hun restschuld vorderen, terwijl hun schuldvordering niet werd geraakt door de kennelijk grove fout; die schuldeisers hebben eerder misschien net méér ontvangen door die kennelijk grove fout. De vraag stelt zich of dit te verantwoorden is. 2.9.2. Voorbeeld 2: Een klant die met opzet misleid wordt en een voorschot van 30.000,00 EUR betaalt aan een aannemer die enkele dagen later failliet wordt verklaard. De klant leidt eigen schade. Er is geen collectieve schade. De aannemer heeft het voorschot meteen gebruikt om enkele schulden aan de bank te betalen waarvoor zijn ouders persoonlijk borg waren. De bank blijft hierdoor achter met een restschuld van 5.000,00 EUR in plaats van 35.000,00 EUR. Dit kan gekwalificeerd worden als een misdrijf dat heeft geleid tot loutere eigen schade (zie Cass. 7 januari 2025, P.24.1150.N ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250107.2N.4). Als de rechtbank om voormelde redenen zou oordelen dat dit alles een kennelijk grove fout betreft en dat gedeeltelijke weigering van de kwijtschelding ten belope van 20% zich opdringt, dan zou dit betekenen dat degene die het voorschot heeft betaald van 30.000,00 EUR slechts 6.000,00 EUR zal kunnen proberen recupereren en de bank nogmaals 1.000,00 EUR, terwijl het net de bank is die voordeel heeft genoten van de kennelijk grove fout die tot gedeeltelijke weigering heeft geleid. De vraag stelt zich of dit te verantwoorden is. 2.9.3. Voorbeeld 3 Een onderneming natuurlijke persoon wordt failliet verklaard op dagvaarding van de FOD Financiën waarbij de gefailleerde systematisch bedrijfsvoorheffing onbetaald heeft gelaten gedurende 40 maanden. Dit kan in bepaalde gevallen beschouwd worden als eigen schade (zie Cass. 5 september 2013, C.12.0445.N ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130905.3/1). Het systematisch niet vervullen van fiscale verplichtingen kan eveneens aanzien worden als een kennelijk grove fout die heeft bijgedragen tot het faillissement. Het passief bedraagt 160.000,00 EUR en bestaat uit 80.000,00 EUR aan onbetaalde bedrijfsvoorheffing, 50.000,00 EUR voor ontslagvergoedingen van werknemers die ontslagen werden door de curator en 30.000,00 EUR uit hoofde van een verbrekingsvergoeding voor leasecontract dat werd ontbonden door het faillissement en waarbij geen achterstal bestond. Als een rechtbank zou oordelen dat de kwijtschelding omwille van het systematisch niet betalen van bedrijfsvoorheffing gedeeltelijk moet geweigerd worden voor 50%, dan betekent dit dat de ontslagen werknemers en leasemaatschappij elk 50% van hun schuldvordering kunnen proberen recupereren op het nieuwe vermogen van de gefailleerde, terwijl de weerhouden grove fout weinig tot niets met hun schuldvordering te maken heeft. Meer zelfs, door langdurig de bedrijfsvoorheffing niet te betalen, konden wellicht de werknemers en leasemaatschappij langer betaald worden tijdens de verlieslatende verderzetting van de onderneming. De vraag stelt zich of dit te verantwoorden is. 2.9.4. Andere: Zelfde situaties kunnen zich voordoen bij een kredietverstrekker die werd misleid om krediet te verlenen in het licht van nakende insolventie, een leverancier die op basis van valse stukken een levering doet bij de toekomstige gefailleerde, … Allen situaties die een kennelijk grove fout kunnen inhouden, die heeft bijgedragen tot het faillissement en toch enkel eigen schade heeft veroorzaakt. 2.10. De rechtbank brengt in herinnering dat de voorwaarde dat de kennelijk grove fout moet ‘bijgedragen’ hebben tot het faillissement, (enkel) inhoudt dat de fout een aandeel moet gehad hebben in de daaropvolgende faillietverklaring. Het faillissement moet mee veroorzaakt moet zijn door de kennelijk grove fout. Niet vereist is dat deze fout de enige, de belangrijkste of de noodzakelijke oorzaak van het faillissement is. Een kennelijk grove fout die (mede) heeft geleid tot eigen schade in hoofde van een schuldeiser, kan wel degelijk hebben bijgedragen tot het faillissement. 2.11. Door de regel vervat in het huidige artikel XX.173 WER wordt schijnbaar aan de rechtbank de mogelijkheid ontnomen om rekening te houden met het eigen of collectief karakter van de schade of minstens met het eigen of collectief karakter van de gevolgen van de feiten die tot de weigering van de kwijtschelding geleid hebben. Dit terwijl elke casus anders is en er zou kunnen aangenomen worden dat de rechtbank goed geplaatst is om een gepast rechtsherstel te bepalen op basis van specifieke elementen eigen aan de casus. In gevallen waar

  1. i)de kennelijk grove fout alle schuldeisers treft – zonder dat dit noodzakelijk in dezelfde mate moet zijn – en
  2. ii)de gevolgen van de fout niet (meer) individualiseerbaar zijn, is er wellicht geen bezwaar om gedeeltelijk geweigerde kwijtschelding evenredig te verdelen over alle schuldeisers zonder inachtneming van de wettige reden van voorrang. De vraag stelt zich echter of dat ook verantwoord is wanneer de rechtbank – zoals in voormelde voorbeelden – kan vaststellen dat er slechts één schuldeiser in verzet tegen de kwijtschelding zich manifesteert en slechts één schuldeiser gevolgen heeft ondervonden van de kennelijk grove fout die de rechtbank in overweging heeft genomen om tot gedeeltelijke weigering te besluiten. 2.12. Dat bij de beoordeling van de voorwaarde “heeft bijgedragen tot het faillissement” het strikte causaal verband niet moet bewezen worden, betekent niet dat een rechtbank geen rekening mag houden met causaliteit. In specifieke gevallen is het misschien net wel wenselijk dat die causaliteit veruitwendigd wordt met het oog op gepast rechtsherstel. 2.13. Op basis van het huidige artikel XX.173, §3, 4e lid WER wordt mogelijk ook het tegenovergestelde resultaat bereikt dan hetgeen de wetgever beoogde. Om bijvoorbeeld een bestolen leasemaatschappij of een opgelichte klant toch individuele genoegdoening te geven – wat in specifieke gevallen nu eenmaal het noodzakelijke rechtsherstel kan zijn – zal een rechtbank zich genoodzaakt zien om (vaker) de kwijtschelding volledig te weigeren. Dit zou dan de doelstelling van de wetgever met oog op een fresh start ondergraven. 2.14. Bovendien kan bij de stelling dat een kwijtschelding een “sanctie [is], genomen in het kader van een collectieve procedure en de individuele genoegdoening is hier een bijzaak” de bedenking gemaakt worden dat het aspect van de kwijtschelding op zich niets te maken heeft met een “collectieve procedure”. Immers, de gevolgen van de kwijtschelding hebben in beginsel betrekking op de periode na het einde van die collectieve procedure. De kwijtschelding volgt van rechtswege bij de sluiting van het faillissement (XX.173 § 2 WER). Na sluiting zijn er geen collectieve belangen meer, enkel nog individuele belangen. Op dat ogenblik is er geen sprake meer van hoofd -en bijzaak. Als er geen collectiviteit meer bestaat na sluiting van het faillissement, kan de vraag worden gesteld op welke wijze individuele belangen hieraan toch nog ondergeschikt kunnen worden gemaakt. Bovendien zou er rekening mee gehouden kunnen worden dat de sanctie van de kwijtschelding enerzijds kan worden geweigerd voor kennelijke grove fouten begaan vóór het ontstaan van de collectieve procedure en anderzijds kan worden geweigerd worden voor feiten tijdens of naar aanleiding van opening van de collectieve procedure, namelijk het doelbewust verstrekken van onjuiste inlichtingen aan curator en rechter-commissaris. III. PREJUDICIËLE VRAGEN III.A. De ongelijkheid tussen enerzijds schuldeisers van een failliete natuurlijke persoon en anderzijds schuldeisers van een failliete rechtspersoon op het vlak van ‘individuele genoegdoening’. 3.1. Het uitgangspunt is dat de gehele of gedeeltelijke weigering van de kwijtschelding voor de natuurlijke persoon-onderneming is, wat de bestuurdersaansprakelijkheid is voor een vennootschapsbestuurder. Het is een sanctie voor foutief gedrag. Een schuldeiser die individuele schade heeft geleden door een fout van een bestuurder, kan ook na faillietverklaring van de vennootschap een eigen vordering stellen om individuele genoegdoening te bekomen, buiten de boedel. De vordering kan gesteund zijn op een overtreding van het WVV, de statuten of een onrechtmatige daad. Deze fouten kunnen ook kennelijk grof zijn en hebben bijgedragen tot het faillissement. Een schuldeiser die individuele schade heeft geleden door een natuurlijke persoon die een onderneming is, kan op basis van het huidige artikel XX.173, §3 WER geen individuele genoegdoening nastreven, buiten de boedel. Dit terwijl de individuele schade evenzeer kan gesteund zijn op een onrechtmatige daad. Een schuldeiser van een failliete natuurlijke persoon kan op geen enkele manier nog een individuele genoegdoening nastreven in het kader van foutief gedrag. De vraag rijst of dit een verantwoorde ongelijkheid betreft. 3.2. De wetgever motiveert deze ongelijkheid door te stellen dat bij een faillissement van een natuurlijke persoon de “gedeeltelijke weigering […] een sanctie [is] genomen in het kader van een collectieve procedure en de individuele genoegdoening is hier een bijzaak”. Terwijl het faillissementsbewind van een vennootschap ook “een collectieve procedure” is en bestuurdersaansprakelijkheid ook “een sanctie” is en toch is de “individuele genoegdoening” bij een faillissement van een vennootschap blijkbaar geen “bijzaak”. De vraag stelt zich aldus of het in alle redelijkheid te verantwoorden is om “individuele genoegdoening voor de schuldeiser” bij een faillissement van een natuurlijke persoon wettelijk onmogelijk te maken en bij een faillissement van een vennootschap dit expliciet wel te voorzien. Met individuele genoegdoening wordt niet bedoeld het louter procentueel aandeel in de collectiviteit van niet-kwijtgescholden restschulden; wel onder meer vergoeding voor “eigen schade”. 3.3. Dat bij een faillissement van een natuurlijke persoon “een tweede kans en een snelle herstart” voorop staat – in tegenstelling tot bij een faillissement van een vennootschap – lijkt geen verantwoording te kunnen zijn. Een natuurlijke persoon zal in zijn ‘snelle herstart’ niet gehinderd worden door het louter feit dat de gedeeltelijke weigering van de kwijtschelding ofwel voor één schuldeiser, dan wel voor alle schuldeisers in gelijke mate zal gelden. Het enige wat voor de (tweede kans van
  3. de)natuurlijke persoon van belang is bij een gedeeltelijke weigering van kwijtschelding, is de omvang van de restschulden die hij nog zal moeten betalen. Niet aan wie hij nog zal moeten betalen. De vraag kan aldus worden gesteld of het noodgedwongen beschouwen van individuele genoegdoening als ‘bijzaak’ wel een pertinente maatregel is om ondernemerschap aan te moedigen en een fresh start mogelijk te maken. 3.4. Vanuit het standpunt van een schuldeiser die eigen schade heeft geleden door foutief gedrag van een gefailleerde onderneming, is het zonder belang of deze onderneming een natuurlijke persoon dan wel een rechtspersoon is. De rechtspersoon handelt door zijn organen. In het kader van het vraagstuk in deze casus, zou kunnen worden aangenomen dat een schuldeiser van een gefailleerde rechtspersoon en een schuldeiser van een gefailleerde natuurlijke persoon behoren tot dezelfde categorie. Het loutere feit dat de onderneming in het ene geval de vorm aanneemt van een rechtspersoon en in het andere geval gevoerd wordt als natuurlijke persoon, kan mogelijk de hierboven opgeworpen ongelijkheid niet verantwoorden. Finaal kan het in beide gevallen over dezelfde kennelijk grove fout gaan die in beide gevallen dezelfde schade in hoofde van de schuldeiser heeft veroorzaakt; Een fout die in het ene geval begaan is als natuurlijke persoon-onderneming en in het andere geval als orgaan van een onderneming. 3.5. Dat een schuldeiser met eigen schade in het kader van bestuurdersaansprakelijkheid uitvoert op het vermogen van de bestuurder van de gefailleerde terwijl een schuldeiser met eigen schade inzake niet-kwijtschelding uitvoert op het nieuwe vermogen van de gefailleerde zelf, is mogelijk geen relevant onderscheid om tot verschillende categorie-indeling te komen. Relevanter is wellicht vast te stellen dat schuldeisers met eigen schade - of dit nu in het kader van bestuurdersaansprakelijkheid is of bij een niet-kwijtschelding bij gefailleerde natuurlijke personen is - gelijkaardig zijn gezien zij hun vergoeding voor eigen schade altijd bekomen met activa die niet behoren tot de failliete boedel. Bij bestuurdersaansprakelijkheid zal de schadevergoeding evident enkel uit het vermogen van de bestuurder komen. In geval van niet-kwijtschelding zal de benadeelde schuldeiser ook niet uitvoeren op het vermogen van de failliete boedel, doch wel op het nieuwe vermogen dat de natuurlijke persoon zal opbouwen na faillietverklaring - en wat niet tot de failliete boedel behoort - en op de activa die in gevolge de wet onttrokken waren aan de failliete boedel (artikel XX.110,§3 WER). 3.6. Het argument dat een andere interpretatie van de regel neergelegd in artikel XX.173,§3, 4de lid WER tot voortdurende moeilijke discussies en beoordelingen omtrent causaliteit zou leiden, overtuigt mogelijk ook niet. De rechtbank maakt immers voortdurend deze beoordeling bij procedures bestuurdersaansprakelijkheid, waar zij moet oordelen over de kwalificatie van ‘eigen schade’, ‘collectieve schade’ en ‘afgeleide schade’; of over ‘vermeerdering van passief’ of ‘vermindering van actief’. Als een rechtbank dit kan bij vorderingen inzake bestuurdersaansprakelijkheid, stelt zich de vraag waarom de rechtbank dat niet zou kunnen bij de beoordeling inzake de kwijtschelding. Het is immers net de rechtbank die op basis van de concrete elementen (en geviseerde fouten) van het dossier beter geplaatst kan zijn om te oordelen of er geopteerd moet worden voor individuele genoegdoening en dus dat de weigering van de kwijtschelding moet geïndividualiseerd worden, dan wel of de sanctie op het niveau van de collectiviteit moet gelegd worden en dus de weigering van de kwijtschelding evenredig moet worden verdeeld. III.B. De gelijkheid tussen enerzijds schuldeisers van een gefailleerde natuurlijke persoon, die wel eigen schade hebben geleden en anderzijds schuldeisers van een gefailleerde natuurlijke persoon die loutere afgeleide schade hebben geleden. 3.7. Overeenkomstig artikel XX.224 WER is artikel XX.225 WER niet van toepassing op de natuurlijke persoon ondernemer zoals omschreven in artikel I.1, 1°,
  4. a)WER. Hieruit volgt dat bijkomend de vraag kan worden gesteld of het in alle redelijkheid verantwoord is dat bij een faillissement van een vennootschap de vergoeding die wordt toegekend wegens kennelijk grove fouten die hebben bijgedragen tot het faillissement – en dus de sanctie uitmaakt voor het foutief gedrag – wordt verdeeld met inachtneming van de wettige redenen van voorrang bij vermindering of afwezigheid van activa en zonder inachtneming van de wettige redenen van voorrang wegens vermeerdering van het passief (zie artikel XX.225, §5 WER), terwijl bij een faillissement van een natuurlijke persoon de gedeeltelijke kwijtschelding wegens kennelijk grove fouten die hebben bijgedragen tot het faillissement - wat dus de sanctie uitmaakt voor het foutief gedrag – steeds in alle gevallen, evenredig wordt verdeeld over alle schuldeisers zonder inachtneming van de wettige reden van voorrang, dit ongeacht of de weerhouden kennelijk grove fout heeft geleid tot vermindering of afwezigheid van activa dan wel tot vermeerdering van passief (zie artikel XX.173, §3, 4e lid WER). Voor een schuldeiser van een failliete vennootschap is het wel belangrijk te weten welk gevolg de kennelijk grove fout heeft teweeggebracht. Voor een schuldeiser van een natuurlijke persoon daarentegen, is het blijkbaar niet belangrijk te weten tot wat de kennelijk grove fout precies heeft geleid. Het oorzakelijk verband en aard van de veroorzaakte schade, lijken geen rol meer te spelen bij failliete natuurlijke personen. 3.8. Onder het huidige artikel XX.173 WER wordt elke schuldeiser van een gefailleerde natuurlijke persoon met een restvordering op gelijke wijze behandeld wanneer de kwijtschelding gedeeltelijk wordt geweigerd omwille van kennelijk grove fouten. Terwijl mogelijk zou kunnen worden gesteld dat niet elke schuldeiser met een restvordering gelijk is en niet behoort tot dezelfde categorie. Er zijn immers schuldeisers die schade hebben geleden door de kennelijk grove fout en er zijn schuldeisers die geen schade hebben geleden door de weerhouden kennelijk grove fout. Toch worden beide categorieën van schuldeisers op gelijke wijze behandeld door de wetgever. Op basis van huidig artikel XX.173, §3, 4de lid WER is het mogelijk dat schuldeisers die op geen enkele wijze werden benadeeld door de kennelijk grove fouten die de rechtbank weerhoudt, toch het voordeel zullen genieten bij de gedeeltelijke weigering van de kwijtschelding. Terwijl die schuldeisers dat niet vragen en terwijl daar ook geen enkele reden toe is. Dat bijvoorbeeld een leasemaatschappij haar auto wederrechtelijk werd verkocht in het licht van nakende insolventie, heeft niets te maken met een restschuld uit hoofde van een verbrekingsvergoeding van een werknemer. Die onbetaalde werknemer heeft geen gevolgen ondergaan van het feit dat een andere schuldeiser slachtoffer is geworden van wederrechtelijke verkoop van diens eigendom, wat een kennelijk grove fout kan uitmaken (zie randnummer 2.9.1). III.C. Wat betreft het recht op het ongestoord genot van eigendom 3.9. De vraag stelt zich of artikel XX 173, §3, 4de lid WER bestaanbaar is met artikel 16 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens (hierna: het Eerste Aanvullend Protocol). Artikel 16 van de Grondwet bepaalt : “Niemand kan van zijn eigendom worden ontzet dan ten algemenen nutte, in de gevallen en op de wijze bij de wet bepaald en tegen billijke en voorafgaande schadeloosstelling”. Artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bepaalt : “Alle natuurlijke of rechtspersonen hebben recht op het ongestoord genot van hun eigendom. Niemand zal van zijn eigendom worden beroofd behalve in het algemeen belang en met inachtneming van de voorwaarden neergelegd in de wet en in de algemene beginselen van het internationaal recht. De voorgaande bepalingen zullen echter op geen enkele wijze het recht aantasten dat een Staat heeft om die wetten toe te passen welke hij noodzakelijk oordeelt om toezicht uit te oefenen op het gebruik van eigendom in overeenstemming met het algemeen belang of om de betaling van belastingen of andere heffingen en boeten te verzekeren”. 3.10. De kwijtschelding van schulden houdt in hoofde van de schuldeiser minstens een beperking van het ongestoord genot van eigendom in. Immers, in geval van kwijtschelding verdwijnt de schuld (en de schuldvordering) op basis van de wet. De kwijtschelding van schuld komt neer op het ontnemen aan de schuldeiser van zijn schuldvordering. Ook schuldvorderingen vormen ‘eigendom’. Ook de modaliteiten waaronder vorderingen voor restschulden na faillissement benaarstigd kunnen worden, dan wel verdeeld moeten worden, raken het eigendomsrecht. Een inmenging in het recht op het ongestoord genot van de eigendom is verantwoord indien zij is voorzien bij een voldoende toegankelijke, nauwkeurige en voorzienbare juridische grondslag; zij een legitiem publiek of algemeen belang nastreeft en indien zij een redelijk verband van evenredigheid heeft met het nagestreefde doel, dat wil zeggen indien zij het billijke evenwicht tussen de vereisten van het algemeen belang en die van de bescherming van dat recht niet verbreekt. Er kan niet betwist worden dat het principe van kwijtschelding van schulden bij faillissement van de natuurlijke persoon verantwoord is en een algemeen belang nastreeft. Door te voorzien in de mogelijkheid tot (gedeeltelijke) weigering van de kwijtschelding, heeft de wetgever een evenwicht gevonden tussen enerzijds het geven van nieuwe kansen en het mogelijk maken van een snelle heropstart en anderzijds het sanctioneren van kennelijke wantoestanden en het beschermen van (het vertrouwen
  5. in)eerlijk handelsverkeer. 3.11. Niet het principe van kwijtschelding van schulden lijkt een probleem in relatie met artikel 16 GW, doch mogelijk wel de door de wet vastgelegde modaliteiten van verdeling van de gevolgen van een gedeeltelijke kwijtschelding. Ook het aan een schuldeiser van een gefailleerde-natuurlijke persoon ontzeggen van de “individuele genoegdoening” om reden dat dit “bijzaak” is, is te aanzien als “een beperking van het eigendomsrecht” van die schuldeiser. De wettelijke modaliteiten van de gevolgen van een gedeeltelijke kwijtschelding, vormen dan de beperking op de invorderingsmogelijkheden en dus op het eigendomsrecht. De opgelegde evenredige verdeling affecteert onvermijdelijk de schuldvordering van de niet-betaalde schuldeiser. De beperking zou er dan onder meer uit kunnen bestaan dat een schuldeiser die individuele schade heeft geleden er niet voor kan zorgen dat de sanctie voor het veroorzaken van die individuele schade enkel aan hem zal toekomen, buiten elke concurrentie van andere schuldeisers. Enerzijds ziet de individuele schuldeiser met individuele schade waarvoor hij een vordering heeft, zijn vordering gedeeltelijk uitdoven ten gunste van een andere schuldeiser zonder individuele schade. En anderzijds door elke schuldeiser in gelijke mate te laten genieten van de weigering, wordt concurrentie georganiseerd op het nieuwe vermogen van de ex-gefailleerde waardoor de schuldeiser met individuele schade mogelijk nog minder zal kunnen recupereren. Dit zijn aantastingen van het eigendomsrecht. Dat “individuele genoegdoening” slechts “bijzaak” zou zijn, betreft een filosofische benadering die niet noodzakelijk overeenstemt met het grondwettelijk beschermd recht op eigendom. 3.12. Er kan de vraag worden gesteld of die beperking niet op onevenredige wijze afbreuk aan het recht op het ongestoord genot van de eigendom doet en of de ingevoerde beperking wel doelmatig is. Het louter feit dat een schuldeiser van een gefailleerde natuurlijke persoon geen “individuele genoegdoening” kan bekomen, lijkt niet bij te dragen tot de doelstelling van een tweede kans en snelle opstart in hoofde van de gefailleerde. Ook hier kan worden gesteld dat de tweede kans of snelle opstart niet wordt beïnvloed door de identiteit van de schuldeiser aan wie restschulden moeten betaald worden, doch wel door de omvang van de restschulden waarvoor de kwijtschelding werd geweigerd. Of de gedeeltelijk kwijtschelding nu wel of niet evenredig moet worden verdeeld over alle schuldeisers zonder wettige redenen van voorrang, raakt het nieuwe vermogen van de gefailleerde of zijn nieuwe kansen op herstart niet. Aan de zijde van de onbetaalde schuldeiser daarentegen, betekent het al dan niet evenredig moeten verdelen van de gedeeltelijke kwijtschelding met andere schuldeisers – in specifieke gevallen – wel een beduidend verschil. Er kan niet betwist worden dat het verantwoord is om rechten van schuldeisers in het kader van collectieve insolventieprocedures te beperken of zelfs te doen uitdoven. Een vlot vereffeningsbewind eist bepaalde inperking van rechten. Doch de loutere regeling met betrekking tot de vraag voor welke restschulden de kwijtschelding moet geweigerd worden, heeft niets te maken met een vereffeningsbewind. Het is een aangelegenheid van schuldeisers na de sluiting van het faillissement. 3.13. Individuele genoegdoening en fresh start zijn geen tegenstrijdige doelstellingen en hebben in essentie niets met elkaar te maken. Het ene sluit het andere niet uit. De legitieme doelstelling van de kwijtschelding kan mogelijk bereikt worden zonder de “individuele genoegdoening” te behandelen als een “bijzaak”. Wat betreft de proportionaliteit zou kunnen worden gesteld, in het licht van de nagestreefde doelstelling, dat een minder verregaande aantasting van het eigendomsrecht kan bewerkstelligd worden door aan de rechtbank de vrijheid te geven om op basis van concrete gegevens na te gaan welk herstel aangewezen is en op welke wijze de niet-kwijtschelding moet worden verdeeld onder welbepaalde of alle schuldeisers. 3.14. Tenslotte zou finaal kunnen worden vastgesteld dat het niet duidelijk is welke doelstelling de wetgever voor ogen had door bij de invoering van het huidige artikel XX.173 § 3, 4de lid WER. Er wordt enerzijds door de wetgever ‘eigendom‘ ontnomen aan schuldeisers die daar in specifieke omstandigheden wel recht op hebben en anderzijds wordt door de wetgever voordelen van een gedeeltelijke weigering toegekend aan schuldeisers die
  6. i)daar niet om vragen en
  7. ii)zonder dat die schuldeisers werden geraakt door de kennelijk grove fout die de grondslag vormt voor de niet-kwijtschelding. IV. BESLISSING OM DEZE REDENEN, DE RECHTBANK; Rechtdoende op tegenspraak. Alvorens uitspraak te doen over de gestelde vorderingen, beslist de rechtbank volgende prejudiciële vragen te stellen aan het Grondwettelijk Hof: 1. Schendt artikel XX.173, §3, 4de lid van het Wetboek Economisch Recht (WER) de artikelen 10 en 11 van de Grondwet doordat artikel XX.173, §3, 4de lid WER bepaalt dat de gedeeltelijk geweigerde kwijtschelding van restschulden in hoofde van een gefailleerde natuurlijke persoon evenredig wordt verdeeld over alle schuldeisers zonder inachtneming van de wettige reden van voorrang – ofschoon slechts één schuldeiser van een gefailleerde natuurlijke persoon eigen schade heeft geleden volgend uit de weerhouden kennelijk grove fouten die hebben bijgedragen tot het faillissement begaan door gefailleerde – terwijl een schuldeiser van een gefailleerde rechtspersoon, die eigen schade heeft geleden volgend uit kennelijk grove fouten die hebben bijgedragen tot het faillissement begaan door een orgaan van de gefailleerde, wel ‘persoonlijke genoegdoening’ kan bekomen die niet evenredig dient verdeeld te worden over alle schuldeisers? 2. Schendt artikel XX.173, §3, 4de lid van het Wetboek Economisch Recht (WER) de artikelen 10 en 11 van de Grondwet doordat artikel XX.173, §3, 4de lid WER bepaalt dat de gedeeltelijk geweigerde kwijtschelding van restschulden in hoofde van een gefailleerde natuurlijke persoon evenredig wordt verdeeld over alle schuldeisers zonder inachtneming van de wettige reden van voorrang, dit zonder onderscheid te maken tussen enerzijds schuldeisers die wel eigen schade hebben geleden door de kennelijk grove fouten die aan de grondslag liggen van de weigering van de kwijtschelding en anderzijds schuldeisers die geen eigen schade hebben geleden; en dit zonder onderscheid te maken of de weerhouden kennelijk grove fouten hebben geleid tot vermindering van actief, dan wel tot vermeerdering van passief; minstens doordat de gedeeltelijk geweigerde kwijtschelding van restschulden in hoofde van een gefailleerde natuurlijke persoon evenredig wordt verdeeld over alle schuldeisers zonder inachtneming van de wettige reden van voorrang in alle gevallen, zonder dat er rekening kan worden gehouden met de aard van de schade in welke zin dan ook, die werd veroorzaakt door de door de rechtbank weerhouden kennelijk grove fout(en)? 3. Schendt artikel XX.173, §3, 4de lid Wetboek Economisch Recht (WER) het artikel 16 Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 1 Eerste Aanvullend Protocol EVRM, in zoverre artikel XX.173, §3, 4de lid WER tot gevolg heeft dat de gedeeltelijk geweigerde kwijtschelding van restschulden in hoofde van een gefailleerde natuurlijke persoon evenredig wordt verdeeld over alle schuldeisers zonder inachtneming van de wettige reden van voorrang, ook in geval schuldeisers eigen schade hebben geleden door de kennelijk grove fouten die aan de grondslag liggen van de gedeeltelijke weigering? Kosten in opschorting. Staat de voorlopige tenuitvoerlegging toe van onderhavig vonnis. ***** Gewezen op tegenspraak door de Tweede Kamer van de Ondernemingsrechtbank van Gent – Afdeling Gent, samengesteld uit: V. Verlaeckt, rechter en voorzitter van de kamer,[…] , rechters in ondernemingszaken, en uitgesproken door de voorzitter van de kamer in buitengewone openbare terechtzitting op 13 november 2025 in aanwezigheid van A. Vriendt, griffier. Gerelateerde publicatie(
  8. s)citeert: ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130905.3 ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250107.2N.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.