id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Ondernemingsrechtbank Gent Vonnis/arrest van 13 november 2025 ECLI nr: ECLI:BE:ORGNT:2025:JUG.20251113.1 Rolnummer: N/25/00133 Rechtsgebied: Insolventierecht Invoerdatum: 2025-12-04 Raadplegingen: 270 - laatst gezien 2026-06-15 19:22 Fiche 1 prejudiciële vraag 1: Schendt artikel XX.173, §3, 4de lid van het Wetboek Economisch Recht (WER) de artikelen 10 en 11 van de Grondwet doordat artikel XX.173, §3, 4de lid WER bepaalt dat de gedeeltelijk geweigerde kwijtschelding van restschulden in hoofde van een gefailleerde natuurlijke persoon evenredig wordt verdeeld over alle schuldeisers zonder inachtneming van de wettige reden van voorrang – ofschoon slechts één schuldeiser van een gefailleerde natuurlijke persoon eigen schade heeft geleden volgend uit de weerhouden kennelijk grove fouten die hebben bijgedragen tot het faillissement begaan door gefailleerde – terwijl een schuldeiser van een gefailleerde rechtspersoon, die eigen schade heeft geleden volgend uit kennelijk grove fouten die hebben bijgedragen tot het faillissement begaan door een orgaan van de gefailleerde, wel ‘persoonlijke genoegdoening' kan bekomen die niet evenredig dient verdeeld te worden over alle schuldeisers? UTU-thesaurus: HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - INSOLVENTIE Vrije woorden: kwijtschelding / eigen schade Wettelijke bepalingen: Wetboek van economisch recht - 28-02-2013 - XX.173 - 19 ELI link Pub nr 2013A11134 Fiche 2 Prejudiciële vraag 2: Schendt artikel XX.173, §3, 4de lid van het Wetboek Economisch Recht (WER) de artikelen 10 en 11 van de Grondwet doordat artikel XX.173, §3, 4de lid WER bepaalt dat de gedeeltelijk geweigerde kwijtschelding van restschulden in hoofde van een gefailleerde natuurlijke persoon evenredig wordt verdeeld over alle schuldeisers zonder inachtneming van de wettige reden van voorrang, dit zonder onderscheid te maken tussen enerzijds schuldeisers die wel eigen schade hebben geleden door de kennelijk grove fouten die aan de grondslag liggen van de weigering van de kwijtschelding en anderzijds schuldeisers die geen eigen schade hebben geleden; en dit zonder onderscheid te maken of de weerhouden kennelijk grove fouten hebben geleid tot vermindering van actief, dan wel tot vermeerdering van passief; minstens doordat de gedeeltelijk geweigerde kwijtschelding van restschulden in hoofde van een gefailleerde natuurlijke persoon evenredig wordt verdeeld over alle schuldeisers zonder inachtneming van de wettige reden van voorrang in alle gevallen, zonder dat er rekening kan worden gehouden met de aard van de schade in welke zin dan ook, die werd veroorzaakt door de door de rechtbank weerhouden kennelijk grove fout(en)? UTU-thesaurus: HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - INSOLVENTIE Vrije woorden: Kwijtschelding / eigen schade Fiche 3 Prejudiciële vraag 3: Schendt artikel XX.173, §3, 4de lid Wetboek Economisch Recht (WER) het artikel 16 Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 1 Eerste Aanvullend Protocol EVRM, in zoverre artikel XX.173, §3, 4de lid WER tot gevolg heeft dat de gedeeltelijk geweigerde kwijtschelding van restschulden in hoofde van een gefailleerde natuurlijke persoon evenredig wordt verdeeld over alle schuldeisers zonder inachtneming van de wettige reden van voorrang, ook in geval schuldeisers eigen schade hebben geleden door de kennelijk grove fouten die aan de grondslag liggen van de gedeeltelijke weigering? UTU-thesaurus: HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - INSOLVENTIE Vrije woorden: kwijtschelding / eigen schade Tekst van de beslissing De tweede kamer van de ondernemingsrechtbank Gent – afdeling Gent heeft het volgend vonnis verleend in het faillissement van: PARTIJEN IN HET GEDING Mevrouw [SL] Eiseres De heer [JJ] in faling verklaard bij vonnis van deze rechtbank van 20 februari 2024, Hebbende als raadsman: mr. [G] Gefailleerde Meester [O] in zijn hoedanigheid van curator over het faillissement van [JJ] Curator I. FEITEN DIE AANLEIDING GEVEN TOT HET GESCHIL 1.1. Gefailleerde werd failliet verklaard bij vonnis van deze rechtbank van 20 februari 2024. Eiseres is schuldeiser van gefailleerde. Op 6 maart 2024 heeft eiseres een aangifte van schuldvordering ingediend ten belope van 5.418,16 EUR. Deze aangifte van schuldvordering werd in het gewoon passief aanvaard door de curator in het eerste proces-verbaal van verificatie, neergelegd 25 maart 2024. Uit het derde en laatste proces-verbaal van verificatie blijkt een totaal passief van 287.910,83 EUR. Uit de goedgekeurde rangregeling blijkt dat de curatele in totaal 14.148,09 EUR kon uitdelen aan de schuldeisers. Eiseres kwam niet in nuttige orde en heeft als schuldeiser geen dividend ontvangen. Haar restschuld blijft 5.418,16 EUR. Op 24 april 2025 legt de curator een verzoekschrift tot sluiting van het faillissement overeenkomstig artikel XX.171 WER neer. 1.2. Op 18 mei 2025 legt eiseres een verzoekschrift tot verzet tegen de kwijtschelding in toepassing van artikel XX.173 WER neer. Gefailleerde werd hiervan in kennis gesteld bij gerechtsbrief van 21 mei 2025. De zaak werd ingeleid op de zitting van 27 mei 2025 en uitgesteld naar de zitting van 17 juni 2025, waarop conclusietermijnen werden bepaald. Partijen hebben conclusies genomen. 1.3. Op de zitting van 30 september 2025 werden de partijen gehoord. 1.3.1. Eiseres legt uit dat zij als klant voorschotten ten belope van 5.418,16 EUR heeft betaald aan gefailleerde, die schrijnwerker was. Zij stelt dat gefailleerde met dit voorschot geen materialen voor het afgesproken project heeft aangekocht, doch dit wel heeft gebruikt om andere schulden te betalen. Dit op een ogenblik dat hij wist dat een faillissement onvermijdelijk was. Eiseres is van oordeel dat zij werd misleid en aan het lijntje werd gehouden door gefailleerde. Gefailleerde zou bij het aangaan van de samenwerking en het ontvangen van de voorschotten doelbewust gelogen hebben over zijn financiële situatie en gezondheidstoestand. Ter zitting verduidelijkt eiseres haar verzoekschrift en conclusie, voor zo ver als nodig. Zij vraagt in hoofdorde de kwijtschelding in haar geheel te weigeren aan gefailleerde en ondergeschikt de gedeeltelijke kwijtschelding enkel uit te spreken voor de restschulden van de overige schuldeisers en aldus de weigering van de kwijtschelding enkel te betrekken op haar eigen restvordering ten belope van 5.418,16 EUR. 1.3.2. Gefailleerde stelt dat hij geen kennelijk grove fouten heeft begaan, minstens dat deze fouten niet hebben bijgedragen tot het faillissement. Ondergeschikt stelt gefailleerde dat eiseres geen belang in de zin van artikel 17 Ger.W. heeft om de gehele weigering van de kwijtschelding te eisen. Hij wijst erop dat het totale restpassief meer dan 270.000,00 EUR bedraagt en dat de restschuld ten aanzien van eiseres slechts 5.418,16 EUR bedraagt. Eiseres zou enkel kunnen vragen dat de schuld aan haar niet zou worden kwijtgescholden. 1.3.3. De curator verduidelijkt ter zitting dat hijzelf geen verzoekschrift tot verzet tegen de kwijtschelding heeft neergelegd om de enkele reden dat eiseres reeds verzet had aangetekend. 1.4. De debatten werden gesloten en de zaak werd in beraad genomen. II. BEOORDELING DOOR DE RECHTBANK 2.1. Overeenkomstig artikel XX.173 WER heeft elke belanghebbende het recht te vorderen dat de kwijtschelding geheel of gedeeltelijk wordt geweigerd. In casu bedraagt het totale restpassief meer dan 270.000,00 EUR en is er verzet tegen de kwijtschelding uitgaande van slechts één schuldeiser met een restschuld van 5.418,16 EUR. De verzetdoende schuldeiser vordert dat de kwijtschelding geheel wordt geweigerd. Ondergeschikt vordert de verzetdoende schuldeiser dat enkel de kwijtschelding van de restschuld aan haar zou geweigerd worden. 2.2. Om de redenen hieronder uiteengezet, ziet de rechtbank zich genoodzaakt prejudiciële vragen te stellen aan het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de grondwettigheid van het huidige artikel XX.173 WER. De antwoorden op de prejudiciële vragen zullen een invloed hebben op de te wijzen beslissing, in de zin dat het antwoord op de vraag of de (mogelijke) gedeeltelijke kwijtschelding betrekking moet of kan hebben op alle schulden dan wel enkel op de schuld aan eiseres, bepaald zal worden door het antwoord op de hieronder gestelde prejudiciële vragen. Het faillissement waarop het vraagstuk betrekking heeft, is opengevallen op 20 februari 2024. Artikel XX.173 WER, zoals gewijzigd door de wet van 7 juni 2023, is aldus van toepassing (zie verder). 2.3. Met de invoeging van boek XX in het Wetboek Economisch Recht bij wet van 11 augustus 2017 (BS 11 september 2017) werd een nieuwe regeling inzake de kwijtschelding van restschulden bij faillietverklaring van een natuurlijke persoon voorzien. Het concept van de verschoonbaarheid werd verlaten. Door de kwijtschelding wordt de schuldenaar voortaan bevrijd van de schuld; de schuld verdwijnt. De wetgever had “de wil om voor gefailleerden te goeder trouw een tweede kans en een snelle herstart van deze laatsten na faillissement mogelijk te maken” (Parl.St., Kamer 2016-17, nr. 54-2407/001, 97-98). Waar bij de verschoonbaarheid het een “alles of niets”-verhaal betrof volgens de meerderheidstrekking, heeft de wetgever in boek XX WER aan de rechtbank de uitdrukkelijke mogelijkheid gegeven om de kwijtschelding slechts gedeeltelijk toe te kennen. Dit geeft aan de faillissementsrechter de mogelijkheid om in elk individueel geval – dat steeds gekenmerkt wordt door concrete omstandigheden en voorgaanden – een evenwicht te vinden tussen sanctie, verantwoordelijkheid, nieuwe kansen en perspectief. 2.4. De kwijtschelding van de restschulden wordt geregeld in de artikelen XX.173 en XX.174 WER. Het oorspronkelijke artikel XX.173, § 3 WER stelde: ‘Elke belanghebbende met inbegrip van de curator en het openbaar ministerie kan, bij verzoekschrift waarvan door de griffier wordt kennis gegeven aan de gefailleerde, vanaf de bekendmaking van het faillissementsvonnis vorderen dat de kwijtschelding slechts voor een deel wordt toegekend of volledig geweigerd bij gemotiveerde beslissing, indien de gefailleerde kennelijk grove fouten heeft begaan die hebben bijgedragen tot het faillissement.’ Hoven van beroep en rechtbanken hebben op grond van voormeld artikel geoordeeld dat het belang van de individuele schuldeiser zich enkel situeert in de weigering van de kwijtschelding van haar eigen vordering. Een specifieke of individuele schuldeiser zou geen belang hebben bij de weigering van de kwijtschelding van andere schulden, laat staan van alle schulden. Aldus, indien er geen verzet tegen de kwijtschelding uitgaat van de curator of het openbaar ministerie, zou de verzetdoende individuele schuldeiser kunnen bekomen dat enkel voor zijn eigen schuldvordering de kwijtschelding wordt geweigerd. In dat geval ontzegt de rechtbank enkel de kwijtschelding voor die welbepaalde restschuld. Dit heeft als gevolg dat de individuele schuldeiser niet in concurrentie zal komen met de andere (passieve) schuldeisers bij een latere uitvoering op het nieuwe vermogen van de ex-gefailleerde. De toekomstige koek moet door minder schuldeisers gedeeld worden. De kansen op recuperatie van de restvordering verhogen in hoofde van de verzetdoende schuldeiser, wat meteen zijn (eigen) belang aanschouwelijk maakt. Enkel wanneer de curator of het openbaar ministerie zich verzetten tegen de kwijtschelding, zou de weigering van de kwijtschelding betrekking kunnen hebben op de totaliteit van de restschulden. Deze visie wordt niet door iedereen gedeeld. Er wordt evenzeer betoogd dat een individuele schuldeiser wel de gehele weigering van de kwijtschelding kan vorderen en dat een beslissing tot weigering van de kwijtschelding door de rechtbank een beslissing op het collectieve niveau betreft en elke schuldeiser op gelijke wijze zou moeten raken. Zie over dit onderwerp onder meer: - HvB Antwerpen 2 september 2021, TIBR 2022/1, RS-38. - HvB Gent, 8 september 2025, 2024/AR/1202, onuitg. - Orb. Henegouwen, afd. Charleroi, 19 januari 2021, JLMB, 2021/26, p. 1170. - Orb. Gent, afd. Brugge 18 januari 2021, TIBR 2021, 128-129. Zie hierover ook onder meer: - B. Wylleman, “Kwijtschelding” in H. Braeckmans, F. De Tandt, E. Dirix, E. Van Camp en T. Lysens (eds.), Faillissement & Reorganisatie, Mechelen, Kluwer, losbl., nr. 64. - I. Verougstraete, “Een gedeeltelijke kwijtschelding als deel van een collectieve beslissing”, TBH 2021, afl. 8, 1085-1086. - D. Pasteger, “De l’excusabilité à l’effacement: le point sur les mécanismes de fresh start, et de décharge des cautions, dans le Livre XX du Code de droit économique”, TBH 2018/3, p. 271 nr. 17 - J. Vandenbogaerde, “De groeipijn van de kwijtschelding van restschulden. Een bloemlezing uit recente rechtspraak”, TIBR 2021/2, nr. 30. - F. Reynaert, “De tweedekansdoctrine binnen het nieuwe insolventierecht”, DAOR 2020, p. 26, nr. 22 - G. Pirard en A. Henderickx, “Effacement des dettes 'versus' excusabilité du failli – contestation des tiers – effacement partiel”, JLMB 2019, afl. 31, p. 1457-1458, nr. 11-18. 2.5. De vraag zou kunnen worden gesteld of onder het oorspronkelijke artikel XX.173 WER bovenstaande discussie wel op de juiste gronden werd gevoerd en of er wel een zwart-wit standpunt diende te worden ingenomen aangaande de vraag of een individuele schuldeiser “belang” had om een collectieve beslissing (tot niet-kwijtschelding) uit te lokken. Er zou immers ook aangenomen kunnen worden dat zowel de strekking van de collectieve sanctie alsook de strekking van de louter individuele genoegdoening in hoofde van de schuldeiser naar recht verantwoord zijn, doch dat de keuze tussen beiden afhangt van de concrete omstandigheden van de casus. Niet zozeer wie verzet tegen de kwijtschelding aantekent, maar eerder de aard van de veroorzaakte schade, zou determinerend kunnen zijn. - Een klant van wie een voorschot werd gevraagd net voor faillietverklaring en desgevallend slachtoffer is van oplichting door de gefailleerde, zou bij verzet kunnen aanvoeren dat de gedeeltelijke weigering van de kwijtschelding enkel betrekking moet hebben op zijn schuldvordering. Het is immers enkel die klant die eigen schade heeft geleden door de fout, niet de andere schuldeisers. Het is net de collectiviteit die geprofiteerd heeft van de kennelijk grove fout want zij heeft liquiditeiten ontvangen die zij niet had mogen ontvangen en verdelen. - Indien de kennelijk grove fout echter enkel bestaat uit het niet bijhouden van een boekhouding en het niet naleven van eender welke regel van het vennootschapsleven, dan zou kunnen worden gesteld dat het meest passend is om een gedeeltelijke kwijtschelding te spreiden over alle restschulden, ook al werd het verzet tegen de kwijtschelding enkel ingediend door één individuele schuldeiser. De kennelijke grove fout treft dan alle schuldeisers en geeft vorm aan het volledig passief. Het betreft dan collectieve schade. 2.6. Hoewel deze klassiek niet geassocieerd worden met faillissementen van natuurlijke personen, zouden redeneringen in termen van “individuele/collectieve schade” en “vermeerdering passief/vermindering actief” richtinggevend kunnen zijn in het vraagstuk omtrent de noodzakelijke gevolgen van een gedeeltelijke kwijtschelding. Dit zijn typische insolventie-concepten die zich situeren in de context van bestuurdersaansprakelijkheid. Doch de rechtbank brengt in herinnering dat de gehele of de gedeeltelijke weigering van kwijtschelding voor een natuurlijke persoon nu eenmaal is, wat bestuurdersaansprakelijkheid is voor een vennootschapsbestuurder. (zie J. Vananroye en R. Verheyden, “De insolventieprocedures in het nieuwe Boek XX WER” in M.E. Storme (ed.), Insolventie- en beslagrecht. Themis 107, die Keure, 2018, 39-40) Het volstaat te verwijzen naar het criterium van de ‘kennelijk grove fout die heeft bijgedragen tot het faillissement’ dat door de wetgever wordt gebruikt in artikel XX.173 WER (kwijtschelding) alsook in artikel XX.225 WER (bestuurdersaansprakelijkheid). Het leerstuk van het onderscheid tussen eigen en collectieve schade toont aan dat bij samenloop en boedelvorming, het karakter van de schade haar belang niet verliest. Als dat het geval is bij kennelijk grove fouten begaan in de context van een onderneming in vennootschapsvorm, dan stelt zich de vraag waarom dat ook niet zou gelden bij kennelijk grove fouten begaan in de context van een onderneming als natuurlijke persoon. 2.7. Bij wet van 7 juni 2023 (BS 7 juli 2023) werd onder andere §3 van artikel XX.173 WER als volgt gewijzigd: ‘Het recht te vorderen dat de kwijtschelding geheel of gedeeltelijk wordt geweigerd, vervalt na drie jaar te rekenen vanaf het ogenblik dat het recht opname te vorderen bedoeld in XX.165, derde lid, verstreken is. […] De door de rechtbank gedeeltelijk geweigerde kwijtschelding wordt evenredig verdeeld over alle schuldeisers zonder inachtneming van de wettige reden van voorrang.’ In de memorie van toelichting bij het wetsontwerp van 20 maart 2023 dat heeft geleid tot deze laatste wetswijzing (Parl.St., Kamer 2022-23, DOC 55 3231/001, p. 90) wordt hierover gesteld: ‘Indien een gedeeltelijke kwijtschelding wordt bevolen zal een evenredige vermindering van alle schulden gebeuren ook al werd de weigering slechts door één schuldeiser gevraagd. De beslissing tot gedeeltelijke weigering is immers in hoofdorde een sanctie genomen in het kader van een collectieve procedure en de individuele genoegdoening is hier een bijzaak. Dit strookt met het advies van de Raad van State in Parl.Doc.nr. 54-2454.’ Bedoeld wordt het advies 71.404/2 van 31 mei 2022 (Parl.St., Kamer, 2021-2022, nr. 55-2454/002) waarin wordt gesteld: ‘Fundamenteler nog is dat van de gelegenheid gebruik moet worden gemaakt om in de tekst van artikel XX.173, § 3, van het Wetboek te preciseren wat dient te worden verstaan onder gedeeltelijke weigering. Een dergelijke weigering kan namelijk worden opgevat als een weigering die op een gedeelte van de schulden van de gefailleerde slaat, dan wel als een weigering die betrekking heeft op alle schulden die naar evenredigheid zouden worden verminderd voor alle schuldeisers. In dat verband moet men rekening houden met het grondwettelijke beginsel van gelijkheid en non-discriminatie, dat voor alle schuldeisers in acht genomen moet worden. De wetgever moet over die kwesties ook meer uitleg verschaffen in het vervolg van de parlementaire voorbereiding.’ 2.8. Gelet op de memorie van toelichting – waarin aldus gesteld wordt dat het verminderen van schulden evenredig dient te gebeuren ‘ook al werd de weigering slechts door één schuldeiser gevraagd’ – zou op het eerste gezicht kunnen betekenen dat na de voormelde wetswijziging in 2023 de rechtspraak naar dewelke verwezen wordt in randnummer 2.4. moeilijk houdbaar is voor faillissementsprocedures geopend vanaf 1 september 2023. Er zou dan ook kunnen worden gesteld dat voor de faillissementen geopend vanaf 1 september 2023 voortaan één schuldeiser de weigering van de kwijtschelding van alle restschulden kan vragen en dat een gedeeltelijke weigering steeds moet uitgedrukt worden in een percentage dat evenredig zal gelden voor elke schuldeiser. In alle gevallen, zou elke schuldeiser aldus in gelijke mate de kwijtschelding moeten ondergaan dan wel in gelijke mate genieten van de (gedeeltelijke) weigering van die kwijtschelding. De vraag stelt zich echter of die regel uitgedrukt in het huidige artikel XX. 173 WER wel bestaanbaar is met de grondwet (zie verder). Door ongelijke situaties of verschillende categorieën van personen, toch op gelijke wijze te behandelen, kan het gelijkheidsbeginsel geschonden worden. Mogelijk is het net die ogenschijnlijke gelijkheid in voormelde regel die de onverantwoorde ongelijkheid in de hand werkt (zie verder). De vraag dringt zich op of het opgelegde uitgangspunt dat erin bestaat dat individuele genoegdoening bij gedeeltelijke kwijtschelding slechts “bijzaak” is, wel grondwetsconform is. Die “bijzaak” raakt immers wel het door artikel 16 G.W. gewaarborgde bescherming van het eigendomsrecht (zie verder). 2.9. Artikel XX.173 WER interpreteren in overeenstemming met hetgeen op pagina 90 van de memorie van toelichting wordt gesteld – en zoals hierboven geciteerd in randnummer 2.7. – , leidt mogelijk tot ongrondwettige situaties. Om te illustreren wat het gevolg kan zijn van het gewijzigde artikel XX.173 WER na de wet van 7 juni 2023 – en wat mogelijk als problematisch kan ervaren worden – verwijst de rechtbank naar volgende (niet-fictieve) voorbeelden: 2.9.1. Voorbeeld 1: Een leasemaatschappij die na faillissement moet vaststellen dat de schuldenaar in de maanden voor zijn faillietverklaring twee lease-voertuigen wederrechtelijk heeft verkocht voor 20.000,00 EUR en dat die gelden niet meer aanwezig zijn op het ogenblik van de faillietverklaring. De rechtbank kan oordelen dat deze verkoop van de twee voertuigen – eigendom van de leasemaatschappij – een kennelijk grove fout uitmaakt die heeft bijgedragen tot het faillissement in de zin van artikel XX. 173 WER. Het is mogelijk dat die fout, de enige fout is die de gefailleerde gemaakt heeft, doch dat gezien de omstandigheden deze ene fout een zulk grof karakter heeft dat de gehele of gedeeltelijke weigering van de kwijtschelding zich opdringt. Het is mogelijk dat de rechtbank van oordeel is dat een gedeeltelijke weigering van de kwijtschelding volstaat omdat die ene fout - hoewel zij kennelijk grof is - slechts beperkt heeft bijgedragen tot het faillissement; bijvoorbeeld een faillissement waar de restschuld ten aanzien van de leasemaatschappij 15.000,00 EUR bedraagt op een totaal restpassief van 200.000,00 EUR. De vraag stelt zich of het in die omstandigheden in alle redelijkheid te verantwoorden is dat in geval de rechtbank besluit tot de gedeeltelijke weigering van de kwijtschelding, de restschuld van 15.000,00 EUR ten aanzien van de gedupeerde leasemaatschappij op evenredige wijze, moet worden verminderd ten gunste van de overige schuldeisers? Het is in beginsel enkel de leasemaatschappij die schade heeft geleden door die ene kennelijk grove fout en niet de overige schuldeisers. Door andermans goed te verkopen wordt ook geen schade veroorzaakt aan de boedel, integendeel, de boedel wordt verrijkt door de kennelijk grove fout. Het is immers eigen schade in hoofde van de leasemaatschappij, dewelke los staat van de boedel. Als de boedel zich wederrechtelijk verrijkt dan heeft dit tot gevolg dat er meer actief kan worden verdeeld onder de andere schuldeisers. In geval de rechtbank de kwijtschelding voor 10% weigert, zou dit betekenen dat de gedupeerde leasemaatschappij – die desgevallend slachtoffer is van een misdrijf – slechts 1.500,00 EUR zal kunnen recupereren terwijl de verkoop van haar eigendom de enige reden was om tot gedeeltelijke kwijtschelding te besluiten. De overige schuldeisers profiteren dan (een tweede keer) van een misdrijf begaan door de gefailleerde tegenover een andere schuldeiser die hierdoor (eigen) schade heeft geleden. De overige schuldeisers kunnen dan ook 10% van hun restschuld vorderen, terwijl hun schuldvordering niet werd geraakt door de kennelijk grove fout; die schuldeisers hebben eerder misschien net méér ontvangen door die kennelijk grove fout. De vraag stelt zich of dit te verantwoorden is. 2.9.2. Voorbeeld 2: Een klant die met opzet misleid wordt en een voorschot van 30.000,00 EUR betaalt aan een aannemer die enkele dagen later failliet wordt verklaard. De klant leidt eigen schade. Er is geen collectieve schade. De aannemer heeft het voorschot meteen gebruikt om enkele schulden aan de bank te betalen waarvoor zijn ouders persoonlijk borg waren. De bank blijft hierdoor achter met een restschuld van 5.000,00 EUR in plaats van 35.000,00 EUR. Dit kan gekwalificeerd worden als een misdrijf dat heeft geleid tot loutere eigen schade (zie Cass. 7 januari 2025, P.24.1150.N ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250107.2N.4). Als de rechtbank om voormelde redenen zou oordelen dat dit alles een kennelijk grove fout betreft en dat gedeeltelijke weigering van de kwijtschelding ten belope van 20% zich opdringt, dan zou dit betekenen dat degene die het voorschot heeft betaald van 30.000,00 EUR slechts 6.000,00 EUR zal kunnen proberen recupereren en de bank nogmaals 1.000,00 EUR, terwijl het net de bank is die voordeel heeft genoten van de kennelijk grove fout die tot gedeeltelijke weigering heeft geleid. De vraag stelt zich of dit te verantwoorden is. 2.9.3. Voorbeeld 3 Een onderneming natuurlijke persoon wordt failliet verklaard op dagvaarding van de FOD Financiën waarbij de gefailleerde systematisch bedrijfsvoorheffing onbetaald heeft gelaten gedurende 40 maanden. Dit kan in bepaalde gevallen beschouwd worden als eigen schade (zie Cass. 5 september 2013, C.12.0445.N ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130905.3/1). Het systematisch niet vervullen van fiscale verplichtingen kan eveneens aanzien worden als een kennelijk grove fout die heeft bijgedragen tot het faillissement. Het passief bedraagt 160.000,00 EUR en bestaat uit 80.000,00 EUR aan onbetaalde bedrijfsvoorheffing, 50.000,00 EUR voor ontslagvergoedingen van werknemers die ontslagen werden door de curator en 30.000,00 EUR uit hoofde van een verbrekingsvergoeding voor leasecontract dat werd ontbonden door het faillissement en waarbij geen achterstal bestond. Als een rechtbank zou oordelen dat de kwijtschelding omwille van het systematisch niet betalen van bedrijfsvoorheffing gedeeltelijk moet geweigerd worden voor 50%, dan betekent dit dat de ontslagen werknemers en leasemaatschappij elk 50% van hun schuldvordering kunnen proberen recupereren op het nieuwe vermogen van de gefailleerde, terwijl de weerhouden grove fout weinig tot niets met hun schuldvordering te maken heeft. Meer zelfs, door langdurig de bedrijfsvoorheffing niet te betalen, konden wellicht de werknemers en leasemaatschappij langer betaald worden tijdens de verlieslatende verderzetting van de onderneming. De vraag stelt zich of dit te verantwoorden is. 2.9.4. Andere: Zelfde situaties kunnen zich voordoen bij een kredietverstrekker die werd misleid om krediet te verlenen in het licht van nakende insolventie, een leverancier die op basis van valse stukken een levering doet bij de toekomstige gefailleerde, … Allen situaties die een kennelijk grove fout kunnen inhouden, die heeft bijgedragen tot het faillissement en toch enkel eigen schade heeft veroorzaakt. 2.10. De rechtbank brengt in herinnering dat de voorwaarde dat de kennelijk grove fout moet ‘bijgedragen’ hebben tot het faillissement, (enkel) inhoudt dat de fout een aandeel moet gehad hebben in de daaropvolgende faillietverklaring. Het faillissement moet mee veroorzaakt moet zijn door de kennelijk grove fout. Niet vereist is dat deze fout de enige, de belangrijkste of de noodzakelijke oorzaak van het faillissement is. Een kennelijk grove fout die (mede) heeft geleid tot eigen schade in hoofde van een schuldeiser, kan wel degelijk hebben bijgedragen tot het faillissement. 2.11. Door de regel vervat in het huidige artikel XX.173 WER wordt schijnbaar aan de rechtbank de mogelijkheid ontnomen om rekening te houden met het eigen of collectief karakter van de schade of minstens met het eigen of collectief karakter van de gevolgen van de feiten die tot de weigering van de kwijtschelding geleid hebben. Dit terwijl elke casus anders is en er zou kunnen aangenomen worden dat de rechtbank goed geplaatst is om een gepast rechtsherstel te bepalen op basis van specifieke elementen eigen aan de casus. In gevallen waar
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.