← België

ECLI:BE:ORGNT:2025:JUG.20251215.1

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Ondernemingsrechtbank Gent Vonnis/arrest van 15 december 2025 ECLI nr: ECLI:BE:ORGNT:2025:JUG.20251215.1 Rolnummer: Q/25/0025 Rechtsgebied: Overige - Insolventierecht Invoerdatum: 2025-12-16 Raadplegingen: 2404 - laatst gezien 2026-06-18 22:21 Fiche 1 De normale procesgang trachten te verstoren door het neerleggen van een manifest ongegrond verzoekschrift tot heropening van de debatten, opgebouwd rond vermeende arresten van het Grondwettelijk Hof en het Hof van Cassatie die in werkelijkheid niet bestaan, is bijzonder hinderlijk. Een behoorlijke rechtsbedeling – waarin elke actor zijn rol op onafhankelijke wijze moet kunnen vervullen – is slechts mogelijk wanneer iedereen zijn taak met de vereiste ernst uitoefent. Dit in het bijzonder in procedures gerechtelijke reorganisatie die gekenmerkt worden door korte dwingende termijnen waarbinnen moet geoordeeld worden. […] Dat de rechtbank verplicht wordt in die korte tijd nog niet-bestaande rechtspraak op alle mogelijke manieren te onderzoeken, is tergend. De debatten worden heropend ten einde standpunt te laten innemen over toepassing van artikel 780bis Ger.W. in het kader van onoordeelkundig en ongecontroleerd gebruik van AI-toepassingen in verzoekschriften en stavingstukken. UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - GERECHTELIJK RECHT- ALGEMENE BEGINSELEN Vrije woorden: Artikel 780bis citeren onbestaande rechtspraak. Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - 780bis - 04 ELI link Pub nr 1967101055 Nota: Over onoordeelkundig en ongecontroleerd gebruik van AI-toepassingen Fiche 2 Een “reorganisatieplan” dat in geen enkel opzicht gehomologeerd kan worden door de rechtbank, hoeft ook niet nodeloos aan de schuldeisers ter stemming worden voorgelegd. De rechtbank ziet geen enkele reden om de zaak uit te stellen, de opschorting te verlengen en of een nieuwe stemming te organiseren. UTU-thesaurus: HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - INSOLVENTIE Vrije woorden: Reorganisatieplan. Gerechtelijke reorganisatie door collectief akkoord / Vonnis bevestigd door HvB Gent, 19 januari 2026, 2025/AR/2013 Wettelijke bepalingen: Wetboek van economisch recht - 28-02-2013 - XX.79 - 19 ELI link Pub nr 2013A11134 Fiche 3 Het reorganisatieplan laat geen beoordeling in het kader van artikel XX.79 § 3 en § 4 WER toe, omdat het plan niets concreet bevat. Het betreft een inhoudsloos document van 22 pagina's, opgebouwd uit holle en nietszeggende bewoordingen, waarin op geen enkel punt concrete, toetsbare of uitvoerbare elementen worden aangereikt voor de schuldeisers, gedelegeerd rechter en rechtbank. Het betreft een document dat het resultaat lijkt te zijn van knip- en plakwerk uit cursussen bedrijfsbeheer, economie en insolventierecht. Het bevat enkel teksten over algemene begrippen, bedrijfsstrategieën en werkprocessen die op geen enkele wijze ter zake dienend zijn. Sommige hoofdstukken lijken gekopieerd uit een handleiding tot het opmaken van een reorganisatieplan, eerder dan een daadwerkelijk plan te verwoorden. Andere hoofdstukken lijken dan weer gekopieerd te zijn uit een bedrijfsbrochure voor klantenprospectie. Het plan gaat blijkbaar ook nog steeds uit van “de WCO-procedure”. UTU-thesaurus: HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - INSOLVENTIE Vrije woorden: Reorganisatieplan / stemming Wettelijke bepalingen: Wetboek van economisch recht - 28-02-2013 - XX.79 - 19 ELI link Pub nr 2013A11134 Fiche 4 Een verzoek tot heropening van de debatten kan in een procedure gerechtelijke reorganisatie niet aangewend worden om de niet-neerlegging van een reorganisatieplan te neutraliseren of om een nieuw “geactualiseerd” reorganisatieplan neer te leggen dat werd “uitgewerkt” tijdens het beraad. Evenmin kan een verzoekschrift heropening debatten niet aangewend worden om een bepaalde houding of gedraging op de zitting naderhand te corrigeren of te wijzigen UTU-thesaurus: HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - INSOLVENTIE Vrije woorden: Heropening debatten - gebrek reorganisatieplan Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - 772 - 04 ELI link Pub nr 1967101055 Tekst van de beslissing De Ondernemingsrechtbank Gent, afdeling Gent, Derde Kamer heeft volgend vonnis verleend inzake: BV [E.J.], , hebbende als raadsman meester [X.] Verzoekster inzake gerechtelijke reorganisatie, En Mr. [Y], in zijn hoedanigheid van voorlopig bewindvoerder van de BV [E.J] daartoe aangesteld bij beschikking van de Voorzitter van de Ondernemingsrechtbank Gent, afdeling Gent dd. 30/07/25 Vrijwillig tussenkomende partij, De inhoud: I. INFORMATIE OVER DE PROCEDURE EN VOORAFGAANDE FEITEN II. HET VERZOEKSCHRIFT TOT HEROPENING VAN DEBATTEN II.A. VOORAF: VERWIJZIGINGEN NAAR NIET-BESTAANDE RECHTSPRAAK II.B. HET VERZOEK TOT HEROPENING VAN DEBATTEN TEN GRONDE III. HET COLLECTIEF AKKOORD EN DE HOMOLOGATIE VAN EEN REORGANISATIEPLAN IV. DE VOORTIJDIGE BEËINDIGING EN FAILLIETVERKLARING V. BOETE VOOR KENNELIJK VERTRAGENDE OF ONRECHTMATIGE DOELEINDEN VI. DE BESLISSING I. INFORMATIE OVER DE PROCEDURE EN VOORAFGAANDE FEITEN 1.1. [E.J.] is een onderneming die 35 werknemers tewerkstelt en fungeert als uitzendkantoor waarbij haar werknemers worden ingezet in vleesverwerkende bedrijven. 1.2. Bij beschikking van de kamer voor ondernemingen in moeilijkheden van 3 juli 2025 werd het dossier van [E.J.] meegedeeld aan de dienstdoend voorzitter van de rechtbank in toepassing artikel XX.29, § 2 WER. Bij beschikking van 30 juli 2025 van de dienstdoend voorzitter werd ambtshalve beslist een voorlopige bewindvoerder over [E.J.] aan te stellen in toepassing van artikel XX.32 WER. Op 19 augustus 2025 is de voorlopige bewindvoerder overgegaan tot dagvaarding in faillietverklaring van [E.J.]. 1.3. [E.J.] eiste dat de voorlopige bewindvoerder een openbare gerechtelijke reorganisatie door collectief akkoord (art.XX.66/1 WER) zou aanvatten. De voorlopige bewindvoerder weigerde in te gaan op dit verzoek onder meer om reden dat hij geen slaagkansen in zulke procedure zag. Op vordering van [E.J.] werd bij beschikking van 28 oktober 2025 door de dienstdoend voorzitter de opdracht van de voorlopige bewindvoerder aangepast in de zin dat aan het bestuur van [E.J.] enkel de bevoegdheid werd gelaten om een procedure openbare gerechtelijke reorganisatie door collectief akkoord (art.XX.66/1 WER) te voeren. In deze beschikking wordt door de dienstdoend voorzitter onder meer gesteld (stuk 4 voorlopige bewindvoerder): “Van een voorlopig bewindvoerder kan niet verwacht worden dat hij een procedure gerechtelijke reorganisatie opstart als hij daarin zelf niet gelooft. De voorlopig bewindvoerder heeft een beleidsruimte. De voorlopig bewindvoerder werd aangesteld omwille van zijn deskundigheid en neutraliteit. Uit de stukken voorgelegd door de voorlopig bewindvoerder blijkt dat hij wel degelijk zijn taak naar behoren en op een betrokken wijze uitvoert. Doch een voorlopig bewindvoerder kan niet toveren en alles wat de voorbije twee jaren door het bestuur werd verwaarloosd, herstellen. Dit geldt des te meer wanneer er een gebrek aan medewerking vanwege het bestuur met de bewindvoerder vastgesteld wordt. Het ontbreken van een passende en betrouwbare boekhouding en het niet vervullen van fiscale verplichtingen (zoals tijdige aangiften inzake BTW) zijn twee van de redenen waarom [E.J.] in huidige situatie is terechtgekomen. […] Na afweging van alle belangen, de lopende activiteiten van de onderneming met bijhorende cash flow, de inschatting van mogelijke risico’s met betrekking tot activa en rekening houdend met het bewarend karakter van de aanstelling, kan toegelaten worden dat de opdracht van de voorlopig bewindvoerder wordt aangepast. Dit om de onderneming toe te laten de beoogde procedure gerechtelijke reorganisatie te voeren. Verzoekster kan onderhandelingen voeren met de schuldeisers en kan desgevallend een reorganisatieplan uitwerken.” 1.4. Bij vonnis van 28 oktober 2025 werd [E.J.] toegelaten tot de gerechtelijke reorganisatie door collectief akkoord waarbij de opschorting werd bepaald tot 16 december 2025. De zitting waarop de stemming zou doorgaan, werd vastgesteld op 9 december 2025. In toepassing van artikel 46, § 4 WER werden bepaalde informatieverplichtingen opgelegd aan [E.J.]. Zo wordt expliciet aan [E.J.] opgelegd dat zij aan de gedelegeerd rechter een verklaring geeft omtrent een in de boekhouding opgenomen “negatieve bezoldiging ter waarde van 245.630,00 euro op boekhoudpost 455000”. 1.5. Op 30 oktober 2025 legt de voorlopige bewindvoerder een verzoekschrift tot vrijwillige tussenkomst neer in huidige procedure (zie artikel XX.4 WER). 1.6. Na voormeld vonnis van 28 oktober 2025 tot opening van de gerechtelijke reorganisatie wordt geen enkel stuk of geschrift meer neergelegd in het register door [E.J.]. 1.7. Op 5 december 2025 legt de gedelegeerd rechter zijn verslag neer waarin hij meldt dat er geen reorganisatieplan werd neergelegd. De gedelegeerd rechter voegt een mailbericht waarin hij op 20 november 2025 de raadsman van [E.J.] heeft gewezen op het ontbreken van een reorganisatieplan. Hierop werd niet gereageerd. Tenslotte verwijst de gedelegeerd rechter in zijn verslag naar recente feitelijkheden inzake de noodzakelijke stopzetting van de activiteiten na sociale controle en intrekking van de vergunningen voor de activiteiten als uitzendbureau. In het verslag wordt een mail van 4 december 2025, uitgaande van de arbeidsauditeur opgenomen waarin wordt verwezen naar illegale activiteiten. 1.8. Op 8 december 2025 – één dag voor de voorziene stemmingszitting – legt de voorlopige bewindvoerder een verzoekschrift in toepassing van artikel XX.62, §2 WER neer waarin hij na verslag van de gedelegeerd rechter en het advies van het Openbaar Ministerie, de voortijdige beëindiging van de gerechtelijke reorganisatie vordert en vraagt om vervolgens in hetzelfde vonnis het faillissement uit te spreken van de BV [E.J.]. De voorlopige bewindvoerder zet uiteen: - Dat er geen reorganisatieplan werd neergelegd. - Dat hij op 4 december 2025 door de Arbeidsauditeur in kennis werd gesteld dat reeds bij besluit van 14 januari 2025 van de Vlaamse Overheid de erkenning als uitzendkantoor van de BV [E.J.] werd ingetrokken. - Dat op 28 november 2025 een controle werd uitgevoerd door Vlaamse Sociale Inspectie bij de klanten van [E.J.] - Dat werd vastgesteld dat [E.J.] ondanks de intrekking van de erkenning bij besluit van 14 januari 2025 haar uitzendactiviteiten heeft verdergezet. - Dat de Arbeidsauditeur is overgegaan tot strafrechtelijke beslaglegging bij alle klanten op alle tegoeden van [E.J.] en dat de verzetting van de activiteiten van uitzendarbeid een illegale activiteit uitmaakt, waarbij alle inkomsten beschouwd worden als een vermogensvoordeel rechtstreeks verkregen uit een misdrijf. - Dat sinds 28 november 2025 alle activiteiten in [E.J.] noodzakelijk zijn gestaakt. - Dat het bestuur van [E.J.] op geen enkel ogenblik aan de voorlopige bewindvoerder heeft meegedeeld dat de erkenning inzake uitzendarbeid zou zijn ingetrokken. - Dat de schulden ondertussen opgelopen zijn tot meer dan één miljoen euro. Namelijk 497.780,25 EUR (BTW) en 100.729,61 EUR (directe belasting) 352.553,79 EUR (RSZ) en 148.000,00 EUR (FEDRIS onbetaalde premie arbeidsongevallen) - Dat de situatie uitzichtloos is. Er is geen enkel continuïteitsperspectief. 1.9. Op de zitting van 9 december 2025 zijn aanwezig: • BV [E.J.], vertegenwoordigd door meester [X.] • meester [Y.], in zijn hoedanigheid van voorlopige bewindvoerder XX.32 WER van BV [E.J.], • meester [F.H.], raadsman van schuldeiser RSZ, • de heer [B.R.], in zijn hoedanigheid van gedelegeerd rechter van BV [E.J.] en • het openbaar ministerie, ter zitting vertegenwoordigd door mevrouw [S.B.]. Ter zitting delen de gedelegeerd rechter en de voorlopige bewindvoerder aan de rechtbank mee dat er geen reorganisatieplan neerligt zodat er niet kan gestemd worden. De rechtbank stelt in aanwezigheid van partijen vast dat [E.J.] sinds de opening van de procedure 28 oktober 2025 geen geschrift of eender welk stuk heeft neergelegd in het register. Er werd geen geactualiseerde lijst van schuldeisers neergelegd (XX.77, §1, 2de lid WER). Gezien er geen stukken meer werden neergelegd na de opening van de procedure heeft de griffie ook geen bijkomende mededelingen aan schuldeisers gedaan (XX.77, §5 WER). Enkel schuldeiser RSZ is aanwezig die ter zitting verklaart op eigen initiatief het dossier te hebben opgevolgd gezien het belang ervan. 1.10. Geconfronteerd met deze vaststellingen, betwist de raadsman van [E.J.] dat er niet zou kunnen gestemd worden. Hij stelt dat nog vóór de opening van de gerechtelijke reorganisatie een “reorganisatieplan” werd neergelegd in het register. Wat de inhoud van dit “plan” is, kan de raadsman ter zitting niet verduidelijken. Een kopie kan niet worden voorgelegd. Na raadpleging van het register ter zitting blijkt dat de raadsman doelt op een stuk dat op 6 oktober 2025 onder de tegel “art. XX. 41 §2 - Andere stukken” in het register werd neergelegd, als één van de bijlagen bij het inleidend verzoekschrift tot opening van de gerechtelijke reorganisatie. Op de voorzijde van dit stuk wordt “reorganisatieplan” vermeld. De raadsman van [E.J.] stelt dat – indien de rechtbank van oordeel zou zijn dat er niet gestemd kan worden – de zaak dient te worden uitgesteld zodat het “reorganisatieplan” door de griffie kan meegedeeld worden aan de schuldeisers en deze kunnen uitgenodigd worden voor een nieuwe zitting. 1.11. De gedelegeerd rechter wordt gehoord in zijn verslag. Hij verwijst naar het gegeven dat geen reorganisatieplan werd neergelegd. Het bewuste “stuk” naar dewelke verwezen wordt, voldoet niet aan de vereisten om te worden aanzien als “reorganisatieplan”. Daarnaast wijst de gedelegeerd rechter op de kwade trouw van de schuldenaar en naar andere feitelijkheden met betrekking tot (de staking van

  1. de)illegale activiteiten, welke doelbewust werden verzwegen door de schuldenaar. Er is doorheen de procedure onvoldoende transparantie geboden. Zelfs mocht er nog een reorganisatieplan worden neergelegd, zou het advies van de gedelegeerd rechter negatief blijven. De voorlopige bewindvoerder betwist eveneens de stelling van [E.J.] en stelt dat het bewuste “stuk” niet kan worden aanzien als “een reorganisatieplan”, minstens moet elke homologatie geweigerd worden. De voorlopige bewindvoerder verwijst naar manifeste procedurele onkunde, de oplopende schulden en de kwade trouw van de schuldenaar. De RSZ – de enige aanwezige schuldeiser – is van oordeel dat elke homologatie, van welk plan dan ook, moet geweigerd worden en dat de faillietverklaring zich opdringt. Zij verwijst onder meer naar de steeds maar oplopende RSZ-schuld en stelt als er al zou moeten gestemd worden op deze zitting, zij altijd zal tegenstemmen. De RSZ legt een stuk neer waaruit blijkt dat de actuele RSZ schuld tot en met het derde kwartaal 2025 is opgelopen tot 340.703,50 EUR en dat voor vierde kwartaal geen voorschotten zijn betaald. 1.12. Ten aanzien van de vordering tot voortijdige beëindiging van de gerechtelijke reorganisatie stelt de raadsman van [E.J.] dat hijzelf tot voor kort niet op de hoogte was dat de erkenning inzake uitzendarbeid van zijn cliënte al zou zijn ingetrokken sinds januari 2025. Er zou geen sprake zijn van opzet, doch wel van “feitelijke onwetendheid”. Zijn cliënte zou in de veronderstelling geweest zijn dat de intrekking was opgeheven. Het zou de verantwoordelijkheid zijn van de voorlopige bewindvoerder om de situatie administratief te regulariseren. Wat de vordering tot onmiddellijke faillietverklaring betreft wordt verwezen naar de liquiditeiten die op rekening zouden staan bij de voorlopige bewindvoerder. Bovendien zouden verschillende schulden betwist zijn, waaronder de schuld aan FEDRIS. 1.13. De voorlopige bewindvoerder wijst op de ondertussen opgelopen schulden van meer dan één miljoen euro. Tijdens zijn bewind is gebleken dat er eerder ambtshalve aansluiting inzake arbeidsongevallenverzekering door FEDRIS werd doorgevoerd met een schuld ten belope van 148.000,00 EUR tot gevolg. [E.J.] heeft dit niet op eigen initiatief meegedeeld. [E.J.] heeft tevens verzwegen dat de erkenningen inzake uitzendarbeid reeds in januari 2025 werden ingetrokken, hoewel de voorlopige bewindvoerder pas werd aangesteld op 30 juli 2025. Door het strafrechtelijk beslag op de tegoeden van [E.J.] is de werking stilgevallen. De Arbeidsauditeur wijst op het voeren van illegale activiteiten. Er wordt geen enkele medewerking of transparantie geboden inzake de afrekeningen van de loonadministratie en boekhouding. De werking blijft deficitair. 1.14. Het Openbaar ministerie adviseert positief tot voortijdige beëindiging en onmiddellijke faillietverklaring. 1.15. Nadat partijen zijn gehoord neemt de rechtbank de zaak in beraad op de zitting van 9 december 2025. Er wordt geen stemming gehouden. De rechtbank neemt kennis van het dossier van de rechtspleging en de neergelegde stukken. De rechtspleging verloopt in overeenstemming met de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken. 1.16. Op donderdag 11 december 2025 legt [E.J.] een verzoekschrift tot heropening van debatten neer (zie verder). II. HET VERZOEKSCHRIFT TOT HEROPENING VAN DEBATTEN II.A. VOORAF: VERWIJZIGINGEN NAAR NIET BESTAANDE RECHTSPRAAK 2.1. In het verzoekschrift tot heropening van debatten verwijst [E.J.] naar verschillende arresten. Zo wordt verwezen naar het arrest “Cass. 25 november 2021, AR C.20.0193.F” waaruit zou blijken dat een vergunningsprobleem geen reden is voor een voortijdige beëindiging van een gerechtelijke reorganisatie op basis van artikel XX.62 WER, naar een arrest “Cass. 14 juni 2021, P.20.0810.N” over de rechten van verdediging bij een verzoek tot heropening van debatten en naar een arrest “GwH nr. 104/2017 van 6 juli 2017” waaruit zou moeten blijken dat er een schending van het gelijkheidsbeginsel zou bestaan ten aanzien van ondernemingen in een gerechtelijke reorganisatie die geen uitstel zouden krijgen voor “regularisatie of overleg met schuldeisers”. 2.2. De rechtbank kent deze arresten niet om de eenvoudige reden dat ze niet bestaan. De rechtbank gaat na of dit eventueel materiële vergissingen kunnen geweest zijn. Overeenkomstig artikel XX.7 WER onderzoekt de rechtbank ambtshalve alle omstandigheden die relevant zijn voor de insolventieprocedure. 2.2.1. Met betrekking tot “Cass. 25 november 2021, AR C.20.0193.F”: Wanneer de rechtbank gebruik maakt van de “AI-modus” van Google en in deze applicatie informatie vraagt over “Cass. 25 november 2021, AR C.20.0193.F“ dan wordt als antwoord gegenereerd: “is een belangrijk precedent: het Hof van Cassatie bevestigt hier dat artikel XX.62 van het Wetboek van Economisch Recht (WER) restrictief moet worden geïnterpreteerd, en een vergunningsprobleem op zichzelf is geen geldige reden voor onmiddellijke beëindiging van een overeenkomst als er reële kansen zijn op regularisatie. De uitspraak benadrukt dat er eerst een waarschuwing en een redelijke termijn gegeven moet worden om de situatie te verhelpen, voordat men eenzijdig kan stoppen, vooral wanneer een faillissement dreigt.” Op de bijkomende vraag om de bron van deze vraag mee te delen, wordt geantwoord: “over het arrest Cass. 25 november 2021, AR C.20.0193.F is een samenvatting van juridische interpretaties en analyses die zijn gepubliceerd in gespecialiseerde juridische tijdschriften en op websites van advocatenkantoren. Deze bronnen vatten de uitspraak van het Hof van Cassatie samen en duiden de betekenis ervan voor de rechtspraktijk. De informatie is dus niet afkomstig uit één enkel officieel document dat precies die formulering gebruikt, maar is een duiding van het arrest door juridische experts. Het arrest zelf (met het ECLI-nummer ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210325.1F.2) gaat over de interpretatie van artikel XX.62 WER in de context van faillissement en de voorwaarden voor eenzijdige beëindiging van een overeenkomst, waarbij de nadruk ligt op de proportionaliteit en de noodzaak van een ingebrekestelling. U kunt de originele tekst van het arrest en analyses ervan vinden op gespecialiseerde juridische platformen of via de officiële website van het Hof van Cassatie in België.” Het meegedeelde ECLI-nummer “ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210325.1F.2” is alvast onjuist gezien dit een arrest van het Hof van Cassatie van 25 maart 2021 betreft handelend over een gebrekkige rioolput in het kader van artikel 1384, 1ste lid (oud) BW. Op de laatste vraag wat dit vermeend “arrest” van 25 november 2021 te maken heeft met artikel XX.62 WER geeft de “AI modus” van Google volgend antwoord: “Kortom, het arrest bevestigt dat het loutere bestaan van een vergunningsprobleem niet automatisch een geldige reden is voor onmiddellijke beëindiging als er nog reële kansen op regularisatie bestaan, en versterkt daarmee de noodzaak van een waarschuwingsprocedure conform het algemene verbintenissenrecht.” De rechtbank stelt vast dat [E.J.] BV in haar verzoekschrift tot heropening van debatten klaarblijkelijk exact dezelfde mening was toegedaan waar zij stelt: "Cass. 25 november 2021, AR C.20.0193.F bevestigt dat art. XX.62 WER restrictief geïnterpreteerd moet worden en dat zelfs een vergunningsprobleem geen reden is tot onmiddellijke beëindiging wanneer er concrete perspectieven op regularisatie bestaan." De realiteit is dat het cassatie-arrest van 25 november 2021 naar dewelke [E.J.] verwijst niet bestaat. Ook het rolnummer C.20.0193.F bij het Hof van Cassatie bestaat niet. Het cassatie-rolnummer C.20.0193 betreft in realiteit een Nederlandstalig arrest (N, geen F) van 22 januari 2021 en handelt onder meer over de toegang tot de rechter voor een persoon in ernstige staat van zwakzinnigheid. 2.2.2. Met betrekking tot “Cass. 14 juni 2021, P.20.0810.N”: Het rolnummer P.20.0810.N kan op geen enkele wijze gelinkt worden aan enig arrest. Het meegedeelde ECLI-nummer ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210614.1N.3 bestaat ook niet. De rechtbank vraagt aan de “AI-modus” van Google wat het weet over “Cass. 14 juni 2021, P.20.0810.N.” en krijgt als antwoord: “The ruling by the Court of Cassation on June 14, 2021 (case number P.20.0810.N, ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210614.1N.3), confirms that a judge cannot issue rulings with significant legal consequences without providing the affected party a genuine opportunity to defend themselves. Additional details about this specific ruling by the Court of Cassation are available.” Ofwel vrij vertaald: “De uitspraak van het Hof van Cassatie van 14 juni 2021 (zaaknummer P.20.0810.N, ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210614.1N.3) bevestigt dat een rechter geen beslissingen met belangrijke juridische gevolgen kan nemen zonder de betrokken partij een reële kans te geven zich te verdedigen” De rechtbank stelt vast dat [E.J.] BV in haar verzoekschrift tot heropening debatten klaarblijkelijk exact dezelfde mening was toegedaan waar zij stelt: “Volgens Cass. 14 juni 2021, P.20.0810.N mag de rechter geen beslissingen nemen over een zwaarwegend rechtsgevolg indien de partij die daardoor getroffen wordt niet op reële wijze de kans kreeg om verweer te voeren.” De realiteit is dat het cassatie-arrest van 14 juni 2021 met P.20.0810.N naar dewelke [E.J.] verwijst niet bestaat. 2.2.3. Met betrekking tot “GwH nr. 104/2017 van 6 juli 2017”: [E.J.] stelt met verwijzing naar een arrest van het Grondwettelijk Hof van 6 juli 2017 met nr. 104/2017 dat het gelijkheidsbeginsel wordt geschonden tussen ondernemingen in een gerechtelijke reorganisatie met wel of niet een erkenning. Het arrest van het Grondwettelijk Hof van 6 juli 2017 met rolnummer 104/2017 bestaat niet. Het Grondwettelijke Hof heeft wel een arrest onder rolnummer 104/2017 uitgesproken op 28 september 2017 dat handelt over vraagstukken rondom het pensioenrecht en in het bijzonder de grensbedragen bij de berekening van ambtenarenpensioenen. 2.3. De normale procesgang trachten te verstoren door het neerleggen van een manifest ongegrond verzoekschrift tot heropening van de debatten, opgebouwd rond vermeende arresten van het Grondwettelijk Hof en het Hof van Cassatie die in werkelijkheid niet bestaan, is bijzonder hinderlijk. Een behoorlijke rechtsbedeling – waarin elke actor zijn rol op onafhankelijke wijze moet kunnen vervullen – is slechts mogelijk wanneer iedereen zijn taak met de vereiste ernst uitoefent. Dit in het bijzonder in procedures gerechtelijke reorganisatie die gekenmerkt worden door korte dwingende termijnen waarbinnen moet geoordeeld worden. In casu moet op grond van artikel XX.79, §1 WER uiterlijk geoordeeld worden op maandag 15 december 2025, terwijl het verzoekschrift tot heropening van debatten werd neergelegd op donderdag 11 december 2025. Dat de rechtbank verplicht wordt in die korte tijd nog niet-bestaande rechtspraak op alle mogelijke manieren te onderzoeken, is tergend. Joke Baeck en Stijn Van Ruymbeke stellen over dit alles in het RW 2025-26, 522: AI kan een grote meerwaarde betekenen voor advocaten, maar mag geen excuus zijn om onjuiste of door AI verzonnen (juridische) informatie in conclusies op te nemen. Advocaten die AI gebruiken bij het opstellen van conclusies, doen dat op eigen verantwoordelijkheid en moeten het AI-antwoord nauwgezet controleren. Dit is geen rem op innovatie, maar een noodzakelijke voorwaarde voor een integer en vlot verloop van de procedure. Er kan in dat kader ook verwezen worden naar andere “stukken” neergelegd in huidige procedure door [E.J.] (zie vaststellingen onder randnummers 3.3. tot en met 3.6.). De voorlopige bewindvoerder had op de zitting van 9 december – nog vóór de neerlegging van het verzoekschrift heropening debatten – opgemerkt dat [E.J.] in eerdere beslissingen door de dienstdoend voorzitter al gewezen werd op de opname van volstrekt onjuiste wetsartikelen en manifest irrelevante theoretische uitweidingen in verzoekschriften (zie o.a. Voorz. Orb. Gent (afd. Gent) 14 oktober 2025, Juportal, ECLI:BE:ORGNT:2025:ORD.20251014.1). 2.4. Zoals hierna zal blijken, wordt het verzoek tot heropening van debatten afgewezen wat betreft de grond van de zaak, doch heropent de rechtbank wel ambtshalve de debatten om [E.J.] toe te laten standpunt in te nemen over bovenstaande vaststellingen in het licht van mogelijke toepassing van artikel 780bis Ger.W. (zie randnummer 5.1.). II.B. HET VERZOEK TOT HEROPENING VAN DEBATTEN TEN GRONDE 2.5. [E.J.] vordert de heropening van debatten “op grond van het nieuwe feit dat zich pas na de sluiting van de debatten op 9 december 2025 heeft voorgedaan: het opgestarte regularisatietraject bij de bevoegde instantie, dat het juridische landschap ingrijpend wijzigt” Er wordt aan de rechtbank verzocht om [E.J.] toe te laten “bijkomende stukken neer te leggen inzake het regularisatietraject” en “een aangepast reorganisatieplan voor te leggen”. Aan dit verzoekschrift tot heropening van debatten worden geen stukken gevoegd. 2.6. Indien een verschijnende partij gedurende het beraad een nieuw stuk of feit van overwegend belang ontdekt, kan zij, zolang het vonnis niet uitgesproken is, de heropening van de debatten vragen (artikel 772 Ger.W.) In het verzoekschrift wordt als nieuw feit omschreven “de effectieve opstart, na 9 december 2025, van een administratief regularisatietraject dat op termijn kan leiden tot het herstel van de vergunning en het wettig voortzetten van de kernactiviteit. Dit traject bestond nog niet op het ogenblik van de zitting. Er is nu gekozen voor werken in onderaanneming. Dit kan voor dezelfde klanten en voor nieuwe klanten. Intussen wordt de afdeling uitzendkantoor in de etalage gezet om deze al dan niet met vergunning te verkopen.” [E.J.] lijkt voor te houden dat zij na de zitting van 9 december 2025 een procedure heeft opgestart tot het regulariseren van de illegale toestand ontstaan door de intrekking van de vergunningen als uitzendbureau. Los van het gegeven dat geen enkel stuk wordt gevoegd waaruit de “opstart tot regulariseren” zou blijken, geeft de uitdrukking ‘ontdekt’ duidelijk aan dat (procesrechts)handelingen die de verzoekende partij tijdens het beraad zelf heeft gesteld of die het gevolg zijn van haar eigen initiatief, bezwaarlijk in aanmerking kunnen worden genomen als een feit dat de heropening van het debat rechtvaardigt; ‘ontdekken’ wil zeggen dat het niet mag gaan om feiten of initiatieven die voortkomen uit de loutere wil van één der partijen (zie B. VAN DEN BERGH, Commentaar bij artikel 772 Ger.W. – Verzoek tot heropening van de debatten, in X., Gerechtelijk recht. Artikelsgewijze commentaar met overzicht van rechtspraak en rechtsleer, afl. 134, p.69) Bovendien is dit voorgehouden feit niet van overwegend belang in de beoordeling of er nu al dan niet een reorganisatieplan neerligt en of dit kan gehomologeerd worden. 2.7. [E.J.] stelt in het verzoekschrift tot heropening van de debatten “op het moment van dit verzoekschrift is een annulatieprocedure bij de Raad van State aanhangig of in voorbereiding tegen de intrekking van de erkenning. Indien dit besluit vernietigd wordt, herleeft de vergunning van rechtswege met terugwerkende kracht. In dat scenario zou een faillissement uitgesproken zijn op basis van een juridisch onbestaand motief. Deze onzekerheid rechtvaardigt het aanhouden van het debat in het belang van rechtszekerheid.” Blijkbaar kan [E.J.] zelf niet met zekerheid zeggen of zij nu wel of niet een “annulatieprocedure” heeft aangevat. In elk geval is dit beweerd feit ook geen nieuw feit van dat werd ontdekt gedurende het beraad. Uit stuk 8 van de voorlopige bewindvoerder blijkt dat de raadsman van [E.J.] nog vóór de zitting van 9 december 2025 heeft aangekondigd het instellen van een procedure bij de Raad van State “te onderzoeken”. Dit alles is geen “nieuw” gegeven. Bovendien is dit voorgehouden feit niet van overwegend belang in de beoordeling of er nu al dan niet een reorganisatieplan neerligt en of dit kan gehomologeerd worden. 2.8. Verder stelt [E.J.] in haar verzoek dat zij “na kennisname van de problematiek haar […] interim-kernactiviteiten stopgezet / herbekeken” en “onderzocht welke nevenactiviteiten niet onder de erkenningsplicht vallen”. Dit doet niet ter zake en betreft geen nieuw feit van overwegend belang dat werd ontdekt gedurende het beraad. Tijdens de zitting van 9 december 2025 werd uitgebreid ingegaan op de alternatieven voor [E.J.], gelet op de intrekking van de vergunningen. Dat debat heeft reeds plaatsgevonden. 2.9. [E.J.] stelt “Een geactualiseerd reorganisatieplan werd uitgewerkt en ligt klaar ter neerlegging. […] De sluiting van de debatten heeft verzoekster verhinderd dit plan neer te leggen”. Een “geactualiseerd reorganisatieplan” dat werd “uitgewerkt” na de zitting van 9 december 2025 is geen nieuw feit van overwegend belang dat werd ontdekt gedurende het beraad. De bewering dat “de sluiting van de debatten verzoekster [heeft] verhinderd dit plan neer te leggen” kan de rechtbank niet plaatsen. Oorzaak en gevolg worden verward. Niets heeft [E.J.] verhinderd om stukken neer te leggen en dit tot de sluiting van de debatten op 9 december 2025. Een verzoek tot heropening van de debatten kan in een procedure gerechtelijke reorganisatie niet aangewend worden om de niet-neerlegging van een reorganisatieplan te neutraliseren of om een nieuw “geactualiseerd” reorganisatieplan neer te leggen dat werd “uitgewerkt” tijdens het beraad. In tegenstelling tot wat [E.J.] beweert is dit geen schending van rechten van verdediging. 2.10. Tenslotte stelt [E.J.] dat een heropening van debatten zich opdringt om reden dat haar rechten van verdediging zouden zijn geschonden. Zo zou het verzoekschrift tot voortijdige beëindiging van de gerechtelijke reorganisatie laattijdig zijn neergelegd, er een “fundamentele wijziging van inzet van de zitting” is opgetreden en de debatten werden gesloten “zonder mogelijkheid tot neerlegging van aangepaste stukken”. Vooreerst is dit niet ter zake. Dit betreffen geen nieuwe feiten van overwegend belang die werden ontdekt gedurende het beraad. De “inzet van de zitting” was reeds beschreven in het vonnis van 28 oktober 2025 tot opening van de gerechtelijke reorganisatie, namelijk stemmen over een reorganisatieplan en een debat over de homologatie ervan met het oog op een collectief akkoord. Verder is deze bewering manifest in strijd met de werkelijkheid. Alle partijen in zake waren aanwezig en hebben over alle vorderingen, feiten, beweringen, stukken – niets uitgesloten – kunnen pleiten. Voor elke partij aanwezig was het tijdens het uitvoerige debat meer dan duidelijk wat de inhoud en de draagwijdte ervan was. [E.J.] had de mogelijkheid om stukken neer te leggen, doch heeft dat niet gedaan. [E.J.] heeft bij monde van haar raadsman standpunt ingenomen met betrekking tot de stemming van het reorganisatieplan en homologatie ervan. Na dit debat heeft [E.J.] bij monde van haar raadsman standpunt ingenomen over de voortijdige intrekking en de vordering tot onmiddellijke faillietverklaring. Er werd aan alle partijen aanwezig kans geboden repliek te geven op het advies van het openbaar ministerie. Een verzoekschrift heropening debatten kan niet aangewend worden om een bepaalde houding of gedraging op de zitting naderhand te corrigeren of te wijzigen. Bovendien zijn de aangevoerde “feiten” niet van overwegend belang in de beoordeling of er nu al dan niet een reorganisatieplan neerligt en of dit kan gehomologeerd worden. 2.11. Het verzoek tot heropening van debatten wordt afgewezen. III. HET COLLECTIEF AKKOORD EN DE HOMOLOGATIE VAN EEN REORGANISATIEPLAN 3.1. De rechtbank is van oordeel dat het bewuste “stuk” waarnaar [E.J.] verwijst, geen reorganisatieplan is. Aangezien er geen reorganisatieplan neerligt, moet er ook niet over gestemd te worden en heeft de rechtbank niets te homologeren. Zelfs als het kwestieuze stuk wel als een “reorganisatieplan” te beschouwen is, staat vast dat dit “reorganisatieplan” nooit gehomologeerd kan worden wegens strijdigheid met vrijwel elk relevant voorschrift voorzien in boek XX WER. Een “reorganisatieplan” dat in geen enkel opzicht gehomologeerd kan worden door de rechtbank, hoeft ook niet nodeloos aan de schuldeisers ter stemming worden voorgelegd. De rechtbank ziet geen enkele reden om de zaak uit te stellen, de opschorting te verlengen en of een nieuwe stemming te organiseren. Ook een open portaal heeft grenzen. 3.2. In toepassing van art. XX.79, §4 WER kan de homologatie van het reorganisatieplan geweigerd worden in geval van niet-naleving van de pleegvormen die door deze wet worden opgelegd, wegens schending van de openbare orde of in geval de rechten en belangen van de schuldeisers op onredelijke wijze worden aangetast. Met 'de pleegvormen door deze wet opgelegd' wordt bedoeld alle bepalingen van Boek XX die de gerechtelijke reorganisatie door collectief akkoord beheersen. De bepalingen inzake de 'pleegvormen' hebben hoofdzakelijk tot doel de juistheid en de volledigheid van de in het reorganisatieplan vervatte gegevens te waarborgen, die noodzakelijke voorwaarden vormen om te komen tot een zinvolle beoordeling, door de schuldeisers, van de economische haalbaarheid van het plan (vgl. GwH 18 januari 2012, nr. 8/2012, B.15.2). De rechter heeft de discretionaire bevoegdheid om de homologatie te weigeren in geval van niet naleving van de pleegvormen, dit kan ambtshalve gebeuren. De niet-naleving van de pleegvormen kan leiden tot een weigeringsgrond als deze niet-naleving daadwerkelijk invloed heeft gehad op de procedure. Het reorganisatieplan dient alle informatie te bevatten die de stemgerechtigde schuldeisers en in voorkomend geval kapitaalhouders, nodig hebben om zich behoorlijk geïnformeerd te kunnen uitspreken over het voorgestelde plan (art.XX.70/1, §1 WER). De vereiste informatie die in artikel XX.70/1, §2 WER wordt opgesomd, dient te worden beschouwd als de minimale informatie. Noch deze opsomming, noch het gebrek aan een Koninklijk Besluit in uitvoering van art. XX.70/1, §3 WER, verhindert niet de beoordeling door de rechtbank dat in een concreet geval bepaalde informatie als essentieel kan beschouwd te worden opdat de schuldeisers op een geïnformeerde wijze over het plan zouden kunnen stemmen (HvB Gent 3 november 2025, 2025/AR/34). 3.3. Het bewuste “reorganisatieplan” waarnaar [E.J.] verwijst werd in het register neergelegd op 6 oktober 2025 als stavingstuk bij het verzoekschrift tot opening van de gerechtelijke reorganisatie. De gerechtelijke reorganisatieprocedure werd pas geopend op 28 oktober 2025. Het “stuk” werd door de [E.J.] blijkbaar aanzien als een louter stavingstuk dat diende te worden gevoegd bij een verzoekschrift tot opening in toepassing van art. XX. 41, §2 WER. In het inleidend verzoekschrift tot opening van de procedure – dat op dezelfde dag als het “stuk” werd neergelegd – stelde [E.J.] dat zij nog een reorganisatieplan moest uitwerken tijdens de periode van opschorting en hiervoor een maximale opschortingstermijn nodig had (eigen vetmarkering): “Verzoekster vraagt bij opening een "maximale" opschortingstermijn overeenkomstig artikel XX.44 WER. Deze termijn is noodzakelijk om met RSZ en FOD Financiën formele afbetalingsplannen te onderhandelen, een reorganisatieplan uit te werken en leveranciers te betrekken in een duurzame regeling. Verzoekster benadrukt dat een opschorting van ‘een maximale termijn’ noodzakelijk en proportioneel is in het licht van de concrete omstandigheden van dit dossier. De schuldenlast bij de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid en de FOD Financiën is aanzienlijk en vergt gestructureerde onderhandelingen. Afbetalingsplannen bij deze instellingen volgen een formeel traject dat tijd vraagt: de RSZ kent in de regel enkel plannen toe na voorafgaand onderzoek en gespreksrondes, en de FOD Financiën hanteert interne termijnen voor beslissing. Een korte opschorting van drie maanden is in de praktijk ontoereikend om deze trajecten tot een concreet akkoord te brengen” Hieruit blijkt dat [E.J.] het “stuk” bij de neerlegging ervan, zelf niet aanzag als “het reorganisatieplan” en dat zij erkende dat nog een reorganisatieplan moest opgesteld worden. In “het stuk” waarvan [E.J.] nu voorhoudt dat dit het “reorganisatieplan” zou zijn, wordt een “mijlpaalplanning” opgenomen waarin [E.J.] verklaart dat zij binnen de 4 en 6 maanden een reorganisatieplan zal opstellen en zal neerleggen. Hieruit blijkt opnieuw dat zij wel wist dat zij nog een reorganisatieplan moest opstellen, maar dit niet gedaan heeft. 3.4. Boek XX WER stelt een duidelijke procedure vast bestaande uit opeenvolgende stappen die waarborgen bieden voor elke actor en belanghebbende. Het behoort niet tot de taak van de griffie om in de vele bijlagen die vóór de opening van de gerechtelijke reorganisatie worden opgeladen in het register, zelf te speuren of te bepalen welk ‘reorganisatieplan’ de schuldenaar eventueel later ter stemming wenst voor te leggen. Artikel XX.77, § 2 WER bepaalt dat de neerlegging van het reorganisatieplan slechts kan plaatsvinden na voorafgaande controle door de gedelegeerd rechter van de naleving van de vormvereisten. Bijgevolg is de neerlegging van een reorganisatieplan vóór de aanstelling van de gedelegeerd rechter uitgesloten. In het voorliggende geval dateert de aanstelling van de gedelegeerd rechter van 7 oktober 2025, terwijl het document reeds op 6 oktober 2025 werd neergelegd. Overeenkomstig artikel XX.70,§1 WER werkt de schuldenaar tijdens de opschorting bedoeld in artikel XX.44 een reorganisatieplan uit. Dat op het bewuste document “reorganisatieplan” vermeld wordt, doet aan het bovenstaande geen afbreuk. 3.5. Niet enkel omwille van het temporele aspect, doch ook op inhoudelijk vlak kan het “stuk” niet begrepen worden als een reorganisatieplan, minstens kan dit reorganisatieplan nimmer worden gehomologeerd. Dit voorgehouden “reorganisatieplan” laat zelfs geen beoordeling in het kader van artikel XX.79 § 3 en § 4 WER toe, omdat het plan niets concreet bevat. Het betreft een inhoudsloos document van 22 pagina’s, opgebouwd uit holle en nietszeggende bewoordingen, waarin op geen enkel punt concrete, toetsbare of uitvoerbare elementen worden aangereikt voor de schuldeisers, gedelegeerd rechter en rechtbank. Het betreft een document dat het resultaat lijkt te zijn van knip- en plakwerk uit cursussen bedrijfsbeheer, economie en insolventierecht. Het bevat enkel teksten over algemene begrippen, bedrijfsstrategieën en werkprocessen die op geen enkele wijze ter zake dienend zijn. Sommige hoofdstukken lijken gekopieerd uit een handleiding tot het opmaken van een reorganisatieplan, eerder dan een daadwerkelijk plan te verwoorden. Andere hoofdstukken lijken dan weer gekopieerd te zijn uit een bedrijfsbrochure voor klantenprospectie. Het plan gaat blijkbaar ook nog steeds uit van “de WCO-procedure”. - Ondanks 22 pagina’s tekst wordt in het plan geen enkel betalingsvoorstel aan schuldeisers vermeld, wat nochtans één van de essentiële elementen is van een reorganisatieplan (XX.75/1 WER). Over het betalen van schulden in de opschorting wordt niets vermeld. Niet hoeveel, niet wanneer, niet aan wie. - Er worden geen concrete schulden of schuldeisers vermeld (zie artikel XX.70/1, §2, 3° en 4° WER). Er wordt dus ook geen onderscheid gemaakt tussen gewone en buitengewone schuldeisers (zie XX.75/2 WER). - Er wordt verder geen enkele concrete maatregel verwoord waarover een schuldeiser überhaupt kan stemmen (zie artikel XX.70/1, §1 WER en XX.70/1, §2, 6°, a). Welke rechten er wel en niet worden gewijzigd, wordt niet meegedeeld - Het voorgehouden “plan” geeft een theoretische uiteenzetting over het verdelen van schuldeisers in categorieën, doch vermeldt geen concrete verdeling in categorieën (zie artikel XX.75/1 WER). - Het voorgehouden “plan” vermeldt geen concrete uitvoeringstermijn en verwijst enkel naar het gegeven dat de wet een maximumtermijn van 5 jaar voorziet (art. XX.76 WER). Er wordt zelfs niet meegedeeld wat er zou moeten uitgevoerd worden binnen welke termijn. - Het plan bevat geen enkel concreet cijfer waardoor een schuldeiser inzicht kan krijgen in de totale omvang van het passief en aldus de economische haalbaarheid van het reorganisatieplan. 3.6. Ook andere pleegvormen werden niet nageleefd: 3.6.1. Uit geen enkel stuk blijkt dat [E.J.] heeft voldaan aan artikel XX.49, § 1 WER, met name de verplichte individuele kennisgeving aan de schuldeisers. Transparantie is nochtans essentieel in een openbare gerechtelijke reorganisatie door collectief akkoord. Dit is geen procedure tegen de schuldeisers, maar met de schuldeisers. Ter zitting kon de raadsman van [E.J.] niet verduidelijken of deze kennisgevingen nu wel of niet zouden zijn gebeurd. 3.6.2. [E.J] heeft geen definitieve lijst van schuldeisers in toepassing van artikel XX.77,§ 1 WER neergelegd. Zelfs indien zou aangenomen worden dat er kan gestemd worden over “het stuk”, dan nog moet vastgesteld worden dat zelfs niet geweten is wie er kan deelnemen aan de stemming. De lijst van openstaande leveranciers die werd neergelegd bij het verzoekschrift tot opening van de gerechtelijke reorganisatie volstaat hiertoe niet. Bovendien kan de rechtbank prima facie vaststellen dat de initiële lijst van schuldeisers die vóór de aanvang van de procedure door [E.J.] werd neergelegd in het register onvolledig is en geen aansluiting vindt met de boekhouding. Zo volstaat het te verwijzen naar de niet-opgenomen schuldvordering van FEDERIS van 148.000,00 EUR. Ook de opgenomen fiscale en sociale schulden komen cijfermatig niet overeen met de werkelijke schulden. Het vermelden van alle schuldeisers is opnieuw een essentiële (minimum)voorwaarde om tot een gehomologeerd collectief akkoord te kunnen komen. De goedkeuring van een reorganisatieplan houdt immers een partijbeslissing in, die ook bindend is voor zij die tegenstemmen of afwezig zijn. De griffie weet zelfs niet aan wie zij het reorganisatieplan ter kennis zou moeten brengen in toepassing van artikel XX.77, § 5 WER als er al een reorganisatieplan zou voorliggen. 3.6.3. Ter zitting deelt de raadsman van [E.J.] mee dat de schuld aan FEDRIS nog cijfermatig betwist zou zijn, hoewel van deze bewering geen melding wordt gemaakt in het reorganisatieplan. Het reorganisatieplan moet nochtans vermelden welke schuldvorderingen nog betwist zijn met toepassing van de artikelen XX.49 of XX.68, teneinde belanghebbenden in te lichten over de omvang ervan en hun grondslag (artikel XX.71WER). 3.6.4. Uit geen enkel stuk blijkt dat bij de uitwerking van dit voorgehouden “plan” de vertegenwoordigers van het personeel in de ondernemingsraad, of, indien er geen is, in het comité voor preventie en bescherming op het werk, of, indien er geen is, de vakbondsafvaardiging of, indien er geen is, een werknemersafvaardiging, werden gehoord (artikel XX.74/1, 3de lid WER). Het voorgehouden plan deelt ook niet de modaliteiten van informatieverstrekking aan en raadpleging van de werknemersvertegenwoordigers mee (zie artikel XX.70/1, §2, 6°, c). 3.6.5. In het vonnis tot opening van de gerechtelijke reorganisatie werden informatieverplichtingen opgelegd aan [E.J.] in toepassing van artikel XX.46, § 4, 1° WER. In het bijzonder diende [E.J.] een verklaring te geven omtrent de negatieve bezoldiging ter waarde van 245.630,00 EUR op boekhoudpost 455000. De opgelegde informatieverplichtingen werden niet nagekomen. De informatieplicht is niets minder dan een toepassing van de goede trouw die van elke schuldenaar, die werd toegelaten tot de procedure van gerechtelijke reorganisatie, moet verwacht worden. De nakoming ervan laat namelijk toe de financiële toestand te onderzoeken en de in het reorganisatieplan voorgestelde inkorting van de schulden in concreto te beoordelen (HvB Gent 17 november 2025, 2025/EV/24). De miskenning van art. XX.46, § 4 WER door [E.J.] impliceert de schending van een pleegvorm ex art. XX.79, § 4 WER op grond waarvan de homologatie kan worden geweigerd. 3.6.6. Het “plan” werd niet voorafgaand aan de neerlegging ter controle voorgelegd aan de gedelegeerd rechter (artikel XX.77, § 2 WER). 3.7. Uit het bovenstaande volgt dat indien het “stuk” te aanzien is als een reorganisatieplan de rechtbank dit plan niet zou kunnen homologeren wegens (minstens) de niet-naleving van de pleegvormen. 3.8. Overeenkomstig artikel XX.79, § 3 WER kan de rechtbank aan de schuldenaar toestaan een aangepast reorganisatieplan aan de schuldeisers voor te leggen en de periode van opschorting verlengen. De rechtbank doet dit in casu niet. De slaagkansen op homologatie van een aangepast reorganisatieplan zijn nihil, minstens te gering (Cass 18 september 2020, C.20.0115.N ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200918.1N.3). De kwade trouw is bovendien manifest en de schendingen zijn dermate flagrant. IV. VORDERING TOT VOORTIJDIGE BEËINDIGING EN FAILLIETVERKLARING 4.1. De voorlopige bewindvoerder heeft een verzoekschrift neergelegd in toepassing van artikel 62, §1 WER teneinde de voortijdige beëindiging van de gerechtelijke reorganisatie van BV [E.J.] te horen bevelen en vervolgens in hetzelfde vonnis het faillissement van BV [E.J.] te horen uitspreken. Het verzoekschrift tot voortijdige beëindiging werd pas neergelegd op 8 december 2025 om 19u58. Op de zitting van 9 december om 14u00 werd deze vordering behandeld. De raadsman van [E.J.] werd hierover gehoord. Het openbaar ministerie, ter zitting vertegenwoordigd door mevrouw Sanne Bourgeois, verleent positief advies voor de voortijdige beëindiging van de GRP procedure en de procedure tot dagvaarding in faillissement. 4.2. Wanneer de schuldenaar kennelijk niet meer in staat is de continuïteit van het geheel of een gedeelte van zijn activa of van zijn activiteiten te verzekeren overeenkomstig het doel van de procedure, wanneer de schorsing niet langer de onderhandelingen over het reorganisatieplan ondersteunt of wanneer de informatie die aan de gedelegeerd rechter, aan de rechtbank of aan de schuldeisers is verstrekt bij de neerlegging van het verzoekschrift of later kennelijk onvolledig of onjuist is, kan de rechtbank de voortijdige beëindiging van de procedure van gerechtelijke reorganisatie bevelen bij een vonnis dat de procedure afsluit. De rechtbank doet uitspraak op verzoekschrift van de schuldenaar, op dagvaarding van het openbaar ministerie of van iedere belanghebbende, gericht tegen de schuldenaar, na het verslag van de gedelegeerd rechter en het advies of de vorderingen van het openbaar ministerie te hebben gehoord. In dat geval kan de rechtbank in hetzelfde vonnis het faillissement van de schuldenaar uitspreken of, indien de schuldenaar een rechtspersoon is, de gerechtelijke vereffening uitspreken, wanneer zulks gevraagd is in het verzoek en aan de voorwaarden hiertoe wordt voldaan. 4.3. Het staat vast dat [E.J.] aan de gedelegeerd rechter, aan de rechtbank en aan de schuldeisers bij de neerlegging van het verzoekschrift of later, kennelijk onvolledig of onjuiste informatie heeft gegeven. [E.J.] wist sinds 14 januari 2025, minstens sinds 4 februari 2025 (zie stuk 8 voorlopige bewindvoerder) dat de erkenning ingetrokken werd. Zij heeft dit nimmer meegedeeld aan de voorlopige bewindvoerder, de gedelegeerd rechter en rechtbank. Op welke wijze [E.J.] in deze gegeven omstandigheden de continuïteit van haar activiteiten kan garanderen werd op de zitting van 9 december 2025 niet verduidelijkt door de raadsman van [E.J.]. De raadsman van [E.J.] stelt dat zijn cliënte “feitelijk onwetend” was nopens de intrekking van de erkenningen en de gevolgen ervan. Dit is onjuist en bovendien volstrekt ongeloofwaardig. In de beschikking tot inbeslagname van 5 december 2025 stelt het arbeidsauditoraat: “De bv [E.J.] was/is actief op de Belgische markt als uitzendbureau. Op 4 december 2024 verloor de bv [E.J.] hierbij haar erkenning van Vlaamse Overheid om als uitzendbureau actief te zijn. Deze beslissing werd op 4 februari 2025 aan de bv [E.J.] betekend. Niettemin opereerde de bv [E.J.] naderhand gewoon verder als zogezegd uitzendbureau, hierbij gebruik makende van deze benaming, en stelde zij voort werknemers tewerk bij verschillende gebruikers, waaronder zelfs nieuwe gebruikers met wie zij na de intrekking van de erkenning een samenwerking opstartte. Dienaangaande maakte de Vlaamse Sociale Inspectie een PV van inbreuk op d.d. 08.08.2025 (GE069.I6.000136/25). Ook in navolging van dit proces verbaal deed de bv [E.J.] gewoon verder, zoals mag blijken uit verdere controle van de Vlaamse Sociale Inspectie d.d. 28.11.2025”. Ook de eerste vaststellingen tijdens de controle van 8 augustus 2025 werden door [E.J.] niet meegedeeld aan de voorlopige bewindvoerder die werd aangesteld op 30 juli 2025. In het “stuk” dat [E.J.] als een “reorganisatieplan” beschouwt, wordt nochtans door [E.J.] uitvoerig gesteld: “B. Regulatoire context De uitzendsector is één van de meest gereguleerde domeinen van de Belgische arbeidsmarkt. Elke schakel in de keten - van Dimona-aangifte, over de correcte toepassing van cao’s en loonvoorwaarden, tot strikte naleving van sociale zekerheidsregels - staat onder toezicht. Deze regulatoire context vormt geen hinderpaal, maar een kwaliteitsgarantie. […] Klanten waarderen die zekerheid: zij weten dat samenwerking met een kantoor als [E.J.] niet enkel de nodige flexibiliteit biedt, maar ook juridisch en sociaal volledig conform is. Door deze zorgvuldigheid wordt het vertrouwen van opdrachtgevers versterkt, en wordt het kantoor gezien als een betrouwbare partner die risico's beperkt en zekerheid biedt in een streng gereguleerde omgeving. C. Arbeids- en sociaalrechtelijke naleving De uitzendsector is streng gereguleerd via cao's en sectorale afspraken (PC 322). Het reorganisatieplan voorziet in volledige naleving van alle sociale verplichtingen: tijdige en correcte loonbetaling, stipte Dimona-aangiftes, naleving van veiligheidsvoorschriften en correcte toepassing van sectorale vergoedingen. Dit juridische kader is niet enkel een wettelijke verplichting, maar ook een cruciaal vertrouwenwekkend signaal naar de rechtbank en de sociale partners dat de onderneming zich structureel correct zal gedragen.” 4.4. Hoewel de voorlopige bewindvoerder de bevoegdheid behoudt om in naam van de schuldenaar de voortijdige beëindiging van de procedure te vorderen overeenkomstig artikel XX.62 WER, kan de rechtbank niet om de vaststelling heen dat het verzoekschrift pas op 8 december 2025 om 19u58 werd ter kennis gebracht en de zaak op 9 december 2025 werd behandeld. De rechtbank stelt vast dat op heden, 15 december 2025, sowieso de periode van opschorting zoals bepaald in het vonnis van 28 oktober 2025, afloopt en sowieso de sluiting van de procedure gerechtelijke reorganisatie wordt bevolen gelet het gebrek aan homologatie; ook zonder toekenning van de vordering tot voortijdige beëindiging. De eventuele verschillende rechtsgevolgen zijn van secundaire aard. Bovendien deelt de voorlopige bewindvoerder mee dat de vordering tot faillietverklaring van [E.J.] vastgesteld staat op de zitting van 23 december 2025 van de tweede kamer van deze rechtbank. Ook schuldeiser RSZ deelt mee te zijn overgegaan tot dagvaarding in faillissement. Gelet op deze elementen eigen aan de casus, gaat de rechtbank niet in op de vordering van de voorlopige bewindvoerder op grond van artikel XX.62, §1 WER. V. BOETE VOOR KENNELIJK VERTRAGENDE OF ONRECHTMATIGE DOELEINDEN 5.1. Krachtens artikel 780bis Ger.W. kan de partij die de rechtspleging aanwendt voor kennelijk vertragende of onrechtmatige doeleinden worden veroordeeld tot een geldboete van 15 euro tot 2500 euro. Om te beoordelen of er sprake is van de aanwending van de rechtspleging voor onrechtmatige doeleinden, moet nagegaan worden of de partij haar recht om in rechte op te treden, uitoefent op een wijze die kennelijk de perken van de normale uitoefening van dat recht door een bedachtzaam en zorgvuldig persoon te buiten gaat. De rechtbank neemt daarbij niet enkel de belangen van de partijen in overweging, doch ook het belang van een correcte en efficiënte werking van justitie die in gevaar kan gebracht worden door zulk gedrag. De rechter die voornemens is een geldboete wegens tergend en roekeloos procesgedrag op te leggen, moet ingeval geen vordering tot schadevergoeding wegens tergend en roekeloos geding voorligt, de geviseerde procespartij de gelegenheid geven dienaangaande tegenspraak te voeren (Cass. 30 september 2022, C.22.0007.N ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220930.1N.3). Met het oog op eventuele toepassing van artikel 780bis Ger.W. heropent de rechtbank de debatten en stelt de zaak op de zitting van 23 december 2025 om 14u30 teneinde [E.J.] te horen over de vaststellingen in randnummers 2.1 tot en met 2.4 en randnummer 3.3 tot en met 3.6 en dit in het kader van mogelijk onoordeelkundig en ongecontroleerd gebruik van AI-toepassingen in verzoekschriften en stavingstukken. VI. BESLISSING. De rechtbank, uitspraak doende in openbare terechtzitting, - Wijst het verzoek tot heropening van debatten uitgaande van BV [E.J.] af. - Stelt vast dat er geen voor homologatie vatbaar reorganisatieplan voor BV [E.J.] voorligt. - Homologeert geen reorganisatieplan voor BV [E.J.]. - Sluit de procedure collectief akkoord door middel van een openbare gerechtelijke reorganisatie van BV [E.J.] af. - Beveelt dat dit vonnis wordt bekendgemaakt door de griffier in het Belgisch Staatsblad. - Heropent de debatten om redenen vermeld in randnummer 5.1. en stelt de zaak op dinsdag 23 december 2025 om 14u30 in de zittingszaal 2.6 in het gerechtsgebouw te 9000 Gent, Opgeëistenlaan 401. Dit vonnis is gewezen door de Ondernemingsrechtbank Gent, afdeling Gent, derde kamer, samengesteld uit rechter, kamervoorzitter, V. Verlaeckt, en de rechters in ondernemingszaken [T.M] en [W.L.] en is op de openbare zitting van 15 december 2025 uitgesproken door rechter, kamervoorzitter V. Verlaeckt in aanwezigheid van Z. Foré, griffier bij beschikking hoofdgriffier N. Pettens dd. 16 september 2025. Gerelateerde publicatie(
  2. s)citeert: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200918.1N.3 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210325.1F.2 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220930.1N.3 ECLI:BE:ORGNT:2025:ORD.20251014.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.