id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Ondernemingsrechtbank Gent Beschikking van 14 oktober 2025 ECLI nr: ECLI:BE:ORGNT:2025:ORD.20251014.1 Rolnummer: O/25/01075 Rechtsgebied: Insolventierecht Invoerdatum: 2025-10-15 Raadplegingen: 373 - laatst gezien 2026-06-18 18:24 Fiche 1 Wanneer een voorlopig bewindvoerder in toepassing van artikel XX.32 WER ambtshalve wordt aangesteld, is de onder bewind geplaatste onderneming een derde. Hij kan enkel derdenverzet aantekenen. De bepalingen van artikelen 1125 Ger. W. betreffende het derdenverzet zijn van toepassing. Derdenverzet wordt, met dagvaarding aan alle partijen, gebracht voor de rechter die de bestreden beslissing heeft gewezen. Aangezien er geen “partijen” zijn bij een ambtshalve aanstelling van een voorlopig bewindvoerder, kunnen deze echter niet gedagvaard worden. Gezien de eigenheid van de procedure van de ambtshalve aanstelling van een voorlopig bewindvoerder, laat de dienstdoend voorzitter dan ook toe dat derdenverzet wordt ingesteld door middel van een verzoekschrift. UTU-thesaurus: HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - INSOLVENTIE Vrije woorden: rechtsmiddel tegen ambtshalve aanstelling voorlopig bewindvoerder Wettelijke bepalingen: Wetboek van economisch recht - 28-02-2013 - XX.32 - 19 ELI link Pub nr 2013A11134 Fiche 2 Een eenzijdig verzoekschrift volstaat niet om de opdracht van een ambtshalve aangestelde voorlopig bewindvoerder (XX.32 WER) aan te vechten. Een voorlopig bewindvoerder is dan wel geen partij in de aanstellingsbeschikking, hij is wel te aanzien als een noodzakelijke en onontbeerlijke partij in de procedures die gericht zijn tegen de beslissing waarbij hij is aangesteld of in procedures waarin een wijziging van zijn opdracht wordt beoogd. Uit de aard van de procedure van de aanstelling en de rol van de voorlopig bewindvoerder, volgt dat wanneer een derde wil opkomen tegen de beschikking, de voorlopig bewindvoerder noodzakelijk moet betrokken worden in de rechtspleging op derdenverzet om hem te horen en de verdere procesgang aan hem tegenstelbaar te maken. Het noodzakelijk betrekken van de voorlopig bewindvoerder kan staande een procedure gebeuren. Dit kan rechtgezet worden. Het is evenwel niet aan de dienstdoend voorzitter om ambtshalve derden te betrekken in hangende zaken (vgl. artikel 811 Ger.W.) UTU-thesaurus: HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - INSOLVENTIE Wettelijke bepalingen: Wetboek van economisch recht - 28-02-2013 - XX.32 - 19 ELI link Pub nr 2013A11134 Tekst van de beslissing Dienstdoend voorzitter, Ondernemingsrechtbank Gent INZAKE Mevrouw [B.A.], aandeelhouder van de besloten vennootschap [EJ] BV, met maatschappelijke zetel te [….] Hebbende als raadsman: mr. [DMB] I. PROCEDURE EN VORDERING 1.1. Op 6 oktober 2025 wordt een “éénzijdig verzoekschrift tot ontslag van de voorlopig bewindvoerder” neergelegd op verzoek van mevrouw [B.A.]. Mevrouw [B.A.] is bestuurder en aandeelhouder van de besloten vennootschap [EJ]”. Dit verzoek wordt gericht aan “de voorzitter van de Ondernemingsrechtbank Gent, afdeling Gent”. De vordering luidt: 1. Het ontslag te bevelen van Mr. [X] als voorlopig bewindvoerder van [EJ] BV; in ondergeschikte orde de schorsing en beperking van diens bevoegdheden zoals hoger omschreven. (Boek XX WER — oud XX.31 / thans XX.49/1; art. 584 Ger.W.) . 2. De statutaire organen van [EJ] BV in hun beheersbevoegdheid te herstellen, onder rapportering zoals vermeld. 3. De (voormalige) bewindvoerder te bevelen om binnen 24 uur het volledige dossier te overhandigen en toegang te verlenen tot alle middelen (fysiek/digitaal), op straffe van dwangsom. 4. Te verbieden dat de (voormalige) bewindvoerder nog daden van beheer stelt of derden instrueert namens [EJ] BV, op straffe van dwangsom. 5. Te bepalen dat deze beschikking uitvoerbaar is bij voorraad, inaudita parte, en onmiddellijk per gerechtsbrief/aangetekend wordt ter kennis gebracht aan [EJ] BV en aan Mr. [X] (art. 1029 Ger. W.). 6. Een eventuele zitting op zeer korte termijn (24-48
- u)te bepalen op tegenspraak voor bevestiging/wijzing van de maatregel. 7. De kosten te reserveren tot op tegenspraak. 1.2. In het eenzijdig verzoekschrift wordt uiteengezet dat mr. [X.] zou zijn aangesteld als “voorlopig bewindvoerder op grond van artikel XX.49/1 Wetboek Economisch recht” over [EJ] BV. Verder stelt verzoekster dat “de aanstelling van mr. Pieter [X.] als voorlopig bewindvoerder is geschied bij beschikking van de voorzitter van de Ondernemingsrechtbank Gent, zetelend in kort geding, op grond van artikel 584 Ger. W.” en “het deze voorzitter [is] die bevoegd blijft om het bewindvoerdersmandaat te herzien of te beëindigen”. Dit zou “in het insolventierecht verankerd [zijn] in Boek XX WER (vroeger art. XX.31, XX.49/I WER)”. Het verzoekschrift bevat verder nog algemene theoretische uiteenzettingen over kortgeding en voorlopige maatregelen. Naast het “onmiddellijke ontslag” wordt in het overwegende gedeelte van het eenzijdig verzoekschrift ook gevraagd een “verbod om faillissement te vragen of te ondersteunen” op te leggen aan de voorlopig bewindvoerder en “de bewindvoerder te verplichten de aandeelhouders bij te treden bij hun aanvraag Gerechtelijke Reorganisatie”. 1.3. Dit verzoekschrift werd getekend en neergelegd door een advocaat. II. BEOORDELING II.A. Vooraf 2.1. Er dient vastgesteld dat het éénzijdig verzoekschrift – hoewel tekstueel zeer uitgebreid – vooral in algemene termen blijft hangen en theoretische uiteenzettingen bevat die geen betrekking hebben op de concrete casus. 2.2. Vooreerst dient te worden uitgelegd dat mr.[X] niet werd aangesteld als “voorlopig bewindvoerder op grond van artikel XX.49/1 Wetboek Economisch recht”. Zoals blijkt uit de beschikking van 30 juli 2025 van de dienstdoend voorzitter van deze rechtbank werd mr. [X] aangesteld als voorlopig bewindvoerder in toepassing van artikel XX.32 WER. In voormelde beschikking van 30 juli 2025 wordt vier maal gesteld dat de aanstelling gebeurt op basis van artikel XX. 32 WER; op de voorpagina van de beschikking staat “Beschikking Artikel XX.32 WER”. De dienstdoende voorzitter heeft ambtshalve beslist een voorlopige bewindvoerder aan te stellen en aan [EJ] BV het volledig beheer over het geheel van haar activa of activiteiten te ontnemen. 2.3. Artikel XX. 32 WER is te onderscheiden van artikel XX.49/1 WER. Niet louter cijfermatig, doch ook inhoudelijk. Artikel XX.49/1 WER heeft betrekking op de aanstelling van een voorlopig bewindvoerder binnen de context van een gerechtelijke reorganisatie ingeval de schuldenaar of een van zijn organen een kennelijk grove fout heeft begaan. 2.4. In tegenstelling tot wat verzoekster voorhoudt, volgt de ambtshalve aanstelling van een voorlopig bewindvoerder op basis van artikel XX. 32 WER niet uit een procedure “zetelend in kort geding, op grond van artikel 584 Ger. W.” De uitvoerige uiteenzettingen in het verzoekschrift over de voorlopige maatregelen, de hoogdringendheid en de bevoegdheden van de kortgedingrechter zijn niet relevant. De wettelijke mogelijkheid tot het aanstelling van een voorlopig bewindvoerder voorzien in artikel XX.32 WER is een herneming van het vroegere artikel 8 F.W dat verschillende wijzigingen heeft ondergaan. Zo werd de initiële vereiste van de volstrekte noodzakelijkheid geschrapt bij wet van 31 januari 2009 (BS 9 februari 2009) en werd de vereiste van het spoedeisend karakter weggelaten bij wet van 27 mei 2013 (BS 22 juni 2013). 2.5. Hoewel het verzoekschrift uitsluitend overwegingen bevat over de artikelen XX.49/1 en 584 Ger.W. die niet ter zake zijn, kan uit het beschikkend gedeelte afgeleid worden dat verzoekster in essentie de beschikking van 30 juli 2025 waarbij mr. [X.] werd aangesteld als voorlopig bewindvoerder over [EJ] BV, wil bestrijden. Verzoekster meent dat te kunnen doen door middel van een éénzijdig verzoekschrift. De voorlopig bewindvoerder werd niet betrokken in de procedure aanhangig gemaakt met het eenzijdig verzoekschrift. II.B. Ten gronde 2.6. Wanneer er gewichtige, bepaalde en met elkaar overeenstemmende aanwijzingen bestaan dat de voorwaarden voor een faillissement vervuld zijn, kan de voorzitter van de rechtbank aan de onderneming geheel of ten dele het beheer van het geheel of een gedeelte van haar activa of activiteiten ontnemen. De voorzitter van de rechtbank beslist, ofwel op eenzijdig verzoekschrift van iedere belanghebbende, ofwel ambtshalve. 2.7. Ondanks de volledige ontneming van beheer, behoudt (het bestuur van) de onderneming wel de bevoegdheid om de opgelegde maatregel aan te vechten, om aangifte van het faillissement van de onderneming te doen en om desgevallend de onderneming te vertegenwoordigen in de faillissementsprocedure. De onderneming kan rechtsmiddelen aanwenden tegen de aanstelling van een voorlopig bewindvoerder in toepassing van XX.32 WER. Het aan te wenden rechtsmiddel, hangt af van de aard van de rechtspleging die aan de aanstelling is voorafgegaan. 2.8. De procedure aanstelling van een bewindvoerder is een procedure sui generis. Het is een rechtspleging eigen aan het insolventierecht, in het bijzonder in de gevallen waarbij de voorzitter ambtshalve overgaat tot het opleggen van de maatregel. Een ambtshalve beslissing laat zich niet steeds inpassen binnen de ruimere kaders van het gemeen recht. Net omwille van dat eigen karakter van de procedure zag de wetgever zich genoodzaakt om in artikel XX.32 WER te verduidelijken dat welbepaalde procedureregels van gemeen recht niet worden opzij gezet (Parl.St. Kamer 2016-17, nr. 2407/001, p.51). Dit met de expliciete – en theoretisch noodzakelijke - toevoeging dat die welbepaalde regels van toepassing blijven “ook indien de beslissing ambtshalve werd genomen”. 2.9. Wanneer een voorlopig bewindvoerder in toepassing van artikel XX.32 WER ambtshalve wordt aangesteld, dan volgt deze beslissing niet uit een geding. De voorzitter beslist immers een maatregel op te leggen zonder dat deze gevorderd wordt. Als er geen vorderingen gesteld worden, dan is er geen geding (artikel 12 Ger.W.). Als er geen geding heeft plaatsgevonden dan kunnen partijen ook geen partij in dat geding geweest zijn en zijn zij noodzakelijkerwijs een loutere “derde” (De uitzonderlijke situatie geschetst in Cass. 4 januari 2024, C.23.0059.N ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240104.1N.3 zal bij een ambtshalve aanstelling niet aan de orde zijn). Ook de ambtshalve, aangestelde voorlopig bewindvoerder is een “derde”. Hij is geen partij in de rechtspleging voorafgegaan aan zijn aanstelling. 2.10. Een derde kan enkel derdenverzet aantekenen. Pas door het instellen van derdenverzet zal het geding worden geopend. De bepalingen van artikelen 1125 Ger. W. betreffende het derdenverzet zijn van toepassing. Derdenverzet wordt, met dagvaarding aan alle partijen, gebracht voor de rechter die de bestreden beslissing heeft gewezen. Aangezien er geen “partijen” zijn, kunnen deze echter niet gedagvaard worden. Gezien de eigenheid van de procedure van ambtshalve aanstelling van een voorlopig bewindvoerder, - en om de redenen hierboven uiteengezet - laat de dienstdoend voorzitter dan ook toe dat derdenverzet wordt ingesteld door middel van een verzoekschrift (op voorwaarde dat er geen procespartijen zijn). 2.11. Echter, dit betekent niet dat een louter eenzijdig verzoekschrift hiertoe volstaat. Een voorlopig bewindvoerder is dan wel geen partij in de aanstellingsbeschikking, hij is wel te aanzien als een noodzakelijke en onontbeerlijke partij in de procedures die gericht zijn tegen de beslissing waarbij hij is aangesteld of in procedures waarin een wijziging van zijn opdracht wordt beoogd. Uit de aard van de procedure van de aanstelling en de rol van de voorlopig bewindvoerder, volgt dat wanneer een derde wil opkomen tegen de beschikking, de voorlopig bewindvoerder noodzakelijk moet betrokken worden in de rechtspleging op derdenverzet om hem te horen en de verdere procesgang aan hem tegenstelbaar te maken (vgl. Cass. 8 maart 2019, C.16.0506.N ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190308.3; zie ook HvB Gent, 16 november 2015, DAOR 2016, afl. 117, 53 met verwijzingen naar Cass., 4 september 2003, RW 2004-05,101; Cass., 14 mei 2009, Arr. Cass. 2009,1259 over de schuldbemiddelaar en Cass. 2 september 2011, RW 2011-12, 1511 over de vereffenaar). In casu kan vastgesteld worden dat de voorlopig bewindvoerder niet werd “betrokken” in het geding aanhangig gemaakt door het eenzijdig verzoekschrift. Het noodzakelijk betrekken van de voorlopig bewindvoerder kan staande een procedure gebeuren. Dit kan rechtgezet worden. Het is evenwel niet aan de dienstdoend voorzitter om ambtshalve derden te betrekken in hangende zaken (vgl. artikel 811 Ger.W.) Om die reden wordt de zaak gesteld op de zitting van 21 oktober om 9u45 ten einde verzoekster te horen in raadkamer en na te gaan of de voorlopig bewindvoerder ondertussen werd betrokken. 2.12. Het staat verzoekster ook vrij een nieuwe tegensprekelijk verzoekschrift neer te leggen waarin wordt gevraagd de voorlopig bewindvoerder op te roepen met het oog op tegenstelbaarheid. De dienstdoend voorzitter kan het éénzijdig verzoekschrift niet ambtshalve “herkwalificeren” tot een tegensprekelijk verzoekschrift. De gebruikte bewoordingen en gestelde vorderingen in het eenzijdig verzoekschrift laten dat niet toe. Het staat de onderneming en de voorlopig bewindvoerder ook vrij, samen vrijwillig te verschijnen voor de voorzitter (artikel 706 Ger.W.). 2.13. De dienstdoend voorzitter verduidelijkt nog dat overeenkomstig de 3de alinea van paragraaf 3 van artikel XX.32 WER, “de voorzitter te allen tijde, op verzoekschrift of, in geval van dringende noodzakelijkheid op zelfs mondeling verzoek van de voorlopige bewindvoerders, hun bevoegdheden [kan] wijzigen”. Uit de wetgeschiedenis blijkt dat deze bepaling inderdaad enkel betrekking heeft op een verzoek uitgaande van de voorlopig bewindvoerders zelf (zie o.a. amendement nr. 47, Parl. St.Kamer 2000-01, nr. 1132/008, p.5). Echter, hieruit kan niet afgeleid worden dat de onder voorlopig bewind geplaatste onderneming zelf geen wijziging van de opdracht van de voorlopig bewindvoerder zou kunnen vragen middels een (geschreven) verzoekschrift. In de gevallen waar de onderneming reeds partij was in het geding tot aanstelling (bv. door tussenkomst) geldt onverkort artikel 1032 Ger.W. en stelt zich geen probleem om in geval van veranderde omstandigheden een wijziging met verzoekschrift te vragen. Bij een ambtshalve aanstelling kan artikel 1032 Ger.W. niet zinvol toegepast worden aangezien de onder bewind geplaatste onderneming niet de verzoeker van de maatregel zal zijn en ook geen tussenkomende partij zal zijn. Dat in artikel XX.32 WER de toevoeging “ook indien de beslissing ambtshalve werd genomen” werd opgenomen, verandert de tekst van artikel 1032 Ger.W. niet. Echter, het ontzeggen aan een onder bewind geplaatste onderneming om een wijziging van de opdracht te vragen, zou een niet te rechtvaardigen ongelijkheid creëren en de toegang tot de rechter onnodig bemoeilijken. Uit de aard van de ambtshalve opgelegde maatregel volgt dat onnodig formalisme moet vermeden worden. Als blijkt dat de opgelegde maatregel niet (langer) passend is, moet de maatregel op een zo kortst mogelijke wijze kunnen worden aangepast, mits het betrekken van alle noodzakelijke partijen. 2.14. Met het oog op de zitting van 21 oktober 2025, stelt de dienstdoend voorzitter wel vast dat in het eenzijdig verzoekschrift verzoekster geen enkel element aanbrengt dat zou weerleggen dat er gewichtige, bepaalde en met elkaar overeenstemmende aanwijzingen dat de faillissementsvoorwaarden vervuld zijn, bestaan. Verzoekster laat de faillissementsvoorwaarden volstrekt onbesproken, wat nochtans zou verwacht worden bij het aanvechten van een maatregel op basis van artikel XX.32 WER. De aangestelde voorlopig bewindvoerder is overgegaan tot dagvaarding in faillietverklaring op welbepaalde motieven. In het eenzijdig verzoekschrift wordt geen enkel argument tegengesproken. 2.15. De dienstdoend voorzitter stelt vast dat bij beschikking van de kamer voor ondernemingen in moeilijkheden van 3 juli 2025 het dossier van [EJ] BV meegedeeld aan de dienstdoend voorzitter van de rechtbank in toepassing artikel XX.29 § 2 WER. In deze beschikking wordt door de kamer voor ondernemingen in moeilijkheden beredeneerd en ten voorlopige titel vastgesteld dat de voorwaarden voor de ambtshalve toepassing van artikel XX.32 WER verenigd lijken te zijn in hoofde van [EJ] BV. Er wordt onder andere verwezen naar: - Een RSZ-schuld per 12/04/2025 ten belope van 88.671,96 EUR; - Een totale schuld aan de Algemene Administratie van de Inning en de Invordering van 111.877,42 EUR; - Het ontbreken van de jaarrekening 2023; - Het gekend zijn van bestuurder, [B.A.], in een eerder faillissement; - Een melding door de fiscale Administratie dat sinds juli 2023 geen bedrijfsvoorheffing wordt aangegeven en er geen actieve afbetalingsplannen bestaan. Op basis hiervan heeft de dienstdoend voorzitter geoordeeld dat de voorwaarden gesteld in artikel XX.32 WER voldaan waren in hoofde van [EJ] BV en dat de ontneming van het beheer over het geheel van de activa of activiteiten zich opdrong. 2.16. Het bestaan van gewichtige, bepaalde en met elkaar overeenstemmende aanwijzingen dat de voorwaarden voor een faillissement vervuld zijn, volstaat. Verzoekster kan op de zitting van 21 oktober 2025 haar standpunt duidelijk(
- er)maken omtrent het al dan niet bestaan van gewichtige, bepaalde en met elkaar overeenstemmende aanwijzingen dat de voorwaarden voor een faillissement vervuld zijn, in hoofde van [EJ] BV. III. DE BESLISSING Roept mevrouw [B.A] op ter zitting van 21 oktober om 9u45 in zittingszaal 1.1 in het gerechtsgebouw te 9000 Gent, Opgeëistenlaan 401 om haar te horen, met betrekking tot het “éénzijdig verzoekschrift tot ontslag van de voorlopig bewindvoerder” neergelegd op 6 oktober 2025. Deze beschikking werd gewezen op 14/10/2025 te Gent door Vincent Verlaeckt, rechter in de Ondernemingsrechtbank Gent, dienstdoend voorzitter, bijgestaan door Ann Vriendt, griffier. Gerelateerde publicatie(
- s)citeert: ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190308.3 ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240104.1N.3 geciteerd door: ECLI:BE:ORGNT:2025:JUG.20251215.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div