← België

ECLI:BE:ORGNT:2026:JUG.20260113.1

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Ondernemingsrechtbank Gent Vonnis/arrest van 13 januari 2026 ECLI nr: ECLI:BE:ORGNT:2026:JUG.20260113.1 Rolnummer: O/25/00011 Rechtsgebied: Insolventierecht Invoerdatum: 2026-01-14 Raadplegingen: 785 - laatst gezien 2026-06-18 22:21 Fiche 1 De loutere vaststelling dat aan de voorwaarden van XX.105, 6de lid WER is voldaan, volstaat om te besluiten dat de voorwaarden tot het vervroegen van de datum van staking van betaling zijn voldaan. Deze stelling impliceert niet dat het vervuld zijn van de klassieke faillissementsvoorwaarden op de weerhouden (vervroegde) datum niet noodzakelijk zou zijn, maar wel dat het voldoen aan de voorwaarden van XX.105, 6de lid WER op een bepaalde datum nét het bewijs vormt dat de faillissementsvoorwaarden op die datum waren vervuld. De in lid 6 omschreven toestand is in essentie een beschrijving van een faillissementstoestand zoals bedoeld in artikel XX.99 WER. UTU-thesaurus: HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - INSOLVENTIE Vrije woorden: Over de rechtsvraag wat moet bewezen worden bij het vervroegen van datum van staking van betaling op grond van XX.105, 6de lid WER. Analyse cass-RS Wettelijke bepalingen: Wetboek van economisch recht - 23-02-2013 - XX.105, lid 6 - 19 Link Justel databank 20130223-19 Fiche 2 Door vast te stellen onder artikel 105, 6de lid WER dat er nadeel aan schuldeisers wordt berokkend, stelt de rechtbank meteen het deficitair karakter van de vereffening vast. Er kan enkel “nadeel aan schuldeisers” berokkend worden, als de vereffening deficitair is. Immers, als elke schuld betaald wordt, zijn er finaal geen schuldeisers en kan er ook geen sprake zijn van benadeling ervan. Wanneer de aangevatte feitelijke vereffening deficitair is, staat staking van betaling vast; en als er geopteerd werd om feitelijk te vereffenen met het doel te benadelen, is er geen sprake van oprecht vertrouwen en is het krediet geschokt. Vertrouwen moet op regelmatige en transparante wijze verkregen zijn. Middelen om krediet te handhaven mogen niet kunstmatig, ongeoorloofd of bedrieglijk zijn. UTU-thesaurus: HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - INSOLVENTIE Vrije woorden: Vervroegen datum staking van betaling bij feitelijke vereffening Wettelijke bepalingen: Wetboek van economisch recht - 23-02-2013 - XX.105 - 19 Link Justel databank 20130223-19 Fiche 3 Een sale-and-lease-back-operatie staat niet noodzakelijk gelijk aan een feitelijke vereffening en kan worden aangemerkt als een legitieme economische en strategische beslissing. Dit ligt evenwel anders wanneer de bestuurder-aandeelhouders zelf betrokken zijn in de transactie en dat zij op het moment van het aangaan van die verrichting reeds wisten, of redelijkerwijze moesten weten, dat een faillietverklaring onafwendbaar was. In dat geval is de gekunstelde sale-and-lease-back-operatie aan de eigen bestuurder-aandeelhouders in realiteit enkel een eenvoudige “sale”-operatie. Een optie tot wederinkoopoptie heeft geen reële waarde wanneer contractueel werd bepaald dat de optie van rechtswege vervalt bij faillietverklaring. Gelet op de kennis van de partijen omtrent de onafwendbaarheid van het faillissement op het ogenblik van het toekennen van de optie, stond meteen vast dat deze optie in de praktijk nooit zou kunnen worden uitgeoefend en loutere schijn betreft. UTU-thesaurus: HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - INSOLVENTIE Vrije woorden: over aanwijzing van benadeling schuldeisers inzake datum van staking van betaling Tekst van de beslissing De ondernemingsrechtbank Gent, afdeling Gent, 2de kamer heeft volgend vonnis verleend: . Partijen in het geding Mr. [PH] en mr. [SN] handelend in hun hoedanigheid van curator over het faillissement van de NV [ABC HOLDING] Eisers q.q. . En . NV [ABC HOLDING] Verweerster met als raadslieden mrs. [K] en [E] . Inhoud: I. INFORMATIE OVER DE PROCEDURE II. CONTEXT III. VOORSTELLING VAN DE RELEVANTE GROEPSVENNOOTSCHAPPEN IV. STANDPUNTEN VAN PARTIJEN IV.A. Standpunt van eisers q.q. IV.B. Standpunt van verweerster V. VORDERINGEN VAN PARTIJEN VI. BEOORDELING VI.A. Voorafgaande rechtsvragen inzake staking van betaling bij feitelijke vereffening VI.B. Concrete toepassing VII. BESLISSING . I. INFORMATIE OVER DE PROCEDURE . 1.1. Het geding werd ingeleid met dagvaarding betekend op 23 december 2024. Bij beschikking van 7 januari 2025 heeft de rechtbank, in overeenstemming met artikel 747 § 1 Ger.W., de conclusietermijnen tussen partijen afgesproken bekrachtigd en heeft zij de rechtsdag bepaald. De rechtbank heeft de partijen in openbare terechtzitting van 23 september 2025 gehoord, waarna de debatten werden gesloten en de zaak in beraad werd genomen. De rechtbank heeft kennis genomen van het rechtsplegingsdossier en de neergelegde stukken. De bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken worden nageleefd. . II. CONTEXT . 2.1. Verweerster maakte deel uit van een vennootschapsgroep actief in de textielsector die (rechtstreeks of onrechtstreeks) in handen waren van dhr. [ANOM] (en de BV [FEM]), dhr. [P] (en de NV [RETAIL INVEST]) en de familie [D] (en de NV [SAM]). Verschillende vennootschappen van de groep werden failliet verklaard waaronder de NV [XZY] en de BV [ABC GROUP] op 18 juni 2024 en de NV [ABC HOLDING], de NV [ABC TEX], de NV [SPINNEWIEL], de BV [L], de BV [M] en de BV [DH] op 25 juni 2024. Eisers q.q. zijn curator van het faillissement van verweerster. Huidige procedure handelt over het vervroegen van de datum van staking van betaling in het faillissement van de NV [ABC HOLDING]. Er zijn ook procedures tot het vervroegen van de datum van staking van betaling hangende voor de faillissementen de NV [XZY], de BV [ABC GROUP], de NV [ABC TEX] en de NV [SPINNEWIEL]. De rechtbank heeft beslist deze procedures niet te voegen. . III. VOORSTELLING VAN DE RELEVANTE GROEPSVENNOOTSCHAPPEN . 3.1. De kwestieuze textielgroep bestaat onder andere uit enerzijds vennootschappen die actief zijn in de productie en in de grondstoffen, en anderzijds uit vennootschappen die eigenaar zijn van het machinepark en het vastgoed. . III.A. DE PRODUCTIE: BV [ABC GROUP] . 3.2. De BV [ABC GROUP] baatte een weverij uit die (technisch) textiel produceerde. De BV [ABC GROUP] is de zogenaamde productie-vennootschap en maakte voor haar activiteiten gebruik van de machines en andere activa van de NV [ABC HOLDING] De productie door de BV [ABC GROUP] is onder meer ondergebracht in het vastgoed te Evergem, toebehorende aan de NV [ABC IMMO], zijnde een vennootschap van de heren [ANOM] en [P] met een 50/50-aandelenverdeling. De BV [ABC GROUP] heeft hiervoor een huurcontract afgesloten op 2 januari 2020 met NV [ABC IMMO] voor 20.000,00 EUR per maand. De BV [ABC GROUP] werd tot kort voor het faillissement bestuurd door 3 bestuurders, zijnde (

  1. i)de BV [FEM], vast vertegenwoordigd door dhr. [ANOM], (
  2. ii)de NV [ABC IMMO], vast vertegenwoordigd door mevrouw [LAC] (zijnde de echtgenote van de heer [ANOM]) en (iii) de BV [D], vast vertegenwoordigd door de heer [BD]. Deze laatste bestuurder nam evenwel op 15 mei 2024 vrijwillig ontslag als bestuurder. De aandeelhouders van BV [ABC GROUP] zijn de NV [SAM] (10%), de NV [RETAIL INVEST] (45%) en de BV [FEM] (27,52%) en dhr. [ANOM] (17,48%). De BV [ABC GROUP] werd failliet verklaard op 18 juni 2024. . III.B. HET MACHINEPARK: NV [ABC HOLDING] . 3.3. De NV [ABC HOLDING] fungeerde als holding over verschillende groepsvennootschappen én was eigenaar van de materiële activa van de groep. Naast het aanhouden van de aandelen van de groepsvennootschappen, bestond het vermogen van de NV [ABC HOLDING] uit het volledige machinepark waarvan de verschillende groepsvennootschappen van de textielgroep gebruik konden maken, alsook het overige materiële actief zoals de voertuigen, bureelmateriaal en IT-materiaal. Deze holdingvennootschap werd opgericht op 28 juli 2022. De oprichting van deze holding kaderde in de overname van de aandelen in de NV [MUB] en de NV [AM], die op hun beurt aandeelhouder waren van de NV [XZY] en de NV [SPINNEWIEL]. In februari 2023 nam de NV [ABC HOLDING] tevens de aandelen over van de NV [ABC TEX], zijnde een weverij uit [NW] Voormelde dochtervennootschappen [XZY], [SPINNEWIEL] en [ABC TEX] zijn allen actief in de textielsector. De aandeelhouders van de NV [ABC HOLDING] zijn de NV [SAM] (10%), de NV [RETAIL INVEST] (45%) en de BV [FEM] (45%). De NV [ABC HOLDING] werd tot kort voor het faillissement bestuurd door 3 bestuurders. Initieel door
  3. i)BV [FEM], vast vertegenwoordigd door dhr. [ANOM],
  4. ii)BV [SM], vast vertegenwoordigd door dhr. [P] en iii) BV [D], vast vertegenwoordigd door de heer [BD] Op 26 februari 2024 ging de BV [SM] zelf over tot de publicatie van haar ontslag als bestuurder. Op 19 april 2024 werd de aanstelling van een nieuwe bestuurder gepubliceerd, namelijk de BV [HD], met als vaste vertegenwoordiger mevr. [LAC], zijnde de echtgenote van de heer [ANOM]. Op 4 juni 2024 ging de BV [D] zelf over tot de publicatie van haar ontslag dat zou zijn gegeven bij brief van 15 mei 2024. De NV [ABC HOLDING] werd failliet verklaard op 25 juni 2024. . III.C. HET VASTGOED: NV [ABC IMMO] . 3.4. De NV [ABC IMMO] was eigenaar van het aan de […] gelegen vastgoed, waar onder andere de maatschappelijke zetel van de NV [ABC HOLDING] en de BV [ABC GROUP] waren gevestigd. Op de site bevond zich hoofdzakelijk de productie van de textielgroep. Op het ogenblik van de relevante feiten in deze zaak, was de NV [ABC IMMO] voor 50% in handen van de BV [FEM] en voor 50% van de NV [RETAIL INVEST], en werd ook door hen of hun vennootschappen bestuurd. De NV [ABC IMMO] werd niet failliet verklaard. . III.D. DE GRONDSTOFFEN: NV INTERSPINING . 3.5. De NV [SPINNEWIEL] is een dochtervennootschap van de NV [AL] en werd, naar aanleiding van de overname van de NV [AL] door de NV [ABC HOLDING] in juli 2022, eveneens opgenomen in de voormelde textielgroep. De NV [SPINNEWIEL] functioneerde binnen de groep als tradingvennootschap voor grondstoffen. Sinds 15 november 2022, is [FEM] BV, vast vertegenwoordigd door de heer [ANOM], enige bestuurder. De NV [ABC HOLDING] is 100% aandeelhouder van de NV [AM] die 100% aandeelhouder is van de NV [SPINNEWIEL]. De NV [SPINNEWIEL] werd failliet verklaard op 25 juni 2024. . III.E. DOCHTERVENNOOTSCHAP PRODUCTIE: NV [XZY] . 3.6. De NV [XZY] was één van de dochtervennootschappen van de NV [AM] die in juli 2022 werd overgenomen door de NV [ABC HOLDING]. De NV [XZY] was ingeschakeld in de productie van textiel. Sinds 15 november 2022, is [FEM] BV, vast vertegenwoordigd door de heer [ANOM], enige bestuurder. De NV [ABC HOLDING] is 100% aandeelhouder van de NV [AM] die 100% aandeelhouder in van de NV [XZY]. De NV [XZY] werd failliet verklaard op 18 juni 2024. . III.F. DOCHTERVENNOOTSCHAP PRODUCTIE: NV [ABC TEX] . 3.7. De NV [ABC TEX] werd door de NV [ABC HOLDING] overgenomen op 3 februari 2023. De NV [ABC TEX] betrof een bestaande weverij gelegen te [NW]. De activiteiten van de NV [ABC TEX] werden na de overname van de aandelen geïntegreerd in de bestaande [ABC]-textielgroep. De BV [ABC TEX] werd bestuurd door
  5. i)de BV [FEM], vast vertegenwoordigd door de heer [ANOM] en
  6. ii)de BV [HD], vast vertegenwoordigd door mevrouw [LAC]. De NV [ABC TEX] werd failliet verklaard op 25 juni 2024. . IV. STANDPUNTEN VAN PARTIJEN . IV.A. STANDPUNT VAN EISERS Q.Q. . 4.1. Eisers q.q. zijn van oordeel dat de datum van staking betaling in de faillissementen de NV [ABC HOLDING], de BV [ABC GROUP], de NV [SPINNEWIEL], de NV [XZY] en de NV [ABC TEX] moet worden vervroegd met ongeveer 4 maanden, meer bepaald naar 1 maart 2024. Eisers q.q. verwijzen onder meer naar een feitelijke vereffening van de textielgroep voorafgaand aan de aangifte van staking van betaling. Zij stellen in essentie dat vanaf maart 2024 door de bestuurders-aandeelhouders van voormelde vennootschappen de nodige voorbereidingen werden getroffen om zichzelf en hun eigen vennootschappen zoveel mogelijk te bevoordelen, voorafgaand aan het onvermijdelijke faillissement van de gehele groep. Alle activa zouden zijn overgedragen aan eigen vennootschappen, deels middels compensatie met rekening courant schulden. Er zouden in de laatste weken pandrechten toegestaan zijn aan eigen vennootschappen om de activa te kunnen afscheiden van de boedel bij de onvermijdelijke samenloop. Op 1 maart 2024 zouden er opeisbare schulden geweest waarvan vaststond dat deze niet meer konden betaald worden bij gebrek aan krediet en middelen. Op het ogenblik van faillietverklaring waren de nodige voorbereidingen afgewerkt en was er nauwelijks actief voor de boedel. Concreet verwijzen eisers q.q. naar volgende feiten: . - 4 maart 2024 4.2. Op de gezamenlijke bijzondere algemene vergadering van 4 maart 2024 van de BV [ABC GROUP] en de NV [ABC HOLDING], legde de voorzitter, de BV [FEM] vertegenwoordigd door de heer [ANOM], de vastgestelde financiële problemen voor aan de aandeelhouders. Uit de notulen blijkt dat werd vastgesteld dat de “financiële positie van de groep precair is”, de financiële huishouding “onvoldoende op orde” en dat – “zonder op heden, ten gevolge van de problemen op het financiële departement, een volledig sluitend beeld te kunnen geven” – de financiële positie van de groep door de heer [ANOM] als volgt werd ingeschat: - niet-betwiste leveranciers van 1.250.000,00 EUR - fiscale achterstanden bij de RSZ en BV ten bedrage van 500.000,00 EUR; - 300.000,00 EUR liquide middelen op rekening; - 300.000,00 EUR aan niet-gefinancierde handelsvorderingen. De heer [ANOM] deelt mee dat een straight loan (vast voorschot) van Belfius Bank aan de dochtervennootschap [ABC TEX] NV ten belope van 750.000,00 EUR op 31 maart 2024 komt te vervallen en dat er nog geen gesprekken tot verlenging zijn aangevat. Verder stelt de heer [ANOM] “op korte termijn 500.000 EUR nieuwe middelen nodig te hebben om de continuïteit te garanderen en tevens Belfius te overtuigen om haar straight loan te verlengen”, maar meteen wordt ook gesteld dat “de Voorzitter erkent dat het op heden onmogelijk is om financiering op te halen bij partijen (noch bij bank, noch bij investeerders). Dit ten gevolge van de financiële toestand waarin de Vennootschap zich bevindt.” 4.3. Na dit alles te hebben vastgesteld wordt voorgesteld om deze, blijkbaar noodzakelijke, 500.000,00 EUR op te halen bij de aandeelhouders via een sale-and-lease-back van het volledige materieel actief van de NV [ABC HOLDING]. De BV [FEM], vertegenwoordigd door de heer [ANOM], deelt mee dat zij 250.000,00 EUR hiervoor kan voorzien en vraagt het standpunt van de overige aandeelhouders, die hun antwoord in beraad houden. Vervolgens wordt door de aandeelhouders beslist om de bestaande rekeningen-courantvorderingen van de NV [RETAIL INVEST] en de BV [FEM] ten belope van elk 250.000,00 EUR op de NV [ABC HOLDING] om te zetten in een lange termijn financiering mits het bijkomend verlenen van een pand op de ondernemingsgoederen ten gunste van de aandeelhouders en bestuurders: “ [ANOM] (vaste vertegenwoordiger van [FEM]) en Jos [P] (als vertegenwoordiger van [RETAIL INVEST]) geven aan dat de RC posities omgevormd kunnen worden in een langere termijn financiering voor zover hiervoor een pand handelszaak ingeschreven kan worden. ” 4.4. Tenslotte wordt door de heer [ANOM] vastgesteld dat [ABC GROUP] BV achterstallige huurschulden heeft tegenover [ABC IMMO] NV, zoals gesteld de immobiliënvennootschap van BV [FEM] en de NV [RETAIL INVEST], zijnde tevens de aandeelhouders van de BV [ABC GROUP] . De BV [ABC GROUP] zou sinds januari 2020 de maandelijkse huur van 20.000,00 EUR per maand niet betaald hebben, wat heeft geleid tot een schuld van meer dan 1.000.000,00 EUR aan de NV [ABC IMMO]. Hoewel de NV [ABC IMMO] niet aanwezig is op de bijzondere algemene vergadering van 4 maart 2024, wordt genoteerd dat deze achterstallen en de niet-betaling ervan enkel door de NV [ABC IMMO] kan aanvaard worden mits aanrekening van 12% rente en op voorwaarde dat de andere vennootschappen van de groep een medeschuldenaarverklaring zouden ondertekenen voor de historische schuld. . - 12 maart 2024 4.5. Op 12 maart 2024 werd – in uitvoering van de beslissing genomen op algemene vergadering van 4 maart 2024 – een ‘Herziene huurovereenkomst’ gesloten met betrekking tot de site te Evergem, eigendom van de NV [ABC IMMO]. De groepsvennootschappen NV [SPINNEWIEL], NV [XZY] en NV [ABC TEX] zijn tussengekomen en werden retroactief medehuurder gemaakt en hoofdelijke medeschuldenaar gemaakt voor de bestaande huur(achterstallen) ten belope van bijna 1.000.000,00 EUR uit hoofde van de oorspronkelijke huurovereenkomst van 2 januari 2020 met de BV [ABC GROUP]. . - 19 maart 2024 4.6. Op de raad van bestuur van de NV [ABC HOLDING] op 19 maart 2024 werd beslist om het volledige materieel actief van NV [ABC HOLDING] te verkopen middels een overeenkomst van sale-and-lease-back aan de NV [RETAIL INVEST] en BV [FEM] voor een prijs van 1.000.000,00 EUR. De NV [RETAIL INVEST] en de BV [FEM] waren, samen met de NV [SAM], aandeelhouders van de NV [ABC HOLDING]. Er wordt bepaald dat de betaling van de prijs voor de helft zou geschieden door compensatie van de bestaande rekening-courant schulden ten aanzien van de NV [RETAIL INVEST] en de BV [FEM], elk voor 250.000,000 EUR. 4.7. Op 19 maart 2024 wordt ook meteen uitvoering gegeven aan de zopas genomen beslissing en wordt een “koop-verkoopovereenkomst machines verhuur met optie wederinkoop” afgesloten tussen enerzijds de NV [ABC HOLDING] en anderzijds haar aandeelhouders, de BV [FEM] en de NV [RETAIL INVEST]. Dit aan de koopsom van 1.000.000,00 EUR waarbij 500.000,00 EUR wordt voldaan door compensatie met de bestaande rekeningen-courant van de BV [FEM] en de NV [RETAIL INVEST]. De NV [ABC HOLDING] zou de machines verder huren aan 5.000,00 EUR per maand waarbij een pand op ondernemingsgoederen wordt toegekend aan de BV [FEM] en de NV [RETAIL INVEST] tot zekerheid van de huurdersverplichtingen. Er wordt contractueel bepaald dat aan de NV [ABC HOLDING] een optie tot wederinkoop aan 1.000.000,00 EUR wordt toegekend, doch deze optie zou van rechtswege vervallen in geval van een faillissement van de NV [ABC HOLDING]. Het voorwerp van de koop betreft alle materiële activa van de NV [ABC HOLDING]. Eisers q.q. omschrijven het voorwerp van de koop in hun conclusie als “niet alleen het machinepark, maar ook alle andere – tot de laatste paperclip bij wijze van spreken – materiële activa (m.i.v. van 6 voertuigen)”. In de overeenkomst wordt dit alles omschreven als volgt: “De Verkoper verkoopt aan de Kopers, die aanvaarden, de beschreven Machines zoals opgelijst in Bijlage 1 samen met alle aanhorigheden zowel roerend als onroerend door bestemming en vermeerderd met alle stockagerekken, intern transportmaterieel, reserveonderdelen van weefgetouwen, bomen, alle heftrucks, hijstoestellen, takels, compressoren, alle werktuigen, elektrisch gereedschap, alle ICT-materiaal (zoals doch niet beperkt tot computers, scanners, TV-screens, telefoons, GSM's, laptops, tabletten, ... ), alle aanwezige kantoormaterialen (alle meubilair, kantoorbenodigdheden, keukentoestellen en keukengerief) en uitrusting, stalen en decoratiemateriaal van de showroom, alle machines en gereedschappen aanwezig in de produktiehallen en kantoren gehuurd van [SAM] NV te […], alle wagens en lichte vracht, en dit behoudens voor zover deze Machines het voorwerp uitmaken van een leasingovereenkomst, tegen de prijs en overeenkomstig de modaliteiten zoals uiteengezet in huidige Overeenkomst.” . - 2 mei 2024 4.8. Zoals hierboven gesteld, had de BV [ABC GROUP] een sinds 2020 hoog oplopende huurschuld aan de NV [ABC IMMO] voor het gebruik van het onroerend goed te Evergem. Op 2 mei 2024 wordt door de BV [ABC GROUP] “een pand op ondernemingsgoederen in de ruimste zin waaronder voorraden en handelsvorderingen” toegekend aan de NV [ABC IMMO] voor een bedrag van 1.691.867,09 EUR. Dit ter zekerheid van “alle huurverplichtingen in het kader van de huurovereenkomst met [ABC IMMO] NV inclusief de achterstallige huren, intresten en eventuele uitvoeringskosten”. Het betreft aldus eisers q.q. een pandrecht toegekend voor reeds vervallen schulden. Het pand wordt geregistreerd in het pandregister op 2 mei 2025 . - 3 mei 2024 4.9. Op 3 mei 2024 wordt een “addendum bij de herziene huurovereenkomst dd. 12 maart 2024” gesloten. Er wordt bepaald dat ook de NV [ABC HOLDING] zich hoofdelijk en ondeelbaar borg stelt voor alle historische huurschulden aan de NV [ABC IMMO], uit hoofde van het gebruik van de gebouwen te Evergem door de BV [ABC GROUP] en beweerdelijk ook door de NV [SPINNEWIEL], de NV [XZY] en de NV [ABC TEX]. Het betreft een borgstelling voor reeds vervallen schulden ten belope van meer dan 1 miljoen euro. . - 13 mei 2024 4.10. Op 13 mei 2024 wordt het eerder op 2 mei 2024 toegekend pandrecht door de BV [ABC GROUP] aan de NV [ABC IMMO] verder uitgebreid. In het pandregister wordt de aanduiding van de gewaarborgde schuldvorderingen uitgebreid tot “alle vorderingen van [ABC IMMO] NV naar [ABC GROUP] waaronder rekening-couranten en doorfacturatie van kosten of investeringen verband houdende met exploitatie van textielproductie.” Dit betreft een uitbreiding van een pandrecht voor reeds vervallen schulden. . - 21 mei 2024 4.11. De raad van bestuur van de NV [ABC HOLDING] stelt op 21 mei 2024 in een bijzonder verslag vast dat de voorwaarden gesteld in artikel 7:228 WVV vervuld zijn en dat de continuïteit van NV [ABC HOLDING] in het gedrang komt. Zo wordt onder meer gesteld “in de laatste weken zijn de orders abrupt en tegen alle verwachtingen in drastisch gedaald” en “daarnaast liet ook Belfiusbank weten dat zij de straight loan niet wenst te verlengen”. . - 10 juni 2024 4.12. Op de buitengewone algemene vergadering van de NV [ABC HOLDING] van 10 juni 2024 wordt beslist over te gaan tot aangifte van staking van betaling, wat ook gebeurde op 17 juni 2024. . - 18 juni 2024 - 25 juni 2024 4.13. Verschillende vennootschappen van de groep worden failliet verklaard. De NV [XZY] en de BV [ABC GROUP] op 18 juni 2024 en de NV [ABC HOLDING], de NV [ABC TEX] en de NV [SPINNEWIEL] op 25 juni 2024. Op het ogenblik van de faillietverklaring zijn alle machines en andere activa in de NV [ABC HOLDING] verkocht en is de aanwezige restvoorraad binnen de BV [ABC GROUP] verpand aan de NV [ABC IMMO]. Het realiseerbaar actief voor de curatoren is verwaarloosbaar. Het aangegeven passief in de NV [ABC HOLDING] bedraagt ongeveer 4 miljoen euro. Het aangeven passief in de BV [ABC GROUP] bedraagt ongeveer 6 miljoen euro. De bestuurders van verweerster hebben na het faillissement het machinepark doorverkocht op basis van overeenkomsten gesloten op 5 augustus 2024, die niet worden voorgelegd in deze procedure. Volgens de eigen verklaring van deze bestuurders zou dit gebeurd zijn voor een prijs van “maar” 527.500,00 EUR. 4.14. Eisers q.q. stellen hierover in conclusie: “vanaf begin maart werd de feitelijke vereffening van het gros van het actief van de groep bewerkstelligd met de bedoeling om nadeel toe te brengen aan de overige schuldeisers aan wie hun verhaalsobject/onderpand – tegen niet marktconforme voorwaarden en met gedeeltelijke betaling van de prijs via compensatie – werd onttrokken. Tegelijk werd er ook voor gezorgd dat de aan het bestuur verbonden vennootschap NV [ABC IMMO] nog een zo preferent mogelijke positie innam voor wat betreft de enige nog resterende activa binnen de groep, nl. de voorraden en – in mindere mate gelet op de factoringovereenkomst tussen BV [ABC GROUP] en KBC m.b.t. het gros van de klantenfacturen – de vorderingen.” Eisers q.q. stellen verder dat de situatie van de NV [ABC HOLDING] – die geen exploitatievennootschap was maar enkel dienst deed als holding en eigenaar van het machinepark – niet los kan gezien worden van de financiële situatie van de exploitatiewerkvennootschappen, in het bijzonder van de BV [ABC GROUP] en in mindere mate van de NV [SPINNEWIEL], de NV [XZY] en de NV AG-TEX. Eisers q.q. houden voor dat de globale situatie van de textielgroep op 1 maart 2024 problematisch was en dat op dat ogenblik reeds duidelijk was dat een faillissement onvermijdelijk zou zijn. Zij wijzen naar verschillende feitelijkheden en cijfers met betrekking tot de belangrijkste productievennootschap, de BV [ABC GROUP]. . IV.B. STANDPUNT VAN VERWEERSTER . 4.15. Verweerster betwist de vordering tot het vervroegen van de datum van staking van betaling. Verweerster zet in conclusies uitvoerig uiteen dat er steeds is gewerkt vanuit een continuïteitsperspectief en dat pas eind april 2024 er zich een aantal feiten hebben opgedrongen die de situatie drastisch veranderden. Deze wending was volgens haar onverwachts en abrupt. In maart 2024 werd geen rekening gehouden met een scenario van een faillissement. De heer [ANOM], voorzitter van de raden van bestuur van de groepsvennootschappen, bevestigde immers steeds “zijn geloof in de verdere toekomst van de groep”. Dit geloof zou bevestigd zijn door “
  7. a)de omzetten die de laatste maanden werden gerealiseerd,
  8. b)de zeer positieve feedback ontvangen uit de markt op de afgelopen beurzen en
  9. c)het aanstaande partnership met [CRYP]”. Er was geen staking van betaling in maart 2024. De verschillende vennootschappen van de groep genoten nog het volle vertrouwen van de schuldeisers. Pas eind 2024 deden zich onoverkomelijke problemen met klanten, leveranciers en kredietverstrekkers voor waardoor een redding niet meer mogelijk was. Na 1 maart 2024 hebben de verschillende groepsvennootschappen blijvend betalingen verricht zodat er geen staking van betaling kan zijn. 4.16. De door eisers q.q. geviseerde handelingen in maart en april 2024, zoals hierboven chronologisch opgesomd, kaderen in een poging tot redding van de textielgroep en zijn allen logisch en bedrijfsmatig te verklaren. Er zou geen sprake zijn van enige voorbereiding van een vereffening: - De sale-and-lease-back-overeenkomst was niet nadelig voor de NV [ABC HOLDING]. De koopsom van 1.000.000,00 EUR was veel hoger dan de werkelijke waarde van het materieel. Verweerster wijst erop dat na het faillissement van de NV [ABC HOLDING] de betreffende goederen door de BV [FEM] en de NV [RETAIL INVEST] meteen werden doorverkocht en dit slechts voor een prijs van 527.500,00 EUR. De boedel zou aldus in werkelijkheid niet benadeeld zijn door de sale-and-lease-back--operatie, want de goederen hadden maar een verkoopprijs van 527.500,00 EUR, wat wordt afgeleid uit de doorverkoopprijs. - Hieruit volgt volgens verweerster ook dat de compensatie met de bestaande rekening-courant schuld van 500.000,00 EUR ter dekking van een deel van de aankoopsom in de sale-and-leaseback-operatie, in werkelijkheid een kwijtschelding is gebleken ten voordele van de NV [ABC HOLDING]. De BV [FEM] en de NV [RETAIL INVEST] hebben in werkelijkheid hun vordering van 500.000,00 EUR niet gerecupereerd want de aangekochte goederen bleken maar 527.500,00 EUR waard te zijn terwijl zij 1.000.000,00 EUR hebben betaald, waarvan 500.000,00 EUR in cash. - De geviseerde aanpassingen van de huurcontracten in de laatste maanden voor het faillissement, zijn te aanzien als loutere bevestigingen van eerder gemaakte mondelinge afspraken en zijn een weerspiegeling van de realiteit. De groepsvennootschappen hadden al die tijd gebruik gemaakt van het onroerend goed zonder hiervoor te betalen of geregistreerd te staan als huurder. Verweerster stelt hierover dat “de administratieve aanpassing had eigenlijk al langer moeten plaatsvinden maar bleef uit wegens andere prioriteiten”. - De toegestane pandrechten aan verbonden ondernemingen in de laatste maanden voor faillissement zouden economisch verantwoord zijn gezien de uitstaande verbintenissen. - Verweerster benadrukt dat het echtpaar [ANOM]-[LAC] significante persoonlijke inbrengen hebben gedaan en borgstellingen hebben aangegaan om de redding van de vennootschappen te bewerkstelligen. . V. VORDERINGEN VAN PARTIJEN . 5.1. Eisers q.q. vorderen in hun laatste conclusie: Te zeggen voor recht dat het tijdstip waarop de NV [ABC HOLDING] heeft opgehouden te betalen, vervroegd wordt en met name bepaald wordt op 01/03/24; De publicatie van Uw te vellen vonnis te bevelen bij uittreksel in het Belgisch Staatsblad; Verweerster te veroordelen tot de kosten van het geding. 5.2. Verweerster vordert in haar laatste conclusie: De vordering van eisers q.q. onontvankelijk, minstens ongegrond te verklaren. Eisers q.q. te veroordelen tot alle kosten van het geding, aan de zijde van verweerster begroot op de rechtsplegingsvergoeding ten bedrage van 1.883,72 EUR. . VI. BEOORDELING . VI.A. Voorafgaande rechtsvragen inzake staking van betaling bij feitelijke vereffening . 6.1. Eisers q.q. vorderen de datum van staking van betaling te vervroegen. Zij steunen hun vordering zowel op grond van artikel XX.105, lid 2 WER alsook op grond van artikel XX.105, lid 6 WER, ondanks er een vervroeging wordt beoogd van minder dan 6 maanden. Eisers q.q. zijn onder meer van oordeel dat er sprake is van een feitelijke vereffening. Verweerster betwist de vordering en stelt: “de vraag of er al dan niet een feitelijke vereffening van het gros van de activa van de groep heeft plaatsgevonden met de bedoeling om nadeel toe te brengen aan de overige schuldeisers, quod certe non, is een vraag die in huidige procedure hoe dan ook niet aan de orde is. In huidige procedure dienen eisers q.q. aan te tonen dat de vennootschap zich reeds in staat van faillissement bevond op 1 maart 2024, wat zij niet doen” en “dat eisers q.q. […] uitvoerig uitweiden over bepaalde transacties die sinds 1 maart 2024 zouden hebben plaatsgevonden. Dit is niet het voorwerp van huidige procedure. Huidige procedure is strikt beperkt tot de datum van staking van betaling. Het komt niet aan eisers q.q. toe om huidige procedure te vertroebelen met hun eenzijdige beweringen”. In essentie beweert verweerster dat voor de toepassing van zowel lid 2, alsook van lid 6 van artikel XX.105 WER er (enkel) moet nagegaan worden of op 1 maart 2024 de faillissementsvoorwaarden waren voldaan. Al het overige zou niet ter zake zijn. . 6.2. De gefailleerde wordt geacht op te houden te betalen vanaf het vonnis van faillietverklaring of vanaf de dag van zijn overlijden wanneer de faillietverklaring nadien is uitgesproken. Het tijdstip van staking van betaling kan vervroegd worden. De procedure tot vaststelling van de datum waarop werd opgehouden te betalen, beoogt de gelijkheid onder de schuldeisers van de gefailleerde door bepaalde door de gefailleerde na die datum verrichte handelingen aan de massa niet-tegenstelbaar te maken of het mogelijk te maken ze aan de massa niet-tegenstelbaar te doen verklaren (Cass. 25 mei 1978, Arr.Cass. 1978, 1134). Artikel XX.105, lid 2 WER bepaalt de voorwaarden tot vervroeging: “Dit tijdstip mag door de rechtbank alleen worden vervroegd wanneer ernstige en objectieve omstandigheden ondubbelzinnig aangeven dat de betalingen voor het vonnis hebben opgehouden; deze omstandigheden moeten in het vonnis worden vermeld.” Artikel XX.105, lid 6 WER voorziet een uitzondering wat betreft een ontbonden rechtspersoon: “Het vonnis mag het tijdstip van staking van betaling niet vaststellen op meer dan zes maanden voor het vonnis van faillietverklaring, tenzij dit vonnis het faillissement betreft van een meer dan zes maanden voor de faillietverklaring ontbonden rechtspersoon waarvan de vereffening al dan niet werd afgesloten, en waarvoor aanwijzingen bestaan dat deze is of wordt bewerkstelligd met de bedoeling nadeel te berokkenen aan de schuldeisers. In dat geval kan het tijdstip van de staking van betaling worden vastgesteld op de dag van het ontbindingsbesluit.” . 6.3. De juridische vraag stelt zich of, in een procedure waarin de vervroeging van de datum van staking van betaling wordt gevorderd op grond van artikel XX.105, 6de lid WER, de rechtbank, nadat zij de datum heeft vastgesteld waarop werd besloten tot vereffening met het oogmerk schade toe te brengen aan de schuldeisers, nog formeel moet toetsen of de klassieke faillissementsvoorwaarden op die datum waren vervuld. Dan wel of het volstaat, in het kader van artikel XX.105, 6de lid WER, dat de rechtbank vaststelt dat de aangevatte vereffening uiteindelijk heeft geleid tot een faillissement en dat de beslissing tot vereffening genomen werd met de bedoeling de schuldeisers te benadelen. En indien geoordeeld zou worden dat de rechtbank – ook bij een vastgestelde ontbinding in de zin van lid 6 – alsnog de faillissementsvoorwaarden moet toetsen op de vastgestelde datum van ontbinding, rijst tenslotte de vraag hoe de voorwaarden van staking van betaling en geschokt krediet dienen te worden beoordeeld in het kader van een feitelijke vereffening die werd ingesteld met het oogmerk de schuldeisers te benadelen. . Over deze problematiek verwijst de rechtbank naar twee recente vonnissen: . - Een vonnis van de Nederlandstalige ondernemingsrechtbank Brussel van 25 mei 2021 waarin gesteld wordt dat een feitelijke toestand van vereffening kan volstaan om het tijdstip van staking van betaling op meer dan zes maanden voor het vonnis van faillietverklaring vast te stellen op grond van XX.105, 6de lid WER. In het vonnis wordt de staking van betaling en het wankelen van krediet niet besproken. Er wordt enkel vastgesteld dat er op een welbepaalde datum een feitelijke vereffening met de bedoeling nadeel te berokkenen aan de schuldeisers is aangevangen en dat om die reden de datum van staking van betaling wordt vervroegd tot de datum van aanvang vereffening (Orb. Brussel (Nl.) 25 mei 2021, TIBR 2022/1, RS 109). - Een vonnis van de ondernemingsrechtbank Gent, afdeling Brugge van 18 oktober 2021 waarin de rechtbank eerst het deficitair karakter van de eerder aangevatte formele vereffening vaststelt, doch de vordering op grond van XX.105, 6de lid WER tot vervroeging van de datum van staking van betaling naar de datum van het formele ontbindingsbesluit afwijst omdat “niet wordt aangetoond dat op datum van de beslissing van de algemene vergadering tot ontbinding was voldaan aan alle cumulatief te vervullen voorwaarden tot het uitspreken van het faillissement”. De rechtbank stelt wel staking van betaling vast, doch oordeelt dat niet bewezen wordt dat vóór de datum van dagvaarding tot faillietverklaring van de ontbonden vennootschap het krediet aan het wankelen was gebracht (Orb. Gent (afd. Brugge) 18 oktober 2021, TIBR 2023, afl. 2, RS-124). . 6.5. De rechtbank onderzoekt hieronder in randnummers 6.5.1 tot en met 6.5.8 de voormelde vraagstellingen en komt vervolgens tot synthese in randnummer 6.6. De rechtspraak inzake de deficitaire vereffening en de faillissementsvoorwaarden bij vennootschappen in vereffening, zal hierin de leidraad vormen. . 6.5.1. De uitzonderingsmogelijkheid voorzien in lid 6 van artikel XX.105 WER werd voor het eerst wettelijk verankerd in de faillissementswet van 8 augustus 1997. Artikel 12, 6de lid FW stelde dat: “Het vonnis mag het tijdstip van staking van betaling niet vaststellen op meer dan zes maanden voor het vonnis van faillietverklaring, tenzij dit vonnis het faillissement betreft van een meer dan zes maanden voor de faillietverklaring ontbonden rechtspersoon waarvan de vereffening al dan niet werd afgesloten, en waarvoor aanwijzingen bestaan dat deze is of wordt bewerkstelligd met de bedoeling nadeel te berokkenen aan de schuldeisers. In dat geval kan het tijdstip van de staking van betaling worden vastgesteld op de dag van het ontbindingsbesluit.” Onder de gelding van de oude Faillissementswet van 18 april 1851 kon blijkens artikel 442, derde lid, het tijdstip van staking van betaling nooit worden bepaald op een tijdstip dat het vonnis van faillietverklaring meer dan zes maanden voorafging. De wetgever heeft tijdens de parlementaire voorbereiding tot de faillissementswet van 1997 ingezien dat deze regel tot onwenselijk resultaat kon leiden, bijvoorbeeld in geval van een eerdere in vereffeningstelling met als doel de faillietverklaring zo lang mogelijk in de tijd uit te stellen zodat de regels inzake niet-tegenwerpelijkheid voorzien in de toenmalige artikelen 445, 446 en 447 geen toepassing konden vinden en verdachte handelingen in die vereffening veilig konden gesteld worden. De uitzondering voor de vennootschappen in vereffening werd ingevoerd ten gevolge amendement 40 dat werd gemotiveerd als volgt: “Dit amendement breidt de verdachte periode, ingeval het een faillissement betreft van een vennootschap in vereffening, uit. Twijfelachtige vereffeningen zijn vaak het voorgeborchte van een uiteindelijke faillissementsprocedure. Het spreekt voor zich dat in deze gevallen de voorgaande vereffeningsactiviteiten veelal leidden tot vervreemdingen ten koste van de schuldeisers en van de latere faillissementsboedel. Om de recuperatie van dergelijke nadelige vervreemdingen te vergemakkelijken kan de verdachte periode worden uitgebreid tot voorbij het bepaalde maximum van zes maanden. Derwijze zouden de in de wet bepaalde niet-tegenwerpbaarheden kunnen worden ingeroepen zelfs indien de datum van de staking van betaling zich verder uitstrekt dan de voorgeschreven tijdlimiet, zonder dat (overeenkomstig artikel 18) noodzakelijk een bedrieglijk inzicht of derde-medeplichtigheid dient te worden aangetoond.” (Parl.St. Kamer nr. 330/7, 6-7). En nadien werd naar aanleiding van amendement 128 toegevoegd dat de vereffening werd of wordt bewerkstelligd met de bedoeling om nadeel te berokkenen aan de schuldeisers, met volgende motivering: “Dit amendement beperkt de uitbreiding van de verdachte periode tot enkel die gevallen waar een frauduleuze vereffening het faillissement is voorafgegaan. Indien inderdaad het tijdstip van de staking van betaling kan worden vastgesteld op meer dan zes maanden voor elke vereffening, zal in de toekomst boven alle vereffeningen de dreiging hangen dat bepaalde handelingen niet-tegenwerpbaar worden verklaard. Minnelijke vereffeningen zullen derwijze aanzienlijk moeilijker verlopen, terwijl de ratio legis van het ingediende amendement 40 nu net beperkt was tot de bestrijding van frauduleuze vereffeningen. Dit amendement vereist bijgevolg uitdrukkelijk dat deze bedoeling om de schuldeisers te benadelen moet vaststaan” (Parl.St. Kamer 1995-96, nr. 330/13, 1-2). In het verslag Vandeurzen wordt dit onderwerp in het kader van de aan te nemen Faillissementswet ook besproken: “Twijfelachtige vereffeningen zijn vaak het voorgeborchte van een uiteindelijke faillissementsprocedure. Het spreekt voor zich dat in deze gevallen de voorgaande vereffeningsactiviteiten veelal leiden tot vervreemdingen ten koste van de schuldeisers en van de latere faillissementsboedel. Om de recuperatie van dergelijke nadelige vervreemdingen te vergemakkelijken kan de verdachte periode worden uitgebreid tot voorbij het bepaalde maximum van zes maanden. Zo zouden de in de wet bepaalde niet-tegenwerpbaarheden kunnen worden ingeroepen zelfs indien de datum van de staking van betaling zich verder uitstrekt dan de voorgeschreven tijdslimiet, zonder dat noodzakelijk een bedrieglijk opzet of derde-medeplichtigheid dient te worden aangetoond. Deze uitbreiding lijkt trouwens aan te sluiten bij de evolutie in de rechtspraak waarbij de in artikel 442 van de faillissementswet bepaalde termijn niet wordt toegepast op de ontbonden vennootschap waarvan de vereffening nog niet werd afgesloten” (Parl.St. Kamer 1995-96, nr. 329/17, 35) . 6.5.2. De “rechtspraak” naar dewelke werd verwezen in voormeld verslag, betreft een cassatie-arrest van 17 juni 1994 waarin werd geoordeeld dat
  10. i)het verbod een handelaar meer dan zes maanden na de stopzetting van zijn handel failliet te verklaren niet van toepassing is op een ontbonden handelsvennootschap waarvan de vereffening nog niet is afgesloten en
  11. ii)dat het louter feit dat een vennootschap in vereffening werd gesteld, niet verhindert dat de ontbonden vennootschap kan failliet verklaard worden als aan de faillissementsvoorwaarden zijn voldaan (Cass. 17 juni 1994, C.93.0503.N ECLI:BE:CASS:1994:ARR.19940617.10). Advocaat-Generaal Bresseleers stelt in zijn advies, met verwijzing naar een eerder advies bij een cassatie-arrest van 5 mei 1911: “het uitsluiten van de mogelijkheid om een handelsvennootschap in vereffening failliet te verklaren, een overwinning van de wetsontduiking zou betekenen, omdat duistere praktijken en vennootschappen aldus onttrokken zouden blijven aan de onafhankelijke nieuwsgierigheid van curators en rechters-commissarissen”. De rechtbank merkt op dat het Hof van Cassatie in het arrest van 17 juni 1994 geen uitspraak heeft gedaan inzake de voorwaarden tot het vervroegen van de datum van staking van betaling in geval van een ontbonden vennootschap. . 6.5.3. In een arrest van 6 maart 2003 werd door het Hof van Cassatie geoordeeld dat ondanks de in vereffeningstelling de faillissementsrechter kan vaststellen dat de voorwaarde van geschokt krediet niet is voldaan. De appelrechter die oordeelt dat “het krediet niet aan het wankelen is, ‘wanneer de ontbinding zonder bedrog heeft plaatsgevonden en in goede omstandigheden verloopt tot voldoening van de schuldeisers of van een aanzienlijke meerderheid van hen, wanneer hun toestemming niet verkregen is via een onvolledige of verkeerde informatie wanneer de ontbinding zonder bedrog heeft plaatsgevonden en in goede omstandigheden verloopt tot voldoening van de schuldeisers of van een aanzienlijke meerderheid van hen, wanneer hun toestemming niet verkregen is via een onvolledige of verkeerde informatie'” schendt de wet niet (Cass. 6 maart 2003, C. 010598.F). De rechtbank merkt op dat het Hof van Cassatie in het arrest van 6 maart 2003 heeft geoordeeld over een vereffening die “zonder bedrog heeft plaatsgevonden” en waarbij er geen sprake is van “onvolledige of verkeerde informatie”. Een feitelijke vereffening met het doel nadeel te berokkenen aan de schuldeisers wordt hieronder niet begrepen. In de zaak onderliggend aan het arrest van 6 maart 2023, lag geen rechtsvraag voor met betrekking tot het vervroegen van de datum van staking van betaling. . 6.5.4. In een arrest van 18 februari 2005 werd door het Hof van Cassatie geoordeeld dat in geval een vennootschap reeds in vereffening werd gesteld “de beoordeling van de toestand van de onderneming op een specifieke wijze moet worden gedaan” dit gelet op de omstandigheid dat er “reeds een samenloop is ontstaan met de eruit volgende beperkingen aan de vrijheid van de bestuurders nog onbegrensd te betalen of krediet op te nemen”. De appelrechter die stelt dat “de voorwaarden van staking van betaling en geschokt zijn van het krediet bij een vennootschap in vereffening niet specifiek mogen worden beoordeeld in het licht van de taak van de vereffenaar”, schendt de wet (Cass. 18 februari 2005, C.03.0508.N ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050218.2). In die zaak lag geen rechtsvraag voor met betrekking tot het vervroegen van de datum van staking van betaling. Bovendien handelde de casus over een vennootschap die formeel in vereffening was gesteld. . 6.5.5. De zaak ‘Top Star International’, die aanleiding heeft gegeven tot de cassatie-arresten van 19 januari 2006 en 1 oktober 2009, had wel betrekking op een procedure tot het vervroegen van de datum van staking van betaling. In die zaak had het Hof van Cassatie de gelegenheid om de toepassingsvoorwaarden van artikel 12, 6de lid FW (thans XX.105, 6de lid WER) scherp te stellen, doch is daar slechts deels toegekomen. In de zaak ‘Top Star International’ werd een feitelijk vereffeningsbesluit vastgesteld op 1 januari 1997. Enkele maanden eerder was het integraal handelsfonds overgedragen aan een derde. Alle liquide middelen werden uitgekeerd aan de aandeelhouders; er was geen activiteit meer. Dit alles gebeurde zonder een formeel ontbindingsbesluit én zonder fiscaal af te rekenen inzake o.a. meerwaardebelasting en roerende voorheffing. Jaren later worden fiscale aanslagen van ambtswege gevestigd die niet kunnen betaald worden, waarna de NV Top Star International op 18 juli 2002 wordt failliet verklaard. Er zijn geen activa. De fiscale administratie wil de datum van staking van betaling in rechte laten vervroegen naar 1 januari 1997. Het hof van beroep van Antwerpen weigert in zijn arrest van 8 april 2004 de gevraagde vervroeging om reden dat “voor de toepassing van art. 12 Faill. W. een formele ontbinding van de vennootschap vereist [is], hetzij bij beslissing van de algemene vergadering van de aandeelhouders, hetzij langs gerechtelijke weg op initiatief van een schuldeiser of van het openbaar ministerie”. Het Hof van Cassatie verbreekt en oordeelt in het arrest van 19 januari 2006 dat artikel 12, 6de lid FW ook van toepassing is wanneer het vennootschapsvermogen wordt vereffend zonder dat daartoe door de vennoten een formele beslissing tot ontbinding van de vennootschap werd genomen. In dat geval kan de datum van opgehouden te betalen, worden vastgesteld op dat tijdstip (Cass. 19 januari 2006, C.04.0446.N ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060119.4). Dit arrest houdt de bevestiging in dat ook in geval van een feitelijke vereffening, de rechtbank de datum van staking van betaling kan terugplaatsen op de datum van het feitelijk ontbindingsbesluit op basis van artikel 12, 6de lid FW (thans artikel XX.105, 6de lid WER). Het hof van beroep te Brussel oordeelt na verzending opnieuw en stelt in zijn arrest van 18 september 2007 dat enkel moet nagegaan worden of er sprake is van een feitelijke vereffening die is of wordt uitgevoerd met de bedoeling nadeel te berokkenen aan de schuldeisers. Het hof is van oordeel dat dit het geval is en plaatst de datum van staking van betaling op 1 januari 1997 (HvB Brussel 18 september 2007, TBH 2008/10, p. 879). Dat het hof daarnaast ook nog zou moeten nagaan of de (schijnbaar) onderscheiden faillissementsvoorwaarden waren vervuld op 1 januari 1997 wijst het hof van beroep Brussel uitdrukkelijk af. Het verweer dat de fiscale schulden nog niet opeisbaar waren op 1 januari 1997 en er dus op dat ogenblik nog geen staking van betaling kon zijn, acht het hof niet relevant. Voor vereffeningen bewerkstelligd met het doel nadeel te berokkenen aan de schuldeisers “geldt een uitzonderingsregel op de algemene bepalingen van staking van betaling.” Het hof van beroep te Brussel besluit zijn arrest van 18 september 2007 met: “Indien er indicaties zijn van het voornemen de schuldeisers te benadelen, houdt dit precies in dat door de vereffening beoogd wordt dat de schuldeisers of bepaalde onder hen niet zullen worden betaald. Van enig vertrouwen in hoofde van de schuldeisers in de vereffening kan dan ook geen sprake zijn. De vrijwillig tussenkomende partijen kunnen moeilijk voorhouden dat de nv Top Star International nog het vertrouwen van de fiscus genoot, wanneer er aanwijzingen zijn dat met de vereffening de bedoeling voorlag de fiscus te verhinderen nog enige belastingschuld te kunnen innen.” Tegen dit arrest van het hof van beroep te Brussel wordt opnieuw cassatieberoep aangetekend. Als tweede onderdeel van het cassatiemiddel voeren eisers in cassatie aan dat het hof van beroep de wet heeft geschonden door enkel vast te stellen dat er sprake is van een feitelijke vereffening en dat de in vereffeningstelling zou zijn gebeurd met de bedoeling om de schuldeisers te benadelen. Voor eisers volstaat dit niet. Eisers motiveren dat lid 2 en lid 6 van artikel 12 FW samen dienen te worden gelezen en dat de rechter nog steeds – ook in de gevallen van zulke vereffeningen – de datum van staking van betaling enkel kan vervroegen naar een welbepaalde tijdstip waarop vastgesteld wordt dat de gefailleerde zijn betalingen op duurzame wijze heeft gestaakt en het vertrouwen van de schuldeisers wankelde. Bij arrest van 1 oktober 2009 heeft het Hof van Cassatie het voormeld arrest van het hof van beroep te Brussel verbroken, doch weliswaar op andere gronden. Het onderdeel dat het voorgehouden gebrek aan afzonderlijke beoordeling van de faillissementsvoorwaarden bekritiseert, werd niet beoordeeld (Cass. 1 oktober 2009, C.07.0625.N ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20091001.7/1.). . 6.5.6. Bij arrest van 5 juni 2020 heeft het Hof van Cassatie geoordeeld dat een in vereffening gestelde vennootschap krediet blijft genieten wanneer haar schuldeisers hun vertrouwen in die beslissing en in het verloop van de vereffeningsprocedure behouden, voor zover dat vertrouwen op regelmatige en transparante wijze is verkregen. Hieruit volgt dat de vennootschap die met miskenning van de rechten van de schuldeisers of in hun nadeel ontbonden wordt, waardoor ze zich kan onttrekken aan de bijzondere verantwoordelijkheden eigen aan de staat van faillissement of aan het in vraag stellen van handelingen die in de verdachte periode zijn verricht, niet langer het vertrouwen van de schuldeisers geniet, zelfs als zij hun wantrouwen niet zouden hebben laten blijken (Cass. 5 juni 2020, C.19.0550.F ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200605.1F.3). Door vast te stellen dat het vertrouwen van de schuldeisers fictief was, heeft de appelrechter naar recht wettig kunnen beslissen dat het krediet van vennootschap in vereffening geschokt was en dat, bijgevolg, de voorwaarden voor het faillissement vervuld waren. . 6.5.7. Volgens artikel XX.99, 1ste lid, WER bevindt de schuldenaar die op duurzame wijze heeft opgehouden te betalen en van wie het krediet geschokt is, zich in staat van faillissement. De duurzame staking van betaling en het geschokte krediet zijn met elkaar verbonden; de schuldenaar wordt maar geacht in staking van betaling te verkeren wanneer hij geen krediet meer ontvangt of zichzelf een kunstmatig krediet verstrekt (Cass. 5 juni 2020, C.19.0550.F ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200605.1F.3). De faillissementsvoorwaarden zijn vervuld wanneer een onderneming haar eisbare schulden niet betaalt of waarvan vaststaat dat zij haar schulden op korte termijn niet zal kunnen voldoen, omdat zij niet in staat is bij gebrek aan eigen middelen of krediet haar verbintenissen na te leven (Cass. 18 februari 2005, C.03.0508.N ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050218.2). Het op duurzame wijze hebben opgehouden te betalen vereist niet dat de staking van betaling totaal is (Cass. 13 maart 2012, P.11.1426.N ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20120313.5). Ook indien bepaalde schuldeisers worden betaald, kan gelet op omstandigheden staking van betaling vastgesteld worden (Cass. 5 december 2000, P.99.0203.N ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20001205.4). In beginsel is het onverschillig te weten welke middelen de onderneming aanwendt om haar krediet te handhaven, echter die middelen mogen niet kunstmatig, ongeoorloofd of bedrieglijk zijn (Cass. 17 september 1996, Arr.Cass. 1996, 763). . 6.5.8. De “staat van faillissement” is een dynamisch begrip dat in beginsel wordt beoordeeld vanuit een continuïteitsperspectief waarbij de vraag centraal staat of de onderneming haar eisbare schulden kan betalen en haar verbintenissen kan naleven op een voor het handelsverkeer aanvaardbare termijn en wijze, dit met eigen middelen of op basis van krediet, die niet kunstmatig, ongeoorloofd of bedrieglijk mogen zijn. Bij de beoordeling van de “staat van faillissement” van een vennootschap in vereffening – en er dus geen continuïteitsperspectief meer aanwezig is – wijzigt die centrale vraag in wezen niet. Met dien verstande dat rekening moet gehouden worden met de beperkingen aan de vrijheid van de ontbonden vennootschap om nog onbegrensd te betalen of krediet op te nemen, gelet op de samenloop en de finaliteit van de ontbinding. Staking van betaling in hoofde van een ontbonden vennootschap staat vast wanneer de vereffening deficitair is (vgl. HvB Gent 26 april 2004, TBH 2005, 276, overweging 2.1.2). De schulden kunnen en zullen niet meer betaald worden. De staking van betaling is duurzaam gezien er geen continuïteitsperspectief is. Ook bij een feitelijke vereffening is dit het geval, gezien er dient te worden beoordeeld vanuit een discontinuïteitopzet waarvan enkel de insiders op de hoogte zijn. Enkel de insiders – en in het bijzonder de feitelijke vereffenaar – weten op dat ogenblik dat het verhaal eindig zal zijn en zal eindigen met een tekort. Er is sprake van geschokt krediet wanneer de vennootschap in vereffening met miskenning van de rechten van de schuldeisers of in hun nadeel ontbonden wordt, waardoor ze zich kan onttrekken aan de bijzondere verantwoordelijkheden eigen aan de staat van faillissement of aan het in vraag stellen van handelingen die in de verdachte periode zijn verricht, zelfs als de schuldeiser hun wantrouwen niet laten blijken. . 6.6. Gelet op wat hierboven in randnummers 6.5.1 tot en met 6.5.8 is weergegeven, volgt dat de loutere vaststelling dat aan de voorwaarden van XX.105, 6de lid WER is voldaan, volstaat om te besluiten dat de voorwaarden tot het vervroegen van de datum van staking van betaling zijn voldaan. Deze stelling impliceert niet dat het vervuld zijn van de klassieke faillissementsvoorwaarden op de weerhouden (vervroegde) datum niet noodzakelijk zou zijn, maar wel dat het voldoen aan de voorwaarden van XX.105, 6de lid WER op een bepaalde datum nét het bewijs vormt dat de faillissementsvoorwaarden op die datum waren vervuld. De in lid 6 omschreven toestand is in essentie een beschrijving van een faillissementstoestand zoals bedoeld in artikel XX.99 WER. . 6.7. Deze redenering geldt zowel in geval van een formeel ontbindingsbesluit, als in geval van een feitelijke vereffening: . 6.7.1. Met betrekking tot de formele ontbinding met reguliere vereffening in de context van lid 6 van artikel XX.105 WER: Wanneer een vennootschap formeel werd ontbonden, moet de toestand van de onderneming op een specifieke wijze beoordeeld worden gelet op de omstandigheid dat er reeds een samenloop is ontstaan en de vereffenaar beperkte vrijheid tot betalen heeft (Cass. 18 februari 2005, C.03.0508.N ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050218.2). Als het een deficitaire vereffening betreft, staat staking van betaling vast; niet alles zal kunnen betaald worden. Of er in dat geval sprake is van een faillissementstoestand, zal aldus afhangen van het vertrouwen dat de schuldeisers in de vereffening hebben. Vertrouwen dat op regelmatige en transparante wijze moet verkregen zijn. Als door de rechtbank vastgesteld wordt dat de vennootschap met miskenning van de rechten van de schuldeisers of in hun nadeel ontbonden werd, volgt hieruit meteen dat de ontbonden vennootschap niet langer het vertrouwen van de schuldeisers geniet, dat het krediet geschokt is en wordt de ontbonden vennootschap geacht in staking van betaling te verkeren. Ook al hebben de schuldeisers hun wantrouwen niet laten blijken (Cass. 5 juni 2020, C.19.0550.F ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200605.1F.3). De voorwaarden omschreven in lid 6 zeggen op dit punt niets anders. Een vennootschap “met miskenning van de rechten van de schuldeisers of in hun nadeel ontbinden” (Cass. 5 juni 2020) is niets anders dan een ontbinding hebben ”bewerkstelligd met de bedoeling nadeel te berokkenen aan de schuldeisers” (art XX.105 lid 6 WER). Lid 6 omschrijft aldus enkel maar een toestand van “geschokt krediet”. . 6.7.2. Met betrekking tot de feitelijke vereffening zonder formeel ontbindingsbesluit in de context van lid 6 van artikel XX.105 WER: Wanneer een vennootschap niet formeel wordt ontbonden maar wel feitelijk tot vereffening overgaat, lijkt de situatie op het eerste gezicht anders. In dat geval verricht de schuldenaar immers nog betalingen, zodat zou kunnen worden aangevoerd dat hij niet duurzaam heeft opgehouden te betalen. Er is geen formele samenloop en er is geen vereffenaar wiens betalingsbevoegdheid door de wet wordt begrensd. Tijdens een feitelijke vereffening worden juist wél betalingen verricht, en precies die betalingen veroorzaken het nadeel. Echter, dat er betalingen worden uitgevoerd tijdens “een feitelijke vereffening die is of wordt bewerkstelligd met de bedoeling nadeel te berokkenen aan de schuldeisers”, is niet relevant. Dit om reden dat de middelen die gebruikt worden om te (kunnen) betalen opzettelijk op een foutieve wijze zijn genegeerd en dit met de bedoeling schuldeisers te benadelen. Een ontbinding zonder beslissing van de algemene vergadering, evenals een vereffening met uitkeringen in strijd met de wettelijke regels, vormen een fout. Zonder deze opzettelijke fout zouden die betalingen niet mogelijk zijn geweest. Een schuldenaar die enkel kan betalen dankzij zijn foutief handelen en gebruik makend van een fictief krediet, bevindt zich evenzeer in een toestand van faillissement. Anders oordelen zou impliceren dat een insolvente schuldenaar zich door doelbewuste kunstgrepen kan onttrekken aan de gevolgen van de verdachte periode, wat net in strijd is met het principe fraus omnia corrumpit dat dient om rangdoorbreking en onrechtmatig handelen te ondervangen. Door vast te stellen onder lid 6 dat er nadeel aan schuldeisers wordt berokkend, stelt de rechtbank ook meteen het deficitair karakter van de vereffening vast. Er kan enkel “nadeel aan schuldeisers” berokkend worden, als de vereffening deficitair is. Immers, als elke schuld betaald wordt, zijn er finaal geen schuldeisers en kan er ook geen sprake zijn van benadeling ervan. Wanneer de aangevatte feitelijke vereffening deficitair is, staat staking van betaling vast; en als er geopteerd werd om feitelijk te vereffenen met het doel te benadelen, is er geen sprake van oprecht vertrouwen en is het krediet geschokt. Opnieuw dringt het besluit zich dan op dat de faillissementsvoorwaarden in dat geval voldaan zijn. De in lid 6 vast te stellen “aanwijzingen” hebben wel degelijk betrekking op de “bedoeling om te benadelen” en niet op het loutere feit dat het deficitair zal zijn en er dus schuldeisers zullen zijn. . 6.8. De enige toegevoegde waarde van lid 6 is dat in geval de faillissementstoestand wordt vastgesteld aan de hand van een ontbinding met bedoeling nadeel te berokkenen aan de schuldeisers, de “verdachte periode” kan uitgebreid worden met méér dan 6 maanden. Dit in tegenstelling tot andere gevallen waar evenzeer de virtuele faillissementstoestand vroeger dan 6 maanden kan vastgesteld worden, doch weliswaar op basis van andere elementen. Er zijn situaties denkbaar waar er geen discussie mogelijk is dat de faillissementsvoorwaarden eerder vervuld waren, maar waarbij toch de verdachte periode niet kan uitgebreid worden met meer dan 6 maanden omdat er geen ontbinding of feitelijke vereffening kon vastgesteld worden. De wetgever heeft enkel die mogelijkheid gelaten voor ontbindingen en vereffeningen waarvoor aanwijzingen bestaan dat deze zijn of worden bewerkstelligd met de bedoeling nadeel te berokkenen aan de schuldeisers. . 6.9. Het tegenargument dat een onderneming kan “anticiperen” op het vervuld zijn van de faillissementsvoorwaarden en vroeger in vereffening kan gaan ook al zijn de faillissementsvoorwaarden op dat ogenblik niet voldaan, is naast de kwestie en voegt niets toe aan het debat. Als een rechtbank vaststelt dat de “anticipatieve ontbinding“ is gebeurd met miskenning van de rechten van de schuldeisers of in hun nadeel, dan is dat meteen de vaststelling van geschokt krediet in hoofde van een vennootschap in vereffening die niet kan en mag betalen (Cass. 5 juni 2020, C.19.0550.F ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200605.1F.3). Het “anticipatief” karakter kan wel een bewijs vormen voor de “bedoeling tot benadelen”. Zoals in de hierboven omschreven zaak ‘Top Star International’, is het mogelijk dat de schuldenaar die wist of behoorde te weten dat er nog fiscale aanslagen zouden komen die niet kunnen betaald worden, daarop “anticipeert” met een feitelijke vereffening. Om de redenen hierboven uiteengezet zal ook in dat geval aan de faillissementsvoorwaarden op het ogenblik van het feitelijke ontbindingsbesluit voldaan zijn, net omdat de schuldenaar niet meer redeneert vanuit een continuïteitsbenadering en zich bewust is van een onvermijdelijk deficit op het einde van de rit. Of die fiscale aanslag dan reeds gevestigd is of niet, doet dan niet ter zake. Zodra de schuldenaar bewust vanuit een discontinuïteitsscenario handelt, moeten de faillissementsvoorwaarden eveneens vanuit die feitelijke – maar verhulde – discontinuïteit worden beoordeeld. De beoordeling moet gebeuren op basis van de werkelijke situatie, niet op basis van een door de schuldenaar kunstmatig gecreëerde toestand om redenen die hem eigen zijn. De faillissementstoestand beschreven in lid 6 van artikel XX.105 WER is een situatie van “Überschuldung” (overmatige schuldenlast) waarbij geen “Fortführung” (voorzetting) van de onderneming wordt beoogd, met die bijkomstigheid dat er een bedoeling is te benadelen. . VI.B. Concrete toepassing . 6.10. Rekening houdend met bovenstaande principes is de rechtbank van oordeel dat de voorwaarden van artikel XX.105, lid 6 WER vervuld zijn. Het staat vast dat de NV [ABC HOLDING] feitelijk werd vereffend vanaf 4 maart 2024 en er zijn aanwijzingen dat tot deze beslissing werd overgegaan met de bedoeling om de schuldeisers schade toe te brengen. De datum van staking van betaling dient derhalve te worden teruggesteld naar 4 maart 2024. . 6.11. Voor de rechtbank staat vast dat de bestuurders van de [ABC]-groep op 4 maart 2024 kennis hadden van de onafwendbaarheid van een faillissement en dat alle handelingen die nadien werden gesteld, in dat licht moeten worden beoordeeld. De beslissingen die op 4 maart 2024 door de algemene vergadering werden genomen, vormden het aanvangspunt van een feitelijke vereffening waarvan verweerster en haar bestuurders-aandeelhouders op dat ogenblik wisten dat zij onvermijdelijk met een tekort zou eindigen. De maatregelen die vanaf die datum werden genomen, missen elke rationele economische onderbouw en kunnen slechts worden begrepen tegen de achtergrond van de wetenschap, in hoofde van de bestuurders, dat faillietverklaring onafwendbaar was. Dat er vanaf 4 maart 2024 sprake is van een feitelijke vereffening met de bedoeling de schuldeisers te benadelen blijkt uit een geheel van samenhangende feiten: . 6.11.1. Hoewel verweerster dat schijnbaar niet zo ziet, beschrijft de voorafgaandelijke uiteenzetting door de heer [ANOM] in de notulen van 4 maart 2024 een faillissementstoestand van de volledige textielgroep. Er zijn niet-betwiste openstaande leveranciers ten belope van 1.250.000,00 EUR en fiscale achterstanden bij de RSZ en BV ten belope van 500.000,00 EUR. Rekening houdend met de de facto uitgestelde vennootschapsbelasting 640.500,00 EUR voor de BV [ABC GROUP], betekent dit vervallen schulden van 2.390.000,00 EUR op 4 maart 2024. Daarbij nog geen rekening houdend met het te vervallen kaskrediet van 750.000,00 EUR bij Belfius en de openstaande rekening-courantschuld van 500.000,00 EUR aan de bestuurders. Dit allemaal terwijl er maar voor 600.000,00 EUR aan vorderingen en liquide middelen waren. En dit terwijl op 4 maart 2024 “de Voorzitter erkent dat het op heden onmogelijk is om financiering op te halen bij partijen (noch bij bank, noch bij investeerders). Dit ten gevolge van de financiële toestand waarin de Vennootschap zich bevindt.” De enige manier om de faillietverklaring in de tijd (voor korte tijd) uit te stellen, is dan het verkopen van alle activa gebleken. Een verkoop waarbij alles werd verkocht aan de (
  12. ex)bestuurders en de betaling deels geschiedde door middel van compensatie van de bestaande rekeningen-courant. Doch ook na de verkoop van alle activa, bestond er nog steeds een onoverbrugbaar deficit én was reeds vastgesteld dat extern krediet niet meer realistisch is. Zelfs abstractie makend van alle begeleidende omstandigheden, kan louter op basis van deze vaststellingen – zoals uiteengezet door de heer [ANOM] op de algemene vergadering van 4 maart 2024 - reeds besloten worden dat op 4 maart 2024 aan de faillissementsvoorwaarden voor de ganse groep reeds was voldaan. 6.11.2. Het verkopen van elk mogelijk materieel actiefbestanddeel op 19 maart 2024 is in deze concrete casus te aanzien als een feitelijke vereffening. Een ontbinding waartoe op 4 maart 2025 beslist werd. Zoals blijkt uit de uitgebreide opsomming van goederen opgenomen in de sale and lease back overeenkomst werden alle goederen verkocht “tot de laatste paperclip”. Ook de zes voertuigen van de NV [ABC HOLDING] werden verkocht op 19 maart 2024. Na deze transactie was de NV [ABC HOLDING] ontdaan van elk actief. Op het ogenblik van het aangaan van de sale-and-lease-back-overeenkomst wist verweerster dat de textielgroep zoals die toen bestond niet meer te redden was. Dit besef was er niet pas 21 mei 2024, zoals verweerster voorhoudt. De problemen naar dewelke verweerster verwijst, bestonden in realiteit al vóór maart 2024. 6.11.3. De rechtbank merkt op dat [SM] BV, vast vertegenwoordigd door de heer [P] - die sinds 28 juli 2022 bestuurder was van NV [ABC HOLDING] – op eigen initiatief is overgegaan tot publicatie van haar ontslag in de bijlagen van het Belgisch Staatsblad op 15 februari 2024 met de tekst “aangezien de vennootschap [ABC HOLDING] in gebreke blijft ontslag gegeven bij ontslagbrief d.d. 23 oktober 2023 te publiceren”. De publicatie van het ontslag is blijkbaar nodig 17 dagen voor de vergadering waarop wordt beslist het volledige actief van de NV [ABC HOLDING] te verkopen aan onder meer een andere vennootschap van de heer [P], zijnde [RETAIL INVEST] NV met als bestuurder [SM] BV. De heer [P] die professioneel investeerder is inzake privaat vermogen (private equity), weet zeer goed waarom hij op eigen initiatief zijn ontslag als bestuurder noodzakelijkerwijs publiceert vóór de aanvang van de algemene vergadering van 4 maart 2024 waarop de heer [ANOM] als voorzitter een faillissementstoestand van de gehele groep zal beschrijven en waarop de “sale-and-lease-back piste” zal worden voorgesteld. Dit moet samen gelezen worden met het feit dat [SM] BV, op 22 februari 2024 eveneens haar ontslag in de BV [ABC GROUP] laat publiceren, zijnde opnieuw 17 dagen vóór dat de heer [ANOM] en zijn echtgenote alle vennootschappen medehuurder of borg zal maken tegenover [ABC IMMO] NV. De vaststelling dringt zich aldus op dat net vóór 4 maar 2024 – zijnde de datum die de rechtbank weerhoudt als datum van staking van betaling – de investeerder inzake private equity zich had teruggetrokken uit alle bestuursmandaten van de operationele vennootschappen, behalve de immobiliënvennootschap die niet bedreigd was. Vanaf dat moment werd een recuperatiestrategie ingezet, waarbij de heer [ANOM] genoodzaakt was te handelen met het oog op het beperken van zijn persoonlijke verbintenissen en schulden voortvloeiend uit dit ondernemingsverhaal. Alle daaropvolgende feitelijkheden dienen binnen dit kader te worden beoordeeld. 6.11.4. De reden waarom door de NV [ABC HOLDING] op 19 maart 2024 werd besloten het volledig machinepark – en eender welk ander materieel actief – over te dragen aan haar eigen aandeelhouders was gelegen in het feit dat die aandeelhouders hun rekening-courant schuld buiten elke samenloop wensten te recupereren én zelf de machines wensten te verkopen zonder tussenkomst van een curator, om redenen die hun eigen zijn. Verweerster schijnt eraan voorbij te gaan dat het louter feit dat de koopsom werd voldaan door compensatie van een rekening-courant, impliceert dat die rekening-couranten opeisbaar werden gesteld door de aandeelhouders. Met andere woorden, de verkoop aan de aandeelhouders door middel van compensatie toont net aan dat ook de aandeelhouders niet langer krediet wensten te verschaffen en onmiddellijk wensten betaald te worden, desnoods met inbetalinggeving van materieel actief. 6.11.5. Ondanks de vele notulen en op bestelling gemaakte financiële studies, dringt de vaststelling zich op dat de bestuurders van de textielgroep vanaf 4 maart 2024 doelbewuste stappen hebben gezet om alle vennootschappen juridisch te ontdoen van hun actief met de enkele bedoeling zichzelf te bevoordelen en de schuldeisers te benadelen. Enerzijds werden op 19 maart 2024 alle activa van de NV [ABC HOLDING] aan de bestuurders overgedragen. Anderzijds werden op 2 mei 2024 pandrechten gevestigd ten gunste van de patrimoniumvennootschap van de bestuurders op de volledige voorraad en alle vorderingen van de BV [ABC GROUP]. Door deze gecombineerde verrichtingen werd de textielgroep in feite ontmanteld en werden alle vermogensbestanddelen afgescheiden ten gunste van de bestuurders en hun vennootschappen. Deze constructie had kennelijk tot doel dat, in het vooruitzicht van een latere faillietverklaring, de curator nauwelijks nog activa zou aantreffen binnen de vennootschappen, wat zich ook effectief heeft voorgedaan. Op het ogenblik van faillietverklaring van de groep was het volledige machinepark inmiddels in handen van de (
  13. ex)bestuurders en aandeelhouders, terwijl de patrimoniumvennootschap op basis van haar pandrechten de volledige voorraden en vorderingen kon afscheiden van de failliete boedels. Deze handelingen kaderen in een bewust opgezet feitelijk vereffeningsproces, dat weliswaar formeel werd omkleed met juridische structuren, maar in wezen neerkomt op een onrechtmatige auto-cessie. Te dezen kan ook verwezen worden naar de “herziene huurovereenkomst” die blijkbaar dringend moest afgesloten worden op 12 maart 2014 waarbij de andere groepsvennootschappen retroactief huurder én medeschuldenaar van uiteindelijk 1.031.865,64 EUR werden gemaakt ten aanzien van de patrimoniumvennootschap van de bestuurder. Deze “plotse noodzaak” was uitsluitend ingegeven door de bedoeling [ABC IMMO] — enkele maanden later, bij haar aangifte van schuldvordering — in staat te stellen zich te beroepen op het voorrecht van de onbetaalde verhuurder, hetgeen vervolgens ook effectief is gebeurd. Dit past in de vooraf bepaalde recuperatiestrategie waarbij zoveel mogelijk activawaarde naar de eigen vennootschap kon komen. Die strategie is ontegensprekelijk in werking getreden minstens op 4 maart 2024. 6.11.6. Dat een sale-and-lease-back-operatie op zichzelf, los van enige insolventiecontext, niet noodzakelijk gelijkstaat aan een feitelijke vereffening en kan worden aangemerkt als een legitieme economische en strategische beslissing, is correct. Dit ligt evenwel anders wanneer de bestuurders op het moment van het aangaan van die verrichting reeds wisten, of redelijkerwijze moesten weten, dat een faillietverklaring onafwendbaar was. In dat geval is de gekunstelde sale-and-lease-back-operatie in realiteit enkel een eenvoudige “sale”-operatie (loutere verkoop), wat de bestuurders op voorhand wisten. Het argument dat van enige benadeling geen sprake kan zijn omdat in de sale-and-lease-back-overeenkomst aan de NV [ABC HOLDING] een wederinkoopoptie werd toegekend tegen een prijs van 1.000.000,00 EUR, wordt door de rechtbank niet gevolgd. Deze optie blijkt immers louter schijn, nu contractueel werd bepaald dat zij van rechtswege vervalt bij faillietverklaring en dat de reeds betaalde huurgelden onherroepelijk verworven blijven. Gelet op de kennis van de partijen omtrent de onafwendbaarheid van het faillissement op het ogenblik van het toekennen van de optie, stond meteen vast dat deze optie in de praktijk nooit zou kunnen worden uitgeoefend en derhalve geen reële waarde had. De stelling van verweerster dat zij op 19 maart 2024 niet uitging van een faillissementsscenario, acht de rechtbank niet geloofwaardig. Het valt op dat de heer [ANOM] op de algemene vergadering van 4 maart 2024 met grote stelligheid verklaarde dat een werkkapitaalbehoefte van slechts 500.000,00 EUR volstond. Op basis van die verklaring werd vervolgens de sale-and-lease-back-operatie opgezet, met een betaling van 500.000,00 EUR in cash en een bijkomend bedrag van 500.000,00 EUR via compensatie. Nauwelijks tweeënhalve maand later stelde diezelfde [ANOM] op de algemene vergadering van 21 mei 2024 echter dat bijkomend werkkapitaal van 1 miljoen euro noodzakelijk was, waarbij hij eraan toevoegde dat bij het uitblijven van deze middelen de boeken dienden te worden neergelegd. Enige objectieve analyse van de financiële situatie van de [ABC]-groep per 4 maart 2024, maakt duidelijk dat op dat ogenblik een injectie van 500.000,00 EUR volstrekt ontoereikend was en hoogstens een druppel op een hete plaat kon betekenen. Dit betreft geen hindsight bias, maar een beoordeling die steunt op economisch realisme. De stelling dat dit inzicht pas op 21 mei 2024 zou zijn ontstaan, mist elke geloofwaardigheid. Veeleer moet worden vastgesteld dat het bedrag van 500.000,00 EUR op 4 maart 2024 louter naar voren werd geschoven — overigens zonder enige cijfermatige onderbouwing — omdat dit bedrag precies overeenstemde met het verschil tussen enerzijds de openstaande en te compenseren rekening-courantschuld van de bestuurders en anderzijds hun eigen inschatting van de waarde van het machinepark. De zogenaamd “noodzakelijke” 500.000,00 EUR hield aldus geen enkel verband met de werkelijke liquiditeitsbehoefte van de groep, maar diende uitsluitend ter verantwoording van de gekozen constructie. 6.11.7. Geheel in lijn met het voorgaande, stelt de rechtbank vast dat de NV [ABC HOLDING] op 3 mei 2024 – zonder dat hiertoe enige noodzaak of enige economische verantwoording bestond – zich borg heeft gesteld voor historische huurschulden van andere vennootschappen ten aanzien van [ABC IMMO] NV voor een bedrag van meer dan 1.000.000,00 EUR. De enige reden waarom dit “plots” na zovele jaren van opeenstapeling van huurschulden moest gebeuren, is gelegen in het feit dat de (aandeelhouders van
  14. de)bestuurders van de NV [ABC HOLDING] eveneens aandeelhouder zijn van de NV [ABC IMMO] en in het licht van de nakende insolventie zij zoveel mogelijk bijkomend onderpand wensten met het oog op recuperatie door de NV [ABC IMMO]. Verweerster verantwoordt deze borgstelling door te verwijzen naar het “aandringen van de verhuurder [ABC IMMO]” tot deze borgstelling. Dit is gekunsteld. De bestuurders en aandeelhouders van de NV [ABC IMMO] zijn in essentie dezelfde dan die van de NV [ABC HOLDING]. Het bij “zichzelf aandringen” verschaft geen alibi voor zulke transacties. Het is overigens opmerkelijk dat verweerster in conclusie over de atypische aanpassingen van de huurovereenkomsten doorgevoerd op 12 maart 2024 en op 3 mei 2024 stelt dat “de administratieve aanpassing eigenlijk al langer had moeten plaatsvinden maar bleef uit wegens andere prioriteiten”. De onnodige vraag kan worden gesteld waarom dit dan plots wel “prioriteit” wordt vanaf maart en mei 2024, met name enkele weken voor de aangifte van staking van betaling. De plotse prioriteit is evident gelegen in de wetenschap dat insolventie onafwendbaar is. Te dezen kan ook worden verwezen naar het op 2 mei 2024 door de BV [ABC GROUP] toegestane “pand op ondernemingsgoederen in de ruimste zin waaronder voorraden en handelsvorderingen” aan de NV [ABC IMMO] voor een bedrag van 1.691.867,09 EUR. Dit betreft een huurschuld die ettelijke jaren is opgelopen en toevallig minder dan 2 maanden voor faillietverklaring moeten hiervoor bijkomende pandrechten worden voorzien. 6.11.8. De benadeling van de schuldeisers van de NV [ABC HOLDING] volgt uit het feit dat door de feitelijke vereffening minstens 500.000,00 EUR door compensatie werd betaald aan schuldeisers (zijnde de bestuurders) die vòòr 4 maart 2025 geen voorrechten of zekerheden hadden. Terzijde kan gesteld worden dat ook de schuldeisers van de zustervennootschap BV [ABC GROUP] werden benadeeld door de feitelijke vereffening en de stappen die hierin gezet werden. Door het op het laatste moment verleende pandrecht ten gunste van de NV [ABC IMMO] konden de voorraden immers aan de failliete boedel van de BV [ABC GROUP] worden onttrokken. Het voorlopige nettopassief van de NV [ABC HOLDING] kan geraamd worden op ongeveer 4 miljoen euro. Van dit tekort waren de bestuurders twee maanden voorafgaand aan de faling niet onwetend. 6.11.9. Om de oprechtheid en het realistisch karakter van de continuïteitsvooruitzichten per 4 maart 2024 adequaat te kunnen beoordelen met betrekking tot de gehele [ABC]-textielgroep, moet ook de situatie van de andere vennootschappen binnen de groep worden meegewogen, minstens wat betreft de belangrijkste productievennootschap [ABC GROUP] BV. Voor de BV [ABC GROUP] blijkt uit de stukken: - dat het netto passief van de BV [ABC GROUP] kan geraamd worden op ongeveer 6 miljoen euro; - dat sinds 1 maart 2024 de bestaande afbetalingsplannen inzake bedrijfsvoorheffing werden gestaakt en de nieuw te vervallen bedrijfsvoorheffing niet meer werd betaald; - dat zij heeft nagelaten voor aanslagjaar 2023 een aangifte vennootschapsbelasting in te dienen per 10 oktober 2023, doch dit pas heeft gedaan op 26 februari 2024; - dat deze laattijdige aangifte vennootschapsbelasting heeft geresulteerd in een aanslag van ambtswege op 24 april 2024 ten belope van 125.939,51 EUR die nadien op 11 oktober 2024 definitief werd begroot op 640.500,00 EUR; - dat er een schuld is ten aanzien van de RSZ ten belope van 208.460,14 EUR. Er werd op 22 maart 2024 een afbetalingsplan bekomen voor kwartaal 4 van 2023, doch kwartaal 1 en 2 van 2024 bleven onbetaald; - dat er verschillende aangiftes van schuldvorderingen betrekking hebben op schulden die vervallen waren per 1 maart 2024 en nog steeds onbetaald waren op datum faillissement 18 juni 2024; - dat eind 2023, begin 2024 een conflict bestond tussen de BV [ABC GROUP] en de vorige eigenaren van de overgenomen dochtervennootschap [ABC TEX], met betrekking tot zogenaamde earn-out (uitbetaling) regeling waarbij in totaal 702.930 EUR wordt gevorderd van de BV [ABC GROUP], waarvoor ook aangifte van schuldvordering werd gedaan; - dat er diverse beslagen werden gelegd door de FOD Financiën op 21 februari 2023, 27 april 2023 en 14 juni 2023; - dat de schuldeiser BV [CP] op 12 december 2023 bevel voorafgaand uitvoerend beslag heeft laten betekenen voor 19.882,34 EUR en op 6 februari 2024 uitvoerend beslag op roerend goed heeft gelegd. 6.11.10. De bewering dat de “de aandeelhouders nog steeds bereid [waren] om bijkomend krediet te verschaffen aan de groep […] in de vorm van een sale-and-lease-back operatie” kan de rechtbank niet volgen. De operatie toont net aan dat zij géén krediet meer wensten te verschaffen. Zij wensten immers onmiddellijke betaling van hun historische rekeningen-courant en wisten dat zij het materieel actief enkele maanden later zelf konden doorverkopen zonder inmenging van een curator. De textielgroep kon geen extern krediet meer verkrijgen, wat gezien de situatie van de groep volstrekt logisch was en ook bevestigd werd door de heer [ANOM]. Dit werd ook vastgesteld op 4 maart 2024. De sale-and-lease-back was in concreto geen kredietverschaffing, doch een middel om schuldeisers te benadelen. Verder is het verwijzen naar kredietverschaffing door groepsvennootschappen die zelf insolvabel zijn, niet ter zake dienend. Er ligt geen enkel bewijs voor dat een onafhankelijke partij nog enig krediet met kennis van zaken heeft verschaft na 1 maart 2024 aan een vennootschap van de textielgroep. In de mate dat het relevant is, heeft Belfius, in tegenstelling tot wat verweerster thans in deze procedure probeert voor te houden, voor de NV [ABC TEX] het vast voorschot (straight loan) van 750.000,00 EUR waarvan de contractuele termijn eindigde op 31 maart 2024, niet verlengd. Belfius stelt in een e-mail van 25 maart 2025 aan eisers q.q. “Bij deze bevestigen wij u dat de eindvervaldag van betreffende straight loan 31/03/2024 was. Wij kunnen een kredietaanvraag dd 02/02/24 terugvinden mbt de verlenging van deze straight loan, dewelke uiteindelijk werd geweigerd. ” Op 21 mei 2024 heeft de heer [ANOM] dit ook bevestigd in het bijzonder verslag van de raad van bestuur in het kader van de alarmbelprocedure: “Daarnaast liet ook Belfiusbank weten dat zij de straight loan niet wenst te verlengen”. De rechtbank merkt op dat de heer [ANOM] in de notulen van de bijzondere algemene vergadering van 4 maart 2024 nog stelt dat met betrekking voormelde straight loan nog een “verlengingsaanvraag ingediend dient te worden. De gesprekken hierrond dienen nog opgestart te worden” terwijl Belfius meedeelt dat reeds op 2 februari 2024 een aanvraag tot kredietverlenging werd ingediend “dewelke uiteindelijk werd geweigerd”. Dat het kredietcontract met de NV [ABC TEX] , dat zou aflopen op 31 maart 2024, niet formeel was opgezegd op 1 maart 2024, is louter te wijten aan enerzijds de contractuele duurtijd en anderzijds omdat Belfius evident niet op de hoogte was van de feitelijke vereffening die werd uitgevoerd met de bedoeling de schuldeisers te benadelen. Het volstaat te verwijzen naar stavingstukken 40.1 en 40.2 uit MAP III van verweerster. Dit zijn mails van de heer [ANOM] gericht aan Belfius van 14 maart en 20 maart 2024 waarin zeer uitgebreid gegoocheld wordt met omzetten, maar waarin de heer [ANOM] toevallig aan zijn bankier vergeet te melden dat het volledig actief zopas werd verkocht aan zichzelf. Dat de bankrekening na afloop van de contractuele duurtijd klaarblijkelijk bij de aanvang van de nieuwe maand automatisch opnieuw tijdelijk werd gedebiteerd, is geen bewijs dat Belfius Bank wetens en willens had beslist om opnieuw krediet te verschaffen, laat staan om bijkomend krediet te verlenen dat voldoende zou zijn de BV [ABC GROUP] toe te laten om haar opeisbare schulden op een voor het handelsverkeer aanvaardbare termijn en wijze te betalen. . 6.12. Op basis van het bovenstaande bestaat er voor de rechtbank geen twijfel dat in hoofde van de NV [ABC HOLDING] de faillissementsvoorwaarden waren vervuld op 4 maart 2024 en dat de datum van staking van betaling tot deze datum dient te worden vervroegd. Ook het bestuur van de NV [ABC HOLDING] wist met zekerheid dat op 4 maart 2024 de onderneming – en bij uitbreiding de gehele groep – reddeloos verloren was. Reden waarom in allerijl nog gepoogd werd om door middel van constructies voor zichzelf te redden wat nog te redden (recupereren) viel. Gezien de samenstelling van de textielgroep en de onderlinge intercompany-vorderingen (intragroep-vorderingen), betekent een faillissement van de ene vennootschap, onmiddellijk het faillissement van de overige. Wat ook is gebleken, weliswaar met als enige uitzondering, de waardevolle immobiliënvennootschap. Dat de NV [ABC HOLDING] na 4 maart 2024 nog betalingen heeft uitgevoerd, doet hieraan geen afbreuk. Een onderneming die zopas haar volledig actief heeft verkocht, kan ongetwijfeld nog betalingen uitvoeren doch is niet ter zake in de beoordeling van artikel XX.105, 6de lid WER. . 6.13. Ten overvloede overweegt de rechtbank nog de overige argumenten van verweerster: 6.13.1. Verweerster verwijst herhaaldelijk naar de talrijke notulen die zij zelf heeft opgesteld in de periode van 4 maart tot en met 10 juni 2024. Hoewel deze notulen uitvoerig melding maken van vermeende “beslissingen” en “besprekingen”, lijken deze eerder te kaderen in het zichzelf verschaffen van een alibi voor handelingen waarvan elke normaal voorzichtige en zorgvuldige bestuurder wist, dan wel behoorde te weten, dat zij ontoelaatbaar waren. Dat de heer [ANOM] in deze notulen zichzelf bevestigt, met zichzelf onderhandelt en zichzelf op de hoogte stelt over zogenaamd “plotse” ontwikkelingen, draagt op geen enkele wijze bij tot de beoordeling van het geschil. Het betreffen hier geen stukken die zijn opgesteld in tempore non suspecto (in onverdachte tijden), maar documenten die zijn opgesteld in de faillissementsrechtelijke verdachte periode. De rechtbank baseert haar beoordeling op de feitelijke realiteit en niet op een geconstrueerde narratief met geënsceneerde “plotse” of “onverwachte” tegenslagen. De textielmarkt is eind april 2024 niet plots of onverwacht veranderd; de structurele moeilijkheden binnen de sector waren reeds op 4 maart 2024 algemeen bekend. Evenmin zijn de talrijke en diverse problemen waarmee de textielgroep werd geconfronteerd pas in april 2024 aan het licht gekomen. Zo bestond het geschil omtrent de prijszetting met [RF] reeds vóór 26 maart 2024, en was ook de discussie over de aanzienlijke earn out-vergoeding in het kader van de NV [ABC TEX] niet pas in april 2024 ontstaan. Het volstaat te verwijzen naar stuk II.2 van verweerster, zijnde het verzoekschrift tot opening van een gerechtelijke reorganisatie voor dochtervennootschap [XZY] van 29 augustus 2023 waarin de problemen van de textielsector in het algemeen en van de [ABC]-textielgroep in het bijzonder worden uiteengezet. De door verweerster voorgelegde persartikels over moeilijkheden in de textielsector en insolventieprocedures bij concurrenten dateren bovendien allen uit 2023 en bevestigen juist dat de malaise in de sector zich niet abrupt of onverwacht in het voorjaar van 2024 heeft gemanifesteerd. Huidige procedure handelt overigens niet over de oorzaken van het faillissement als zodanig. 6.13.2. Verweerster stelt dat de schuldeisers van de NV [ABC HOLDING] niet benadeeld zijn geworden door de sale-and-lease-back-operatie omdat de bestuurders na de faillietverklaring het machinepark “maar” hebben kunnen (door)verkopen voor 527.500,00 EUR, terwijl zij er 1.000.000,00 EUR voor hebben betaald, waarvan weliswaar 500.000,00 EUR middels compensatie. Vooreerst is deze bewering niet relevant. Zowel verkoper alsook koper hebben de prijs van 1.000.000,00 EUR aanvaard. In de notulen van de raad van bestuur van de NV [ABC HOLDING] van 19 maart 2024 heeft de heer [ANOM] zelf laten notuleren – na een volledige uiteenzetting te hebben gegeven over de waarderingsmethodes “de prijs die nu betaald zal worden (1.000.000 €) voor het machinepark exclusief de machines met leasingschuld, is derhalve ontegensprekelijk marktconform”. Verder blijkt uit de schattingsverslagen dat de waarde van het machinepark beduidend hoger was. Bovendien toont stuk 34 van verweerster niet aan dat de goederen die werden overgedragen op 19 maart 2024 aan de bestuurders slechts zouden zijn (door)verkocht voor 527.500,00 EUR. Er worden enkele verkoopfacturen voorgelegd die geen details bevatten. Op de facturen wordt verwezen naar een “agreement machines 05.08.2024 cfr.annex” die niet wordt voorgelegd. Bovendien is het voorwerp van de sale-and-lease-back van 19 maart 2024 veel ruimer dan enkel “machines”. Uit geen enkel stuk blijkt dat ook de overige activa zouden zijn verkocht aan kopers in Turkije. Verder is deze argumentatie niet ter zake. De schuldeisers die samen vorm geven aan de failliete boedel van de NV [ABC HOLDING] zijn reeds benadeeld door het louter feit dat de rekeningen-courant van de bestuurders – zijnde chirografaire schuldeisers – werden terugbetaald na de feitelijke in vereffeningstelling. Indien de regels van samenloop wel zouden zijn gerespecteerd, hadden de bestuurders nimmer hun rekening-courant-vorderingen kunnen recupereren. 6.13.3. De door [BIG1] opgestelde verslagen leveren geen wezenlijke bijdrage aan het voorliggende debat. Het roept bovendien de vraag op waarom [BIG2], die de groep jarenlang heeft begeleid, dergelijke verslagen niet heeft opgesteld. Uit de inhoud blijkt dat [BIG1] geen onderzoek van de boekhouding heeft verricht en geen enkele verificatie van de aangeleverde cijfers heeft uitgevoerd. Integendeel, de opsteller benadrukt herhaaldelijke keren uitdrukkelijk dat uitsluitend werd gewerkt op basis van “gegevens ontvangen van de heer [ANOM]”. Het verslag beperkt zich aldus tot een loutere bevestiging van de stellingen van verweerster, gesteund op door de heer [ANOM] zelf aangeleverde cijfergegevens, afkomstig uit een boekhouding waarvan hij op 4 maart 2024 zelf in de notulen liet opnemen dat zij niet “sluitend” was. Daarnaast worden slechts fragmentarische gegevens gepresenteerd en vergelijkingen gemaakt die elke betekenis ontberen. De bewering dat de BV [ABC GROUP] per 31 december 2023 “gezond” was omdat zij een solvabiliteitsratio had van 43,5% is niet ter zake en mist elke aansluiting bij de werkelijkheid. Het volstaat te verwijzen naar het nettopassief van bijna 6 miljoen euro per 18 juni 2024, terwijl de berekening van de voormelde solvabiliteitsratio nog uitgaat van een eigen vermogen van 2.839.781,58 EUR per 31 december 2023, dat in realiteit niet aanwezig was op 31 december 2023. In deze ratio-berekening wordt uitgegaan van een voorraadwaarde die niet werd gecontroleerd en die niet in lijn ligt met hetgeen de curatoren mochten aantreffen. De (doelbewust uitgestelde) vennootschapsbelasting voor het aanslagjaar 2023 is niet opgenomen en blijkt 640.500,00 EUR te bedragen. Ook diverse oplopende rekening-courantvorderingen op verbonden vennootschappen, die in werkelijkheid oninbaar zijn, werden ten onrechte opgenomen in het eigen vermogen en in de solvabiliteitsberekening, wat resulteert in een ernstig vertekend beeld. Verweerster merkt terecht op dat de oninbaarheid van intercompany-vorderingen geen invloed heeft op de solvabiliteit op groepsniveau. In de voorgelegde studie wordt evenwel nergens een solvabiliteitsratio, noch enige andere financiële ratio, op groepsniveau berekend. Wanneer ratio’s uitsluitend op het niveau van één vennootschap worden vastgesteld en vervolgens als argument worden aangewend, is de (on)inbaarheid van de opgenomen intercompany-vorderingen wél degelijk relevant. Indien verweerster daadwerkelijk een getrouw en volledig beeld aan de rechtbank had willen voorleggen, had zij [BIG1] moeten mandateren om een geconsolideerde cijferanalyse op te stellen voor de vennootschappen de BV [ABC GROUP], de NV [ABC HOLDING], de NV [ABC TEX], NV [XZY], NV [SPINNEWIEL], BV [L] BV [M]en BV [DH] per 31 december 2023, 4 maart 2024 en 18 juni 2024. Dit na afstemming van de door de heer [ANOM] voorgelegde boekhoudingen met de ingediende schuldvorderingen, na correctie van de voorraadwaarderingen, na (af)waardering van de vorderingen en verwerking van de reële fiscale en sociale schulden. Het weerkerend argument dat “het herstel” zich volop aan het ontwikkelen was met verwijzing naar tabellen waaruit een omzetstijging zou moeten blijken, overtuigt niet. De omzet in 2024 tegenover 2023 is gestegen omdat de omzet van NV [ABC TEX] in 2023 niet volledig werd opgenomen gezien de overname. Bovendien blijkt dat hetgeen “meer” werd gefactureerd in het eerste kwartaal 2024, “minder” werd gefactureerd in het tweede kwartaal. Ook is niet bekend hoeveel van de uitgeschreven facturen in het eerste kwartaal 2024 ook daadwerkelijk werden geïnd. 6.13.4. De argumentatie dat de heer [ANOM] oplopende persoonlijke verliezen heeft geleden – met verwijzing naar hypotheekstellingen – is niet relevant in de beoordeling van huidige zaak. De realiteit is dat de heer [ANOM] vergaande persoonlijke engagementen heeft genomen in dit private equity verhaal en dat hij net daarom al deze niet-bedrijfsmatig te verklaren transacties heeft ondernomen in de laatste 2 maanden voor faillietverklaring. De investeringspartij heeft nog vóór 4 maart 2024 afstand genomen van de operationele leiding en sindsdien was alles in handen van de heer [ANOM] en zijn echtgenote mevrouw [LAC]. Er zijn ongetwijfeld nog andere relaties en afspraken tussen de heer [ANOM] en de heer [P] met betrekking tot hun onderlinge eindafrekening van dit mislukt investeringsverhaal, die niet worden meegedeeld aan de rechtbank. Zo kan verwezen worden naar stukken 39 en 47 MAP III van verweerster, waaruit blijkt dat dat de managementvennootschap van [ANOM] op 6 maart 2024 - twee dagen na de door de rechtbank weerhouden datum van staking van betaling - een bedrag heeft geleend van 600.000,00 EUR van de vennootschap van zijn echtgenote, waarvoor een hypotheek op de gezinswoning werd toegestaan. Doch er dient te worden vastgesteld dat deze 600.000,00 EUR niet in de werking van [ABC] werd ingebracht en dat deze transactie aldus noodzakelijk was voor een ander doel. Uit de laatste pagina van stuk 39 blijkt dat aan de heer [ANOM] op 7 maart 2024 een factuur wordt toegestuurd door een welbepaald boekhoudkantoor dat 32.065,00 EUR aanrekent voor “succesfee opdracht zoeken kapitaal” terwijl wordt voorgehouden dat de heer [ANOM] 600.000,00 EUR leent van zijn echtgenote. . 6.14. De uitgebreide conclusie van verweerster leest als wensdenken van een ondernemer die ofwel elke realiteitszin ontbreekt ofwel te kwader trouw is. Loutere e-mails zijn voor verweerster meteen “nieuwe leads en klanten”, “lovende feedback op beurzen in de eerste maanden van 2024” zou wijzen op goede vooruitzichten en één zelf geschreven mail aan een Amerikaans bedrijf, zou bewijzen dat dit bedrijf in het 4de kwartaal 2024 zou instappen in het kapitaal van de groep. . 6.15. De vordering van eisers q.q. is gegrond in de mate zoals hieronder bepaald. De proceskosten vallen in de regel ten laste van de in het ongelijk gestelde partij (artikel 1017, 1e lid Ger. W.). De gegrondverklaring van de vordering rechtvaardigt het om de proceskosten ten laste van verweerster te leggen. Waar artikel 279

(1), 4°, W.Reg. in een vrijstelling van rolrechten voorziet voor alle zaken die ingeleid worden in het kader van Boek XX WER, met betrekking tot de insolventie van ondernemingen, is er geen aanleiding om in toepassing van artikel 269
(2)§ 1 W.Reg. enige veroordeling tot betaling van rolrechten uit te spreken. . VII. BESLISSING . De rechtbank doet recht op tegenspraak en op grond van alle bovenstaande redenen, alle verdere en meer uitgebreide of strijdige conclusies verwerpende als zijnde niet-gegrond of niet ter zake dienend. De rechtbank verklaart zich bevoegd tot kennisname van de vordering. De rechtbank verklaart de vordering van eisers q.q. ontvankelijk en gegrond in de hiernavolgende mate: - zegt voor recht dat in het faillissement van de NV [ABC HOLDING] de datum van staking van betaling bepaald wordt op 4 maart 2024; - beveelt de publicatie van dit vonnis bij uittreksel in het Belgisch Staatsblad; - veroordeelt verweerster tot de kosten van het geding, aan de zijde van eisers q.q. begroot op 426,22 euro kosten van dagvaarding. ***** Gewezen op tegenspraak door de Tweede Kamer van de Ondernemingsrechtbank van Gent – Afdeling Gent, samengesteld uit: V. Verlaeckt, rechter en voorzitter van de kamer, P. Van den Bossche en B. Reunis, rechters in ondernemingszaken, en uitgesproken door de voorzitter van de kamer in openbare terechtzitting op 13 januari 2026 in aanwezigheid van A. Vriendt, griffier. A. Vriendt B. Reunis P. Van den Bossche V. Verlaeckt Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:CASS:1994:ARR.19940617.10 ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20001205.4 ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050218.2 ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060119.4 ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20091001.7 ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20120313.5 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200605.1F.3 geciteerd door: ECLI:BE:ORGNT:2026:JUG.20260602.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.