← België

ECLI:BE:ORGNT:2026:JUG.20260113.2

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Ondernemingsrechtbank Gent Vonnis/arrest van 13 januari 2026 ECLI nr: ECLI:BE:ORGNT:2026:JUG.20260113.2 Rolnummer: O/24/1045 Rechtsgebied: Insolventierecht Invoerdatum: 2026-01-14 Raadplegingen: 564 - laatst gezien 2026-06-18 06:15 Fiche 1 Dat een schuldenaar zich nauwelijks vijf maanden na de homologatie van een reorganisatieplan reeds genoodzaakt ziet de boeken neer te leggen – nog vóór er enige betaling van schulden in de opschorting is gebeurd en na eerst te hebben genoten van een opschortingsperiode van vier maanden voorafgaand aan de homologatie van het plan – terwijl vastgesteld moet worden dat gedurende die negen maanden een significant nieuw passief werd opgebouwd zonder aanwijsbare externe oorzaken, toont aan dat de doorlopen procedure van gerechtelijke reorganisatie geenszins de werkelijke economische situatie en draagkracht van de onderneming weerspiegelde, en derhalve het noodzakelijke perspectief op continuïteit niet bood. Dat een meerderheid het reorganisatieplan heeft goedgekeurd, doet hieraan geen afbreuk. Schuldeisers kunnen immers slechts oordelen op basis van de informatie die hun wordt meegedeeld, alle verslaggeving en voorgeschreven transparantie ten spijt. Dat een rechtbank een reorganisatieplan homologeert betekent geenszins dat de rechtbank op dat ogenblik gelooft in een redding of herstel, als zij al correct zou ingelicht zijn. UTU-thesaurus: HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - INSOLVENTIE Vrije woorden: Vervroegen datum staking van betaling na procedure gerechtelijke reorganisatie Wettelijke bepalingen: Wetboek van economisch recht - 23-02-2013 - XX.105 - 19 Link Justel databank 20130223-19 Fiche 2 De goedkeuring van een reorganisatieplan vormt geen bewijs van kredietwaardigheid of vertrouwen vanwege alle schuldeisers op het ogenblik van de stemming. Voor het aannemen van een duurzame staking van betaling is niet vereist dat deze totaal is. Het kan volstaan dat één schuldeiser niet kan worden betaald en geen uitstel wenst toe te staan opdat de faillissementsvoorwaarden als vervuld kunnen worden beschouwd. Tegenstemmende schuldeisers worden getroffen door de bindende partijbeslissing die volgt uit de wet. UTU-thesaurus: HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - INSOLVENTIE Fiche 3 Als een onderneming na de homologatie van het reorganisatieplan, en zelfs zonder nog maar enige betaling van de historische schulden opgenomen in dat reorganisatieplan te hoeven betalen, er niet in slaagt om énige betaling te verrichten van de op dat moment wél opeisbare schulden alvorens zij de boeken moet neerleggen, dan volgt hieruit dat de onderneming zich de ganse periode in staking van betaling heeft bevonden. UTU-thesaurus: HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - INSOLVENTIE Fiche 4 De meerderheid in de stemming werd enkel bekomen doordat verbonden ondernemingen, met dezelfde bestuurders, omwille van hoge intercompany-vorderingen voor het plan hebben gestemd, wat de relatieve waarde van het gehomologeerd reorganisatieplan onderstreept. Zonder deelname aan de stemming van de aan verweerster verbonden ondernemingen zou nooit de meerderheid behaald zijn. De fiscale administratie en de RSZ hebben tegen het plan gestemd en sindsdien is hun schuldpositie gestegen en zijn zij niet meer betaald. Een bindende partijbeslissing afdwingen door een al dan niet gekunstelde meerderheid, is niet zomaar gelijk te stellen met “het vertrouwen van de schuldeisers genieten”. UTU-thesaurus: HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - INSOLVENTIE Tekst van de beslissing De ondernemingsrechtbank Gent, afdeling Gent, 2de kamer heeft volgend vonnis verleend: . Partijen in het geding Mr. [PH] en mr. [SD] Eisers q.q. En NV [XZY] Verweerster met als raadslieden mrs. [K] en [E] . . I. INFORMATIE OVER DE PROCEDURE . 1.

  1. Het geding werd ingeleid met dagvaarding betekend op 17 december
  2. Bij beschikking van 7 januari 2025 heeft de rechtbank, in overeenstemming met artikel 747 § 1 Ger.W., de conclusietermijnen tussen partijen afgesproken bekrachtigd en heeft zij de rechtsdag bepaald. De rechtbank heeft de partijen in openbare terechtzitting van 23 september 2025 gehoord, waarna de debatten werden gesloten en de zaak in beraad werd genomen. De rechtbank heeft kennis genomen van het rechtsplegingsdossier en de neergelegde stukken. De bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken worden nageleefd. . II. CONTEXT . 2.
  3. Verweerster maakte deel uit van een vennootschapsgroep actief in de textielsector. Verschillende vennootschappen van de groep werden failliet verklaard waaronder de NV [XZY] en de BV [ABC GROUP] op 18 juni 2024 en de NV [ABC HOLDING], de NV [ABC TEX], de NV [SPINNEWIEL], de BV [LC], de BV [MUB] en de BV [DH] op 25 juni
  4. Eisers q.q. zijn curator van het faillissement van verweerster. Huidige procedure handelt over het vervroegen van de datum van staking van betaling in het faillissement van de NV [XZY]. Er zijn ook procedures tot het vervroegen van de datum van staking van betaling hangende voor de faillissementen de NV [ABC HOLDING], de BV [ABC GROUP], de NV [ABC TEX] en de NV [SPINNEWIEL]. . III. VORDERINGEN VAN PARTIJEN . 3.
  5. Eisers q.q. vorderen in hun laatste conclusie: Te zeggen voor recht dat het tijdstip waarop de NV [XZY]. heeft opgehouden te betalen, vervroegd wordt en met name bepaald wordt op 01/03/24; De publicatie van Uw te vellen vonnis te bevelen bij uittreksel in het Belgisch Staatsblad; Verweerster te veroordelen tot de kosten van het geding. . 3.
  6. Verweerster vordert in haar laatste conclusie: De vordering van eisers q.q. onontvankelijk, minstens ongegrond te verklaren. Eisers q.q. te veroordelen tot alle kosten van het geding, aan de zijde van verweerster begroot op de rechtsplegingsvergoeding ten bedrage van 1.883,72 EUR. . IV. BEOORDELING . 4.
  7. De ontvankelijkheid wordt niet betwist. De rechtbank ziet geen ambtshalve op de werpen middelen van onontvankelijkheid. . 4.
  8. De gefailleerde wordt geacht op te houden te betalen vanaf het vonnis van faillietverklaring of vanaf de dag van zijn overlijden wanneer de faillietverklaring nadien is uitgesproken. Eisers q.q. zijn van oordeel dat het tijdstip van staking van betaling in het faillissement van verweerster dient te worden vervroegd naar 1 maart
  9. Eisers q.q. steunen zich op artikel XX.105, 2de en 3de lid WER: “Dit tijdstip mag door de rechtbank alleen worden vervroegd wanneer ernstige en objectieve omstandigheden ondubbelzinnig aangeven dat de betalingen voor het vonnis hebben opgehouden; deze omstandigheden moeten in het vonnis worden vermeld. Op dagvaarding van de curatoren betekend aan de gefailleerde of op dagvaarding van iedere belanghebbende betekend aan de gefailleerde en aan de curatoren, kan de rechtbank, bij een later vonnis, beslissen die datum te wijzigen.” De uitdrukking "dat de betalingen voor het vonnis hebben opgehouden", zoals gebruikt in artikel XX.105, tweede lid WER, verwijst naar de faillissementsvoorwaarden vermeld in artikel XX.99 WER (Cass. 16 mei 2008, C.07.0197.F) Dit tijdstip mag door de rechtbank alleen worden vervroegd wanneer ernstige en objectieve omstandigheden ondubbelzinnig aangeven dat de betalingen voor het vonnis hebben opgehouden; deze omstandigheden moeten in het vonnis worden vermeld (artikel XX. 105, lid 2 WER en zie Cass. 10 november 2006, C.06.0274.N ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061110.2/1). Volgens artikel XX.99, 1ste lid WER bevindt de schuldenaar die op duurzame wijze heeft opgehouden te betalen en van wie het krediet geschokt is, zich in staat van faillissement. De faillissementsvoorwaarden zijn vervuld wanneer een onderneming haar eisbare schulden niet betaalt of waarvan vaststaat dat zij haar schulden op korte termijn niet zal kunnen voldoen, omdat zij niet in staat is bij gebrek aan eigen middelen of krediet haar verbintenissen na te leven (Cass. 18 februari 2005, C.03.0508.N ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050218.2). De duurzame staking van betaling en het geschokte krediet zijn nauw met elkaar verbonden; de schuldenaar wordt maar geacht in staking van betaling te verkeren wanneer hij geen krediet meer ontvangt of zichzelf een kunstmatig krediet verstrekt (Cass. 5 juni 2020, C.19.0550.F ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200605.1F.3). Het op duurzame wijze hebben opgehouden te betalen vereist niet dat de staking van betaling totaal is (Cass. 13 maart 2012, P.11.1426.N ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20120313.5). Ook indien bepaalde schuldeisers worden betaald, kan gelet op omstandigheden staking van betaling vastgesteld worden (Cass. 5 december 2000, P.99.0203.N ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20001205.4). In beginsel is het onverschillig te weten welke middelen de onderneming aanwendt om haar krediet te handhaven, echter die middelen mogen niet kunstmatig, ongeoorloofd of bedrieglijk zijn (Cass. 17 september 1996, Arr.Cass.1996, 763). . 4.
  10. Eisers q.q. zijn van mening dat verweerster zich reeds op 1 maart 2024 in een toestand van staking van betaling bevond. Zij verwijzen daarbij naar de financiële problemen binnen de volledige textielgroep, die volgens hen reeds langere tijd manifest aanwezig waren. Vanaf 1 maart 2024 zouden aanwijzingen bestaan dat bepaalde vennootschappen feitelijk werden vereffend met de bedoeling de schuldeisers te benadelen, en dat er voorbereidingen werden getroffen om bestuurders en aandeelhouders te bevoordelen in het vooruitzicht van een onafwendbare samenloop. Eisers q.q. benadrukken onder meer dat verweerster sinds september 2023 — zowel tijdens als na de procedure van gerechtelijke reorganisatie — nieuwe schulden onbetaald heeft gelaten en aldus haar passief verder heeft laten toenemen. Verweerster werd nauwelijks vijf maanden na de homologatie van het reorganisatieplan failliet verklaard, en dit nog vóór enige betaling aan de schuldeisers had plaatsgevonden. . 4.
  11. Verweerster betwist dat op 1 maart 2024 sprake was van een staking van betaling. Volgens haar waren de vooruitzichten op dat moment gunstig, maar werd zij pas “eind april / begin mei […] geconfronteerd met een wereldwijde economische crisis in de textielsector, met een abrupte daling van de orders”. Zij stelt dat zij op 1 maart 2024 noch kon voorzien, noch de intentie had om op 17 juni 2024 de boeken neer te leggen. Verweerster verwijst daarbij naar het reorganisatieplan dat met “een overtuigende meerderheid” door de schuldeisers werd goedgekeurd en op 19 januari 2024 door de rechtbank werd gehomologeerd, hetgeen volgens haar het vertrouwen van de schuldeisers aantoont. Een groot deel van de schulden waarnaar eisers q.q. verwijzen, zou volgens haar bovendien niet relevant zijn, aangezien het gaat om “schulden in opschorting” die op 1 maart 2024 niet opeisbaar waren ten gevolge van de homologatie van het plan. Deze schulden zijn pas opnieuw opeisbaar geworden op de datum van het faillissement en kunnen volgens haar dus niet dienen als argument om de datum van staking van betaling te vervroegen tot 1 maart
  12. . 4.
  13. Vastgesteld kan worden dat verweerster in haar argumentatie veel belang hecht aan het feit dat zij de procedure gerechtelijke reorganisatie door collectief akkoord heeft doorlopen voorafgaand aan de faillietverklaring. De rechtbank volgt deze zienswijze in deze zaak niet. . 4.5.
  14. Verweerster heeft op 29 augustus 2023 een verzoekschrift neergelegd strekkende tot de opening van een gerechtelijke reorganisatieprocedure door collectief akkoord. Deze procedure werd geopend bij vonnis van 19 september
  15. Het reorganisatieplan, dat werd gehomologeerd bij vonnis van 16 januari 2024,bepaalde dat de eerste betaling van het historisch passief diende te geschieden op 31 december
  16. Op 17 juni 2024 heeft verweerster aangifte van staking van betaling gedaan. . 4.5.
  17. In het inleidend verzoekschrift tot opening van de gerechtelijke reorganisatieprocedure heeft verweerster onder de rubriek “A.
  18. Bedreiging van de continuïteit” – bewust of onbewust – een faillissementstoestand omschreven. Het staat vast dat de continuïteit van verweerster in september 2023 enkel kon worden gevrijwaard door het neerleggen van genoemd verzoekschrift en de daaropvolgende opening van de gerechtelijke reorganisatieprocedure op 19 september 2023, waarbij een opschortingsperiode van vier maanden werd toegekend tot en met 19 januari
  19. Evenzeer staat vast dat de continuïteit in januari 2024 enkel kon worden gehandhaafd door de homologatie van een reorganisatieplan waarin de eerste betaling pas was voorzien op 31 december 2024, waardoor de betaling van het historisch passief één jaar verder in de tijd werd geschoven. En zelfs in die omstandigheden had verweerster geen schijn van kans op enige redding of herstel. Een onderneming die gedurende meer dan negen maanden geen historische schulden moet betalen en intussen alle openstaande vorderingen verder mag innen, zou, in beginsel, nooit liquiditeitsproblemen mogen hebben. In werkelijkheid moet echter worden vastgesteld dat, na de opening van de procedure van gerechtelijke reorganisatie, de fiscale en sociale schulden van verweerster verder zijn gestegen en het globaal passief aanzienlijk is opgelopen. Dat een schuldenaar zich nauwelijks vijf maanden na de homologatie van een reorganisatieplan reeds genoodzaakt ziet de boeken neer te leggen – nog vóór er enige betaling van schulden in de opschorting is gebeurd en na eerst te hebben genoten van een opschortingsperiode van vier maanden voorafgaand aan de homologatie van het plan – terwijl vastgesteld moet worden dat gedurende die negen maanden een significant nieuw passief werd opgebouwd zonder aanwijsbare externe oorzaken, toont aan dat de doorlopen procedure van gerechtelijke reorganisatie geenszins de werkelijke economische situatie en draagkracht van de onderneming weerspiegelde, en derhalve het noodzakelijke perspectief op continuïteit niet bood. Dat een meerderheid het reorganisatieplan heeft goedgekeurd, doet hieraan geen afbreuk. Schuldeisers kunnen immers slechts oordelen op basis van de informatie die hun wordt meegedeeld, alle verslaggeving en voorgeschreven transparantie ten spijt. Dat een rechtbank een reorganisatieplan homologeert betekent geenszins dat de rechtbank op dat ogenblik gelooft in een redding of herstel, als zij al correct zou ingelicht zijn. De rechtbank kan overigens ambtshalve niet weigeren om het reorganisatieplan te homologeren als het plan kennelijk geen redelijk vooruitzicht biedt op het afwenden van de vereffening of het faillissement van de schuldenaar of op het waarborgen van de levensvatbaarheid van de onderneming. Bovendien houdt dit steeds slechts een marginale toetsing in indien een rechtbank gevraagd wordt hierover te oordelen. . 4.5.
  20. De rechtbank treedt verweerster niet bij in haar stelling dat uit het feit dat recent nog een reorganisatieplan “met een overtuigende meerderheid” werd goedgekeurd, het vertrouwen van de schuldeisers af te leiden valt. De goedkeuring van een reorganisatieplan vormt geen bewijs van kredietwaardigheid of vertrouwen vanwege alle schuldeisers op het ogenblik van de stemming (zie ook Luik 9 maart 2022, Dr.pén.entr. 2023, afl. 1, 37). De rechtbank wijst er ten overvloede op dat drie schuldeisers, voor een totaalbedrag van 899.219,57 EUR, tegen het reorganisatieplan hebben gestemd, en dat voor het aannemen van een duurzame staking van betaling niet vereist is dat deze totaal is. Het kan volstaan dat één schuldeiser niet kan worden betaald en geen uitstel wenst toe te staan opdat de faillissementsvoorwaarden als vervuld kunnen worden beschouwd. Bovendien werd de meerderheid in de stemming enkel bekomen doordat met verweerster verbonden ondernemingen, met dezelfde bestuurders, omwille van hoge intercompany-vorderingen voor het plan hebben gestemd, wat opnieuw de relatieve waarde van het gehomologeerd reorganisatieplan onderstreept. Zonder deelname aan de stemming van de aan verweerster verbonden ondernemingen zou nooit de meerderheid behaald zijn. De fiscale administratie en de RSZ hebben tegen het plan gestemd en zijn finaal ook de schuldeisers die hun schuldpositie steeds hebben zien oplopen en niet meer betaald werden sinds november
  21. Een bindende partijbeslissing afdwingen door een al dan niet gekunstelde meerderheid, is niet zomaar gelijk te stellen met “het vertrouwen van de schuldeisers genieten”. De FOD Financiën en de RSZ wensten geen krediet meer te verschaffen doch werden getroffen door een bindende partijbeslissing volgend uit het collectief akkoord. . 4.5.
  22. De rechtbank laat niet toe dat procedures van gerechtelijke reorganisatie worden aangewend om de mogelijkheden tot terugstelling van de datum van staking van betaling uit te hollen. Zo kan de rechter in elk geval op grond van feitelijke omstandigheden bepalen dat de staking van betaling al is ingetreden tijdens een voorafgaande gerechtelijke reorganisatie. De opschorting tijdens een dergelijke procedure staat daaraan niet in de weg (vgl. Cass. 10 januari 2003, C.01.0418.N ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030110.7). De tijdelijke neutralisering van de opeisbaarheid van het historisch passief door een weliswaar goedgekeurd, maar onhaalbaar reorganisatieplan, kan geenszins gelden als een alomvattende vrijgeleide tegen de door de curator vastgestelde en gedocumenteerde aanwijzingen van staking van betaling. Als een onderneming na de homologatie van het reorganisatieplan, en zelfs zonder nog maar enige betaling van de historische schulden opgenomen in dat reorganisatieplan te hoeven betalen, er niet in slaagt om énige betaling te verrichten van de op dat moment wél opeisbare schulden alvorens zij de boeken moet neerleggen, dan volgt hieruit dat de onderneming zich de ganse periode in staking van betaling heeft bevonden. . 4.
  23. De rechtbank is van oordeel dat de datum van staking van betaling inzake het faillissement van verweerster (minstens) dient te worden vervroegd naar 1 maart 2024, zoals gevorderd door eisers q.q. De rechtbank baseert zijn oordeel op volgende vaststellingen, in samenhang beschouwend: . 4.6.
  24. Dat uit het tweede proces-verbaal van verificatie een (tussentijds) passief blijkt van bijna 7.000.000,00 EUR terwijl uit de lijst van schuldeisers per 19 december 2023 die heeft gediend bij de stemming van het reorganisatieplan een passief blijkt van “maar” 4.288.986,11 EUR. . 4.6.
  25. Dat uit het verslag dat de verweerster heeft laten opstellen door [BIG1] blijkt dat verweerster na 1 maart 2024 nog slechts één leverancier – NV ISABEL – heeft voldaan ten belope van 808,00 EUR. Verweerster verwijst in algemene termen naar een systeem van “cashpooling” doch levert geen concrete stukken aan waaruit zou blijken dat zij andere leveranciers zou hebben betaald na 1 maart
  26. . 4.6.
  27. Dat verweerster – ondanks het gegeven dat zij ten gevolge een reorganisatieprocedure door collectief akkoord haar historische schulden tijdelijk tot 31 december 2024 niet moest betalen – onmiddellijk een nieuw oplopend passief heeft veroorzaakt. - Zo blijkt dat de bedrijfsvoorheffing tijdens de reorganisatieprocedure niet werd betaald vanaf november
  28. Ook na homologatie van het reorganisatieplan op 19 januari 2024 werd geen bedrijfsvoorheffing meer betaald tot datum van faillietverklaring op 18 juni
  29. Dit wordt niet betwist. Abstractie makend van de openstaande bedrijfsvoorheffing die gevat was door het reorganisatieplan was er op 1 maart 2024 onbetaalde bedrijfsvoorheffing voor vier maanden. - Zo blijkt dat verweerster een laattijdige aangifte vennootschapsbelasting voor het aanslagjaar 2023 heeft ingediend om de opeisbaarheid van belastingschulden uit te stellen. Deze aangifte diende te zijn ingediend op 10 oktober 2023 en werd pas ingediend op 30 april
  30. Als deze fiscale aangifte tijdig was ingediend, was ook deze fiscale schuld opeisbaar op 1 maart
  31. - De bewering dat “FOD Financiën, niet overging tot aanmaning, ingebrekestelling, dagvaarding of uitvoering, wat getuigt van vertrouwen en dus krediet” kan niet gevolgd worden. Dat de fiscale administratie niet onmiddellijk gedwongen uitvoeringsmaatregelen neemt, is geen aanwijzing van “vertrouwen”. De rechtbank stelt vast dat verweerster eraan voorbijgaat dat de FOD Financiën tegen het reorganisatieplan heeft gestemd en daarmee reeds op 9 januari 2024 te kennen heeft gegeven te opteren voor een faillietverklaring, welke in het geval van niet-homologatie van het plan, met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid zou hebben gevolgd. - Zo blijkt uit de aangifte van schuldvordering van de RSZ ten belope van 778.340,08 EUR dat er aan hen sinds 5 juli 2023 geen betalingen meer werden gedaan. Dit wordt niet betwist door verweerster. Dat uit de stukken van de gerechtelijke reorganisatie blijkt dat tijdens de periode van opschorting ook de nieuwe RSZ-bijdragen niet werden betaald, en dus evenmin na 1 maart
  32. - Het verweer omtrent de opeisbaarheid van de RSZ-schulden voor het eerste kwartaal 2024 kan niet worden gevolgd. Dat de RSZ-bijdrage voor het eerste kwartaal van 2024 pas op 2 april 2024 zou zijn “aangerekend” doet niet ter zake. Krachtens artikel 23 § 2 van de RSZ-wet van 27 juni 1969 (BS 25 juli 1969) en artikel 34 van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 (BS 5 december 1969) was verweerster gehouden voorschotten te betalen. De opeisbaarheid van die voorschotten volgt uit de wet. Het staat vast dat verweerster op 1 maart 2024 geen voorschotten heeft betaald en dat nadien evenmin de afrekening werd betaald. - De RSZ is op 26 maart 2024 overgegaan tot gedwongen uitvoering voor nieuwe schulden. Ook zij hebben tegen het reorganisatieplan gestemd . 4.6.
  33. Dat uit de aangiftes van schuldvordering blijkt dat ook leveranciers niet meer betaald werden na de homologatie van het reorganisatieplan. Er kan onder meer verwezen worden naar schuldeisers: - D’Ieteren Lease met onbetaalde facturen van 1 maart 2024, 1 april 2024, 1 mei 2024 en 1 juni 2024 - BV EM GROUP met onbetaalde facturen van 29 maart 2024, 25 mei 2023 en 27 juni
  34. - BV CONTAINERDIENST VAN DAELE & ZOON, met onbetaalde factuur van 12 maart 2024 - VDAB met onbetaalde facturen van 20 februari 2024, 20 maart 2024, 22 april 2024 en 21 mei
  35. Dit zijn facturen voor werkgeversbijdrage van een personeelslid van verweerster die 20 dagen na het aflopen van de maand waarin werd gepresteerd, worden gefactureerd. - NV UTEXBEL met onbetaalde facturen 22 februari 2024, 26 maart 2024, 26 maart 2024 en 31 mei
  36. . 4.6.
  37. Dat uit de aangifte van schuldeiser Waarborg- en Sociaal Fonds voor de Textielnijverheid blijkt dat haar afrekeningen, opgesteld na de opening van de procedure van gerechtelijke reorganisatie op 19 september 2023, integraal onbetaald zijn gebleven. Dit voor respectieve bedragen van 20.556,08 EUR (afrekening verzonden op 20 december 2023), 19.253,02 EUR (afrekening verzonden op 15 maart 2024) en 26.182,82 EUR (afrekening verzonden op 20 juni 2024). De discussie omtrent het exacte ogenblik waarop deze schulden zijn “ontstaan” en de kwartalen waarop de verschuldigde bijdragen betrekking hebben, is in dit verband niet relevant. Doorslaggevend is dat verweerster ondanks het feit dat zij gedurende negen maanden deze bijdragen – wat in se lopende kosten zijn – onbetaald liet, toch onmiddellijk opnieuw in ernstige liquiditeitsproblemen is verzeild geraakt. . 4.
  38. Verweerster legt in haar conclusies de nadruk op afzonderlijke elementen, maar verliest daarbij de ruimere context uit het oog. De beoordeling van een staking van betaling berust niet noodzakelijk op één enkel gegeven, maar kan voortvloeien uit een samenhang van feitelijke vaststellingen. In dit verband volstaat het te verwijzen naar de problematiek binnen de volledige textielgroep, waaruit blijkt dat het faillissement van één groepsvennootschap onmiddellijk het faillissement van de overige vennootschappen met zich meebrengt. Dit weliswaar met als enige uitzondering de waardevolle immobiliënvennootschap die niet getroffen werd door de groepsinsolventie. Uit de stukken blijkt dat de NV [ABC HOLDING] feitelijk werd vereffend vanaf 4 maart 2024 met bedoeling de schuldeisers te benadelen. Net zoals uit de stukken blijkt dat ook voor andere groepsvennootschappen de datum van staking van betaling te situeren is op minstens 1 maart
  39. . 4.
  40. De rechtbank volgt verweerster niet in haar these van “plotse” of “onverwachte” tegenslagen in april
  41. De textielmarkt is eind april 2024 niet plots of onverwacht veranderd; de structurele moeilijkheden binnen de sector waren reeds op 1 maart 2024 al lange tijd algemeen bekend. Evenmin zijn de talrijke en diverse problemen waarmee de textielgroep werd geconfronteerd pas in april 2024 aan het licht gekomen. Zo bestond het geschil omtrent de prijszetting met [RF] reeds evenals de discussie over de aanzienlijke earn out-vergoeding in het kader van de NV [ABC TEX] en het gebrek aan enig vooruitzicht in het verderzetten van financiering door Belfius. In het verzoekschrift tot opening van een gerechtelijke reorganisatie – door verweerster neergelegd op 29 augustus 2023 – worden de problemen van de textielsector in het algemeen en van de [ABC]-textielgroep in het bijzonder reeds uiteengezet. De door verweerster voorgelegde persartikels over moeilijkheden in de textielsector en insolventieprocedures bij concurrenten dateren bovendien allen uit 2023 en bevestigen juist dat de malaise in de sector zich niet abrupt of onverwacht in het voorjaar van 2024 heeft gemanifesteerd. Huidige procedure handelt overigens niet over de oorzaken van het faillissement als zodanig. . 4.
  42. De uiteenzettingen in de conclusie van verweerster over de winstgevendheid, stijgende rendabiliteit en verhoogde omzetten vinden geen aansluiting met de werkelijkheid. Het volstaat de toestand op het ogenblik van het openen van de gerechtelijke reorganisatie op 19 september 2023 te vergelijken met de toestand op ogenblik van faillietverklaring op 18 juni
  43. De uitgebreide conclusie van verweerster leest als wensdenken van een ondernemer die ofwel elke realiteitszin ontbreekt ofwel te kwader trouw is. . 4.
  44. De vordering is gegrond. De proceskosten vallen in de regel ten laste van de in het ongelijk gestelde partij (artikel 1017, 1e lid Ger. W.). De gegrondverklaring van de vordering rechtvaardigt het om de proceskosten ten laste van verweerster te leggen. Waar artikel 279

(1), 4°, W.Reg. in een vrijstelling van rolrechten voorziet voor alle zaken die ingeleid worden in het kader van Boek XX WER, met betrekking tot de insolventie van ondernemingen, is er geen aanleiding om in toepassing van artikel 269
(2)§ 1 W.Reg. enige veroordeling tot betaling van rolrechten uit te spreken. . V. BESLISSING . De rechtbank doet recht op tegenspraak en op grond van alle bovenstaande redenen, alle verdere en meer uitgebreide of strijdige conclusies verwerpende als zijnde niet-gegrond of niet ter zake dienend. De rechtbank verklaart zich bevoegd tot kennisname van de vordering. De rechtbank verklaart de vordering van eisers q.q. ontvankelijk en gegrond in de hiernavolgende mate: - zegt voor recht dat in het faillissement van de N.V. [XZY]. de datum van staking van betaling bepaald wordt op 1 maart 2024; - beveelt de publicatie van dit vonnis bij uittreksel in het Belgisch Staatsblad; - veroordeelt verweerster tot de kosten van het geding, aan de zijde van eisers q.q. begroot op 380,37 euro kosten van dagvaarding. ***** Gewezen op tegenspraak door de Tweede Kamer van de Ondernemingsrechtbank van Gent – Afdeling Gent, samengesteld uit: V. Verlaeckt, rechter en voorzitter van de kamer, P. Van den Bossche en B. Reunis, rechters in ondernemingszaken, en uitgesproken door de voorzitter van de kamer in openbare terechtzitting op 13 januari 2026 in aanwezigheid van A. Vriendt, griffier. A. Vriendt B. Reunis P. Van den Bossche V. Verlaeckt Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20001205.4 ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030110.7 ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050218.2 ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061110.2 ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20120313.5 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200605.1F.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.