id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Ondernemingsrechtbank Gent Vonnis/arrest van 03 februari 2026 ECLI nr: ECLI:BE:ORGNT:2026:JUG.20260203.1 Rolnummer: O/2400956 Rechtsgebied: Insolventierecht Invoerdatum: 2026-02-05 Raadplegingen: 539 - laatst gezien 2026-06-18 21:44 Fiche 1 Wanneer het beheer volledig aan de onderneming wordt ontnomen op grond van artikel XX.32 WER, verliezen de gewone bestuursorganen tijdens de duur van het mandaat van de voorlopige bewindvoerder hun vertegenwoordigingsbevoegdheid. In dat geval wordt de voorlopige bewindvoerder geen “orgaan” van de vennootschap, maar oefent hij wel alle bevoegdheden uit die normaal aan de bestuursorganen toekomen. Daarenboven heeft hij aanvullend de wettelijke opdracht om te beoordelen of een faillissementsprocedure, een ontbinding of een gerechtelijke reorganisatie moet worden opgestart, en om hieraan uitvoering te geven door, in voorkomend geval, zelf een vordering tegen de onderneming in te stellen. De voorlopige bewindvoerder beslist welke kosten betaald worden. Hij beschikt in dat verband over een ruime beoordelingsmarge met de redelijkheid als grens. De aard van de opdracht en de daaruit voortvloeiende beleidsvrijheid van de voorlopige bewindvoerder brengen evenwel niet mee dat de artikelen XX.110, XX.111, XX.112 en XX.114 WER niet van toepassing zouden kunnen zijn op betalingen die in zijn opdracht worden uitgevoerd door de onderneming. UTU-thesaurus: HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - INSOLVENTIE Vrije woorden: Gevolgen bewind XX.32 WER / kosten van advocaat bijstand tijdens gerechtelijke reorganisatie / wijze van betaling / compensatie / goedkeuring bewind / betwisting door curator Wettelijke bepalingen: Wetboek van economisch recht - 28-02-2013 - XX.112 - 19 ELI link Pub nr 2013A11134 Wetboek van economisch recht - 28-02-2013 - XX.32 - 19 ELI link Pub nr 2013A11134 Wetboek van economisch recht - 28-02-2013 - XX.53 - 19 ELI link Pub nr 2013A11134 Fiche 2 Artikel XX.53 WER legt geen resultaatsverbintenis op, maar vereist enkel dat de verrichte betalingen op het moment van uitvoering in functioneel verband staan met het reorganisatiedoel. Dat uiteindelijk blijkt dat de gerechtelijke reorganisatie mislukt is of geen overdracht tot stand kan worden gebracht, doet daaraan geen afbreuk. De rechtbank behoudt evenwel de bevoegdheid om te remediëren wanneer sprake is van bedrog of misbruik. Artikel XX.53 WER kan niet worden geïnterpreteerd als een vrijgeleide om tijdens de opschortingsperiode de reddeloze onderneming nog een laatste maal leeg te schudden en de resterende activa te onttrekken via buitensporige facturatie voor dienstverleningen allerhande die kennelijk geen enkel legitiem doel dienen. Artikel XX.114 WER blijft van toepassing UTU-thesaurus: HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - INSOLVENTIE Vrije woorden: betaling kosten XX.53 WER tijdens periode opschorting. Kosten advocaat / bijstand / pauliaanse vordering door curator bij later faillissement Wettelijke bepalingen: Wetboek van economisch recht - 28-02-2013 - XX.53 - 19 ELI link Pub nr 2013A11134 Fiche 3 Of het achteraf gezien de beste beslissing was om over te gaan tot een procedure tot overdracht onder gerechtelijk gezag, of om hiervoor nog 41.735 EUR te betalen aan een raadsman terwijl de onderneming onder voorlopig bewind stond en er twee vereffeningsdeskundigen waren aangesteld om de overdracht te bewerkstelligen , is niet de juiste vraagstelling. Zowel de voorlopige bewindvoerder als de door haar aangestelde advocaat beschikken over beleidsvrijheid bij het bepalen van de reorganisatiestrategie. De opvolgende curator, of desgevallend de rechter, mag zijn persoonlijke voorkeuren niet boven de afgewogen keuzes van de voorlopige bewindvoerder of de advocaat plaatsen. Een voorlopige bewindvoerder wordt immers net aangesteld om volledig onafhankelijk te handelen. Een vermeende foutieve strategie is alleen relevant wanneer deze buiten de redelijke beoordelingsruimte valt waarbinnen meerdere keuzes verdedigbaar waren. Met name wat de voorlopige bewindvoerder betreft, moet rekening worden gehouden met het feit dat hij bij de aanvang van zijn opdracht vaak niet over alle informatie beschikt of deze niet krijgt, waardoor hij zich geen volledig beeld kan vormen en de slaagkansen van de ene of andere maatregel niet kan inschatten zoals van het gewone bestuursorgaan kan worden verwacht. Wat redelijk is voor een voorlopige bewindvoerder, is dat niet noodzakelijk voor een gewoon bestuursorgaan. UTU-thesaurus: HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - INSOLVENTIE Vrije woorden: beoordeling opportuniteit van (kosten van) gerechtelijke reorganisatie bij latere faillietverklaring Fiche 4 De buitenbezitstelling treedt in werking vanaf nul uur op de dag van de faillietverklaring. Vanaf dat ogenblik kon de gefailleerde, al dan niet vertegenwoordigd door de voorlopige bewindvoerder, niet langer beschikken over de tegoeden op haar zichtrekening. Bijgevolg is de betaling van 3.131,66 EUR die op 15 april 2024 werd verricht aan de advocaat van de gefailleerde, niet tegenstelbaar aan de boedel. Hieruit volgt dat dit bedrag van 3.131,66 EUR dient te worden terugbetaald aan [BANK] die pandhoudende schuldeiser is. Het feit dat deze betaling al dan niet werd uitgevoerd in opdracht van de voorlopige bewindvoerder, is hierbij zonder belang. Evenmin dat “deze betaling reeds structureel werd ingepland voorafgaand aan het faillissementsvonnis.” UTU-thesaurus: HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - INSOLVENTIE Vrije woorden: curator tegen advocaat over ereloon betaald op dag van faillietverklaring / afwijzing vordering vrijwaring door voorlopig bewindvoerder Wettelijke bepalingen: Wetboek van economisch recht - 28-02-2013 - XX.110 - 19 ELI link Pub nr 2013A11134 Tekst van de beslissing De Ondernemingsrechtbank Gent, afdeling Gent, 2de kamer: . In de zaak van: Meester [S] handelend in zijn hoedanigheid van curator van het faillissement BV [ABC] Eiser q.q. . Advocatenkantoor [ZX] met zetel […] Mr. [X], advocaat […] Mr. [Z], advocaat […] Verweerders, Vertegenwoordigd door Mrs.[…] . Mr. [X], advocaat, in eigen naam en in haar hoedanigheid van voorlopige bewindvoerder van de BV [ABC] Verweerster in tussenkomst en vrijwaring, Vertegenwoordigd door Mr. […] . Inhoud: I. Informatie over de procedure II. Feiten die aanleiding geven tot het geschil III. Vorderingen van partijen IV. De ontvankelijkheid V. De beoordeling van de hoofdeis ten gronde V.A. Voorafgaand theoretisch kader nopens de voorlopige bewindvoerder XX.32 WER V.B. De opgeworpen rechtsgronden. V.C. Concrete toepassing VI. De beoordeling van de tegeneis VII. De gerechtskosten VIII. De beslissing . I. INFORMATIE OVER DE PROCEDURE . 1.1. Het geding werd ingeleid bij dagvaarding betekend aan verweerders op 24 november 2024. Mr. [Y] werd gedagvaard in tussenkomst en vrijwaring bij dagvaarding betekend op 3 juni 2025. Partijen namen conclusies en hebben met onderling akkoord afgeweken van de eerder bepaalde conclusietermijnen in toepassing van artikel 747, §2 Ger.W. De rechtbank heeft de partijen in openbare terechtzitting van 23 december 2025 gehoord, waarna de debatten werden gesloten en de zaak in beraad werd genomen. De rechtbank heeft kennis genomen van het rechtsplegingsdossier en de neergelegde stukken. De bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken worden nageleefd. . II. FEITEN DIE AANLEIDING GEVEN TOT HET GESCHIL . 2.1. Eiser is curator van BV [ABC], hiertoe aangesteld bij vonnis van faillietverklaring van 15 april 2024. Tweede en derde verweerder zijn advocaten verbonden aan het hetzelfde advocatenkantoor, zijnde eerste verweerder. Het advocatenkantoor zou hebben opgetreden voor de BV [ABC] voorafgaand aan de faillietverklaring, waarbij mr. [X] het dossier behartigde (zgn. dominus litis). Verweerster in gedwongen tussenkomst, mr. [Y], was voorafgaand aan het faillissement de voorlopige bewindvoerder over BV [ABC], aangesteld op grond van artikel XX.32 WER. . 2.2. De BV [ABC] betrof een onderneming in moeilijkheden. Bij beschikking van 8 november 2023 van de voorzitter van de ondernemingsrechtbank Gent werd mr. [Y] aangesteld als voorlopige bewindvoerder over de BV [ABC] op grond van artikel XX.32 WER. De bevoegdheden van de enige bestuurder, [R], werden volledig ontnomen. De opdracht van de voorlopige bewindvoerder luidde onder meer: - “het volledige beheer over de goederen van [ABC] BV waar te nemen; - als wettelijke vertegenwoordiger de positie van [ABC] BV in het handelsverkeer waar te nemen en haar ten aanzien van eender welke derde te vertegenwoordigen; - bij wijze van bewarende maatregel, alle financiële rekeningen van [ABC] BV te beheren en de derden te verwittigen om uitsluitend in zijn handen te betalen.” In de aanstellingsbeschikking werd verder voor recht gezegd dat de kosten en het ereloon van het voorlopige bewind dienden te worden geprovisioneerd door de BV [ABC]. Aan de voorlopige bewindvoerder werd verder het voordeel van de kosteloze rechtspleging toegekend om, zo nodig, procedures betreffende de BV [ABC] inzake faillissement, de gerechtelijke ontbinding en de gerechtelijke reorganisatie, te voeren. . 2.3. Op 28 november 2023 is de voorlopige bewindvoerder overgegaan tot dagvaarding in faillietverklaring van de BV [ABC]. In de dagvaarding stelde de voorlopige bewindvoerder onder meer: “Recent werd verzoekster ook aangeschreven door de raadsman van de bestuurder van gedaagde, meester [X]. Meester [X] deelt mee van de heer [R] mandaat te hebben gekregen om de interne reorganisatie van gedaagde voor te bereiden alsook de procedure van een gerechtelijke reorganisatie op te starten. Verzoekster volgt dit ook mee op conform de opdracht gegeven door Uw rechtbank doch dient vast te stellen dat men op datum van vandaag nog zaken dient bij/uit te werken. Verzoekster is daarentegen gehouden tot de vervaltermijn van 21 dagen voorzien in artikel XX.32 WER” . 2.4. De vordering tot faillietverklaring werd ingeleid op 12 december 2023 en uitgesteld. Op 28 december 2023 werd namens de BV [ABC] een “verzoekschrift gerechtelijke reorganisatie met als doel de overdracht onder gerechtelijk gezag van het geheel of een gedeelte van de activa of de activiteiten aan derden” neergelegd. In de aanhef van het verzoekschrift werd vermeld dat de BV [ABC] wordt “vertegenwoordigd door” enerzijds “mr. [X] met kantoor te 9000 Gent […] ” en anderzijds “mr. [Y] in haar hoedanigheid van voorlopig bewindvoerder daartoe aangesteld bij vonnis van de Ondernemingsrechtbank Gent, afdeling Gent dd. 08.11.2023”. Het verzoekschrift werd zowel getekend door mr. [X] in hoedanigheid van raadsman, alsook door mr. [Y] in hoedanigheid van voorlopige bewindvoerder en [R], bestuurder van BV [ABC]. . 2.5. Bij vonnis van 16 januari 2024 van deze rechtbank werd voor de BV [ABC] de procedure tot overdracht onder gerechtelijk gezag geopend en werd een periode van opschorting bepaald tot 15 mei 2024. Er werden twee vereffeningsdeskundigen aangesteld. . 2.6. Op 29 maart 2024 werd door de voorlopige bewindvoerder een verzoekschrift tot voortijdige beëindiging van de procedure tot overdracht onder gerechtelijk gezag neergelegd met van toepassing van artikel XX.62, §2 WER. Volgens conclusie van de voorlopige bewindvoerder om reden dat “gelet op de verslechterde toestand van de [ABC] tijdens de GRP-procedure, de [ABC] niet meer in staat was de continuïteit van haar activiteiten te verzekeren overeenkomstig het doel van de procedure”. . 2.7. Het verzoek van de voorlopige bewindvoerder werd ingewilligd. Bij vonnis van 15 april 2024 werd de procedure tot overdracht onder gerechtelijk gezag voortijdig beëindigd en de BV [ABC] werd failliet verklaard. Uit het vonnis blijkt dat op de zitting onder meer zijn verschenen mr. [Y] in haar hoedanigheid van voorlopige bewindvoerder van de BV [ABC] en de BV [ABC], “vertegenwoordigd door haar bestuurder de heer [R], bijgestaan door meester [X]”. Eiser q.q. werd aangesteld als curator. . 2.8. Tijdens het faillissementsbewind ontstaat er een discussie tussen eiser q.q. en mr. [X]. Eiser q.q. stelt vast dat in een periode van 5 maanden voorafgaand aan de faillietverklaring van BV [ABC], mr. [X] een totaalbedrag van 41.735,00 EUR uit hoofde van ereloonfacturen heeft ontvangen vanwege de BV [ABC]. Dit terwijl de BV [ABC] in die maanden onder het voorlopige bewind stond van mr. [Y]. Eiser q.q. verwijst naar volgende facturen: - Factuur 2023/8/110 d.d. 14/11/2023: 6.957,50 EUR - Factuur 2024/8/002 d.d. 03/01/2024: 5.999,35 EUR - Factuur 2024/8/016 d.d. 28/02/2024: 12.175,63 EUR - Factuur 2024/8/0030 d.d. 08/04/2024: 16.604,64 EUR Totaal : 41.735 EUR. Deze facturen werden hoofdzakelijk betaald door middel van compensatie met derdengelden beschikbaar op de derdenrekening van mr. [X] tijdens de periode van opschorting in de procedure overdracht over gerechtelijk gezag. Er werd door BV [ABC] middels overschrijving een saldo van 3.131,66 EUR aan mr. [X] betaald op 15 april 2024, zijnde de dag van faillietverklaring. Eiser q.q. is van oordeel dat de door mr. [X] sinds november 2023 ontvangen erelonen moeten terugbetaald worden aan de failliete boedel. Eiser q.q. vordert betaling van 41.735,00 EUR op grond van artikelen XX.110 WER, XX.112 WER en XX.114 WER. . 2.9. Op 24 november 2024 is eiser q.q. overgegaan tot dagvaarding van verweerders. Eiser q.q. wijst erop dat de datum van staking van betaling in het faillissement BV [ABC] werd teruggebracht naar 15 oktober 2023, zes maanden voor faillietverklaring. Mr. [X] zou zijn cliënte geadviseerd hebben om het faillissement zo lang mogelijk uit te stellen en zou tegen het belang van de schuldeisers hebben volhard in een procedure overdracht onder gerechtelijk gezag die geen slaagkansen had. Mr. [X] zou zijn ereloonfacturen hebben gecompenseerd met derdengelden op een ogenblik dat “het voor iedereen al zeer duidelijk was dat de voorwaarden voor de opschorting niet langer vervuld waren” of “toen al duidelijk was dat het faillissement onafwendbaar was”. Volgens eiser q.q. kon of mocht mr. [X] niet betaald worden door BV [ABC] aangezien hij niet heeft opgetreden in opdracht van of voor de voorlopige bewindvoerder, maar wel voor de BV [ABC] aan wie hij rechtstreeks heeft gefactureerd. Eiser q.q. maakt gewag van “dubbele kosten” ten nadele van de schuldeisers. Hij stelt dat de kosten van een eigen advocaat voor de BV [ABC] moeten betaald worden met middelen voorgeschoten door de bestuurder-aandeelhouder en niet door compensaties met derdengelden staande het bewind. Eiser q.q. ziet hierin een bedrieglijke benadeling van de schuldeisers. . 2.10. Verweerders betwisten de aanspraken van eiser q.q. Zij stellen dat zij vóór november 2023 nimmer raadsman van de BV [ABC] zijn geweest en dat BV [ABC] met hen in contact werd gebracht door de voorlopige bewindvoerder, mr. [Y], met het oog op een mogelijke procedure overdracht onder gerechtelijk gezag. Verweerders hebben de opdracht gekregen als advocaat van de BV [ABC] de procedure van overdracht onder gerechtelijk gezag op te starten en te begeleiden. Deze opdracht werd bevestigd door de voorlopige bewindvoerder. Verweerders werden als advocaat tevens gemandateerd om bepaalde invorderingsdossiers voor de BV [ABC] te behartigen, alsook hangende gedingen inzake huur. Verweerders hebben in transparantie samengewerkt met de voorlopige bewindvoerder die de ereloonstaten en de wijze van betaling ervan steeds heeft goedgekeurd. Verweerders hebben hun taak als advocaat van BV [ABC] uitgevoerd en zijn daarvoor vergoed met goedkeuring van de voorlopige bewindvoerder. Verweerders wijzen verder naar de artikelen XX.53 en XX.58 WER en stellen dat de betaling van hun prestaties vereist was voor de continuïteit van de onderneming. Zij wijzen de toepassing van de artikelen XX.110, XX.112 en artikel XX.114 WER af. . 2.11. Verweerders zijn op 3 juni 2025 overgegaan tot dagvaarding in tussenkomst en vrijwaring van mr. [Y] in haar hoedanigheid van voorlopige bewindvoerder van de BV [ABC]. Verweerders voeren aan dat, mocht de rechtbank oordelen dat zij als advocaten onzorgvuldig hebben gehandeld door een gerechtelijke reorganisatie te verdedigen, dan wel op ongeoorloofde wijze zouden zijn vergoed, zij uitsluitend hebben gehandeld op instructie van mr. [Y]. Om die reden dient zij hen te vrijwaren voor elke vergoeding waartoe verweerders eventueel zouden worden veroordeeld. . 2.12. Mr. [Y] stelt dat in essentie zij binnen “een correct en transparant beheer” heeft geoordeeld dat zij de ereloonstaten kon goedkeuren en kon instemmen met de wijze van betaling. Zij zou hebben gehandeld binnen haar mandaat. De handelingen en beslissingen van de voorlopige bewindvoerder zouden worden toegerekend aan de BV [ABC]. Zelfs indien zou geoordeeld worden dat de voorlopige bewindvoerder buiten haar mandaat zou gehandeld hebben, dan zou zij als lasthebber nooit persoonlijk gebonden door een bevoegdheidsoverschrijding kunnen zijn, gezien alle partijen als specialisten ter zake, op de hoogte waren van de draagwijdte van het mandaat. Tenslotte stelt zij dat verweerders geen schade hebben geleden die in causaal verband staat met enige fout in hare hoofde. . III. VORDERINGEN VAN PARTIJEN 3.1. Eiser q.q. vordert in zijn laatste conclusie “De vordering tot afgifte van de navolgende stukken naar de bijzondere rol te willen verzenden. Verweerders hoofdelijk, dan wel in solidum, de een bij gebreke aan de ander, te veroordelen tot terugbetaling van alle geïnde bedragen, thans provisioneel begroot op 41.735 EUR, te vermeerderen met de rente zoals voorzien in de wet van 02 augustus 2002 tot de dag van de algehele betaling. Verweerders te veroordelen tot de kosten van het geding.” . 3.2. Verweerders vorderen in hun laatste conclusie: “Op hoofdeis De vordering af te wijzen als onontvankelijk, minstens ongegrond. Op tegeneis In toepassing van artikel 19 lid 3 en 877 Ger.W. Eiser qq. te veroordelen om de volgende stukken over te leggen: • De volledige communicatie met mevrouw [Y], in zijn respectieve hoedanigheden; • De volledige communicatie met de heer [....] in zijn respectieve hoedanigheden; • De communicatie met de bestuurder van BV [ABC] met betrekking tot het aanleveren van de boekhouding en het beheer voorafgaand aan het faillissement; • Alle boekhoudkundige stukken in het bezit van de curatele van de BV [ABC] (balansen, dagboeken, grootboekrekeningen, enz.); • Alle schuldvorderingen die bij de curator werden aangegeven, inclusief onderliggende stukken; • Alle inkomende en uitgaande betalingen van de boedel, inclusief de onderliggende bankafschriften. onder verbeurte van een dwangsom van 100 EUR per dag vertraging, te rekenen vanaf de dag volgend op de tussen te komen beschikking. Ten gronde Eiser qq. te veroordelen tot betaling aan concluanten van een schadevergoeding: - voor geleverd werk ten belope van 2.070 EUR - wegens reputatieschade ten belope van 5.000,00 EUR voormelde vergoedingen zijn te vermeerderen met de wettelijke intresten vanaf 03.02.2025 tot de dag der algehele betaling. Op tusseneis De vordering ontvankelijk en gegrond te verklaren en dienvolgens: Verweersters in tussenkomst en vrijwaring te veroordelen[…] teneinde concluanten te vrijwaren, zowel in hoofdsom, schadevergoeding, intresten als kosten en derhalve verweerster in tussenkomst en vrijwaring, de één bij gebreke aan de andere, te veroordelen tot het betalen van elke som waartoe verzoeksters jegens Mr. [S] in zijn hoedanigheid van curator over het faillissement van [ABC] BV zou worden veroordeeld zowel in hoofdsom, schadevergoeding, intresten en kosten. In ieder geval Eiser qq. te veroordelen tot de gerechtskosten met inbegrip van de verhoogde rechtsplegingsvergoeding ten belope van 6.000,00 EUR. Ondergeschikt verweersters in tussenkomst en vrijwaring te veroordeling tot de gerechtskosten met inbegrip van de geïndexeerde rechtsplegingsvergoeding.” . 3.3. Verweerster in gedwongen tussenkomst en vrijwaring vordert in haar laatste conclusie: “De vordering in tussenkomst en vrijwaring zonder voorwerp, minstens ongegrond te verklaren en dienvolgens eiseres op tussenkomst en vrijwaring te veroordelen tot een rechtsplegingsvergoeding van 3.139,54 Euro.” . IV. DE ONTVANKELIJKHEID . 4.1. Verweerders stellen dat de vordering van eiser q.q. onontvankelijk is om reden dat niet werd voldaan aan de “aanvoeringslast of stelplicht”. Zij stellen dat “geen van de rechtsgronden uitgewerkt worden zodat concluanten zich niet naar behoren kunnen verweren” en “de rechtsgrond wordt in algemene termen genoemd en niet concreet uitgewerkt.” Uit de uitvoerige conclusies van verweerders blijkt dat elkeen begrepen heeft waarop hij of zij zich dient te verweren, namelijk op de niet-tegenstelbaarheid van de betalingen aan mr. [X]. Dat het debat over de artikelen XX.112 en XX.114 niet altijd helder wordt gevoerd en als niet-consistent kan ervaren worden, is te wijten aan bepaalde juridische en feitelijke aannames vanwege eiser q.q. die mogelijk niet correct zijn of niet bewezen worden. Doch dit leidt niet tot de onontvankelijkheid van de vordering. De procespartij die aanvoert titularis te zijn van het subjectieve recht dat ten grondslag ligt aan de vordering, heeft hoedanigheid en belang om die vordering in te stellen, ook al wordt het subjectieve recht betwist; de vraag of de procespartij ook effectief titularis is van dat recht, is een vraag betreffende de gegrondheid van de vordering en niet betreffende de ontvankelijkheid ervan. 4.2. De voorlopige bewindvoerder, mr. [Y], stelt dat de vordering in tussenkomst en vrijwaring onontvankelijk is omdat de dagvaarding “uitblinkt in vaagheid en een gebrek aan concrete uitwerking van rechtsgronden”. De rechtbank volgt dit niet. De dagvaarding in tussenkomst en vrijwaring is duidelijk. De oorspronkelijke dagvaarding uitgaande van eiser q.q. tegen verweerders werd gehecht. Alle voorgehouden feiten en aanspraken konden worden begrepen. De vorderingen zijn ontvankelijk. . V. DE BEOORDELING VAN DE HOOFDEIS TEN GRONDE . V.A. Voorafgaand: theoretisch kader nopens de voorlopige bewindvoerder artikel XX.32 WER . 5.1. Krachtens artikel XX.32 WER kan de voorzitter van de rechtbank, wanneer er gewichtige, bepaalde en met elkaar overeenstemmende aanwijzingen bestaan dat de voorwaarden voor een faillissement vervuld zijn, aan de onderneming geheel of ten dele het beheer van het geheel of een gedeelte van haar activa of activiteiten ontnemen. Dit betreft een bewarende maatregel. Wanneer het beheer volledig aan de onderneming wordt ontnomen, verliezen de gewone bestuursorganen tijdens de duur van het mandaat van de voorlopige bewindvoerder hun vertegenwoordigingsbevoegdheid. In dat geval wordt de voorlopige bewindvoerder geen “orgaan” van de vennootschap, maar oefent hij wel alle bevoegdheden uit die normaal aan de bestuursorganen toekomen. Daarenboven heeft hij aanvullend de wettelijke opdracht om te beoordelen of een faillissementsprocedure, een ontbinding of een gerechtelijke reorganisatie moet worden opgestart, en om hieraan uitvoering te geven door, in voorkomend geval, zelf een vordering tegen de onderneming in te stellen. De onderneming — desgevallend optredend via haar gewone organen — behoudt slechts een beperkt aantal bevoegdheden, met name: (
- i)het aanwenden van de bij wet voorziene rechtsmiddelen tegen de aanstelling van de voorlopige bewindvoerder of tegen de inhoud van diens opdracht, (
- ii)het voeren van verweer tegen vorderingen die door de voorlopige bewindvoerder tegen de onderneming worden ingesteld, en (iii) het doen van aangifte van staking van betaling. Het behoud van deze bevoegdheden doet geen afbreuk aan het feit dat uitsluitend de voorlopige bewindvoerder instaat voor het beheer van de activa van de onderneming en alleen hij beslist welke kosten effectief betaald worden. Dit geldt ook ten aanzien kosten die zouden volgen uit de verdediging die de onderneming meent te moeten voeren. Dat een onderneming het recht heeft om zich te laten bijstaan door een raadsman naar keuze, betekent nog niet dat de voorlopige bewindvoerder deze kosten moet betalen met de activa die hij beheert. De voorlopige bewindvoerder beschikt in dat verband over een ruime beoordelingsmarge met de redelijkheid als grens. De aanstelling van een voorlopige bewindvoerder met volledige ontneming van het beheer is immers precies bedoeld om de nog resterende activa te vrijwaren en desgevallend om de onderneming — en haar schuldeisers — te beschermen tegen verdere schade, veroorzaakt door de onderneming zelf, al dan niet via haar organen. Het bewaren van activa impliceert ook het vermijden van nieuwe onnodige passiva. Het onnodig uitstellen van een faillissement, evenals het aanvatten of voortzetten van een gerechtelijke reorganisatie zonder redelijke slaagkansen, kan bijkomende schade teweegbrengen. Van een normaal zorgvuldige, voorzichtige en vooruitziende voorlopige bewindvoerder kan niet worden verwacht dat hij dergelijke handelingen duldt, laat staan de kosten hiervan laat betalen, wanneer hij zelf overtuigd is van hun uitzichtloze of schadelijke karakter. 5.2. Hoewel niet kan worden ontkend dat een voorlopige bewindvoerder zich in een oncomfortabele positie kan bevinden, is het geenszins de bedoeling dat hij onder druk, louter uitvoering geeft aan de wensen of instructies van de organen van de onderneming, wier bevoegdheden om weloverwogen redenen zijn ontnomen. Het is een misvatting aan te nemen dat een voorlopige bewindvoerder aangesteld op grond van artikel XX.32 WER ten alle prijzen de continuïteit van de onderneming moet nastreven, net zoals een gewoon bestuursorgaan dat niet moet doen en in sommige gevallen zelfs niet mag doen. Dat een voorlopige bewindvoerder een andere visie heeft dan het gewone bestuursorgaan, betekent niet dat de voorlopige bewindvoerder onredelijk is of foutief handelt. Als een voorlopige bewindvoerder binnen het kader van zijn opdracht en de daaraan verbonden beleidsvrijheid van oordeel is dat een procedure inzake gerechtelijke reorganisatie opportuun is – of andere herstructureringsmaatregelen met het oog op herstel van de onderneming – dan staat niets de voorlopige bewindvoerder in de weg om in dat kader kosten te maken of deze te laten betalen. De voorlopige bewindvoerder kan gelet op zijn expertise opteren om zelf het nodige te doen of kan – afhankelijk van de omstandigheden – oordelen dat het passend is derden aan te stellen met het oog op het verlenen van bijstand aan de onderneming. Het staat een voorlopige bewindvoerder binnen zijn beleidsruimte ook vrij met het gewone bestuursorgaan of aandeelhouders al dan niet afspraken te maken wat betreft de verdeling of de ten laste neming van die kosten. Gedurende de looptijd van zijn mandaat kan de voorlopige bewindvoerder in naam en voor rekening van de onderneming rechtshandelingen stellen en verbintenissen aangaan, die niet aan de voorlopige bewindvoerder persoonlijk worden toegerekend, maar rechtstreeks aan de onderneming. Dit op voorwaarde dat deze handelingen gesteld zijn binnen de inhoudelijke omschrijving van het mandaat. Hoewel mag aangenomen worden dat de voorlopige bewindvoerder, die geacht wordt vertrouwd te zijn met het bestuur van een onderneming en met boekhouden, wordt aangesteld net omwille van zijn ervaring en expertise inzake insolventieprocedures, is het niet uitgesloten dat de voorlopige bewindvoerder voor de onderneming advocaten inschakelt om bijstand te verlenen. Ook dit behoort tot de beleidsvrijheid van de voorlopige bewindvoerder. De contractuele band zal dan tot stand komen tussen de onderneming en de aangezochte advocaat, en niet tussen de voorlopige bewindvoerder en de advocaat. 5.3. De aard van de opdracht en de daaruit voortvloeiende beleidsvrijheid van de voorlopige bewindvoerder brengen evenwel niet mee dat de artikelen XX.110, XX.111, XX.112 en XX.114 WER niet van toepassing zouden kunnen zijn op betalingen die in zijn opdracht worden uitgevoerd door de onderneming. 5.4. Artikel XX.32, §5 WER stelt dat de handelingen door de schuldenaar verricht in strijd met de ontneming van het beheer, niet kunnen worden tegengeworpen aan de boedel, indien zij die met hem hebben gehandeld, kennis hadden van de ontneming van het beheer, of indien de handelingen vallen onder een van de drie categorieën bepaald bij artikel XX.111 WER. Dit artikel XX.32, §5 WER is niet van toepassing wanneer de voorlopige bewindvoerder zelf heeft beslist tot deze handelingen of deze handelingen naderhand heeft bekrachtigd. Als de voorlopige bewindvoerder in afwijking van de beschikking toelaat dat betalingen aan de onderneming in handen van de schuldenaar – of zelf derden – mogen gebeuren, dan betreffen dit geen handelingen “in strijd met de ontneming van het beheer”, doch een loutere uitvoering van hetgeen de voorlopige bewindvoerder in naam en voor rekening van de onderneming heeft beslist. . V.B. De opgeworpen rechtsgronden . 5.5. Overeenkomstig artikel XX.110 WER verliest de gefailleerde van rechtswege, te rekenen van de dag van het vonnis van faillietverklaring, het beheer over al zijn goederen evenals over de goederen die hij tijdens de procedure verkrijgt op grond van een oorzaak die het faillissement voorafgaat. Alle betalingen, verrichtingen en handelingen van de gefailleerde en alle betalingen aan de gefailleerde gedaan vanaf de dag van het vonnis van faillietverklaring, kunnen niet aan de boedel worden tegengeworpen. De buitenbezitstelling treedt in vanaf het uur nul van de dag van het faillissementsvonnis. Betalingen verricht na het uur-nul zijn niet-tegenstelbaar aan de boedel en dienen te worden geneutraliseerd. 5.6. Krachtens artikel XX.112 WER kunnen betalingen door de schuldenaar wegens vervallen schulden gedaan, en alle handelingen onder bezwarende titel door hem aangegaan na de staking van betaling en voor het vonnis van faillietverklaring, niet-tegenwerpbaar verklaard worden, indien zij die van de schuldenaar iets hebben ontvangen of met hem hebben gehandeld, kennis hadden van de staking van betaling. 5.7. Overeenkomstig artikel XX.53 WER staat de opschorting vrijwillige betaling door de schuldenaar van schuldvorderingen in de opschorting niet in de weg tijdens een procedure van gerechtelijke reorganisatie in zoverre die betaling vereist is voor de continuïteit van de onderneming. De artikelen XX.111, 2° en XX.112 WER zijn niet toepasselijk op de betalingen die tijdens de periode van opschorting worden gedaan. Hieruit volgt dat betalingen van schuldenvorderingen ontstaan tijdens de opschorting waarvan de betaling vereist was voor de continuïteit van de onderneming, niet kunnen geviseerd worden op grond van de artikelen XX.111, 2° en XX.112 WER. Wie het meerdere mag, mag ook het mindere. Immers, de kans dat een contractant tijdens een periode van opschorting op de hoogte is van de staking van betaling van zijn medecontractant is reëel. Anders oordelen zou elke continuïteit tijdens de periode van opschorting ondermijnen of toch bemoeilijken. Het zou elke betaling automatisch verdacht maken. Artikel XX.53 WER legt geen resultaatsverbintenis op, maar vereist enkel dat de verrichte betalingen op het moment van uitvoering in functioneel verband staan met het reorganisatiedoel. Dat uiteindelijk blijkt dat de gerechtelijke reorganisatie mislukt is of geen overdracht tot stand kan worden gebracht, doet daaraan geen afbreuk. De rechtbank behoudt evenwel de bevoegdheid om te remediëren wanneer sprake is van bedrog of misbruik. Artikel XX.53 WER kan niet worden geïnterpreteerd als een vrijgeleide om tijdens de opschortingsperiode de reddeloze onderneming nog een laatste maal leeg te schudden en de resterende activa te onttrekken via buitensporige facturatie voor dienstverleningen allerhande die kennelijk geen enkel legitiem doel dienen. Zelfs indien artikel XX.112 WER wel van toepassing zou zijn op bepaalde betalingen verricht aan een advocaat tijdens een periode van opschorting en die niet vereist waren voor de continuïteit van de onderneming, is de sanctie van de niet-tegenwerpelijkheid nog steeds facultatief. De rechter beschikt over een ruime appreciatiemarge (Cass. 25 mei 1978, Arr. Cass. 1978, 1130). De rechtbank kan rekening houden met de aard van de prestaties en de context waarbinnen deze werden geleverd en betaald. Een advocaat die in een verzoekschrift tot opening van een gerechtelijke reorganisatie een faillissementstoestand van zijn cliënt beschrijft, heeft immers altijd kennis van staking van betaling. Ondanks artikel XX.53 WER, blijven de artikelen XX.111, 1° en XX.114 WER onverkort van toepassing; ook met betrekking tot betalingen aan advocaten waarvoor geen uitzonderingen bestaan. Wanneer een advocaat prestaties aanrekent tegen een waarde die de werkelijke waarde van de prestaties aanmerkelijk overtreft, moet de niet-tegenwerpelijkheid van de betalingen ervan na kennis van staking van betaling, uitgesproken worden. Wanneer een advocaat betrokken is in rechtshandelingen waarvan hij weet of behoort te weten dat hij hierdoor schuldeisers bedrieglijk benadeelt, zal de niet-tegenwerpelijkheid volgen. 5.8. In geval van een procedure van gerechtelijke reorganisatie of overdracht onder gerechtelijk gezag moet bij de beoordeling van mogelijke “benadeling” rekening gehouden worden met artikel XX.58 WER. Overeenkomstig artikel XX.58 WER worden, in de mate dat de schuldvorderingen ten aanzien van de schuldenaar beantwoorden aan prestaties uitgevoerd tijdens de procedure overdracht onder gerechtelijk gezag door zijn medecontractant, en ongeacht of zij voortvloeien uit nieuwe verbintenissen van de schuldenaar of uit overeenkomsten die lopen op het ogenblik van het openen van de procedure, beschouwd als boedelschulden in een navolgende vereffening of faillissement. Ook prestaties geleverd door advocaten tijdens de periode van opschorting zijn reorganisatiekosten die gevat worden door artikel XX.58 WER. De betaling van deze ‘fictieve’ of ‘synthetische’ boedelschulden worden slechts afgenomen bij voorrang van de opbrengst van de tegelde gemaakte goederen waarop een zakelijk recht is gevestigd, voor zover die prestaties bijgedragen hebben tot het behoud van de zekerheid of de eigendom (artikel XX.58 WER in fine). In dat geval moet de medecontractant in concreto aantonen dat de geleverde prestaties de economische waarde van het voorwerp van het zekerheidsrecht hebben bewaard. Het louter bijdragen tot de verderzetting van de activiteit door de schuldenaar, met alle risico’s van dien, heeft niet automatisch tot gevolg heeft dat de economische waarde van de handelszaak bewaard wordt (Cass. 10 juni 2022, JLMB 2022, afl. 39, 1704; TIBR 2023, afl. 2, RS-33; Cass. 22 februari 2018, RW 2018-19, afl. 23, 899). De bepaling heeft tot doel de continuïteit van de onderneming te bevorderen door het vertrouwen van de contractanten van de schuldenaar te waarborgen, teneinde te vermijden dat zij contante betaling van hun schuldvorderingen zouden eisen (Parl.St. Kamer 2007-08, nr. 52-0160/001, 22-23; Parl.St. Kamer 2007-08, nr. 52K0160/002, 63; Parl.St. Kamer 2008-09, nr. 52K0160/5, 148). Hieruit volgt dat wanneer een advocaat van de schuldenaar toepassing wil maken van artikel XX.58 WER om na faillissement openstaande ereloonstaten voor prestaties in het kader van een gerechtelijke reorganisatie te laten betalen bij voorrang op de pandhouder op de ondernemingsgoederen, de advocaat in concreto moet aantonen dat zijn prestaties de economische waarde van de handelszaak heeft bewaard. Het louter verwijzen naar bijstand tijdens de procedure van gerechtelijke reorganisatie of een overdracht onder gerechtelijk gezag, die vervolgens mislukt, volstaat niet noodzakelijk. . V.C. Concrete toepassing .
- i)Wat betreft de betaling van 3.131,66 EUR op 15 april 2024 5.9. De BV [ABC] werd op 15 april 2024 failliet verklaard. De buitenbezitstelling treedt in werking vanaf nul uur op de dag van de faillietverklaring. Vanaf dat ogenblik kon de gefailleerde, al dan niet vertegenwoordigd door de voorlopige bewindvoerder, niet langer beschikken over de tegoeden op haar zichtrekening bij KBC Bank. Bijgevolg is de betaling van 3.131,66 EUR die op 15 april 2024 werd verricht aan de advocaat van de gefailleerde, niet tegenstelbaar aan de boedel. Hieruit volgt dat dit bedrag van 3.131,66 EUR dient te worden terugbetaald. KBC Bank is een pandhoudende schuldeiser, doch ook andere schuldeisers zijn pandhouder op tegoeden of vorderingen, zoals eiser q.q. ter zitting uiteenzet. Het feit dat deze betaling al dan niet werd uitgevoerd in opdracht van de voorlopige bewindvoerder, is hierbij zonder belang. Evenmin dat “deze betaling reeds structureel werd ingepland voorafgaand aan het faillissementsvonnis.” Dat er mogelijk nog andere betalingen zouden zijn gebeurd na het intreden van het nul uur die de curator ongemoeid zou laten en dat de curator selectief te werk zou gaan, volstaat niet om tot rechtsmisbruik te besluiten. Zulke vorderingen zijn op heden overigens nog niet verjaard. In beginsel zijn er intresten verschuldigd vanaf de eerste ingebrekestelling door eiser q.q. tot terugbetaling van voormelde geldsom. Er zijn geen intresten verschuldigd vanaf de datum van de geviseerde betaling. Een ontvanger van gelden na het nul-uur is immers niet noodzakelijk te kwader trouw. De rechtbank weerhoudt geen kwade trouw in hoofde van verweerders. De rechtbank stelt vast dat eiser q.q. in zijn vordering niet verduidelijkt wanneer de periode waarvoor hij intresten vordert, zou moeten aanvangen. De rechtbank kan dan ook enkel intresten toekennen vanaf de datum van inleidende dagvaarding waarin voor het eerst intresten worden gevorderd. De wet van 2 augustus 2002 betreffende de bestrijding van de betalingsachterstand bij handelstransacties is niet van toepassing gelet op de aard van de vordering. Verweerders maken geen opmerkingen over het gegeven dat de vordering strekt tot een hoofdelijke veroordeling van alle verweerders. De vordering van eiser q.q. kan aldus in die zin worden toegekend. . 5.10. Voorlopige bewindvoerder, mr. [Y] moet verweerders niet vrijwaren voor de bevolen terugbetaling ten belope van 3.131,66 EUR, gezien hiertoe geen enkele grond is. De betaling werd uitgevoerd door de BV [ABC]. Er is niet bewezen dat mr. [Y] opdracht heeft gegeven om deze betaling uit te voeren op de dag van faillietverklaring. Zelfs als mr. [Y] dit toch zou beslist hebben, dan nog staat die beslissing niet in causaal verband tot enige vergoedbare schade in hoofde van verweerders. Immers, als mr. [Y] de beslissing tot betaling niet zou genomen hebben, dan waren verweerders evenmin betaald en hadden zij nog steeds een restvordering van 3.131,66 EUR uit hoofde van onbetaald ereloon. Tenslotte weet elke contractant van een onderneming in een procedure gerechtelijke reorganisatie wat zijn rechten zijn (zie onder meer artikel XX.53 en artikel XX.58 WER) doch ook wat de risico’s zijn bij niet of niet-tijdige betaling. Dit geldt ook voor advocaten van de onderneming in moeilijkheden. Mr. [Y] heeft op geen enkel ogenblik ten aanzien van verweerders gegarandeerd dat elke prestatie zou kunnen betaald worden door de BV [ABC], noch heeft zij zichzelf persoonlijk hiertoe verbonden, minstens tonen verweerders dit niet aan. Het louter feit dat een restschuld voor prestaties geleverd tijdens de periode van opschorting niet kan betaald worden, is niet noodzakelijk een fout van het bestuur of van zij die de bevoegdheden ervan uitoefenen. .
- ii)Wat de overige vordering ten belope van 38.603,34 EUR betreft . 5.11. Eiser q.q. vordert verder betaling van 38.603,34 EUR die hij met verwijzing naar artikelen XX.112 en XX.114 WER koppelt aan de niet-tegenstelbaarheid van de betaling aan mr. [X]. Eiser q.q. somt een aantal feitelijkheden en bedenkingen op waaruit hij besluit dat de toepassingsvoorwaarden van de artikelen XX.112 en XX.114 WER zijn voldaan. In essentie bekritiseert eiser q.q. dat mr. [X] prestaties heeft aangerekend en betaald gekregen voor zijn diensten in het kader van de door hem begeleide reorganisatieprocedure voor de BV [ABC], waarvan mr. [X] zou geweten hebben dat deze procedure geen enkele kans op slagen had, dan wel dat mr. [X] “alles in het werk heeft gesteld” om te blijven volharden in een lopende gerechtelijke reorganisatieprocedure om zo de faillietverklaring uit te stellen. Er zou sprake zijn van het verderzetten van een reddeloos verloren onderneming. De rechtbank wijst de vorderingen van eiser q.q. af en besluit dat er geen reden zijn om toepassing te maken van artikelen XX.112 en XX.114 WER. . 5.12. Eiser q.q. gaat uit van verkeerde uitgangspunten. In de opbouw van zijn redenering negeert eiser q.q.: - Dat ingevolge de niet-bestreden beschikking van 8 november 2023 de opdracht van mr. [Y] onder meer inhield “als wettelijke vertegenwoordiger de positie van [ABC] BV in het handelsverkeer waar te nemen en haar ten aanzien van eender welke derde te vertegenwoordigen”. - Dat de inschakeling van mr. [X] als advocaat van BV [ABC] werd beslist, minstens werd bekrachtigd door de voorlopige bewindvoerder in naam en voor rekening van BV [ABC]. - Dat mr. [X] prestaties heeft geleverd in het kader van een gerechtelijke reorganisatie met het oog op het behoud van de continuïteit of toch minstens in het kader van een poging hiertoe. Dat het te dezen volstaat te verwijzen naar
- i)het verzoekschrift tot opening van de procedure overdracht onder gerechtelijk gezag van 28 december 2023 ondertekend door mr. [X] én mr. [Y],
- ii)naar de gelden ontvangen op de derdenrekening van mr. [X] in het kader van klantinvorderingen voor de BV [ABC] en iii) de tussenkomsten in andere hangende gedingen inzake onder meer huur. - Dat de voorlopige bewindvoerder alle geleverde prestaties van mr. [X] en de voorgelegde ereloonfacturen heeft goedgekeurd in naam en voor rekening van de BV [ABC]. - Dat de voorlopige bewindvoerder de wijze van betaling door middel van compensatie gedurende de ganse periode van opschorting heeft goedgekeurd, minstens heeft bevestigd. - Dat het de voorlopige bewindvoerder was – en niemand anders – die in naam en voor rekening van BV [ABC] heeft beslist om de procedure tot overdracht onder gerechtelijk gezag aan te vatten. Zij was overigens de enige die daartoe kon beslissen op straffe van onontvankelijkheid van het verzoekschrift. - Dat mr. [X] als raadsman geen enkele zeggenschap had over de al dan niet aangifte van staking van betaling. Enkel bestuurder [R] kon beslissen eerder de boeken neer te leggen, wat hij klaarblijkelijk niet heeft gedaan. - Dat eiser q.q. geen vordering stelt tegen de voorlopige bewindvoerder of tegen de bestuurder van BV [ABC] en dat de relatie tussen BV [ABC] en mr. [X] van contractuele aard is. - Dat eiser q.q. geen opmerkingen maakt over de omvang van de aangerekende prestaties, de gehanteerde eenheidsprijzen en de wijze van tijdsregistratie vanwege verweerders. . 5.13. In tegenstelling tot wat eiser q.q. stelt in conclusie wordt door geen enkele partij beweerd dat mr. [X] bijstand zou geleverd hebben aan de voorlopige bewindvoerder “om haar te helpen bij de uitvoering van haar gerechtelijk mandaat”. De voorlopige bewindvoerder heeft voor rekening en in naam van BV [ABC] gevraagd op te treden als raadsman van de BV [ABC]. Eiser q.q. kan niet worden gevolgd in zijn redenering. Enerzijds stelt hij in zijn conclusie dat “de voorlopig bewindvoerder in eer en geweten oordeelde dat de opstart van een GRP in de vorm van een overdracht de nodige kansen verdiende”, terwijl hij anderzijds betoogt dat de advocaat die door de voorlopige bewindvoerder werd aangesteld om dit te realiseren, niet zou mogen worden vergoed. Het lijkt erop dat eiser q.q. de eventuele bestuursfouten die vóór de faillietverklaring zouden zijn begaan, tracht te verhalen op of toe te rekenen aan mr. [X]. Op geen enkel moment wordt echter duidelijk op welke concrete feiten deze stelling is gebaseerd. Bovendien wordt onvoldoende onderscheid gemaakt tussen contractuele en buitencontractuele grondslagen. Er wordt geen debat op contractuele gronden gevoerd, in het bijzonder wat betreft de draagwijdte van de aansprakelijkheid van advocaten. . 5.14. De betalingen aan mr. [X] in de periode van 8 november 2023 tot en met 15 april 2024 met activa van de BV [ABC] gebeurde met kennis en instemming van mr. [Y]. Uit de stukken blijkt dat mr. [Y] voor rekening en in naam van BV [ABC] de ereloonfacturen steeds heeft goedgekeurd: - een mail van 13 november 2023 gericht aan de bestuurder van BV [ABC], waarin mr. [Y] stelt: “Kan u mij bevestigen dat de factuur aan meester [X] werd voldaan alsook mijn factuur ?” - een mail van 29 december 2023 gericht aan de bestuurder van BV [ABC], waarin mr. [Y] stelt: “zoals besproken zal gelet op de opschorting ingevolge het neergelegde verzoekschrift GRP een strak betalingsbeleid dienen te worden gevolgd […] de facturen van de verrichtte prestaties van mtr. [X] en mezelf worden binnen vervaltermijn voldaan”. - een mail van 10 april 2024 gericht aan de bestuurder van BV [ABC], waarin mr. [Y] stelt: “Plant u tevens de betaling van (het saldo van) de ereloonstaat van meester [X] in a.u.b. ? zie bijlage”. - een mail van 12 april 2024 gericht aan de bestuurder van BV [ABC], waarin mr. [Y] stelt: “Daarnaast kan ook het saldo van de afrekening van uw raadsman, meester [X] van 3.131,66 UR niet voldaan worden” 5.14. Uit de stukken, conclusies en pleidooien ter zitting blijkt dat aan mr. [X] toelating was gegeven om de door hem geïnde bedragen toe te rekenen op zijn ereloon. Die toelating is niet pas gegeven in de laatste dagen voor faillissement, doch betrof een afspraak bij de aanvang van de gerechtelijke reorganisatieprocedure. Zo werd in toepassing van deze overeenkomst, de compensatie al toegepast op 3 januari 2024 en 28 februari 2024. Deze verbintenis aangegaan door de voorlopige bewindvoerder in naam en voor rekening van de BV [ABC] was niet abnormaal, noch ingegeven door bedrieglijk inzicht. In de zeer specifieke context van de problematiek van de BV [ABC] heeft de voorlopige bewindvoerder ervoor geopteerd om het reguliere werkingskapitaal niet bij voorrang aan te wenden voor (vooruit)betalingen van erelonen van de advocaat, doch wel akkoord te gaan met compensaties met te ontvangen gelden. Dit is geen onredelijke beleidsbeslissing. Het risico bestond dat de gelden niet konden geïnd worden en dat aldus mr. [X] niet kon betaald worden. De voorlopige bewindvoerder heeft op geen enkel ogenblik ten aanzien van mr. [X] een einde gesteld aan de eerdere afspraak inzake compensatie. Deze afspraak werd ook transparant gecommuniceerd. Te dezen kan verwezen worden naar een mail van 8 maart 2024 waarin de afspraken met betrekking tot de compensatie met derdengelden door mr. [X] na een vergadering wordt bevestigd aan onder meer mr. [Y] en de vereffeningsdeskundigen tot overdracht onder gerechtelijk gezag. Mr. [X] heeft op 21 februari 2024 voor het laatst gelden geïnd op zijn derdenrekening. Mr. [X] kon zich bij niet-betaling van zijn ereloon vanaf dan, op elk ogenblik beroepen op de exceptio non adimpleti contractus of niet-uitvoeringsexceptie om enerzijds zijn prestaties, doch anderzijds ook zijn afgifteverplichting van de derdengelden op te schorten (V. Sagaert, noot onder HvB Brussel 26 maart 2002, TBBR 2003, p. 327). Dat hij in die concrete omstandigheden pas op 8 april 2024 het laatste saldo op zijn derdenrekening heeft gecompenseerd, kan dan niet aanzien worden als een bedrieglijke benadeling. Eiser q.q. verwijst meermaals naar de periode tussen 8 april en 15 april 2024, doch noch uit de gevoegde prestatielijsten (de zgn. ‘timesheets’) noch uit de voorgelegde betalingen kan de rechtbank afleiden dat mr. [X] zou betaald zijn voor geleverde prestaties tussen 8 april tot en met 15 april 2024, rekening houdend met de hierboven bevolen terugbetaling ten belope van 3.131,66 EUR. Tenslotte merken verweerders terecht op dat eiser q.q. niet ingaat op de mogelijke gevolgen van artikel XX.58 WER en niet aanschouwelijk maakt dat de boedel zelf deficitair zou zijn en niet alle boedelkosten zouden kunnen worden betaald, in de mate dat dit al relevant zou zijn gezien bovenstaande vaststellingen. . 5.15. Wat de retroactieve frustraties of de gevoelens waren van de bestuurder van BV [ABC], [R], over de tussenkomst van mr. [X], als advocaat van BV [ABC] tijdens de periode van het voorlopig bewind, is niet relevant. De enige die beslissingen in dat kader kon nemen was de voorlopige bewindvoerder. Nergens wordt door eiser q.q. beweerd dat de voorlopige bewindvoerder fouten zou gemaakt hebben. Dat mr. [X] “alles in het werk gesteld om zijn cliënt op andere gedachten te brengen en het faillissement niet aan te vragen” blijkt uit geen enkel stuk. [R] was bestuurder en kon zijn verantwoordelijkheid nemen door op elk ogenblik de boeken neer te leggen. Als er al sprake was van een voortzetting van een kennelijk verloren onderneming, dan was dit enkel gelegen aan het gewone bestuursorgaan en niet aan de voorlopige bewindvoerder – die de voortijdige beëindiging van de procedure overdracht onder gerechtelijk gezag heeft benaarstigd – en niet aan de advocaat die in alle onafhankelijkheid zijn cliënt verdedigt op vorderingen gesteld tegen zijn cliënt. . 5.16. Of het achteraf gezien de beste beslissing was om over te gaan tot een procedure onder gerechtelijk gezag, of om hiervoor nog 41.735 EUR te betalen aan een raadsman terwijl de onderneming onder voorlopig bewind stond en er twee vereffeningsdeskundigen waren aangesteld om de overdracht te bewerkstelligen , is niet de juiste vraagstelling. Zowel de voorlopige bewindvoerder als de door haar aangestelde advocaat beschikken over beleidsvrijheid bij het bepalen van de reorganisatiestrategie. De opvolgende curator, of desgevallend de rechter, mag zijn persoonlijke voorkeuren niet boven de afgewogen keuzes van de voorlopige bewindvoerder of de advocaat plaatsen. Een voorlopige bewindvoerder wordt immers net aangesteld om volledig onafhankelijk te handelen. Een vermeende foutieve strategie is alleen relevant wanneer deze buiten de redelijke beoordelingsruimte valt waarbinnen meerdere keuzes verdedigbaar waren. Met name wat de voorlopige bewindvoerder betreft, moet rekening worden gehouden met het feit dat hij bij de aanvang van zijn opdracht vaak niet over alle informatie beschikt of deze niet krijgt, waardoor hij zich geen volledig beeld kan vormen en de slaagkansen van de ene of andere maatregel niet kan inschatten zoals van het gewone bestuursorgaan kan worden verwacht. Wat redelijk is voor een voorlopige bewindvoerder, is dat niet noodzakelijk voor een gewoon bestuursorgaan. . 5.17. Eiser q.q. vraagt de vordering tot het overleggen van stukken te verzenden naar de rol te zenden met als argument “nu de curatele sinds die datum over de nodige stukken beschikt, of liever: denkt te beschikken, om zijn vordering te staven. Dat niet alle gewenste stukken werden overgemaakt, zal naar hetgeen de curatele nu kan inschatten, geen wezenlijk verschil uitmaken voor de beoordeling van de gestelde vordering die de curatele stelt.” Er is geen reden dit punt van de vordering naar de rol te zenden. Eiser q.q. heeft alle stukken en heeft geen belang deze vordering aan te houden. . VI. DE BEOORDELING VAN DE TEGENEIS . 6.1. Verweerders vorderen eiser q.q. te veroordelen tot betaling van een schadevergoeding van 7.070,00 EUR, namelijk 2.070,00 EUR “voor geleverd werk” en 5.000,00 EUR “wegens reputatieschade”. Verweerders stellen dat : “zij genoodzaakt [zijn] geweest om aanzienlijke inspanningen te leveren, enerzijds om zich te verdedigen tegen de manifeste onwaarheden die door eiser qq. zijn verspreid, en anderzijds omdat eiser qq. ernstig tekortschiet in de uitvoering van zijn eigen verplichtingen. Hierdoor hebben concluanten onnodig tijd en middelen moeten investeren om hun rechten te vrijwaren en de gevolgen van de nalatigheden en valse beweringen van eiser qq. te mitigeren. Concluanten hebben zich onder meer moeten bezighouden met uitgebreide opzoekingen, het voeren van correspondentie, en het opstellen van verweer tegen de lasterlijke beweringen. De hiermee gepaard gaande tijdsbesteding wordt door concluanten begroot op tien uur” en verder “eiser qq. doelbewust alles in het werk heeft gesteld om de reputatie van concluanten te schaden. Dit werd niet alleen bewerkstelligd door de verspreiding van onjuiste en misleidende informatie naar derden, maar ook door het verstrekken van foutieve en schadelijke verklaringen aan de rechtbank en de rechters-commissarissen”. Eiser q.q. zou in het proces-verbaal van afstapping – dat werd neergelegd in het publieke luik van het register – “subjectieve uitspraken” van de bestuurder, [R], opgenomen hebben “zonder nuance” waardoor verweerders “zonder enige rechterlijke vaststelling publiekelijk en gerechtelijk in diskrediet gebracht [werden]”. . 6.2. Uit het oordeel van de rechtbank over de grond van de zaak blijkt dat de vorderingen en stellingen van eiser q.q. niet geheel zonder grond waren. Dat finaal de vorderingen van eiser q.q. slechts beperkt gegrond zijn verklaard, betekent niet dat eiser q.q. hierdoor ”foutief” heeft opgetreden. Dat de rechtbank in dit vonnis finaal een andere interpretatie aan de feiten en intenties van partijen heeft gegeven, betekent niet dat de curator in zijn wettelijke taak “nalatig” of “vals” is geweest. Juridische standpunten of de appreciatie van feiten kunnen verschillen. Dat eiser q.q. beweringen geuit door de bestuurder van de BV [ABC] nopens de omstandigheden en oorzaken van het faillissement heeft opgenomen in zijn proces-verbaal van afstapping, is niet foutief of ongebruikelijk. Het blijven slechts eenzijdige beweringen van een bestuurder wiens vennootschap zopas failliet werd verklaard. Ook de lezer van zulke documenten, weet dit. De rechter-commissarissen hebben bevestigd dat het proces-verbaal een correcte weergave betreft van hetgeen verklaard werd tijdens de afstapping. Uit niets blijkt dat verweerders “publiekelijk of gerechtelijk in diskrediet” werden gebracht. Het louter feit dat advocaten of insolventiefunctionarissen onderling geschillen hebben die worden voorgelegd aan een rechtbank om deze op te lossen, maakt niet dat de ene of de andere partij hierdoor in “gerechtelijk diskrediet” wordt gebracht. Aangezien de curator in zijn jaarverslagen (artikel XX.128 WER) een stand van zaken moet geven over gevoerde en hangende procedures met betrekking tot zijn bewind, zal de uitkomst van huidig geschil ook daar kenbaar gemaakt worden. Daar de rechtbank geen foutief gedrag van eiser q.q. vaststelt, kan hij niet tot schadevergoeding veroordeeld worden. . 6.3. Tenslotte stellen verweerders een tegeneis in om eiser q.q. te verplichten verschillende stukken voor te leggen, met volgende motivering: “deze stukken zijn relevant voor de beoordeling van zowel de ontvankelijkheid als de gegrondheid van de vorderingen van eiser qq., die thans worden opgehangen aan suggestieve feitelijke aannames zonder onderbouwend materiaal. Zonder inzage in deze documenten kunnen concluanten zich niet op afdoende wijze verdedigen.” Gezien het oordeel van de rechtbank met betrekking tot de hoofdeis, is er geen noodzaak deze documenten te doen overleggen. Deze stukken zijn niet dienstig om te oordelen over de vordering op grond van artikel XX.110 WER. . VII. DE GERECHTSKOSTEN 7.1. De proceskosten vallen in de regel ten laste van de in het ongelijk gestelde partij (artikel 1017, 1e lid Ger.W.). Verweerders zijn te aanzien als de in het ongelijk gestelde partijen. Dat zij slechts veroordeeld zijn tot 3.131,66 EUR van de gevorderde 41.735,00 EUR doet hieraan geen afbreuk, minstens niet wat betreft de kosten van dagvaarding. Niets weerhield verweerders om eerder vrijwillig het bedrag van 3.131,66 EUR terug te betalen. Er is geen reden om de gerechtskosten ten aanzien van eiser q.q. om te slaan. De kost van de dagvaarding was immers steeds noodzakelijk om tot deze, weliswaar mindere, veroordeling te komen. Eiser q.q. die curator is, werd niet door een advocaat bijgestaan of vertegenwoordigd en heeft geen recht op een rechtsplegingsvergoeding (Cass. 5 oktober 2016, P.16.0420.F ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20161005.2). In toepassing van artikel 4, § 2, lid 1 en 3 en artikel 5, § 1 van de wet van 19 maart 2017 tot oprichting van een Begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand worden verweerders verwezen in de bijdrage van 26,00 EUR aan het Begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand. Waar artikel 279
(1), 4°, W.Reg. in een vrijstelling van rolrechten voorziet voor alle zaken die ingeleid worden in het kader van Boek XX WER, met betrekking tot de insolventie van ondernemingen, is er geen aanleiding om in toepassing van artikel 269
(2)§ 1 W.Reg. enige veroordeling tot betaling van rolrechten uit te spreken. 7.
- Een vordering tot tussenkomst en vrijwaring creëert een nieuwe procesverhouding tussen de eiser in vrijwaring en de verweerder in vrijwaring; de partij die binnen deze procesverhouding in het ongelijk wordt gesteld, dient een rechtsplegingsvergoeding te betalen aan de in het gelijk gestelde partij. Deze rechtsplegingsvergoeding wordt afzonderlijk bepaald op basis van de vordering tot tussenkomst en vrijwaring (Cass. 23 juni 2016 C.14.0110.N ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160623.3). Het loutere feit dat de vrijwaringsvordering zonder voorwerp is (omdat de hoofdeis als ongegrond wordt afgewezen) en er geen sprake is van een formeel in het ongelijk gestelde partij in de procesverhouding van de eis in vrijwaring is zonder relevantie. Behoudens wanneer een procedureakkoord omtrent de omvang van de rechtsplegingsvergoeding dan wel een grond of een verzoek tot afwijking van het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding voorligt, dient de rechter ambtshalve het met toepassing van de bepalingen van het Tarief Rechtsplegingsvergoeding correcte basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding te bepalen (Cass. 13 januari 2023, C.22.0158.N ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230113.1N.4). Verweerders zijn aan mr. [Y] een rechtsplegingsvergoeding verschuldigd van 3.924,42 EUR. 7.
- Behoudens de uitzonderingen die de wet bepaalt of tenzij de rechter, ambtshalve of op verzoek van een van de partijen, bij met bijzondere redenen omklede beslissing anders beveelt, onverminderd artikel 1414 Ger.W., zijn de eindvonnissen uitvoerbaar bij voorraad, zulks niettegenstaande hoger beroep en zonder zekerheidsstelling indien de rechter deze niet heeft bevolen (art. 1397, lid 1 Ger.W.). Partijen argumenteren niet op een concrete wijze waarom de rechtbank in deze zaak zou moeten afwijken van dit principe. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad. . VIII. DE BESLISSING . De rechtbank doet recht op tegenspraak en op grond van alle bovenstaande redenen, alle verdere en meer uitgebreide of strijdige conclusies verwerpende als zijnde niet-gegrond of niet ter zake dienend. De rechtbank verklaart zich bevoegd tot kennisname van de vordering. Verklaart de vorderingen van eiser q.q. ontvankelijk en gegrond in volgende mate: - Veroordeelt Advocatenkantoor [ZX], mr. [X] en mr. [Z] hoofdelijk tot het betalen aan eiser q.q. een bedrag van 3.131,66 EUR, meer de intresten aan de wettelijke intrestvoet vanaf 24 november 2024 tot datum algehele betaling en wijst het overige af. - Wijst de vordering van eiser q.q. tot het voorleggen van stukken af. Verklaart de tegenvordering van verweerders ontvankelijk, doch ongegrond. Verklaart de tussenvordering van verweerders tegen mr. [Y] zonder voorwerp. Veroordeelt Advocatenkantoor [ZX], mr. [X] en mr. [Z] hoofdelijk tot betaling van de kosten van het geding in hoofde van eiser q.q. begroot op 403,61 EUR (dagvaarding) en in hoofde van mr. [Y] begroot op 3.924,42 EUR (rechtsplegingsvergoeding). Veroordeelt Advocatenkantoor [ZX], mr. [X] en mr. [Z] tot betaling van het rolrecht van 165 EUR aan de Belgische Staat (FOD Financiën). De FOD Financiën zorgt voor de inning en zal hiertoe een betalingsuitnodiging sturen. In toepassing van artikel 4, § 2, lid 1 en 3 en artikel 5, § 1 van de wet van 19 maart 2017 tot oprichting van een Begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand worden Advocatenkantoor [ZX], mr. [X] en mr. [Z] verwezen in de bijdrage van 26,00 EUR aan het Begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand. Wijst het anders- of meergevorderde af als ongegrond. ***** Gewezen op tegenspraak door de Tweede Kamer van de Ondernemingsrechtbank van Gent – Afdeling Gent, samengesteld uit: V. Verlaeckt, rechter en voorzitter van de kamer, P. Van Laere en P. Van den Bossche, rechters in ondernemingszaken, en uitgesproken door de voorzitter van de kamer in openbare terechtzitting op 3 februari 2026 in aanwezigheid van A. Vriendt, griffier. A. Vriendt P. Van den Bossche P. Van Laere V. Verlaeckt Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160623.3 ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20161005.2 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230113.1N.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div