← België

ECLI:BE:ORGNT:2026:JUG.20260203.2

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Ondernemingsrechtbank Gent Vonnis/arrest van 03 februari 2026 ECLI nr: ECLI:BE:ORGNT:2026:JUG.20260203.2 Vervangt nummer: ECLI:BE:ORGNT:2025:JUG.20250203.1 Rolnummer: N/25/00185 Rechtsgebied: Insolventierecht Invoerdatum: 2026-02-05 Raadplegingen: 359 - laatst gezien 2026-06-18 23:39 Fiche De verslavingsproblematiek heeft onmiskenbaar bijgedragen tot het faillissement, Door de schijnbare noodzaak om eigen middelen en de middelen van de [VOF] prioritair te besteden aan diverse verslavingen, werden de geduldige schuldeisers systematisch achtergesteld. Het argument dat de “gewone leveranciers” wél werden betaald, biedt geen enkele verschoning; integendeel. De rechtbank erkent dat alcohol - en gokverslaving een ernstige aandoening is, maar dit neemt het bestaan van een kennelijke grove fout niet weg. Een ondernemer weet of behoort te weten dat hij zijn onderneming moet staken wanneer verslavingen zodanig zijn dat ze het eigen handelen beïnvloeden of de financiële draagkracht te boven gaan. UTU-thesaurus: HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - INSOLVENTIE Vrije woorden: gedeeltelijke weigering kwijtschelding faillissement Wettelijke bepalingen: Wetboek van economisch recht - 28-02-2013 - XX.173 - 19 ELI link Pub nr 2013A11134 Tekst van de beslissing Ondernemingsrechtbank Gent, afdeling Gent, tweede kamer: . Partijen in het geding Mr. [X], advocaat, handelend in zijn hoedanigheid van curator van het faillissement van [A] Eiser q.q. [A] Gefailleerde, Vertegenwoordigd door mr. […] . I. INFORMATIE OVER DE PROCEDURE . 1.

  1. Het geding werd ingeleid met het verzoekschrift van de curator van 22 juli 2025, neergelegd in het Register op dezelfde datum. De rechtbank heeft de partijen in raadkamer van 16 december 2025 gehoord, waarna de debatten werden gesloten en de zaak in beraad werd genomen. De rechtbank heeft kennis genomen van het rechtsplegingsdossier en de neergelegde stukken. De bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken werden nageleefd. . II. SAMENVATTING VAN DE RELEVANTE FEITEN . 2.
  2. [A] werd in staat van faillissement verklaard bij vonnis van deze rechtbank van […]. Mr [X] eiser q.q., werd aangesteld als curator. Op 22 juli 2025 heeft de curator het verzoekschrift in overeenstemming met artikel XX.173, §3 WER neergelegd. Op 23 oktober 2025 heeft de curator in het Register een verzoekschrift tot sluiting van het faillissement neergelegd waarin hij, in overeenstemming met artikel XX.135, §1, 3e lid WER, een verslag heeft opgenomen over de omstandigheden die aanleiding kunnen geven tot de vaststelling van kennelijk grove fouten. In dit verslag wijst de curator onder meer op “spijts het feit dat de gefailleerde de nodige inlichtingen en medewerking heeft verstrekt naar aanleiding van de aangifte van het faillissement en/of naderhand op de vragen van de rechtercommissaris of van de curator heeft geantwoord, dat er niet omheen kan worden gegaan dat de gefailleerde naar oordeel van de curator kennelijke grove fouten heeft begaan die hebben bijgedragen tot het faillissement. Voor zover als nodig, de curator verwijst naar het verzoekschrift dat hij op 22 juli 2025 overeenkomstig art. XX.173§3 WER heeft neergelegd via REGSOL. ” . III. DE VORDERINGEN . 3.
  3. In het verzoekschrift vordert de curator: • Gefailleerde kennis te geven van onderhavig verzet; • De kwijtschelding van de schulden van de gefailleerde minstens ten dele te weigeren. De curator wijst in zijn verzoekschrift naar volgende omstandigheden: “Dat de curator voorafgaandelijk erop wijst dat gefailleerde in haar hoedanigheid van hoofdelijk aansprakelijke vennoot van [VOF MLK] ] failliet verklaard bij vonnis van [….] 2024, gehouden is (samen met dhr [FV] , mede vennoot in [VOF MLK] ) om in te staan voor de restschulden van dit faillissement. Bij afsluiting van het faillissement VOF [MLK] zal slechts een bedrag van EUR 113,69 als dividend kunnen uitbetaald worden aan de meest nuttig gerangschikte schuldeiser in het faillissement, i.c. LIANTIS Soc. Verzekeringsfonds VZW. De omvang van de restschulden in voormeld faillissement bedraagt alsdan EUR 17.064,56 (meer ereloon en beheerskosten). Dat de curator meedeelt dat gefailleerde de gepaste medewerking heeft verleend aan curator bij diens faillissementswerkzaamheden. Dat anderzijds het gepast is te wijzen dat de integraliteit van de in het persoonlijke faillissement ingediende schuldvorderingen (EUR 81.769,97) fiscale schulden en schulden inzake de sociale zekerheid voor zelfstandigen betreffen. De fiscale schulden hebben betrekking op - Personenbelasting AJ2023, Inkomsten 2022; - Personenbelasting AJ2024, Inkomsten 2023; Ofwel samen goed voor EUR 64.939,05 - Sociale zekerheidsbijdragen voor alle kwartalen van Q3/2019 tot Q1/2024, met uitzondering van Q1/2020; Ofwel samen goed voor 18 kwartalen, en inclusief kwartaalverhogingen, jaarverhogingen, gerechtskosten, oplopend tot EUR 16.830,92 Het staat vast dat het dergelijk laten aanslepen van fiscale schuld of sociale schuld een kennelijk grove fout is, gezien gefailleerde zich hierdoor een kunstmatig krediet verschafte door het systematisch niet nakomen van haar fiscale en sociale verplichtingen. Dergelijke fout draagt ook onvermijdelijk bij tot het faillissement aangezien de opbouw van dergelijke schulden gepaard gaat met bijkomende schulden (verhogingen, intresten, boetes en kosten) waardoor een faillissement haast onvermijdelijk wordt. Het staat aldus vast dat gefailleerde op systematische wijze haar essentiële fiscale en sociaalrechtelijke verplichtingen heeft miskend. Dat het anderzijds ook gepast is om Uw zetel ervan diets te maken dat gefailleerde schromelijk, weliswaar onmiddellijk bij de eerste verklaringen, heeft toegegeven dat een internetverslaving in haar hoofde niet vreemd is aan het faillissement van haar levenspartner (dhr. [FV] ), waarbij deze laatste initieel van op de hoogte was edoch volhardde in het gebruik van de beroepsinkomsten om aan haar verslaving te kunnen tegemoetkomen. Het betreft grove fouten die door een normaal voorzichtig ondernemer niet worden begaan en waarvan gefailleerde zich bewust diende te zijn dat deze fouten en nalatigheden schade kunnen veroorzaken. Terugkomend op de schulden aan de institutionele schuldeisers. Uiteraard dient niet bij de minste achterstand door een ondernemer overgegaan te worden tot het neerleggen van de boeken. Wél zal het onbetaald laten van de institutionele schuldeisers gedurende een langere periode zonder dat maatregelen worden geïmplementeerd om het tij te doen keren en de onderneming te saneren (zoals in casu), op een bepaald ogenblik een kennelijk grove fout uitmaken. Enkel door aangifte van staking van betaling kan dan de toename van de schulden getemperd worden. Ook dat liet gefailleerde na te doen. Dat de samenlezing van het voorgaande kennelijk grove fouten uitmaakt die bijdroegen tot het faillissement van Mevr. [A] en tot de absolute discrepantie tussen het actief en het passief staat buiten kijf. Het gaat niet op om nooit de gepaste bijdragen te leveren aan de maatschappij (door middel van het betalen van belastingen en sociale bijdragen) dan wel de maatschappij op kosten te jagen, maar de gevolgen van dergelijk gedrag (: een faillissement) dan wél af te wentelen op dezelfde maatschappij door haar verzoek tot kwijtschelding. Vanuit die optiek komt het de curatele weinig gepast voor dat de gefailleerde de in wet ingeschreven gunst van de kwijtschelding zou worden toebedeeld.” . 3.
  4. De gefailleerde vordert in haar conclusie: “Uitspraak doende over de vordering (het zogenaamd ‘’verzet’’) van de curator: deze ontvankelijk, maar ongegrond te verklaren. Dienvolgens de algehele kwijtschelding van restschulden aan de gefailleerde toe te kennen. De curator te verzoeken het vonnis bij uittreksel bekend te maken in het Belgisch Staatsblad zoals voorgeschreven door art. XX. 173, § 2 laatste lid WER.” . IV. DE BEOORDELING . 4.
  5. Artikel XX.173 §1, 1e lid WER luidt: “Indien de gefailleerde een natuurlijke persoon is, zal hij ten aanzien van de schuldeisers worden bevrijd van de restschulden, onverminderd de zakelijke zekerheden gesteld door de schuldenaar of een derde.” . 4.
  6. In overeenstemming met artikel XX.173, §3 WER kan de kwijtschelding, al dan niet in zijn geheel, geweigerd worden bij gemotiveerde beslissing op vordering van een belanghebbende, met inbegrip van de curator en het openbaar ministerie, “indien de gefailleerde kennelijk grove fouten heeft begaan die hebben bijgedragen tot het faillissement”. Een grove fout betreft een ernstige inbreuk op de essentiële normen van het vennootschapsleven of een flagrante fout die getuigt van een niet verschoonbare lichtzinnigheid of onzorgvuldigheid. Het kennelijk karakter duidt erop dat het een manifeste fout betreft die ook als dusdanig door elk redelijk voorzichtig en vooruitziend ondernemer wordt aanzien. De kennelijk grove fout kan bestaan uit een geheel van feiten en gedragingen die door hun samenhang als kennelijk grof worden beschouwd. Goede trouw van de gefailleerde is een cruciaal aspect dat de rechter in overweging moet nemen wanneer hij zich over de schuldkwijtschelding uitspreekt (Parl.St., Kamer 2016-17, nr. 2407/004, 53-54). Een volledige kwijtschelding is niet passend voor insolvente ondernemers die bij het aangaan van schulden oneerlijk of te kwader trouw hebben gehandeld tegenover schuldeisers of andere belanghebbenden (vgl. artikel 23, lid 1 van Richtlijn 2019/1023 en overweging nr. 79). Dat de fout moet ‘bijgedragen’ hebben tot het faillissement, houdt in dat de fout een aandeel moet gehad hebben in het daaropvolgende faillissement. Het volstaat dat zonder de fout, de schade zich niet in dezelfde vorm zou hebben voorgedaan. . 4.
  7. De rechtbank besluit uit de feiten en gegevens, zoals door de curator aangebracht, dat er in hoofde van gefailleerde sprake is van kennelijk grove fouten. De feiten en gegevens zoals aangebracht door de curator herneemt de rechtbank hier en maakt deze tot de zijne. Het aangegeven passief bedraagt 81.769,97 EUR. Dit bestaat integraal uit schulden aan zogenaamd geduldige schuldeisers, namelijk 64.939,50 EUR uit hoofde van twee aanslagjaren onbetaalde personenbelasting en 16.830,92 EUR uit hoofde van 18 onbetaalde kwartalen aan sociale bijdragen. Ter zitting verduidelijkt de curator dat de beoordeling van deze zaak ook zou dienen te gebeuren in het licht van het verzoek tot kwijtschelding van de heer [FV] , zijnde de mede-vennoot [VOF MLK] en met wie gefailleerde wettelijk samenwonend was. Het faillissement van gefailleerde is een rechtsreeks gevolg van de faillietverklaring van de [VOF MLK], waarvan zij onbeperkt aansprakelijke vennoot was. Uit de stukken en de verklaringen ter zitting blijkt in hoofde van gefailleerde een ernstige verslavingsproblematiek, met betrekking tot zowel alcohol als online kansspelen. Gefailleerde argumenteert dat haar wettelijk samenwonende partner de activiteiten van de [VOF MLK] steeds heeft voortgezet om schulden af te lossen, maar in werkelijkheid blijkt de verderzetting vooral te hebben gediend om de gevolgen van de verslavingen te compenseren. Wanneer noodzakelijke liquiditeiten worden vergokt en vervolgens de nieuwe inkomsten steeds moeten worden aangewend om die gokverslaving in stand te houden, kan een onderneming onmogelijk succesvol zijn. Door de schijnbare noodzaak om eigen middelen en de middelen van de [VOF MLK] prioritair te besteden aan diverse verslavingen, werden de geduldige schuldeisers systematisch achtergesteld. Het argument dat de “gewone leveranciers” wél werden betaald, biedt geen enkele verschoning; integendeel. De rechtbank erkent dat alcohol - en gokverslaving een ernstige aandoening is, maar dit neemt het bestaan van een kennelijke grove fout niet weg. Een ondernemer weet of behoort te weten dat hij zijn onderneming moet staken wanneer verslavingen zodanig zijn dat ze het eigen handelen beïnvloeden of de financiële draagkracht te boven gaan. Er is ook sprake van laattijdige aangifte van faillissement. Uit het eigen stuk 4 volgt dat reeds in de zomer van 2023 brieven van diverse gerechtsdeurwaarders werden ontvangen. In combinatie met het langdurig onbetaald blijven van de geduldige schuldeisers wijst dit op een laattijdige aangifte van faillissement. Gefailleerde moest niet noodzakelijk wachten tot het faillissement van de VOF om zelf persoonlijk aangifte van staking van betaling te doen. Uit de aard van het passief blijkt dat gefailleerde elke overheidsschuldeiser negeert. Zij verschafte zichzelf op deze manier een oneigenlijk krediet en kon op die wijze een verlieslatende onderneming verderzetten. Het systematisch weigeren conform de wettelijke bepalingen bij te dragen tot de publieke middelen is manifest asociaal gedrag en ondermijnt het eerlijke handelsverkeer. Zulk onverschillige houding ingegeven uit louter eigen winstbejag, schuift de lasten door naar andere deelnemers in dat handelsverkeer – en bij uitbreiding elkeen die wel bijdraagt tot de maatschappij. Gedurende vier jaar geen sociale bijdragen betalen, kan niet anders worden beschouwd dan als een doelbewuste weigering om bij te dragen. Een schuldenaar mag voorrang geven aan bepaalde schuldeisers, de paritas creditorum-regel vindt pas toepassing bij samenloop. Deze handelingsvrijheid kent echter beperkingen. Het structureel onbetaald laten van sociale bijdragen sinds het derde kwartaal van 2019 tot en met 2024 (18 kwartalen) kan niet worden verantwoord met de in conclusie door gefailleerde ontwikkelde stelling dat “eerst de leveranciers en pas dan de institutionele schuldeisers konden betaald worden”; dat is misbruik en maakt een kennelijk grove fout uit. . 4.
  8. Het staat bovendien vast dat voormelde kennelijk grove fout heeft bijgedragen tot het faillissement. In het kader van de kwijtschelding is er sprake van “hebben bijgedragen tot het faillissement” wanneer zonder de kennelijk grove fout het faillissement zoals dat zich heeft voorgedaan in concreto, zich niet had voorgedaan. Het “hebben bijgedragen tot het faillissement” is te onderscheiden van het “hebben bijgedragen tot de faillietverklaring”. Met “het faillissement” wordt niet enkel bedoeld “de faillietverklaring”, maar wel het netto-passief, de boedel én de rangregeling die samen vorm geven aan “het faillissement” in concreto. Niet enkel de loutere omvang van het passief of het netto-passief geeft vorm aan het faillissement in concreto, doch ook de aard en samenstelling van het passief dat tot uiting komt in de rangregeling (zie uitgebreid Orb. Gent, (afd. Gent) 23 december 2025, O/22/00864, ECLI:BE:ORGNT:2025:JUG.20251223.1). Een onderneming kan niet op een duurzame wijze met enige kans op succes gevoerd worden wanneer zij niet op regelmatige wijze haar sociale en fiscale verplichtingen voldoet. Dergelijk verzuim heeft onder meer tot gevolg dat een vertekend beeld wordt gecreëerd met betrekking tot de reële liquiditeitsvereiste en de reële rendabiliteit van de activiteit. Een nauwkeurige opvolging van de financiële situatie van de onderneming wordt hierdoor moeilijk, zo niet onmogelijk. Deze opvolging is nochtans noodzakelijk om correcte beleidsbeslissingen te kunnen nemen, om tijdig te kunnen reflecteren over de toekomst van de onderneming, om desgevallend herstelmaatregelen te nemen, dan wel om de activiteiten te stoppen. Dit gebrek aan opvolging heeft bijgedragen tot het faillissement. Zoals hierboven reeds uiteengezet, heeft de verslavingsproblematiek onmiskenbaar bijgedragen tot het faillissement, wat gefailleerde ook heeft toegegeven in haar verhoor ten overstaan van de curator. Gefailleerde was hoofdelijk aansprakelijke vennoot van een failliete vennootschap. Het staat vast dat de kennelijk grove van gefailleerde heeft bijgedragen tot het faillissement van [VOF MLK]. Het persoonlijk faillissement is hoofdzakelijk het rechtstreekse gevolg van het faillissement van de [VOF MLK] waarbinnen zich ook kennelijke grove fouten hebben voorgedaan. Hieruit volgt dat de hierboven vastgestelde kennelijk grove fouten hebben bijgedragen tot het persoonlijk faillissement. . 4.
  9. Het feit dat het Openbaar Ministerie niet tot vervolging is overgegaan, dat geen andere onregelmatigheden of inbreuken op de vennootschaps- en fiscale wetgeving werden vastgesteld, dat een boekhouding voorhanden is en dat gefailleerde haar medewerking heeft verleend aan de afwikkeling van het faillissement, doet geen afbreuk aan het voorgaande. . 4.
  10. Uit het voorgaande volgt dat de – volledige – kwijtschelding niet kan worden toegekend. Om de gefailleerde evenwel enig perspectief te bieden op het overwinnen van de schuldenlast, acht de rechtbank het aangewezen de kwijtschelding slechts gedeeltelijk te weigeren. Gefailleerde voert aan dat zij haar alcoholverslaving thans onder controle heeft en haar gebruik thans beperkt tot “één eenheid” per dag en slechts sporadisch online speelt. Hoewel de rechtbank gelet op de verklaringen ter zitting ter zeerste twijfelt aan de waarachtigheid van deze beweringen, houdt de rechtbank wel rekening met deze problematieken die een ziekte vormen en waarvan medische attesten voorliggen. Dat gefailleerde – die op heden slechts 47 jaar oud is – in de toekomst geen inkomsten meer zou kunnen verwerven, neemt de rechtbank niet aan. Een fresh start (“propere lei”) hoeft niet enkel betrekking te hebben op het kwijtschelden van schulden. De rechtbank bepaalt dan ook dat de kwijtschelding aan gefailleerde wordt geweigerd ten belope van 20%. Gelet op de eigenheden van deze zaak vormt dit een aanvaardbaar evenwicht tussen verantwoordelijkheid en een fresh start. . 4.
  11. Waar artikel 279

(1), 4°, W.Reg. in een vrijstelling van rolrechten voorziet voor alle zaken die ingeleid worden in het kader van Boek XX WER, met betrekking tot de insolventie van ondernemingen, is er geen aanleiding om in toepassing van artikel 269
(2), §1 W.Reg. enige veroordeling tot betaling van rolrechten uit te spreken. 4.7. Alle andere besluiten wijst de rechtbank af als ongegrond of niet ter zake dienend. . V. BESLISSING . De rechtbank doet recht op tegenspraak en op grond van alle bovenstaande redenen, alle verdere en meer uitgebreide of strijdige conclusies verwerpende als zijnde niet-gegrond of niet ter zake dienend. De rechtbank verklaart zich bevoegd tot kennisname van de vordering. De rechtbank verklaart de vordering van mr. [X] ontvankelijk en gegrond als volgt: De rechtbank weigert de kwijtschelding aan [A] ten belope van 20%. De rechtbank verzoekt de griffier het vonnis bij uittreksel bekend te maken in het Belgisch Staatsblad. De rechtbank verwijst [A] in de kosten van het geding, waaronder de met toepassing van artikel 4 §2, 1e en 3e lid en artikel 5, §1 van de wet van 19 maart 2017 tot oprichting van een Begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand verschuldigde bijdrage van 26 EUR aan het Begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand. ***** Gewezen op tegenspraak door de Tweede Kamer van de Ondernemingsrechtbank van Gent – Afdeling Gent, samengesteld uit: V. Verlaeckt, rechter en voorzitter van de kamer, P. Van Laere en S. Vandenberghe, rechters in ondernemingszaken, en uitgesproken door de voorzitter van de kamer in openbare terechtzitting op 3 februari 2026 in aanwezigheid van A. Bruynooghe, griffier. A. Bruynooghe P. Van Laere S. Vandenberghe V. Verlaeckt Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:ORGNT:2025:JUG.20251223.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.