id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Ondernemingsrechtbank Gent Vonnis/arrest van 10 februari 2026 ECLI nr: ECLI:BE:ORGNT:2026:JUG.20260210.1 Rolnummer: V/25/00179 Rechtsgebied: Insolventierecht Invoerdatum: 2026-02-24 Raadplegingen: 483 - laatst gezien 2026-06-18 06:11 Fiche 1 De bezettingsvergoeding in casu wordt niet gekwalificeerd als een boedelschuld. Boedelschulden moeten beperkend worden uitgelegd.Indien de curator van de failliete huurder beslist tot voortzetting van de huurovereenkomst, levert dit voor de ganse periode boedelschulden op. Zowel retroactief voor de periode vanaf de faillietverklaring tot aan de beslissing tot voortzetting door de curator, alsook voor de periode na de beslissing tot aan de beëindiging van de overeenkomst. Indien de curator beslist om de huurovereenkomst niet verder te zetten, maar houdt hij toch na die zelf genomen beslissing tot beëindiging, het goed toch verder bezet voor het beheer van de boedel (bv. opslag goederen), dan levert enkel de periode vanaf de beëindiging boedelschulden op (vgl. Cass. C.12.0350.N ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130503.2, 3 mei 2013). De vergoeding met betrekking tot de periode vanaf faillietverklaring tot aan de beëindiging, kwalificeert in dat geval als een schuld in de boedel. Indien de curator niet reageert op een gerichte aanmaning in de zin van artikel XX.139, § 1, 2de lid WER, doch na het verstrijken van de verleende termijn het goed verder bezet houdt, zullen boedelschulden ontstaan vanaf het verstrijken van die termijn. Of een curator zich na het verstrijken van die termijn dan “heeft gehaast” of “geen actieve handelingen heeft gesteld “ is vanaf dan in beginsel niet meer relevant. De datum van beslissing tot beëindiging is dan gelijk met het verstrijken van de termijn zonder reactie vanwege van de curator. Hieruit volgt dat wanneer de verhuurder geen aanmaning in de zin van artikel XX.139, § 1, 2de lid WER aan de curator richt, de loutere bezetting van het goed geen boedelschulden oplevert zolang niet ondubbelzinnig kan vastgesteld dat de curator de lopende overeenkomst voortzet. Uit de loutere opslag van te verkopen goederen kan weliswaar bezetting van het huurpand afgeleid worden, doch niet noodzakelijk de voorzetting van de lopende huurovereenkomst. UTU-thesaurus: HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - INSOLVENTIE Vrije woorden: kwalificatie tot boedelschuld van bezettingsvergoeding na faillissement Wettelijke bepalingen: Wetboek van economisch recht - 28-02-2013 - XX.139 - 19 ELI link Pub nr 2013A11134 Fiche 2 De verhuurder die beroep wil doen op de kwalificatie van boedelschulden heeft een eigen verantwoordelijkheid om diligent op te treden en moet de curator aanschrijven met een gerichte aanmaning.In casu stelt de rechtbank vast dat er geen duidelijke, gerichte aanmaning in de zin van artikel XX.139 WER voorligt. Het louter informeren naar de stand van zaken volstaat niet. Er moet door de verhuurder een uitdrukkelijke termijn verbonden worden aan de vraag tot het innemen van een standpunt wat betreft de verderzetting van de lopende huurovereenkomst. Voor de curator moet het ondubbelzinnig duidelijk zijn dat hem een laatste termijn wordt verleend, waarna er gevolgen zijn voor de boedel. UTU-thesaurus: HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - INSOLVENTIE Vrije woorden: kwalificatie boedelschuld bezettingsvergoeding na faillissement Wettelijke bepalingen: Wetboek van economisch recht - 28-02-2013 - XX.139 - 19 ELI link Pub nr 2013A11134 Fiche 3 Dat er goederen zijn achtergebleven in het huurpand, vormt op zichzelf geen bewijs van bezetting door een curator na faillissement. Een curator is geen opkuis of verhuisdienst, noch heeft hij de verplichting om dienaangaande kosten te maken. Goederen die naar het oordeel van de curator geen nettowaarde voor de boedel hebben, kunnen achtergelaten worden. Dit kan weliswaar leiden tot een verhoogde schuldvordering in hoofde van de verhuurder voor ontruiming en opkuis, doch dat zijn schulden in de boedel. Dat is geen kwestie van “cherrypicking” (selectieve recuperatie) doch wel van een doelmatig vereffeningsbewind. UTU-thesaurus: HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - INSOLVENTIE Vrije woorden: Plichten curator bij ontruiming huurpand Tekst van de beslissing Ondernemingsrechtbank Gent, afdeling Gent, 2de kamer heeft volgend vonnis verleend. . Partijen in het geding . [Schuldeiser T], . Hebbende als raadsman mr. [F] Eiseres . tegen . Mr. [PC] q.q., in zijn hoedanigheid van curator van het faillissement van [BV G] De curator . I. INFORMATIE OVER DE PROCEDURE . Bij vonnis van 5 maart 2024 van de ondernemingsrechtbank Gent, afdeling Gent werd [BV G] in staat van faillissement verklaard en werd mr. [PC] aangesteld als curator. [schuldeiser T] deed op 13 maart 2024 en 9 november 2024 aangifte van schuldvordering voor een totaal bedrag van 43.920,27 euro, waarvan zij 31.987,60 euro aanmerkte als boedelschuld en 11.932,67 euro als bevoorrecht passief op grond van artikel 20, 1° Hyp. W. De aangifte werd door de curator aangehouden en betwist in het derde proces-verbaal van nazicht van schuldvorderingen, neergelegd in het register op 13 mei
- De rechtbank heeft de partijen in openbare terechtzitting van 13 januari 2026 gehoord, waarna de debatten werden gesloten en de zaak in beraad werd genomen. De rechtbank heeft kennis genomen van het rechtsplegingsdossier en de neergelegde stukken. De bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken worden nageleefd. . II. SAMENVATTING VAN DE RELEVANTE FEITEN . 2.
- Op 27 januari 2023 sloot eiseres een huurovereenkomst met [BV G] met betrekking tot de huur van een bedrijfshal en kantoorruimte gelegen te [A] De jaarlijkse basishuurprijs werd bepaald op 42.140,00 euro, verschuldigd elk jaar in vier gelijke driemaandelijkse betalingen en bij vooruitbetaling uiterlijk de eerste werkdag van ieder kalenderkwartaal. [BV G] schreef, overeenkomstig artikel 41 van de huurovereenkomst, op 27 januari 2023 een bedrag van 10.500 euro over op de rekening van eiseres ten titel van een huurwaarborg (stuk 12 curator). 2.
- Bij vonnis van 5 maart 2024 van de ondernemingsrechtbank Gent, afdeling Gent werd [BV G] in staat van faillissement verklaard. 2.
- Op 11 maart 2024 maakte eiseres de huurovereenkomst over aan de curator met de vraag haar op de hoogte te houden inzake het verder verloop “einde huur, bezettingsvergoeding, leegmaken pand, …” (stuk 3 eiseres en stuk 2 curator). Er werd meegedeeld dat de huur achterstallig was sinds 1 januari 2024 en dat eiseres zich beroept op haar voorrecht van de onbetaalde verhuurder. Volgens de curator vond op 21 maart 2024 de eerst nuttige bijeenkomst met de bestuurder van de gefailleerde plaats (stuk 11 curator). Na deze bijeenkomst stelde de curator het [veilinghuis X] aan met het oog op de inventarisatie en verkoop van de ter plaatse aangetroffen verkoopbare goederen die eigendom waren van de gefailleerde. Op 26 maart 2024 schreef eiseres aan de curator: “Verder heeft de beheerder van het onroerend goed gemerkt dat er nog een container, wat voorraad zonnepanelen/goederen en een transpalet aanwezig zijn. Er werden ook eigen constructies aangebracht in het pand, dus ik veronderstel dat het pand dan nog in oorspronkelijke staat wordt hersteld, en dat het pand wordt schoon gemaakt? Kunt u mij een richting geven van datum wanneer de huur wordt opgezegd? In bijlage alvast de huuropvraging voor de periode Q2/2024.” (stuk 4 eiseres) 2.
- Op 4 april 2024 ging [veilinghuis X] over tot het opmaken van een inventaris en op 8 april 2024 werden de verkoopbare goederen gerecupereerd uit het onroerend goed van eiseres (stuk 3 curator). In die periode volgde er ook correspondentie inzake de opname van de energietellers tussen de vastgoedbeheerder van het pand en [veilinghuis X] (stukken 4-5 eiseres). 2.
- Op 13 mei 2024 deelde [veilinghuis X] aan eiseres mee dat alle verkoopbare de goederen werden opgehaald en dat de “niet-verkoopbare goederen, rommel, vuil en afval wel ter plaatse [bleven], alsook de tijdelijke constructie” (stuk 9 eiseres). Zij deelde verder mee dat eiseres al over het pand kon beschikken. Bij schrijven van diezelfde datum deelde de curator op zijn beurt mee aan eiseres, in toepassing van artikel XX.139, §1 WER, de huurovereenkomst met betrekking tot het magazijn in Aartselaar niet verder te zetten (stuk 10 eiseres). 2.
- Per schrijven van 24 mei 2024 volgt een antwoord van de raadsman van eiseres aan de curator: “Op 13 mei 2024 schrijft [veilinghuis X] dan dat mijn cliënte over haar pand kan beschikken. Deze mededeling geldt als éénzijdige verbreking van de huurovereenkomst. Eerst en vooral spreekt het voor zich dat mijn cliënte een voorrecht heeft op de verkoopprijs van de inboedel, als verhuurder, voor wat betreft de achterstallen tot de datum van faillissement. Daarnaast is de huur vanaf het faillissement tot 13 mei 2024 uiteraard een boedelschuld. Mijn cliënte heeft een kandidaat huurder die zou intrekken vanaf 1 juli
- De periode van 13 mei tot 30 juni 2024 geldt derhalve als verbrekingsvergoeding, eveneens een boedelschuld. Tenslotte stel ik u in gebreke om de door [veilinghuis X] achtergelaten goederen per kerende te verwijderen. Als curator heeft u de verplichting het gehuurde leeg en ontruimd op te leveren. Bij gebreke hieraan zal mijn cliënte zorgen voor de opruiming, uiteraard ook op kosten van de boedel.” (stuk 7 eiseres) 2.
- Ondertussen is de curator volgens eigen verklaring in het bezit gesteld van een aangetekend schrijven dat eiseres op 26 januari 2024 – een ruime maand voor faillietverklaring - aan de gefailleerde had gestuurd en waarbij werd de huurovereenkomst door eiseres opgezegd wegens huurachterstal ten belope van meer dan 3 maanden. 2.
- De curator reageerde per e-mail van 28 mei 2024 reageerde op voormeld schrijven van de raadsman van eiseres van 24 mei 2024, als volgt: “Uit stukken in mijn bezit, uitgaande van uw cliënte, blijkt dat zij reeds voor faillissementsdatum de huur had opgezegd tegen 26/02/
- Dit gegeven is mij maar net bekend, en werd door uw cliënte blijkbaar niet gecommuniceerd. Integendeel hield hij aanvankelijk voor dat het faillissement automatisch een einde stelde aan de huur. Hoe dan ook was ik, onwetende van de opzegging, in de wetenschap dat art. XX.139§1 W.E.R. van toepassing was, en heb ik op de verzoeken van uw cliënt niet geantwoord, in de wetenschap dat zulk automatisch een einde aan de huur zou stellen. Ik heb zulks met zoveel woorden nog herhaald bij schrijven dd. 13/05/
- De goederen afhangende van het faillissement werden op 08/04/2024 opgehaald, de andere goederen geen eigendom zijnde van de gefailleerde. In ieder geval is er geen sprake van enige schuld van de boedel, doch wel een schuld in de boedel.” (stuk 7 curator). De curator steunt zich hiervoor onder meer op een schrijven dat hij op 28 mei 2024 van [veilinghuis X] had ontvangen waarin onder meer werd gesteld “wij hebben op 04/04/2024 op uw verzoek ter plaatse inventaris opgemaakt en, behoudens mijn vergissing, werden op 08/04/2024 de verkoopbare goederen gerecupereerd. Het waardevol actief diende zo snel mogelijk te worden gerecupereerd aangezien het huurcontract reeds werd verbroken. (zie mail van 19/02/24 van Dhr. [Z] en [Y]l)” (stuk 3 curator). 2.
- Eiseres is niet akkoord en stelt dat de curator heeft beschikt over het onroerend goed tot en met 13 mei 2024 en dat dit leidt tot boedelkosten. De eerder door eiseres gegeven opzeg van de huurovereenkomst zou ongeldig geweest zijn, waardoor het de curator is geweest die een einde heeft gemaakt aan de huurovereenkomst en dit per 13 mei
- Eiseres vordert de betaling van boedelkosten uit hoofde van “bezettingskosten” ten belope van 8.072,17 euro en “ontruimingskosten” van de achtergelaten goederen ten belope van 1.723,08 euro. De curator betwist deze aanspraken. Partijen handhaafden hun respectievelijke standpunten (stuk 8 en 9 curator.). . III. DE VORDERINGEN . 3.
- Eiseres vordert in haar conclusie, neergelegd op 21 november 2025: “te zeggen voor recht dat een bedrag van 9.795,25 EUR dient weerhouden te worden als boedelschuld jegens concluante, te zeggen voor recht dat de bevoorrechte schuld van concluante op grond van artikel 20,1 Hyp.W. beloopt op 34.125,38 EUR.” 3.
- De curator vordert in zijn conclusie, neergelegd op 10 december 2025: “Te zeggen voor recht dat de schuldvordering van eiseres zal worden opgenomen in het bevoorrecht passief voor een bedrag van € 12.118,
- Het overige af te wijzen als ongegrond. ” . IV. DE BEOORDELING . IV. A. Wat betreft de kwalificatie van boedelschulden . 4.
- Eiseres meent dat een bedrag van 9.795,25 euro van haar schuldvordering een boedelschuld uitmaakt. Zij stelt dat enerzijds “bezettingskosten” ten belope van 8.072,17 euro en anderzijds “ontruimingskosten” van de achtergelaten goederen ten belope van 1.723,08 euro boedelschulden zijn. De bezettingskosten die eiseres als boedelschuld wil laten kwalificeren, zijn aangerekend voor de periode vanaf datum faillissement tot 13 mei 2024, zijnde datum waarop de curator aan de verhuurder ter kennis heeft gebracht dat de verkoopbare goederen zijn opgehaald en dat het pand vrij ter beschikking wordt gesteld. . 4.
- De curator meent dat er geen sprake kan zijn van enige boedelschuld, nu hij nooit de intentie heeft geuit de bedrijfsruimte in te schakelen in het beheer van het faillissement en de realisatie van de activa, en hij er voor heeft gezorgd dat de goederen in het pand snel werden weggehaald. . 4.
- Wat betreft de kwalificatie als boedelschuld en het lot van huurovereenkomsten bij faillissement. De kwalificatie als boedelschuld veronderstelt een beslissing van de curator. Een schuld is een boedelschuld, wanneer de curator verbintenissen heeft aangegaan met het oog op het beheer van de boedel, onder meer door de handelsactiviteit van de gefailleerde voort te zetten, de door laatstgenoemde gesloten overeenkomsten uit te voeren of nog door de roerende of onroerende goederen te gebruiken met het oog op een passend beheer van de failliete boedel. De curator gaat ook schulden aan met het oog op het beheer van het faillissement wanneer die schulden ontstaan door handelingen die de curator voor dit beheer dient te stellen maar niet stelt (Cass. 4 februari 2016, F.15.0045.N ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160204.4). Boedelschulden moeten beperkend worden uitgelegd. Na hun ambtsaanvaarding beslissen de curatoren onverwijld of zij overeenkomsten – waaronder huurovereenkomsten - die gesloten zijn voor de datum van het vonnis van faillietverklaring en waaraan door dat vonnis geen einde wordt gemaakt, al dan niet verder uitvoeren (artikel XX.139 WER). De verhuurder kan de curator van de huurder aanmanen om die beslissing binnen vijftien dagen te nemen. Indien geen verlenging van termijn is overeengekomen of indien de curatoren geen uitdrukkelijke beslissing genomen hebben voor de termijn verstreken is, wordt de huurovereenkomst als beëindigd beschouwd. Indien de curator van de failliete huurder beslist tot voortzetting van de huurovereenkomst, levert dit voor de ganse periode boedelschulden op. Zowel retroactief voor de periode vanaf de faillietverklaring tot aan de beslissing tot voortzetting door de curator, alsook voor de periode na de beslissing tot aan de beëindiging van de overeenkomst. Indien de curator beslist om de huurovereenkomst niet verder te zetten, maar houdt hij toch na die zelf genomen beslissing tot beëindiging, het goed toch verder bezet voor het beheer van de boedel (bv. opslag goederen), dan levert enkel de periode vanaf de beëindiging boedelschulden op (vgl. Cass. C.12.0350.N ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130503.2, 3 mei 2013). De vergoeding met betrekking tot de periode vanaf faillietverklaring tot aan de beëindiging, kwalificeert in dat geval als een schuld in de boedel. Indien de curator niet reageert op een gerichte aanmaning in de zin van artikel XX.139, § 1, 2de lid WER, doch na het verstrijken van de verleende termijn het goed verder bezet houdt, zullen boedelschulden ontstaan vanaf het verstrijken van die termijn. Of een curator zich na het verstrijken van die termijn dan “heeft gehaast” of “geen actieve handelingen heeft gesteld “ is vanaf dan in beginsel niet meer relevant. De datum van beslissing tot beëindiging is dan gelijk met het verstrijken van de termijn zonder reactie vanwege van de curator. Hieruit volgt dat wanneer de verhuurder geen aanmaning in de zin van artikel XX.139, § 1, 2de lid WER aan de curator richt, de loutere bezetting van het goed geen boedelschulden oplevert zolang niet ondubbelzinnig kan vastgesteld dat de curator de lopende overeenkomst voortzet. Uit de loutere opslag van te verkopen goederen kan weliswaar bezetting van het huurpand afgeleid worden, doch niet noodzakelijk de voorzetting van de lopende huurovereenkomst. Anders oordelen zou betekenen dat er boedelschulden kunnen opgebouwd worden, zelfs zonder de curator op de hoogte is van enige opslag van goederen in een huurpand. De verhuurder die beroep wil doen op de kwalificatie van boedelschulden heeft een eigen verantwoordelijkheid om diligent op te treden en moet de curator aanschrijven met een gerichte aanmaning. . 4.
- De rechtbank oordeelt in casu dat de door eiseres gevraagde bezettingsvergoeding geen boedelschuld uitmaakt. De rechtbank komt tot dit oordeel op de volgende motieven: . 4.4.
- In casu stelt de rechtbank vast dat er geen duidelijke, gerichte aanmaning in de zin van artikel XX.139 WER voorligt. Het louter informeren naar de stand van zaken volstaat niet. Er moet door de verhuurder een uitdrukkelijke termijn verbonden worden aan de vraag tot het innemen van een standpunt wat betreft de verderzetting van de lopende huurovereenkomst. Voor de curator moet het ondubbelzinnig duidelijk zijn dat hem een laatste termijn wordt verleend, waarna er gevolgen zijn voor de boedel. Op 13 mei 2024 heeft de curator meegedeeld de huurovereenkomst niet verder te zetten. Een gerichte aanmaning voorafgaand aan dit schrijven van 13 mei 2024 ligt niet voor, zodat er geen boedelschulden kunnen bestaan vóór 13 mei
- . 4.4.
- Eiseres gaat eraan voorbij dat zelfs niet bewezen wordt dat de curator gebruik heeft gemaakt van het onroerend goed tot en met 13 mei
- De veilinghouder verklaart dat reeds op 8 april 2024 alle verkoopbare goederen werden gerecupereerd. Het is niet aan de curator om te bewijzen dat hij het onroerend goed niet heeft bezet. . 4.4.
- Dat er goederen zijn achtergebleven in het huurpand, vormt op zichzelf geen bewijs van bezetting door een curator na faillissement. Een curator is geen opkuis of verhuisdienst, noch heeft hij de verplichting om dienaangaande kosten te maken. Goederen die naar het oordeel van de curator geen nettowaarde voor de boedel hebben, kunnen achtergelaten worden. Dit kan weliswaar leiden tot een verhoogde schuldvordering in hoofde van de verhuurder voor ontruiming en opkuis, doch dat zijn schulden in de boedel. Dat is geen kwestie van “cherrypicking” (selectieve recuperatie) doch wel van een doelmatig vereffeningsbewind. . 4.4.
- Nergens uit de stukken blijkt dat [veilinghuis X] op enig moment meedeelde aan eiseres dat zij de verkoop van de inboedel ter plaatse zou organiseren. De bewering van eiseres dat [veilinghuis X] gas, elektriciteit en water nodig had voor de organisatie van de verkoop van de inboedel ter plaatse, wordt niet gestaafd. Zo blijkt uit de stukken dat op vraag van de vastgoedbeheerder van het pand [veilinghuis X] de meterstanden opnam (stuk 4 curator). . 4.4.
- Aan de curator kan niet verweten worden dat hij getalmd zou hebben met de inventarisatie en recuperatie van de goederen na zijn aanstelling. Uit de correspondentie blijkt dat de bestuurder van de gefailleerde pas op 18 maart 2024 weer in het land was, de opmaak van de inventaris in aanwezigheid van de bestuurder van de gefailleerde gebeurde op 21 maart 2024 en vervolgens het veilinghuis op 8 april 2024 overging tot recuperatie van de goederen. Op geen enkel ogenblik gaf de curator te kennen het pand verder te willen gebruiken voor de opslag van goederen of de organisatie van de verkoop van de goederen. . 4.5 Ten overvloede stelt de rechtbank vast dat uit de stukken blijkt dat eiseres niet transparant is geweest naar de curator toe. De curator werd niet ingelicht over de eerder gegeven opzeg, die naar het oordeel van eiseres “ongeldig was”. Het feit dat eiseres volgens eigen verklaring pas op 13 mei 2024 wist dat zij haar pand opnieuw vrij ter beschikking had, is uitsluitend aan haarzelf te wijten. . Aangaande de cijfermatige begroting . 4.
- De curator wijst erop dat eens wordt aangenomen dat de schulden geen boedelschulden zijn, de meeste cijfermatige discussies niet relevant zijn gelet op het beperkt gerealiseerd actief dat kan dienen als onderpand voor de onbetaalde verhuurder en het overig bevoorrecht passief. De schuldvordering van eiseres bestaat uit volgende posten: Bezettingsvergoeding over de periode van 6 maart tot 13 mei 2024: 8.072,17 euro Ontruimingskosten: 1.224,28 euro + 200 euro + 298,80 euro Achterstallige huur: 7.663,10 euro Gemeenschappelijke kosten: 5.462,28 euro Wederverhuringsvergoeding: 21.000 euro . 4.
- Hierna begroot de rechtbank de schuldvordering van eiseres als volgt: 4.7.
- De rechtbank kent een bezettingsvergoeding toe van 6 maart 2024 tot en met 8 april 2024, zijnde 33 dagen x 117,90 € = 3.890,70 euro. 4.7.
- Er bestaat geen discussie over de begroting van de achterstallige huur tot de datum van het faillissement t.b.v. 7.663,10 euro. 4.7.
- Wat de ontruimingskosten betreft: - Er bestaat geen betwisting tussen partijen over het verschuldigd karakter van de facturen van Remondis t.b.v. in totaal 1.224,28 euro (stukken 10.5 en 10.6 curator). - De opname in het passief van de schuldvordering met betrekking tot de factuur van [RT] NV inzake de schoonmaakkosten wordt door de curator betwist, nu daaruit volgens hem niet kan afgeleid worden dat de kosten betrekking hebben op het desbetreffende pand. De rechtbank stelt vast dat op de factuur het adres van het gehuurde pand is vermeld (“[A]”), zodat de rechtbank aanneemt dat de prestaties betrekking hebben op de schoonmaak van het gehuurde pand en de som van 200 euro opgenomen dient te worden in het passief (stuk 10.7 curator). - De opname in het passief van de schuldvordering met betrekking tot de factuur van [RT] NV inzake de kosten voor de afbraak van de voorlopige houten constructie wordt door de curator betwist omdat de dienst zou zijn uitgevoerd op 13 juli 2024, terwijl de containers al op 12 juli 2024 zouden zijn weggehaald (stuk 10.8 curator). De rechtbank oordeelt dat het weghalen van de containers niet belet dat een andere dienstverlener een dag nadien de houten constructie weghaalde en daarbij eventueel zelf instond voor het vervoer van het afval. Het bedrag van 298,80 euro wordt opgenomen in het passief. 4.7.
- Wat de schuldvordering voor de gemeenschappelijke kosten betreft, dient de rechtbank samen met de curator vast te stellen dat de facturen niet uitgaan van eiseres, maar van [EB] BV gericht aan de gefailleerde, zodat de vordering die eiseres hiervoor in het passief van gefailleerde indiende, dient te worden geweerd (stukken 10.2, 10.3, 10.4 en 10.9 curator). 4.7.
- Wat de wederverhuringsvergoeding betreft, kan de contractueel verschuldigde 6 maanden worden toegekend, ten belope van 21.000,00 euro. . 4.
- De voormelde schuldvorderingen zijn op grond van artikel 20, 1° Hypotheekwet bijzonder bevoorrecht (zie o.a. Cass. 3 mei 2012, C.11.0340.N ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20120503.9 wat betreft de bezettingsvergoeding). De curator voert geen betwisting wat betreft de opname in het bijzonder bevoorrecht passief. 4.
- De curator merkt terecht op dat de gefailleerde op 27 januari 2023 een huurwaarborg van 10.500 EUR betaalde op de bankrekening van eiseres (stuk 12 curator.). Dit bedrag dient in mindering te worden gebracht van de schuldvordering van eiseres. . V. BESLISSING . Op die gronden beslist de rechtbank op tegenspraak het volgende: Zegt dat de schuldvordering van [schuldeiser T] zal worden opgenomen in het bijzonder bevoorrecht passief ex artikel 20, 1° Hyp. W. van het faillissement van [BV G] voor de som van 23.776,88 euro. Wijst het anders- of meergevorderde af als ongegrond. ***** . Gewezen op tegenspraak door de Tweede Kamer van de Ondernemingsrechtbank van Gent – Afdeling Gent, samengesteld uit: V. Verlaeckt, rechter en voorzitter van de kamer, P. Van Laere en P. Van den Bossche, rechters in ondernemingszaken, en uitgesproken door de voorzitter van de kamer in openbare terechtzitting op 10 februari 2026 in aanwezigheid van A. Vriendt, griffier. A. Vriendt P. Van den Bossche P. Van Laere V. Verlaeckt Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20120503.9 ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130503.2 ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160204.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div