id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Ondernemingsrechtbank Gent Vonnis/arrest van 04 maart 2026 ECLI nr: ECLI:BE:ORGNT:2026:JUG.20260304.1 Rolnummer: O/24/00881 Rechtsgebied: Insolventierecht - Financieel recht Invoerdatum: 2026-03-05 Raadplegingen: 505 - laatst gezien 2026-06-18 06:29 Fiche 1 Een redding van zustervennootschap, mag niet gebeuren ten laste van de schuldeisers van de moeder - of een andere zustervennootschap. Dit betekent evenwel niet dat het noodzakelijk fout is om de redding van slechts één groepsvennootschap te faciliteren op een ogenblik dat voor de andere groepsvennootschappen de situatie uitzichtloos is. Ook op dat vlak houdt het bestuur een zekere beleidsmarge. Niet elke faciliterende handeling met het oog op de redding van één van de groepsvennootschappen, houdt een effectieve benadeling in van de schuldeisers van de andere reddeloos verloren groepsvennootschappen. Of er sprake is van benadeling zal steeds in concreto moeten beoordeeld worden. Dat de ene virtueel failliete groepsvennootschap wél wordt gered en de andere niet, houdt op zich geen bewijs van benadeling in en kan een loutere uitwerking zijn van de economische realiteit UTU-thesaurus: HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - INSOLVENTIE Vrije woorden: Pauliana XX.114 WER netting / redding Wettelijke bepalingen: Wetboek van economisch recht - 28-02-2013 - XX.114 - 19 ELI link Pub nr 2013A11134 Fiche 2 In geval van een onvermijdelijk faillissement is de procedure overdracht onder gerechtelijk gezag niet noodzakelijk de enige te volgen weg voor de overdracht van activa. Het uitgangspunt “onder toezicht van de rechtbank” biedt niet in alle gevallen meer garanties op wat dan ook. Een buitengerechtelijke (stille) reorganisatie van een vennootschapsgroep is geen abnormaliteit en kan in bepaalde gevallen aangewezen zijn. De toetsing a posteriori is steeds mogelijk. Wie compenseert, herstructureert of vereffent buiten procedure in het licht van nakende insolventie weet of behoort te weten dat hieraan risico's van ex post remediëring verbonden zijn. Doch wie geen nadeel berokkent, behoeft geen sanctie. UTU-thesaurus: HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - INSOLVENTIE Vrije woorden: pauliana XX.114 WER Fiche 3 Een nettingovereenkomst kan zowel een vermogensverarming veroorzaken als een rangdoorbreking impliceren in situaties van nakende insolventie. Zelfs indien vorderingen worden gecompenseerd of overgedragen aan nominale waarde, kan in werkelijkheid sprake zijn van een verarming wanneer vorderingen op solvabele partijen worden ingeruild voor vorderingen op insolvabele partijen. Daarnaast kan een nettingovereenkomst een paulianeuze rangdoorbreking tot gevolg hebben wanneer zij wordt opgezet met het oogmerk bepaalde partijen prioritaire betaling te verschaffen op een ogenblik waarop insolventie redelijkerwijze een onafwendbaar risico vormt, terwijl deze partijen in de samenloop nooit in nuttige rang zouden gekomen zijn. In dat geval betreft de nettingovereenkomst een loutere resultante van een kunstmatig tot stand gebrachte wettelijke compensatie die de gelijkheid van schuldeisers doorbreekt. Een nettingovereenkomst is geen louter toevallige opeenvolging van rechtsgevolgen van de wettelijke schuldvergelijking. Het is een bewust gewilde overeenkomst door alle betrokken partijen. In het kader van artikel XX.114 WER moeten de nettingovereenkomst en alle daarmee verband houdende voorbereidende handelingen als één ondeelbaar geheel worden beoordeeld, teneinde na te gaan of de overeenkomst met bedrieglijke benadeling van schuldeisers is tot stand gebracht. UTU-thesaurus: HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - FINANCIEEL RECHT - Financiële instellingen en tussenpersonen - Bemiddelaars - Financiële Instrumenten Vrije woorden: nettingovereenkomst WFZ nakende insolventie Fiche 4 Door de werking en opbouw van vennootschapsgroepen kunnen interne relaties ontstaan die, in geval van nakende insolventie, moeten worden opgelost of doorgeknipt, opdat de redding van levensvatbare activiteiten of entiteiten mogelijk wordt. Een nettingovereenkomst is daartoe een middel dat kan aangewend worden, zelfs op een ogenblik dat elke contractspartij hierin weet dat definitieve insolventie onvermijdelijk is. In die gevallen is de enige en absolute stelregel dat er geen benadeling mag zijn. Zelfs wanneer de artikelen XX.111 en XX.112 WER wel toepasselijk zijn, dan nog is de toepassing ervan door de rechtbank facultatief en nauw verbonden met het al dan niet bestaan van een “nadeel”. UTU-thesaurus: HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - INSOLVENTIE Vrije woorden: pauliana Nettingovereenkomst Fiche 5 De rechtbank komt tot het besluit dat de voorwaarden van artikel XX.114 WER niet zijn voldaan. Er kan geen benadeling worden vastgesteld. Samengevat aanvaardt de rechtbank: dat zonder de geviseerde nettingovereenkomst er geen overname of redding van verweerster zou hebben plaatsgevonden; dat zonder overname verweerster altijd zou failliet verklaard zijn; dat in geval van faillietverklaring, [XYZ] nimmer één euro had kunnen recupereren van verweerster; dat er aldus geen sprake is van benadeling in hoofde van [XYZ] ten gevolge van de geviseerde nettingovereenkomst. UTU-thesaurus: HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - INSOLVENTIE Vrije woorden: afwijzing XX.114 WER wegens geen benadeling Tekst van de beslissing De ondernemingsrechtbank Gent, afdeling Gent 2de kamer heeft vonnis verleend tussen partijen: .
- Mr. […] beiden handelend in hun hoedanigheid van curator van het faillissement van de BV [XYZ], failliet verklaard door de ondernemingsrechtbank Gent, afdeling Gent op 14 augustus
- Eisers q.q. .
- Mr. […] handelend in zijn hoedanigheid van curator ad hoc van het faillissement van de BV [ABC], failliet verklaard door de ondernemingsrechtbank Gent, afdeling Gent op 20 juli
- Vrijwillig tussenkomende partij q.q. . En . [P] BV Verweerster Met als raadslieden: mr. […] . I. INFORMATIE OVER DE PROCEDURE . Het geding werd ingeleid bij dagvaarding van 25 oktober
- Vrijwillig tussenkomende partij is tussengekomen middels verzoekschrift van 21 mei
- Er werden conclusietermijnen bepaald bij beschikking van 17 juni 2025 in toepassing van artikel 747, §1 Ger.W. De rechtbank heeft de partijen in openbare terechtzitting van 27 januari 2026 gehoord, waarna de debatten werden gesloten en de zaak in beraad werd genomen. De rechtbank heeft kennis genomen van het rechtsplegingsdossier en de neergelegde stukken. De bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken worden nageleefd. II. FEITEN DIE AANLEIDING GEVEN TOT HET GESCHIL . 2.
- Deze zaak situeert zich binnen de insolventieproblematiek van de vennootschapsgroep ‘[Deconfiture]’. Tot voormelde vennootschapsgroep behoorden onder meer BV [XYZ], BV [ABC] en verweerster. BV [XYZ] (hierna ‘[XYZ]’) en verweerster waren 100% dochtervennootschappen van BV [ABC] (hierna ‘[ABC]’), die in beide vennootschappen als enige bestuurder optrad, vertegenwoordigd door [YA]. [XYZ] leverde diensten aan verschillende vennootschappen binnen de groep, waaronder verweerster, die actief was in de reclame- en marketingsector. [XYZ] stelde onder meer personeel ter beschikking. Daarnaast werden specifieke kosten voor bepaalde acties of projecten van verweerster door externe leveranciers aan [XYZ] gefactureerd, waarna [XYZ] deze kosten doorrekende aan verweerster. Deze interne facturatie verliep via een rekening-courant. Enkel verweerster had rechtstreeks contact met de eindklant aan wie verweerster ook factureerde. Begin 2023 was de rekening-courant tussen [XYZ] en verweerster opgelopen tot 2.106.395,23 euro in het voordeel van [XYZ]. . 2.
- De vennootschapsgroep ‘[Deconfiture]’ verkeerde begin 2023 in financiële moeilijkheden. Verschillende vennootschappen van de groep werden gedagvaard in faillissement, zo ook [XYZ] door FOD Financiën en RSZ op respectievelijk 23 maart 2023 en 21 april
- Ook verweerster werd geconfronteerd met geblokkeerde bankrekeningen, opgezegde kredieten en verschillende uitvoerende beslagen. Middels beschikking van de Nederlandstalige Ondernemingsrechtbank Brussel van 30 maart 2023 werd met toepassing van het oude artikel XX.36 WER op verzoek van verweerster een ondernemingsbemiddelaar aangesteld, met als opdracht om verweerster een minnelijk akkoord te laten afsluiten met de ING BELGIË . 2.
- Op 20 april 2023 werden alle aandelen in verweerster door de moeder vennootschap BV [ABC] overgedragen aan [FENIX] voor de prijs van 1,00 EUR. Voorafgaande aan deze overdracht van voormelde aandelen, meer bepaald op 13 april 2023, werd een overeenkomst met de titel “buitengerechtelijk minnelijk akkoord overeenkomst van netting” gesloten tussen de groepsvennootschappen [XYZ], verweerster en [ABC] (hierna ‘de nettingovereenkomst’). In de nettingovereenkomst wordt vooreerst uiteengezet dat de moedervennootschap [ABC] een vordering van 3.445.679,31 EUR op [XYZ] had, dat dochtervennootschap [XYZ] een vordering van 2.106.395,23 EUR op verweerster had, en dat verweerster een vordering van 10.498.794,79 EUR op moedervennootschap [ABC] had. Vervolgens gaan partijen over tot netting. [XYZ] aanvaardt dat verweerster haar openstaande schuld ten belope van 2.106.395,23 EUR betaalt door middel van de overdracht van de schuld die [XYZ] had ten aanzien van [ABC] en dit ten belope van 2.106.695,23 EUR. Het gevolg is dat [XYZ] geen schuldvordering meer heeft op verweerster, dat de schuld van [XYZ] tegenover [ABC] daalt tot 1.339.284,04 EUR en dat verweerster een schuld aan [ABC] op zich neemt ten belope van 2.106.695,23 EUR. Anders gesteld, [XYZ] heeft haar vordering van 2.106.395,23 EUR niet kunnen innen in liquiditeiten, maar werd voldaan door overname van schulden die [XYZ] had. Vervolgens gaan verweerster en [ABC] akkoord om hun wederzijdse vorderingen, respectievelijk 10.498.794,79 EUR en 2.106.395,23 EUR te compenseren, wat resulteert in een restvordering van 8.392.399,56 EUR in het voordeel van verweerster. . 2.
- Bij vonnis van 9 mei 2023 van de ondernemingsrechtbank Gent, afdeling Gent werd [XYZ] toegelaten tot de procedure gerechtelijke reorganisatie door minnelijk akkoord. De einddatum van de opschorting werd bepaald op 20 juni
- Een verzoek tot verlenging van de opschorting werd afgewezen bij vonnis van 20 juni 2023 van voormelde rechtbank. Bij beschikking van de Voorzitter van de ondernemingsrechtbank Gent, afdeling Gent van 4 juli 2023 werd [XYZ] onder voorlopig bewind geplaatst met toepassing van art. XX.32 WER. Bij vonnis van de Ondernemingsrechtbank Gent, afdeling Gent van 14 augustus 2023 werd [XYZ] failliet verklaard en werden eisers q.q. aangesteld als curatoren. Bij vonnis van 9 april 2024 werd de datum van staking van betaling vervroegd naar 14 februari
- In het faillissement van [XYZ] blijk uit het derde proces-verbaal van verificatie een ingediend passief van 2.130.390,70 EUR. Het gerealiseerd actief is nihil. . 2.
- Ook moedervennootschap [ABC] werd failliet verklaard, meer bepaald op 20 juli 2023 op dagvaarding van onder meer ING BELGIË. Er zou een ingediend passief van bijna 15 miljoen euro zijn. Ook andere vennootschappen van de ‘[Deconfiture]’-groep worden failliet verklaard in dezelfde periode. . III. VORDERINGEN EN STANDPUNTEN VAN PARTIJEN . 3.
- Eisers q.q. viseren de nettingovereenkomst gesloten op 13 april
- Zij stellen dat deze niet-tegenstelbaar aan de failliete boedel van [XYZ] dient te worden verklaard. De nettingovereenkomst zou de schuldeisers van [XYZ] hebben benadeeld. De overeenkomst had immers tot gevolg dat het enige actief van [XYZ], een vordering op verweerster ten belope van 2.106.395,23 EUR, verdween op een ogenblik dat iedereen wist dat [XYZ] failliet zou verklaard worden. In laatste conclusie vorderen eisers q.q. “te zeggen voor recht dat de nettingovereenkomst op 13/04/23 gesloten tussen de BV [XYZ], BV [P] en NV [ABC] niet tegenstelbaar is aan concluanten q.q.” en “verweerster dienvolgens te veroordelen tot het betalen aan concluanten q.q. van de som van 2.106.395,23 EUR, meer de moratoire en vervolgens gerechtelijke intresten aan de wettelijke rentevoet vanaf de ingebrekestelling dd. 16/08/2024 tot de datum van algehele betaling” . 3.
- Verweerster betwist de vordering en stelt in essentie dat de nettingovereenkomst geen schuldeisers benadeelt, niet abnormaal is en kadert in een reorganisatie en de redding van de onderneming. Verweerster stelt verder onder meer dat de nettingovereenkomst geldt als “buitengerechtelijk minnelijk akkoord”, dat de nettingovereenkomst loutere wettelijke compensaties inhoudt die geen actieve handelingen vereisten van [XYZ], dat de artikelen XX.111, XX.112 en XX.114 WER niet kunnen worden toegepast en dat in concreto de rangregeling niet werd beïnvloed of doorbroken. Tenslotte beweert verweerster nog een vordering van 224.502,12 EUR te hebben op [XYZ], waarvoor zij een tegenvordering stelt. In laatste conclusie vordert verweerster onder meer: “De vorderingen van de Curatoren van [XYZ] indien ontvankelijk, integraal ongegrond te verklaren; De vorderingen van de Curator ad hoc indien ontvankelijk, integraal ongegrond te verklaren; De tegenvordering van [P] ten aanzien van de Curatoren van [XYZ] ontvankelijk en gegrond te verklaren, en dienvolgens: - te zeggen voor recht dat de vordering van [P]in het gewoon passief van [XYZ] BV 224.502,12 EUR, meer 1 EUR provisioneel, bedraagt; - de opname te bevelen van voormelde vordering van[P] in het gewoon passief van [XYZ] BV; - en desgevallend, de gerechtelijke compensatie te bevelen tussen de bedragen die [XYZ] BV en [P] aan elkaar zouden zijn verschuldigd.” . 3.
- Eisers q.q. in vrijwillige tussenkomst zijn aangesteld als curator ad hoc van [ABC]. Zij stellen dat, naast de schuldeiser van [XYZ], ook de schuldeisers van [ABC] werden benadeeld door de nettingovereenkomst. Zij vorderen betaling van 2.106.395,23 EUR van verweerster en, ondergeschikt de niet-tegenstelbaarheid uit te spreken van de nettingovereenkomst ten aanzien van de failliete boedel van [ABC]. In laatste conclusie vorderen eisers q.q. in vrijwillige tussenkomst: “Akte te nemen van de tussenvordering van concluant q.q., deze ontvankelijk en gegrond te verklaren en dienvolgens in hoofdorde: - Artikel 2 van de Overeenkomst die op 13 april 2023 gesloten is tussen [ABC], - [XYZ] niet-tegenstelbaar te verklaren ten aanzien van concluant q.q.; en - [P] te veroordelen tot betaling aan concluant q.q. van 2.106.395,23 EUR, meer de gerechtelijke intresten vanaf de datum van neerlegging van deze conclusie; In ondergeschikt orde vraagt concluant q.q.: - De Overeenkomst die op 13 april 2023 gesloten is tussen [ABC], [XYZ] niet tegenstelbaar te verklaren ten aanzien van concluant q.q.; en - Een wedersamenstelling van de verschillende rekening-courantposities die [ABC], [XYZ] en [P] ten aanzien van elkaar hadden, zoals deze bestonden vóór ondertekening van de Overeenkomst”. . IV. DE BEOORDELING DOOR DE RECHTBANK . 4.
- De ontvankelijkheid van de vorderingen wordt niet betwist. De rechtbank ziet geen ambtshalve op te werpen middelen van onontvankelijkheid. . 4.
- In essentie wordt de op 13 april 2023 uitgevoerde betaling van de schuldvordering van [XYZ] door verweerster ten belope van 2.106.395,23 EUR aangevochten. De op dat ogenblik openstaande rekening-courant vordering werd voldaan door middel van een schuldoverdracht waarbij verweerster voor 2.106.395,23 EUR schulden van [XYZ] overnam. Deze betalingswijze werd overeengekomen in een nettingovereenkomst. Eisers q.q. zien hierin een pauliaans handelen en beroepen zich op artikelen XX.111, XX.112 en XX.114 WER. . 4.
- De datum van staking van betaling in het faillissement [XYZ] werd definitief vastgesteld op 14 februari
- Aangezien de geviseerde handeling dateert van 13 april 2023 – dus na de weerhouden datum van staking van betaling – zijn mogelijk de artikelen XX.111, 2° WER en XX.112 WER relevant. Overeenkomstig artikel XX.111, 2° WER kunnen “aan de boedel niet worden tegengeworpen, wanneer zij door de schuldenaar zijn verricht sinds het door de rechtbank bepaalde tijdstip van staking van betaling, onverminderd de artikelen XX.37 […] alle betalingen, hetzij in geld, hetzij bij overdracht, verkoop, of anderszins, wegens niet vervallen schulden, en alle betalingen anders dan in geld of in handelspapier, wegens vervallen schulden”. Overeenkomstig artikel XX.112 WER kunnen “alle andere betalingen door de schuldenaar wegens vervallen schulden gedaan, en alle handelingen onder bezwarende titel door hem aangegaan na de staking van betaling en voor het vonnis van faillietverklaring, niet-tegenwerpbaar verklaard worden, indien zij die van de schuldenaar iets hebben ontvangen of met hem hebben gehandeld, kennis hadden van de staking van betaling, onverminderd de artikelen XX.37 […]” . 4.
- De rechtbank gaat vooreerst na of in deze zaak de artikelen XX.111, 2° WER en XX.112 WER van toepassing kunnen zijn. Overeenkomstig artikel 3, 4° van de wet van 15 december 2004 betreffende financiële zekerheden en houdende diverse fiscale bepalingen inzake zakelijke-zekerheidsovereenkomsten en leningen met betrekking tot financiële instrumenten (hierna ‘WFZ’) zijn nettingovereenkomsten “overeenkomsten tot schuldvernieuwing of tot bilaterale of multilaterale schuldvergelijking.”. Er wordt niet betwist dat de geviseerde overeenkomst gesloten op 13 april 2023 een nettingovereenkomst is in de zin van artikel 3, 4° WFZ. Overeenkomstig artikel 16, §3 WFZ zijn, onverminderd artikel XX.114 WER, de artikelen XX.111, 2°, en XX.112 WER niet van toepassing op nettingovereenkomsten, op de betalingen, transacties en handelingen die worden verricht ter uitvoering van die overeenkomsten. Overeenkomstig artikel 15, §1 WFZ zijn nettingovereenkomsten slechts geldig en aan derden tegenstelbaar, en kunnen zij dus rechtsgevolg hebben, inclusief in het geval van een insolventieprocedure, het beslag of enig ander geval van samenloop, als die overeenkomsten zijn gesloten vóór het tijdstip waarop de insolventieprocedure wordt geopend of vóór het beslag of de samenloop plaatsvindt, of, wanneer die overeenkomsten nà dat moment zijn gesloten, als de tegenpartij kan aantonen dat hij, op het ogenblik waarop de betrokken overeenkomst werd gesloten, in de gewettigde onwetendheid verkeerde over de opening of het eerder plaatsvinden van die procedure of die samenloop. . 4.
- Eisers q.q. stellen dat de uitsluiting van artikel 16, § 3 WFZ in deze zaak niet geldt aangezien op 30 maart 2023 bij beschikking van de Nederlandstalige Ondernemingsrechtbank Brussel met toepassing van het toenmalige artikel XX.36 WER reeds een ondernemingsbemiddelaar werd aangesteld. Die procedure zou volgens eisers q.q. beantwoorden aan de definitie van een “insolventieprocedure” zoals voorzien in artikel 3, 5° WFZ. De rechtbank volgt deze stelling niet. De loutere aanstelling van een ondernemingsbemiddelaar opent geen “insolventieprocedure” in de zin van artikel 3,5° WFZ, noch impliceert dit een beslag of enig ander geval van samenloop. De aanstelling van een ondernemingsbemiddelaar behelst niet de realisatie van de activa en de verdeling van de opbrengst, noch betreft dit een saneringsmaatregel die enigerlei optreden van Belgische rechterlijke instanties met zich brengt en is niet van die aard dat zij de bestaande rechten van derden aantast. De vaststelling dringt zich op dat de nettingovereenkomst werd gesloten vóór het tijdstip waarop de insolventieprocedure werd geopend. De nettingovereenkomst werd gesloten op 13 april 2023 – wat door geen enkele partij wordt betwist – en de procedure gerechtelijke reorganisatie werd voor [XYZ] pas geopend op 9 mei
- Hieruit volgt dat de uitsluiting voorzien in artikel 16, §3 WFZ wel van toepassing is en dat eisers q.q. zich aldus niet kunnen steunen op de artikelen XX.111, 2° WER en XX.112 WER om de nettingovereenkomst van 13 april 2023 aan te vechten. Gezien deze vaststelling moet de rechtbank niet verder ingaan op de discussie omtrent de toepassingsvoorwaarden van het (oude) artikel XX.37 WER. . 4.
- Eisers q.q. beroepen zich eveneens op artikel XX.114 WER teneinde de niet-tegenstelbaarheid van de nettingovereenkomst te laten uitspreken. De uitsluitingen voorzien in artikel 16 WFZ en (oud) artikel XX.37.WER doen geen afbreuk aan de toepasselijkheid van artikel XX.114 WER. Krachtens artikel XX.114 WER kunnen handelingen of betalingen verricht met bedrieglijke benadeling van de rechten van de schuldeisers niet worden tegengeworpen onverschillig op welke datum zij hebben plaatsgehad. Verweerster stelt dat een nettingovereenkomst niet onder het toepassingsgebied van artikel XX.114 WER kan vallen omdat deze vermogensrechtelijk neutraal is en geen “actieve handeling” door [XYZ] vereist. De rechtbank kan deze stelling niet onderschrijven. Een nettingovereenkomst kan immers zowel een vermogensverarming veroorzaken als een rangdoorbreking impliceren in situaties van nakende insolventie. Zelfs indien vorderingen worden gecompenseerd of overgedragen aan nominale waarde, kan in werkelijkheid sprake zijn van een verarming wanneer vorderingen op solvabele partijen worden ingeruild voor vorderingen op insolvabele partijen. Daarnaast kan een nettingovereenkomst een paulianeuze rangdoorbreking tot gevolg hebben wanneer zij wordt opgezet met het oogmerk bepaalde partijen prioritaire betaling te verschaffen op een ogenblik waarop insolventie redelijkerwijze een onafwendbaar risico vormt, terwijl deze partijen in de samenloop nooit in nuttige rang zouden gekomen zijn. In dat geval betreft de nettingovereenkomst een loutere resultante van een kunstmatig tot stand gebrachte wettelijke compensatie die de gelijkheid van schuldeisers doorbreekt. In haar verweer splitst verweerster de nettingovereenkomst op in verschillende stappen om vervolgens uitsluitend de laatste stap — de wettelijke compensatie — te kwalificeren als een louter wettelijk gevolg waarvoor geen actieve “handelingen” van partijen meer vereist zijn. Ook deze redenering wordt door de rechtbank niet gevolgd. Een nettingovereenkomst is geen louter toevallige opeenvolging van rechtsgevolgen van de wettelijke schuldvergelijking. Het is een bewust gewilde overeenkomst door alle betrokken partijen. In het kader van artikel XX.114 WER moeten de nettingovereenkomst en alle daarmee verband houdende voorbereidende handelingen als één ondeelbaar geheel worden beoordeeld, teneinde na te gaan of de overeenkomst met bedrieglijke benadeling van schuldeisers is tot stand gebracht. . 4.
- De rechtbank komt echter op grond van onderstaande vaststellingen, in samenhang beschouwend, tot het besluit dat de voorwaarden van artikel XX.114 WER niet zijn voldaan. Er kan geen benadeling worden vastgesteld, noch in hoofde van [XYZ], noch in hoofde van [ABC]. Samengevat aanvaardt de rechtbank: - dat zonder de geviseerde nettingovereenkomst er geen overname of redding van verweerster zou hebben plaatsgevonden; - dat zonder overname verweerster altijd zou failliet verklaard zijn; - dat in geval van faillietverklaring [XYZ] nimmer één euro had kunnen recupereren van verweerster; - dat er aldus geen sprake is van benadeling ten gevolge van de geviseerde nettingovereenkomst. . 4.
- De rechtbank geeft hierna nadere toelichting: . 4.8.
- Eisers q.q. hebben gelijk wanneer zij stellen dat de schuldeisers van [XYZ] geen ‘boodschap’ of belang hebben bij de redding van een zustervennootschap. Het feit dat door de overname van de aandelen van verweerster ook haar passiva werden overgenomen, en dit scenario gunstig uitvalt voor de schuldeisers en werknemers van verweerster, doet geen afbreuk aan het gegeven dat dit geen enkel voordeel oplevert voor de schuldeisers van het failliete [XYZ]. Een redding van zustervennootschap, mag niet gebeuren ten laste van de schuldeisers van de moeder - of een andere zustervennootschap. Dit betekent evenwel niet dat het noodzakelijk fout is om de redding van slechts één groepsvennootschap te faciliteren op een ogenblik dat voor de andere groepsvennootschappen de situatie uitzichtloos is. Ook op dat vlak houdt het bestuur een zekere beleidsmarge. Niet elke faciliterende handeling met het oog op de redding van één van de groepsvennootschappen, houdt een effectieve benadeling in van de schuldeisers van de andere reddeloos verloren groepsvennootschappen. Of er sprake is van benadeling zal steeds in concreto moeten beoordeeld worden. Dat de ene virtueel failliete groepsvennootschap wél wordt gered en de andere niet, houdt op zich geen bewijs van benadeling in en kan een loutere uitwerking zijn van de economische realiteit. Door de werking en opbouw van vennootschapsgroepen kunnen interne relaties ontstaan die, in geval van nakende insolventie, moeten worden opgelost of doorgeknipt, opdat de redding van levensvatbare activiteiten of entiteiten mogelijk wordt. Een nettingovereenkomst is daartoe een middel dat kan aangewend worden, zelfs op een ogenblik dat elke contractspartij hierin weet dat definitieve insolventie onvermijdelijk is. In die gevallen is de enige en absolute stelregel dat er geen benadeling mag zijn. Zelfs wanneer de artikelen XX.111 en XX.112 WER wel toepasselijk zijn, dan nog is de toepassing ervan door de rechtbank facultatief en nauw verbonden met het al dan niet bestaan van een “nadeel”. In tegenstelling tot wat eisers q.q. opmerken, is in geval van een onvermijdelijk faillissement de procedure overdracht onder gerechtelijk gezag niet noodzakelijk de enige te volgen weg voor de overdracht van activa. Het uitgangspunt “onder toezicht van de rechtbank” biedt niet in alle gevallen meer garanties op wat dan ook. Een buitengerechtelijke (stille) reorganisatie van een vennootschapsgroep is geen abnormaliteit en kan in bepaalde gevallen aangewezen zijn. De toetsing a posteriori is steeds mogelijk. Wie compenseert, herstructureert of vereffent buiten procedure in het licht van nakende insolventie weet of behoort te weten dat hieraan risico’s van ex post remediëring verbonden zijn. Doch wie geen nadeel berokkent, behoeft geen sanctie. . 4.8.
- Uit de stukken blijkt dat in een scenario waarin verweerster failliet zou worden verklaard, [XYZ] nimmer enige recuperatie van haar op 13 april 2023 bestaande rekening-courantvordering ten belope van 2.106.395,23 EUR had kunnen bekomen. Op 13 april 2023 had verweerster een opeisbare schuld van 2.826.577,86 EUR ten aanzien van ING BELGIË, die tot zekerheid van deze vordering beschikte over een pandrecht in eerste rang op de handelszaak ten belope van 3.300.000,00 EUR. Verweerster had ongeveer 900.000,00 EUR aan overheidsschulden die bevoorrecht waren. Er waren personeelsleden in dienst, wat zou leiden tot sociaal passief. Dit terwijl het enige actief van verweerster, zijnde het handelsfonds zoals dat bestond in april 2023, werd geschat op 568.000 EUR in going concern. Een waarde die bij faillissement mogelijk nog zou dalen. In die omstandigheden ziet de rechtbank niet in op welke wijze de failliete boedel van [XYZ] in concreto nadeel kan hebben geleden door de afgesloten nettingovereenkomst. [XYZ] had nooit in nuttige rang kunnen komen. . 4.8.
- Voor de rechtbank staat vast dat de faillietverklaring van verweerster in april 2023 onafwendbaar was zonder de overname door [FENIX] en dat het voorafgaandelijk sluiten van de nettingovereenkomst een essentiële voorwaarde betrof opdat de overname door [FENIX] kon doorgaan. Er is geen twijfel dat verweerster virtueel failliet was in april
- Verweerster werd in die periode geconfronteerd met geblokkeerde bankrekeningen, meerdere uitvoerende beslagen, veroordelende vonnissen en een operationele onmogelijkheid om lopende projecten te realiseren wegens gebrek aan enige liquiditeit. Uit stuk 6 van verweerster blijkt dat ING België op 20 maart 2023 de kredieten had opgezegd, hetgeen resulteerde in een opeisbare schuldvordering op verweerster van 2.826.577,86 EUR. Voorts beliep op 12 april 2023 de totale vervallen fiscale schuld 572.325,66 EUR, de schuld aan de RSZ 227.285,94 EUR (exclusief de verplichtingen over het eerste kwartaal van 2023) en de schuld aan VLAIO was 439.190,07 EUR. Op 20 april 2023 vertoonde de zichtrekening van verweerster een negatief saldo van 134.938,35 EUR. Op 19 april 2023 beliep de netto financiële schuldpositie van verweerster 6.270.000,00 EUR. Uit het door verweerster voorgelegde waarderingsverslag van ‘Grand Thornton’ blijkt dat – zelfs volgens de meest gunstige waarderingsmethode – de aandelen van verweerster op het moment van de overname een negatieve waarde van 2.491.800 EUR vertegenwoordigden. De rechtbank stelt vast dat eisers q.q. geen inhoudelijke repliek hebben geformuleerd op de bevindingen en berekeningen vervat in deze gedetailleerde cijfermatige analyse, hoewel zij daartoe zowel de tijd als de gelegenheid hadden. De rechtbank merkt ook op dat geen van de partijen de aandelenoverdracht aan een prijs van 1,00 EUR aanvecht of in vraag stelt. Dat de opeisbare kredieten in hoofde van verweerster, na de overname en na diverse kapitaalinjecties, konden worden overgenomen en aangezuiverd, de publieke schulden konden worden afgelost en ondertussen de normale bedrijfsvoering kon worden hersteld, doet geen afbreuk aan het feit dat verweerster zich wel degelijk in april 2023 in een virtuele faillissementstoestand bevond. Een verwijzing naar de jaarrekeningen van verweerster die dateren van vóór de overname en vóór de ontkoppeling van verweerster uit de insolvente vennootschapsgroep, is niet relevant. De beperkte betrouwbaarheid van de jaarrekeningen van de vennootschappen binnen de zogenaamde ‘[Deconfiture]’-groep is partijen genoegzaam bekend, nu eisers q.q. zelf aanvoeren dat kosten en opbrengsten systematisch onjuist werden toegerekend en dat het kluwen van onderlinge rekeningen-courant binnen de groep voornamelijk op fictieve grondslagen was gebaseerd. Ook een verwijzing naar de jaarrekeningen betreffende de periode na de overname is niet dienstig aangezien verweerster na de overname opereerde onder een nieuw bestuur en na substantiële kapitaalverstrekkingen, en dus in een wezenlijk gewijzigde economische en organisatorische context. . 4.8.
- Er wordt meer dan voldoende aannemelijk gemaakt dat [FENIX] nimmer de aandelen in verweerster zou overgenomen hebben of schulden voor rekening van verweerster rechtstreeks zou betaald hebben, zonder de voorafgaandelijke nettingovereenkomst en het vooruitzicht op de overeenkomst met ING BELGIE gesloten daags na de aandelenoverdracht. Uit de stukken blijkt dat de nettingovereenkomst tussen moedervennootschap en twee van haar dochtervennootschappen een essentiële voorwaarde was met het oog op de redding van één van deze dochtervennootschappen, namelijk verweerster. Er kan niet betwist worden dat de volledige ‘[Deconfiture]’-groep virtueel failliet was, minstens op het ogenblik van het sluiten van de nettingovereenkomst. Enkel verweerster bleek het redden waard, gezien de waardevolle klantenportefeuille en lopende contracten. Zonder deze nettingovereenkomst en navolgende overeenkomst met de huisbankier, kon verweerster niet gered worden, zouden de aandelen niet zijn overgenomen en was ook het faillissement van verweerster een feit geweest. Andere kandidaat-overnemers hadden reeds afgehaakt. Eisers q.q. merken ter zitting op dat er geen rekening mag gehouden worden met alternatieve scenario’s. De rechtbank zou enkel kunnen vaststellen dat op heden verweerster niet failliet is, op heden winst maakt en dus – desnoods na een gerechtelijke reorganisatie door collectief akkoord – toch een deel van de rekening courant aan [XYZ] had kunnen terugbetalen. De rechtbank volgt dit niet. Om na te gaan of er sprake is van benadeling is het wel degelijk relevant om vooreerst voor recht vast te stellen dat zonder overname door [Fenix] op 20 april 2023 – waartoe de aangevochten overeenkomst van 13 april 2023 een essentiële voorwaarde betrof – verweerster failliet zou zijn verklaard, net zoals de vele andere groepsvennootschappen. De door eisers q.q. voorgehouden “benadeling” moet immers beoordeeld worden door de huidige situatie van de failliete boedel van [XYZ] te vergelijken met de situatie waarin de boedel zich zou hebben bevonden als de aangevochten rechtshandeling niet zou zijn gesteld. Het in overweging nemen van een alternatieve scenario is inherent aan de bewijsvoering inzake pauliaanse vorderingen. . 4.8.
- Relevant is tevens de vaststelling dat de overnemer [FENIX] een ‘derde partij’ betreft – geen insider – die eerder geen enkele relatie had met de achterman van de ‘[Deconfiture]’-groep. [FENIX] heeft op basis van de stukken van het dossier geen deelname gehad in de totstandkoming van de financiële toestand van de vennootschapsgroep en haar entiteiten, zoals deze bestond op 13 april
- Dit wordt ook door geen enkele partij beweerd. De door eisers q.q. geformuleerde opmerkingen omtrent de jarenlange liquiditeitenstroom naar de moedervennootschap [ABC] en het structureel onjuist alloceren van kosten binnen de vennootschapsgroep – waardoor verweerster in financiële moeilijkheden zou zijn geraakt en herstructureringen noodzakelijk werden – kunnen mogelijk relevant zijn in het kader van een beoordeling van de bestuurdersaansprakelijkheid binnen de groep. Deze elementen zijn evenwel niet determinerend voor de beoordeling van de aangevochten nettingovereenkomst. . 4.
- De vordering uitgaande van vrijwillige tussenkomende partij, curatele ad hoc van [ABC], is eveneens ongegrond. Ten gevolge de nettingovereenkomst daalt de schuld van [ABC] aan verweerster van 10.498.794,79 euro naar 8.392.399,56 euro. De vordering van [ABC] op [XYZ] daalt weliswaar van 3.445.679,31 euro naar 1.339.284,04 euro, doch wordt er niet aannemelijk gemaakt dat dit gegeven in werkelijkheid enige invloed heeft voor de recuperatiekansen van deze saldovordering voor de schuldeisers van [ABC]. Gelet op de faillietverklaring van [XYZ], de aard en grootorde van het passief van het faillissement [XYZ] en het gerealiseerd actief in het faillissement van [XYZ], zijn de recuperatiemogelijkheden voor [ABC] van haar rekening-courant vordering onbestaande. Of het niet te recupereren saldo 3.445.679,31 EUR dan wel slechts 1.339.248,04 EUR is, blijkt niet relevant. . 4.
- Verweerster stelt een tegenvordering tot vaststelling van haar schuldvordering in de massa ten belope van 224.502,12 EUR. Aangezien de aangifte van schuldvordering ingediend door verweerster werd betwist door eisers q.q. in een proces-verbaal van verificatie zal de opname in het passief verlopen via de betwistingsprocedure XX.161, 4de lid juncto XX.163 WER. Doch niets weerhoudt de rechtbank wel de grond van de zaak te beoordelen en de omvang van de schuldvordering vast te stellen. Het geding tot betwisting werd immers nog niet aanhangig gemaakt door eisers q.q. Eisers q.q. aanvaardden slechts 165.548,95 EUR. Verweerster bewijst echter naar recht dat de betaling aan [TAIL] door [PHA] gebeurde voor rekening van verweerster. De schuldvordering van verweerster op [XYZ] wordt dan ook voor recht vastgesteld op 224.502,12 EUR, zoals gevorderd. . 4.
- De proceskosten vallen in de regel ten laste van de in het ongelijk gestelde partij (artikel 1017, 1e lid Ger. W.). Zowel de vordering van eisers q.q. alsook de vordering van de vrijwillige tussenkomende partij q.q. zijn ongegrond. Dit betreffen twee te onderscheiden vorderingen, waarop verweerster zich heeft moeten verdedigen. Elke eisende partij vorderde de betaling aan hem van 2.106.395,23 EUR. De gevorderde niet-tegenstelbaarheid heeft enkel gevolgen voor de eisende partij en is steeds geënt op individuele gronden eigen aan de relatie tussen eiser en verweerster. In beginsel doet iedere vordering een afzonderlijke procesverhouding ontstaan. Er kan niet vastgesteld worden dat gelet op de concrete elementen ervan, in hun geheel beschouwd, er slechts sprake zou zijn van één geschil. Er liggen afzonderlijke geschillen voor zodat meerdere rechtsplegingsvergoedingen verschuldigd zijn. Eisers q.q. vragen de rechtsplegingsvergoeding te beperken tot het minimumbedrag. Gelet op het feit dat in het faillissement [XYZ] geen enkel actief werd gerealiseerd, kan de rechtsplegingsvergoeding beperkt worden tot het minimum ten aanzien van eisers q.q. Vrijwillig tussenkomende partij q.q. vraagt de rechtsplegingsvergoeding te beperken tot het minimumbedrag met als enig argument dat er sprake is van een faillissement. Het louter faillissement is geen afdoende reden om de rechtsplegingsvergoeding te beperken tot het minimum. Er werd op heden een beduidend actief gerealiseerd zodat het basisbedrag wordt toegekend. Waar artikel 279
(1), 4°, W.Reg. in een vrijstelling van rolrechten voorziet voor alle zaken die ingeleid worden in het kader van Boek XX WER, met betrekking tot de insolventie van ondernemingen, is er geen aanleiding om in toepassing van artikel 269
(2)§ 1 W.Reg. enige veroordeling tot betaling van rolrechten uit te spreken. . V. DE BESLISSING VAN DE RECHTBANK . - Zegt voor recht dat de vordering van mr. […]. in hun hoedanigheid van curator van het faillissement van de BV [XYZ] ontvankelijk is, doch ongegrond. - Zegt voor recht dat de vordering van mr. […] q.q., in zijn hoedanigheid van curator ad hoc van het faillissement van de BV [ABC], ontvankelijk is, doch ongegrond. - Zegt voor recht dat BV [P] een schuldvordering heeft op BV [XYZ] van 224.502,12 EUR. - Veroordeelt mr. […] in hun hoedanigheid van curator van het faillissement van de BV [XYZ] tot hun eigen kosten en tot een rechtsplegingsvergoeding aan BV [P] van 1.569,77 EUR. - Veroordeelt [… ], in zijn hoedanigheid van curator ad hoc van het faillissement van de BV [ABC], tot zijn eigen kosten en tot een rechtsplegingsvergoeding aan [P] van 23.546,51 EUR. - In toepassing van artikel 4, §2, lid 1 en 3 en artikel 5, §1 van de wet van 19 maart 2017 tot oprichting van een Begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand worden […]., in zijn hoedanigheid van curator ad hoc van het faillissement van de BV [ABC], en mr […] . in hun hoedanigheid van curator van het faillissement van de BV [XYZ], samen verwezen in de bijdrage van 26,00 euro aan het Begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand. - Wijst het anders- of meergevorderde af als ongegrond. ***** Gewezen op tegenspraak door de Tweede Kamer van de Ondernemingsrechtbank van Gent – Afdeling Gent, samengesteld uit: V. Verlaeckt, rechter en voorzitter van de kamer, P. Van Laere en P. Van den Bossche, rechters in ondernemingszaken, en uitgesproken door de voorzitter van de kamer in buitengewone openbare terechtzitting op 4 maart 2025 in aanwezigheid van Z. Foré, griffier bij beschikking hoofdgriffier N. Pettens dd. 16/09/2025. Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div