id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Ondernemingsrechtbank Gent Vonnis/arrest van 04 maart 2026 ECLI nr: ECLI:BE:ORGNT:2026:JUG.20260304.2 Rolnummer: O/25/00322 Rechtsgebied: Insolventierecht - Burgerlijk recht Invoerdatum: 2026-03-05 Raadplegingen: 421 - laatst gezien 2026-06-18 14:14 Fiche 1 Dat de curator de aangifte van schuldvordering heeft aanvaard in het proces-verbaal van verificatie en de hangende procedure over de betwisting ten gronde tussen gefailleerde en de Schuldeiser niet wil verderzetten, doet geen afbreuk aan de mogelijkheid voor de gefailleerde om tegen deze verificatie bezwaren in te brengen. Anders oordelen zou de rechten voor de gefailleerde voorzien in artikel XX. 162 WER uithollen terwijl de wetgever deze expliciet heeft gewild. Dat de gefailleerde bezwaar kan indienen tegen een verificatie die het geding ten aanzien van de boedel zonder voorwerp maakt (XX.119 WER), betekent niet dat de curator de hangende procedure dan maar moet verderzetten. Wel dient de insolventierechter te oordelen over de opname op zich, wat aldus steeds een beoordeling van de gegrondheid van de middelen en de argumenten van de gefailleerde met betrekking tot de schuldvordering van de Schuldeiser impliceert. Bovendien blijkt de noodzaak tot beoordeling in deze bezwaarprocedure - buiten de werking van het hangend geding – ook uit de aard van de betwisting. De aangifte wordt niet enkel cijfermatig betwist doch ook het ingeroepen voorrecht wordt betwist. Hierover kan enkel de insolventierechter oordelen. UTU-thesaurus: HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - INSOLVENTIE Vrije woorden: aanvaarding aangifte schuldvordering / hangend geding / bezwaar door gefailleerde Wettelijke bepalingen: Wetboek van economisch recht - 28-02-2013 - XX.119 - 19 ELI link Pub nr 2013A11134 Wetboek van economisch recht - 28-02-2013 - XX.162 - 19 ELI link Pub nr 2013A11134 Fiche 2 De curator heeft onterecht de schuldvordering aanvaard in het bevoorrecht passief. Op grond van artikel 20, 5° Hyp. W. is de prijs van niet betaalde roerende goederen bevoorrecht, indien zij zich nog in het bezit van de schuldenaar bevinden, onverschillig of hij ze met of zonder tijdsbepaling gekocht heeft. Het voorrecht houdt op te gelden wanneer die roerende goederen onroerend zijn geworden door bestemming of incorporatie (art. 20, 5°, 3de lid Hyp. W.). Onderdelen en uitrustingsapparatuur die onderdeel zijn van een onroerend goed, kunnen als onroerend worden beschouwd. In casu gaat het om een ingebouwde keuken, een ingebouwde badkamer en een ingebouwde dressing, die zodanig zijn ingebouwd in het onroerend goed waardoor zij niet eenvoudig verplaatsbaar zijn en dus deel uitmaken van het onroerend goed. De goederen waarop voormelde facturen betrekking hebben zijn onroerend zijn geworden door incorporatie. Het voorrecht van artikel 20, 5° Hyp. W. is niet van toepassing . UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - VOORRECHTEN EN HYPOTHEKEN Vrije woorden: Voorrecht onbetaalde verkoper / onroerendmaking / faillissement Wettelijke bepalingen: Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten - 30-11-1939 - 20,5 Tekst van de beslissing De ondernemingsrechtbank Gent, afdeling Gent 2de kamer heeft vonnis verleend tussen partijen: . Partijen in het geding . BV [ABC], failliet verklaard bij vonnis van deze rechtbank van 24 december 2024, De gefailleerde, hierna “de gefailleerde” Hebbende als raadslieden mr […] . Tegen . Mr.[…], handelend in zijn hoedanigheid van curator van het faillissement van BV [ABC], Eerste verweerder q.q., hierna “de curator” . BV [AUGUST], De Schuldeiser, hierna “de schuldeiser” Hebbende als raadsman: mr. […] . I. INFORMATIE OVER DE PROCEDURE . Het geding werd ingeleid met dagvaarding betekend op 28 februari 2025. Partijen hebben conclusies genomen. De rechtbank heeft de partijen in openbare terechtzitting van 7 oktober 2025 gehoord, waarna de debatten werden gesloten en de zaak in beraad werd genomen. De rechtbank heeft kennis genomen van het rechtsplegingsdossier en de neergelegde stukken. De bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken worden nageleefd. . II. SAMENVATTING VAN DE RELEVANTE FEITEN 2.1. De BV [ABC], de gefailleerde, werd in staat van faillissement verklaard bij vonnis van 24 december 2024 van de ondernemingsrechtbank Gent, afdeling Gent. Mr […], eerste verweerder q.q., werd aangesteld als curator. De Schuldeiser is beweerdelijk schuldeiser van BV [ABC] en heeft een aangifte van schuldvordering ingediend ten belope van 15.260,67 EUR, waarvan 9.431,93 EUR in het bevoorrecht passief en 5.828,74 EUR in het gewoon passief. 2.2. Op 28 januari 2025 werd het eerste proces-verbaal van verificatie van schuldvorderingen neergelegd in het register. De aangifte van schuldvordering van de Schuldeiser werd aanvaard door de curator, 9.431,93 EUR in het bevoorrecht passief en 5.828,74 EUR in het gewoon passief. 2.3. Bij dagvaarding van 28 februari 2025 tekende de gefailleerde bezwaar aan tegen de aanvaarding van de schuldvorderingen van verwerende partijen overeenkomstig artikel XX.162 WER. Zowel de omvang van de schuldvordering als het ingeroepen voorrecht worden betwist. . III. DE VORDERINGEN . 3.1. In haar conclusie, neergelegd op 22 augustus 2025, vraagt de gefailleerde: “- Te zeggen voor recht dat de ingestelde bezwaren/vorderingen allen samenhangend zijn; - De bezwaren en vorderingen van concluante ontvankelijk te verklaren; - De bezwaren van concluante tegen de aanvaarding van de vorderingen van de BV [AUGUST] gegrond te verklaren, te zeggen voor recht dat de schuldvorderingen van deze schuldeiser (zevende verweerster) ten onrechte aanvaard werden, en dienvolgens; o De vordering van de BV [AUGUST] af te wijzen als ongegrond, met uitzondering van de factuur met nummer 201900667 d.d. 17.04.2019 ad 1.417,60 EUR; o De BV [AUGUST] te veroordelen tot de kosten van het geding, aan de zijde van concluante begroot op de dagvaardingskost (422,67 EUR) en een rechtsplegingsvergoeding aan het basisbedrag van 1.883,72 EUR; - Te zeggen voor recht dat de zesde en zevende verweerster hoofdelijk moeten instaan voor de betaling van de rolrechten aan de FOD Financiën.” . 3.2. In zijn conclusie, neergelegd op 16 september 2025, vraagt de curator: “De vordering van de gefailleerde af te wijzen als onontvankelijk wegens schending van art. 701 Ger. W. Daarnaast, vast te stellen dat de gefailleerd niet het vereiste belang heeft om zich tegen de aanvaarding van de schuldvordering te verzetten, en de vordering dus onontvankelijk te verklaren, minstens volstrekt ongegrond; De aanvaarding van de schuldvordering door de curator overeenkomstig het in het register neergelegde eerste PV nazicht van schuldvorderingen te bevestigen. De gefailleerde te veroordelen tot de kosten.” . 3.3. In haar conclusie, neergelegd op 17 september 2025, vraagt de Schuldeiser: “- Akte te nemen van de exceptie van samenhang cf. art. 701 Ger.W., zoals ingesteld door concluante in limine litis Deze ontvankelijk en gegrond te verklaren; Dienvolgens in hoofdorde de vordering van de gefailleerde af te wijzen onontvankelijk Ondergeschikt te bevelen dat de onderscheiden vorderingen worden opgesplitst en in afwachting onderhavige procedure te schorsen - Ondergeschikt de vordering af te wijzen als ontoelaatbaar bij gebreke aan belang cf. art. 17 Ger.W. Meer ondergeschikt, alvorens recht te doen, cf. art. XX.129 WER aan de rechter-commissaris te verzoeken om verslag uit te brengen aangaande de beslissing van de curator om het geding tegen concluante niet verder te zetten - Uiterst ongeschikt, de vordering van de gefailleerde af te wijzen als ongegrond - De gefailleerde te veroordelen tot betaling van de RPV, aan de zijde van concluante begroot op € 1.883,72 (niet in geld waardeerbare vordering, gelet op de aard van de eis)” . IV. DE BEOORDELING . Ontvankelijkheid Afsplitsing 4.1. Samenhangende eisen kunnen bij eenzelfde akte worden ingesteld (art. 701 Ger. W.). Het ontbreken van samenhang is geen grond tot nietigheid van het exploot of tot ontoelaatbaarheid van de ingestelde eisen. De geëigende sanctie bij schending van art. 701 Ger. W. bestaat in het splitsen van de diverse eisen (TAELMAN P. en THION P., “Bundeling van vorderingen”, TPR 2003, 1505, nr. 19; Cass. 4 december 2025, C.25.0121.N ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20251204.1N.7). Bij tussenvonnis van 7 oktober 2025 van deze rechtbank werden de vorderingen, zoals gesteld in de gedinginleidende dagvaarding van 28 februari 2025, afgesplitst. De betwisting met betrekking tot zevende verweerder, thans de Schuldeiser, wordt gevoerd onder het rolnummer O/25/00322. De vordering van de gefailleerde tot betwisting zoals gesteld in de dagvaarding van 28 februari 2025 is ontvankelijk. . Belang 4.2. De rechtsvordering kan niet worden toegelaten, indien de eiser geen hoedanigheid en geen belang heeft om ze in te dienen (art. 17 Ger. W.). Verweerders werpen op dat de gefailleerde geen belang heeft bij haar vordering omdat het aan de curator is om te beslissen over de te voeren procedures in het kader van het vereffeningsbewind, en niet de gefailleerde. De curator werpt op dat het belang van de aandeelhouder wordt verdedigd zonder dat deze in zake is. De rechtbank volgt het standpunt van verweerders niet. De gefailleerde heeft wel degelijk belang om betwisting over de aanvaarding van de aangifte te voeren. Dit vloeit eveneens voort uit artikel XX.162 WER dat stelt dat de gefailleerde en de schuldeisers tegen de verrichte en de te verrichten verificaties bezwaren kunnen inbrengen. Dat de curator de vordering heeft aanvaard in het proces-verbaal van verificatie en de hangende procedure over de betwisting ten gronde tussen gefailleerde en de Schuldeiser niet wil verderzetten, doet hieraan geen afbreuk. Anders oordelen, zou de betwistingsmogelijkheid voor de gefailleerde uithollen terwijl de wetgever deze expliciet heeft gewild. . De grond van de zaak 4.3. De gefailleerde betwist de aangifte schuldvordering van de Schuldeiser. Deze schuldvordering heeft betrekking op een aantal onbetaalde facturen met betrekking tot de levering en plaatsing van een badkamer, dressing en keuken door de Schuldeiser. In hoofdorde stelt zij dat de openstaande facturen niet verschuldigd zijn, ondergeschikt dat de verwijlinteresten niet verschuldigd zijn en geheel ondergeschikt dat de Schuldeiser zich ten onrechte beroept op het voorrecht van de onbetaalde verkoper van roerende goederen (art. 20, 5° Hyp. W.). 4.4. De Schuldeiser bouwt en plaatst interieurs op maat, met inbegrip van keukens en badkamers. Zij werd aangezocht door de gefailleerde voor de inrichting van een keuken, een dressing en een badkamer in het pand gelegen te 9000 Gent, Baudelokaai 13. Er bleven 5 facturen van de Schuldeiser onbetaald voor een totaalbedrag van 9.431,93 EUR (incl. btw): - Factuur 201900667 van 17 april 2019 ten belope van 1.417,60 EUR; - Factuur 202000876 van 15 juni 2020 ten belope van 3.670,96 EUR; - Factuur 202000877 van 15 juni 2020 ten belope van 1.853,97 EUR; - Factuur 202000878 van 15 juni 2020 ten belope van 1.840,76 EUR; - Factuur 202000875 van 15 juni 2020 ten belope van 648,64 EUR. De betwisting van de gefailleerde heeft geen betrekking op factuur 201900667 van 17 april 2019. Op 5 juli 2021 stelde de Schuldeiser een arbitrale procedure lastens de gefailleerde in. De Schuldeiser bekwam op 30 september 2021 een arbitrale uitspraak waarin haar vordering ontvankelijk en gegrond werd verklaard (stuk 6 de Schuldeiser). De gefailleerde ging op 10 november 2021 over tot dagvaarding van de Schuldeiser in vernietiging van de arbitrale uitspraak van 30 september 2021. Bij vonnis van 13 maart 2023 van de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, werd de arbitrale uitspraak dd. 30 september 2021 vernietigd (stuk 8 de Schuldeiser). Op 19 december 2024 ging de Schuldeiser over tot dagvaarding van de gefailleerde in betaling van voormelde facturen, te vermeerderen met de conventionele interesten en de conventionele schadevergoeding. De zaak werd aanhangig gemaakt voor de ondernemingsrechtbank Gent, afdeling Gent onder rolnummer A/24/03064. Op 22 januari 2025 verleende de ondernemingsrechtbank Gent, afdeling Gent een beschikking cf. art. 747, §2 Ger. W. met voorziene pleitdatum op 1 oktober 2025. De gefailleerde wordt op 24 december 2024 door deze rechtbank failliet verklaard. 4.5. De curator van de gefailleerde stelt uitdrukkelijk dat hij het hangende geding tegen de Schuldeiser namens de failliete boedel niet verderzet. In conclusie stelt de curator dat: “De curator was van mening dat het voortzetten van een procedure tot een veroordeling van de gefailleerde zal leiden, en besliste om de procedure niet voort te zetten en de schuldvordering in het passief te aanvaarden waarna het hangende geding zonder voorwerp wordt”. In het eerste proces-verbaal van verificatie van schuldvordering, neergelegd op 28 januari 2025 in het register, wordt de aangifte van schuldvordering van de Schuldeiser aanvaard door de curator. De curator stelt verder dat hij de procedure niet voorzette omdat het voor het faillissement niet voordelig is. De vordering dient opgenomen te worden in het bevoorrecht en gewoon passief, zoals gebeurde. Hij stelde vast dat de gefailleerde nooit aanstalten heeft gemaakt om eventuele gebreken door een deskundige te laten vaststellen, maar veeleer de zaak op zijn beloop heeft gelaten enkel met het oog op uitstel van betaling. 4.6. De Schuldeiser werpt op dat het uitsluitend aan de curator was om te oordelen of hij het geding al dan niet verderzette, wat hij heeft beslist om niet te doen. Zij stelt dat indien de vordering betrekking heeft op een materieel of financieel voordeel dat in de boedel valt, in principe alleen de curator bevoegd is om op te treden. Ondergeschikt verzoekt de Schuldeiser, alvorens recht te doen, om overeenkomstig artikel XX.129 WER aan de rechter-commissaris te verzoeken om verslag uit te brengen aangaande de beslissing van de curator om de aangifte van de Schuldeiser te aanvaarden of het geding tegen haar niet verder te zetten. Uiterst ondergeschikt stelt de Schuldeiser dat de vordering van de gefailleerde in elk geval ongegrond is. . 4.7. De situatie is aldus dat de curator van oordeel is dat de aanspraken van de Schuldeiser terecht zijn en dat de gefailleerde van oordeel is dat aangifte van de Schuldeiser niet kan aanvaard worden. Op datum van het faillissement van de BV [ABC] was een procedure hangende voor de ondernemingsrechtbank Gent, afdeling Gent, waarin de BV [ABC] was gedagvaard als verweerder. Overeenkomstig artikel XX.119, 1ste en 2de lid WER worden alle gedingen met betrekking tot de boedel, aanhangig op datum van het faillissement, waarin de gefailleerde betrokken is, van rechtswege geschorst tot aangifte van de schuldvordering is gedaan. Zij blijven geschorst tot na het registreren van het eerste proces-verbaal van verificatie, tenzij de curator de gedingen hervat in het belang van de boedel. Indien de aldus ingediende schuldvordering in het eerste proces-verbaal van verificatie wordt aanvaard, worden de voormelde hangende gedingen zonder voorwerp ten aanzien van de boedel. In casu aanvaardde de curator in het eerste proces-verbaal van verificatie dd. 28 januari 2025 de door de Schuldeiser ingediende schuldvordering, zodat het hangend geding zonder voorwerp werd ten aanzien van de boedel. Dit belet echter niet dat de gefailleerde in toepassing van artikel XX.162 WER een bezwaar kan inbrengen tegen de aanvaarding door de curator. In dat geval kan de rechtbank te oordelen over de grond van de zaak. Anders oordelen zou de mogelijkheid tot betwisting door de curator, gesteld in artikel XX.162 WER uithollen. In tegenstelling tot wat de Schuldeiser beweert met verwijzing naar het cassatie-arrest van 25 januari 2024 (C.23.0067.N ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240125.1N.1), houdt deze stelling niet in dat de curator de hangende procedure moet verderzetten. Wel dient deze rechtbank sowieso te oordelen over de opname op zich, wat aldus steeds een beoordeling van de gegrondheid van de middelen en de argumenten van de gefailleerde met betrekking tot de schuldvordering van de Schuldeiser impliceert. Bovendien blijkt de noodzaak tot beoordeling in deze betwistingsprocedure - buiten de werking van het hangend geding – ook uit de aard van de betwisting. De aangifte wordt niet enkel cijfermatig betwist doch ook het ingeroepen voorrecht wordt betwist. In het hangend geding zou de destijds geadieerde rechtbank geen uitspraak kunnen doen over het ingeroepen voorrecht of over de opname in het al dan niet bevoorrechte passief. Dat kan enkel de insolventierechter. . 4.8. Gelet op het bovenstaande, is het niet opportuun om, alvorens recht te doen, en overeenkomstig artikel XX.129 WER, aan de rechter-commissaris te verzoeken om verslag uit te brengen aangaande de beslissing van de curator om de aangifte van de Schuldeiser te aanvaarden of het geding tegen haar niet verder te zetten. Het staat immers aan de gefailleerde en de schuldeisers op grond van artikel XX.162 WER vrij om op te komen tegen verrichte en te verrichten verificaties van de curator, ongeacht of de rechter-commissaris al dan niet een beslissing van de curator om een schuldvordering te aanvaarden, bijtreedt. De vordering van de Schuldeiser wordt afgewezen op dit punt. . 4.9. De gefailleerde betwist het verschuldigd karakter van de facturen 202000875, 202000876, 202000877 en 202000878 omdat er volgens haar gebreken zijn in de uitvoering van de werken. Zij stelt hierover tijdig protest te hebben geuit en met de Schuldeiser afwijkende betalingsmodaliteiten te zijn overeengekomen, in die zin dat slechts 15% van het saldo verschuldigd is na de voorlopige oplevering en het in orde brengen van eventuele gebreken. De Schuldeiser stelt dat de gebreken werden verholpen begin juni 2020, waarna zij haar saldofacturen op 15 juni 2020 aan de gefailleerde bezorgde. Zij trachtte met de tussenkomst van een bemiddelaar, [MED] BV, een minnelijke oplossing te vinden, doch de gefailleerde ging hier niet op in (stuk 11 de Schuldeiser). Vervolgens startte de Schuldeiser een arbitrageprocedure voor de invordering van de facturen, en volgden verschillende procedurele ontwikkelingen (supra randnr. 4.4). De Schuldeiser meent dat de gefailleerde zich niet meer kan beroepen op de exceptio non adimpleti contractus nu zij onredelijke eisen stelde en weigerde in te gaan op de voorstellen van de Schuldeiser om aan diens eisen tegemoet te komen. Volgens haar handelde de gefailleerde manifest te kwader trouw en dienden de diverse e-mails enkel om de betaling zo lang mogelijk uit te stellen. De curator sluit zich aan bij het standpunt van de Schuldeiser. . 4.10. De rechtbank dient te beoordelen of de gefailleerde zich terecht op de wanprestaties (gebreken in de uitvoering van de werken) van de Schuldeiser beriep om haar eigen verbintenissen op te schorten, met name de betaling van het saldo verschuldigd bij de oplevering van de werken. De rechter moet de ernst van de ingeroepen wanprestatie in concreto beoordelen. Volgens de Schuldeiser werden de werken in juni 2019 afgewerkt, maar weigerde de gefailleerde de oplevering. Zo liet de gefailleerde bij e-mail van 24 juni 2019 aan de Schuldeiser weten dat hij alles in gebruik nam doch dat dit niet de aanvaarding van de werken impliceerde (stuk 23 de gefailleerde). Hij stelde verschillende gebreken vast (stuk 23 de gefailleerde): “- het werkblad(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.