← België

ECLI:BE:ORGNT:2026:JUG.20260304.2

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Ondernemingsrechtbank Gent Vonnis/arrest van 04 maart 2026 ECLI nr: ECLI:BE:ORGNT:2026:JUG.20260304.2 Rolnummer: O/25/00322 Rechtsgebied: Insolventierecht - Burgerlijk recht Invoerdatum: 2026-03-05 Raadplegingen: 421 - laatst gezien 2026-06-18 14:14 Fiche 1 Dat de curator de aangifte van schuldvordering heeft aanvaard in het proces-verbaal van verificatie en de hangende procedure over de betwisting ten gronde tussen gefailleerde en de Schuldeiser niet wil verderzetten, doet geen afbreuk aan de mogelijkheid voor de gefailleerde om tegen deze verificatie bezwaren in te brengen. Anders oordelen zou de rechten voor de gefailleerde voorzien in artikel XX. 162 WER uithollen terwijl de wetgever deze expliciet heeft gewild. Dat de gefailleerde bezwaar kan indienen tegen een verificatie die het geding ten aanzien van de boedel zonder voorwerp maakt (XX.119 WER), betekent niet dat de curator de hangende procedure dan maar moet verderzetten. Wel dient de insolventierechter te oordelen over de opname op zich, wat aldus steeds een beoordeling van de gegrondheid van de middelen en de argumenten van de gefailleerde met betrekking tot de schuldvordering van de Schuldeiser impliceert. Bovendien blijkt de noodzaak tot beoordeling in deze bezwaarprocedure - buiten de werking van het hangend geding – ook uit de aard van de betwisting. De aangifte wordt niet enkel cijfermatig betwist doch ook het ingeroepen voorrecht wordt betwist. Hierover kan enkel de insolventierechter oordelen. UTU-thesaurus: HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - INSOLVENTIE Vrije woorden: aanvaarding aangifte schuldvordering / hangend geding / bezwaar door gefailleerde Wettelijke bepalingen: Wetboek van economisch recht - 28-02-2013 - XX.119 - 19 ELI link Pub nr 2013A11134 Wetboek van economisch recht - 28-02-2013 - XX.162 - 19 ELI link Pub nr 2013A11134 Fiche 2 De curator heeft onterecht de schuldvordering aanvaard in het bevoorrecht passief. Op grond van artikel 20, 5° Hyp. W. is de prijs van niet betaalde roerende goederen bevoorrecht, indien zij zich nog in het bezit van de schuldenaar bevinden, onverschillig of hij ze met of zonder tijdsbepaling gekocht heeft. Het voorrecht houdt op te gelden wanneer die roerende goederen onroerend zijn geworden door bestemming of incorporatie (art. 20, 5°, 3de lid Hyp. W.). Onderdelen en uitrustingsapparatuur die onderdeel zijn van een onroerend goed, kunnen als onroerend worden beschouwd. In casu gaat het om een ingebouwde keuken, een ingebouwde badkamer en een ingebouwde dressing, die zodanig zijn ingebouwd in het onroerend goed waardoor zij niet eenvoudig verplaatsbaar zijn en dus deel uitmaken van het onroerend goed. De goederen waarop voormelde facturen betrekking hebben zijn onroerend zijn geworden door incorporatie. Het voorrecht van artikel 20, 5° Hyp. W. is niet van toepassing . UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - VOORRECHTEN EN HYPOTHEKEN Vrije woorden: Voorrecht onbetaalde verkoper / onroerendmaking / faillissement Wettelijke bepalingen: Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten - 30-11-1939 - 20,5 Tekst van de beslissing De ondernemingsrechtbank Gent, afdeling Gent 2de kamer heeft vonnis verleend tussen partijen: . Partijen in het geding . BV [ABC], failliet verklaard bij vonnis van deze rechtbank van 24 december 2024, De gefailleerde, hierna “de gefailleerde” Hebbende als raadslieden mr […] . Tegen . Mr.[…], handelend in zijn hoedanigheid van curator van het faillissement van BV [ABC], Eerste verweerder q.q., hierna “de curator” . BV [AUGUST], De Schuldeiser, hierna “de schuldeiser” Hebbende als raadsman: mr. […] . I. INFORMATIE OVER DE PROCEDURE . Het geding werd ingeleid met dagvaarding betekend op 28 februari 2025. Partijen hebben conclusies genomen. De rechtbank heeft de partijen in openbare terechtzitting van 7 oktober 2025 gehoord, waarna de debatten werden gesloten en de zaak in beraad werd genomen. De rechtbank heeft kennis genomen van het rechtsplegingsdossier en de neergelegde stukken. De bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken worden nageleefd. . II. SAMENVATTING VAN DE RELEVANTE FEITEN 2.1. De BV [ABC], de gefailleerde, werd in staat van faillissement verklaard bij vonnis van 24 december 2024 van de ondernemingsrechtbank Gent, afdeling Gent. Mr […], eerste verweerder q.q., werd aangesteld als curator. De Schuldeiser is beweerdelijk schuldeiser van BV [ABC] en heeft een aangifte van schuldvordering ingediend ten belope van 15.260,67 EUR, waarvan 9.431,93 EUR in het bevoorrecht passief en 5.828,74 EUR in het gewoon passief. 2.2. Op 28 januari 2025 werd het eerste proces-verbaal van verificatie van schuldvorderingen neergelegd in het register. De aangifte van schuldvordering van de Schuldeiser werd aanvaard door de curator, 9.431,93 EUR in het bevoorrecht passief en 5.828,74 EUR in het gewoon passief. 2.3. Bij dagvaarding van 28 februari 2025 tekende de gefailleerde bezwaar aan tegen de aanvaarding van de schuldvorderingen van verwerende partijen overeenkomstig artikel XX.162 WER. Zowel de omvang van de schuldvordering als het ingeroepen voorrecht worden betwist. . III. DE VORDERINGEN . 3.1. In haar conclusie, neergelegd op 22 augustus 2025, vraagt de gefailleerde: “- Te zeggen voor recht dat de ingestelde bezwaren/vorderingen allen samenhangend zijn; - De bezwaren en vorderingen van concluante ontvankelijk te verklaren; - De bezwaren van concluante tegen de aanvaarding van de vorderingen van de BV [AUGUST] gegrond te verklaren, te zeggen voor recht dat de schuldvorderingen van deze schuldeiser (zevende verweerster) ten onrechte aanvaard werden, en dienvolgens; o De vordering van de BV [AUGUST] af te wijzen als ongegrond, met uitzondering van de factuur met nummer 201900667 d.d. 17.04.2019 ad 1.417,60 EUR; o De BV [AUGUST] te veroordelen tot de kosten van het geding, aan de zijde van concluante begroot op de dagvaardingskost (422,67 EUR) en een rechtsplegingsvergoeding aan het basisbedrag van 1.883,72 EUR; - Te zeggen voor recht dat de zesde en zevende verweerster hoofdelijk moeten instaan voor de betaling van de rolrechten aan de FOD Financiën.” . 3.2. In zijn conclusie, neergelegd op 16 september 2025, vraagt de curator: “De vordering van de gefailleerde af te wijzen als onontvankelijk wegens schending van art. 701 Ger. W. Daarnaast, vast te stellen dat de gefailleerd niet het vereiste belang heeft om zich tegen de aanvaarding van de schuldvordering te verzetten, en de vordering dus onontvankelijk te verklaren, minstens volstrekt ongegrond; De aanvaarding van de schuldvordering door de curator overeenkomstig het in het register neergelegde eerste PV nazicht van schuldvorderingen te bevestigen. De gefailleerde te veroordelen tot de kosten.” . 3.3. In haar conclusie, neergelegd op 17 september 2025, vraagt de Schuldeiser: “- Akte te nemen van de exceptie van samenhang cf. art. 701 Ger.W., zoals ingesteld door concluante in limine litis Deze ontvankelijk en gegrond te verklaren; Dienvolgens in hoofdorde de vordering van de gefailleerde af te wijzen onontvankelijk Ondergeschikt te bevelen dat de onderscheiden vorderingen worden opgesplitst en in afwachting onderhavige procedure te schorsen - Ondergeschikt de vordering af te wijzen als ontoelaatbaar bij gebreke aan belang cf. art. 17 Ger.W. Meer ondergeschikt, alvorens recht te doen, cf. art. XX.129 WER aan de rechter-commissaris te verzoeken om verslag uit te brengen aangaande de beslissing van de curator om het geding tegen concluante niet verder te zetten - Uiterst ongeschikt, de vordering van de gefailleerde af te wijzen als ongegrond - De gefailleerde te veroordelen tot betaling van de RPV, aan de zijde van concluante begroot op € 1.883,72 (niet in geld waardeerbare vordering, gelet op de aard van de eis)” . IV. DE BEOORDELING . Ontvankelijkheid Afsplitsing 4.1. Samenhangende eisen kunnen bij eenzelfde akte worden ingesteld (art. 701 Ger. W.). Het ontbreken van samenhang is geen grond tot nietigheid van het exploot of tot ontoelaatbaarheid van de ingestelde eisen. De geëigende sanctie bij schending van art. 701 Ger. W. bestaat in het splitsen van de diverse eisen (TAELMAN P. en THION P., “Bundeling van vorderingen”, TPR 2003, 1505, nr. 19; Cass. 4 december 2025, C.25.0121.N ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20251204.1N.7). Bij tussenvonnis van 7 oktober 2025 van deze rechtbank werden de vorderingen, zoals gesteld in de gedinginleidende dagvaarding van 28 februari 2025, afgesplitst. De betwisting met betrekking tot zevende verweerder, thans de Schuldeiser, wordt gevoerd onder het rolnummer O/25/00322. De vordering van de gefailleerde tot betwisting zoals gesteld in de dagvaarding van 28 februari 2025 is ontvankelijk. . Belang 4.2. De rechtsvordering kan niet worden toegelaten, indien de eiser geen hoedanigheid en geen belang heeft om ze in te dienen (art. 17 Ger. W.). Verweerders werpen op dat de gefailleerde geen belang heeft bij haar vordering omdat het aan de curator is om te beslissen over de te voeren procedures in het kader van het vereffeningsbewind, en niet de gefailleerde. De curator werpt op dat het belang van de aandeelhouder wordt verdedigd zonder dat deze in zake is. De rechtbank volgt het standpunt van verweerders niet. De gefailleerde heeft wel degelijk belang om betwisting over de aanvaarding van de aangifte te voeren. Dit vloeit eveneens voort uit artikel XX.162 WER dat stelt dat de gefailleerde en de schuldeisers tegen de verrichte en de te verrichten verificaties bezwaren kunnen inbrengen. Dat de curator de vordering heeft aanvaard in het proces-verbaal van verificatie en de hangende procedure over de betwisting ten gronde tussen gefailleerde en de Schuldeiser niet wil verderzetten, doet hieraan geen afbreuk. Anders oordelen, zou de betwistingsmogelijkheid voor de gefailleerde uithollen terwijl de wetgever deze expliciet heeft gewild. . De grond van de zaak 4.3. De gefailleerde betwist de aangifte schuldvordering van de Schuldeiser. Deze schuldvordering heeft betrekking op een aantal onbetaalde facturen met betrekking tot de levering en plaatsing van een badkamer, dressing en keuken door de Schuldeiser. In hoofdorde stelt zij dat de openstaande facturen niet verschuldigd zijn, ondergeschikt dat de verwijlinteresten niet verschuldigd zijn en geheel ondergeschikt dat de Schuldeiser zich ten onrechte beroept op het voorrecht van de onbetaalde verkoper van roerende goederen (art. 20, 5° Hyp. W.). 4.4. De Schuldeiser bouwt en plaatst interieurs op maat, met inbegrip van keukens en badkamers. Zij werd aangezocht door de gefailleerde voor de inrichting van een keuken, een dressing en een badkamer in het pand gelegen te 9000 Gent, Baudelokaai 13. Er bleven 5 facturen van de Schuldeiser onbetaald voor een totaalbedrag van 9.431,93 EUR (incl. btw): - Factuur 201900667 van 17 april 2019 ten belope van 1.417,60 EUR; - Factuur 202000876 van 15 juni 2020 ten belope van 3.670,96 EUR; - Factuur 202000877 van 15 juni 2020 ten belope van 1.853,97 EUR; - Factuur 202000878 van 15 juni 2020 ten belope van 1.840,76 EUR; - Factuur 202000875 van 15 juni 2020 ten belope van 648,64 EUR. De betwisting van de gefailleerde heeft geen betrekking op factuur 201900667 van 17 april 2019. Op 5 juli 2021 stelde de Schuldeiser een arbitrale procedure lastens de gefailleerde in. De Schuldeiser bekwam op 30 september 2021 een arbitrale uitspraak waarin haar vordering ontvankelijk en gegrond werd verklaard (stuk 6 de Schuldeiser). De gefailleerde ging op 10 november 2021 over tot dagvaarding van de Schuldeiser in vernietiging van de arbitrale uitspraak van 30 september 2021. Bij vonnis van 13 maart 2023 van de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, werd de arbitrale uitspraak dd. 30 september 2021 vernietigd (stuk 8 de Schuldeiser). Op 19 december 2024 ging de Schuldeiser over tot dagvaarding van de gefailleerde in betaling van voormelde facturen, te vermeerderen met de conventionele interesten en de conventionele schadevergoeding. De zaak werd aanhangig gemaakt voor de ondernemingsrechtbank Gent, afdeling Gent onder rolnummer A/24/03064. Op 22 januari 2025 verleende de ondernemingsrechtbank Gent, afdeling Gent een beschikking cf. art. 747, §2 Ger. W. met voorziene pleitdatum op 1 oktober 2025. De gefailleerde wordt op 24 december 2024 door deze rechtbank failliet verklaard. 4.5. De curator van de gefailleerde stelt uitdrukkelijk dat hij het hangende geding tegen de Schuldeiser namens de failliete boedel niet verderzet. In conclusie stelt de curator dat: “De curator was van mening dat het voortzetten van een procedure tot een veroordeling van de gefailleerde zal leiden, en besliste om de procedure niet voort te zetten en de schuldvordering in het passief te aanvaarden waarna het hangende geding zonder voorwerp wordt”. In het eerste proces-verbaal van verificatie van schuldvordering, neergelegd op 28 januari 2025 in het register, wordt de aangifte van schuldvordering van de Schuldeiser aanvaard door de curator. De curator stelt verder dat hij de procedure niet voorzette omdat het voor het faillissement niet voordelig is. De vordering dient opgenomen te worden in het bevoorrecht en gewoon passief, zoals gebeurde. Hij stelde vast dat de gefailleerde nooit aanstalten heeft gemaakt om eventuele gebreken door een deskundige te laten vaststellen, maar veeleer de zaak op zijn beloop heeft gelaten enkel met het oog op uitstel van betaling. 4.6. De Schuldeiser werpt op dat het uitsluitend aan de curator was om te oordelen of hij het geding al dan niet verderzette, wat hij heeft beslist om niet te doen. Zij stelt dat indien de vordering betrekking heeft op een materieel of financieel voordeel dat in de boedel valt, in principe alleen de curator bevoegd is om op te treden. Ondergeschikt verzoekt de Schuldeiser, alvorens recht te doen, om overeenkomstig artikel XX.129 WER aan de rechter-commissaris te verzoeken om verslag uit te brengen aangaande de beslissing van de curator om de aangifte van de Schuldeiser te aanvaarden of het geding tegen haar niet verder te zetten. Uiterst ondergeschikt stelt de Schuldeiser dat de vordering van de gefailleerde in elk geval ongegrond is. . 4.7. De situatie is aldus dat de curator van oordeel is dat de aanspraken van de Schuldeiser terecht zijn en dat de gefailleerde van oordeel is dat aangifte van de Schuldeiser niet kan aanvaard worden. Op datum van het faillissement van de BV [ABC] was een procedure hangende voor de ondernemingsrechtbank Gent, afdeling Gent, waarin de BV [ABC] was gedagvaard als verweerder. Overeenkomstig artikel XX.119, 1ste en 2de lid WER worden alle gedingen met betrekking tot de boedel, aanhangig op datum van het faillissement, waarin de gefailleerde betrokken is, van rechtswege geschorst tot aangifte van de schuldvordering is gedaan. Zij blijven geschorst tot na het registreren van het eerste proces-verbaal van verificatie, tenzij de curator de gedingen hervat in het belang van de boedel. Indien de aldus ingediende schuldvordering in het eerste proces-verbaal van verificatie wordt aanvaard, worden de voormelde hangende gedingen zonder voorwerp ten aanzien van de boedel. In casu aanvaardde de curator in het eerste proces-verbaal van verificatie dd. 28 januari 2025 de door de Schuldeiser ingediende schuldvordering, zodat het hangend geding zonder voorwerp werd ten aanzien van de boedel. Dit belet echter niet dat de gefailleerde in toepassing van artikel XX.162 WER een bezwaar kan inbrengen tegen de aanvaarding door de curator. In dat geval kan de rechtbank te oordelen over de grond van de zaak. Anders oordelen zou de mogelijkheid tot betwisting door de curator, gesteld in artikel XX.162 WER uithollen. In tegenstelling tot wat de Schuldeiser beweert met verwijzing naar het cassatie-arrest van 25 januari 2024 (C.23.0067.N ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240125.1N.1), houdt deze stelling niet in dat de curator de hangende procedure moet verderzetten. Wel dient deze rechtbank sowieso te oordelen over de opname op zich, wat aldus steeds een beoordeling van de gegrondheid van de middelen en de argumenten van de gefailleerde met betrekking tot de schuldvordering van de Schuldeiser impliceert. Bovendien blijkt de noodzaak tot beoordeling in deze betwistingsprocedure - buiten de werking van het hangend geding – ook uit de aard van de betwisting. De aangifte wordt niet enkel cijfermatig betwist doch ook het ingeroepen voorrecht wordt betwist. In het hangend geding zou de destijds geadieerde rechtbank geen uitspraak kunnen doen over het ingeroepen voorrecht of over de opname in het al dan niet bevoorrechte passief. Dat kan enkel de insolventierechter. . 4.8. Gelet op het bovenstaande, is het niet opportuun om, alvorens recht te doen, en overeenkomstig artikel XX.129 WER, aan de rechter-commissaris te verzoeken om verslag uit te brengen aangaande de beslissing van de curator om de aangifte van de Schuldeiser te aanvaarden of het geding tegen haar niet verder te zetten. Het staat immers aan de gefailleerde en de schuldeisers op grond van artikel XX.162 WER vrij om op te komen tegen verrichte en te verrichten verificaties van de curator, ongeacht of de rechter-commissaris al dan niet een beslissing van de curator om een schuldvordering te aanvaarden, bijtreedt. De vordering van de Schuldeiser wordt afgewezen op dit punt. . 4.9. De gefailleerde betwist het verschuldigd karakter van de facturen 202000875, 202000876, 202000877 en 202000878 omdat er volgens haar gebreken zijn in de uitvoering van de werken. Zij stelt hierover tijdig protest te hebben geuit en met de Schuldeiser afwijkende betalingsmodaliteiten te zijn overeengekomen, in die zin dat slechts 15% van het saldo verschuldigd is na de voorlopige oplevering en het in orde brengen van eventuele gebreken. De Schuldeiser stelt dat de gebreken werden verholpen begin juni 2020, waarna zij haar saldofacturen op 15 juni 2020 aan de gefailleerde bezorgde. Zij trachtte met de tussenkomst van een bemiddelaar, [MED] BV, een minnelijke oplossing te vinden, doch de gefailleerde ging hier niet op in (stuk 11 de Schuldeiser). Vervolgens startte de Schuldeiser een arbitrageprocedure voor de invordering van de facturen, en volgden verschillende procedurele ontwikkelingen (supra randnr. 4.4). De Schuldeiser meent dat de gefailleerde zich niet meer kan beroepen op de exceptio non adimpleti contractus nu zij onredelijke eisen stelde en weigerde in te gaan op de voorstellen van de Schuldeiser om aan diens eisen tegemoet te komen. Volgens haar handelde de gefailleerde manifest te kwader trouw en dienden de diverse e-mails enkel om de betaling zo lang mogelijk uit te stellen. De curator sluit zich aan bij het standpunt van de Schuldeiser. . 4.10. De rechtbank dient te beoordelen of de gefailleerde zich terecht op de wanprestaties (gebreken in de uitvoering van de werken) van de Schuldeiser beriep om haar eigen verbintenissen op te schorten, met name de betaling van het saldo verschuldigd bij de oplevering van de werken. De rechter moet de ernst van de ingeroepen wanprestatie in concreto beoordelen. Volgens de Schuldeiser werden de werken in juni 2019 afgewerkt, maar weigerde de gefailleerde de oplevering. Zo liet de gefailleerde bij e-mail van 24 juni 2019 aan de Schuldeiser weten dat hij alles in gebruik nam doch dat dit niet de aanvaarding van de werken impliceerde (stuk 23 de gefailleerde). Hij stelde verschillende gebreken vast (stuk 23 de gefailleerde): “- het werkblad(

  1. en)liggen volgens mij los - de werkbladen en tafels zijn niet afgespoten - de schuifdeuren van de bovenkast lopen stroef ; er zijn geen remmen in de rail - nog deurrechters te plaatsen: enkele deuren staan nog krom - 2 fronten van lades ontbreken - zijplaatjes met reklame te vervangen door neutrale - techn. Dossier, uitleg onderhoud, opstart en garantie Miele, ed. nog te ontvangen - …” Er zou in februari 2020 een voorstel zijn gedaan door de Schuldeiser om een beroep te doen op een expert van het Wetenschappelijk en Technisch Centrum van het Bouwbedrijf (‘WTCB’) om de gebreken en problemen vast te stellen (stuk 12 de Schuldeiser). De gefailleerde ging niet in op dit voorstel. Vervolgens stelde de Schuldeiser op 20 februari 2020 voor dat (stuk 12 de Schuldeiser): “Ik heb zonet contact opgenomen met uw cliënte om een datum vast te leggen om de werken verder af te ronden. Uw cliënte bevestigde mij dat hij zich ging aanpassen aan onze datum en de rest in uw handen liet i.v.m. concrete data/opvolging. Wij kunnen de werken dan zo snel mogelijk inplannen zijnde binnen de 2 weken na dit akkoord. Volgende zaken kunnen we nu reeds aanpakken: 1. Probleem hoogte oven = NIEUWE KORPUS 2. Werkbladen vastleggen 3. Uitlijning van de dampkap / kookplaat 4. Herplaatsen badkamermeubel / uitlijning 5. Push to open plaatsen/laden Andere zaken worden dan opgemeten. Of aangepast en eventueel opnieuw in productie genomen. desnoods opnieuw besteld. (o.a. spiegel) Dit om bij volgende bezoek de werken te kunnen afronden.” De partijen voerden hierover nog correspondentie, en er zou een afspraak vastgelegd zijn tussen de gefailleerde en de Schuldeiser, doch omwille van de Covid-pandemie zou die zijn geannuleerd (stuk 12 de Schuldeiser). Op 22 juni 2020 schreef de gefailleerde vervolgens aan de Schuldeiser (stuk 18 de gefailleerde): “Meer dan een jaar na de voorziene einddatum, is de keuken nog steeds niet in een opleverbare toestand gebracht. Al weken staan de lades op de grond en staat een deur tegen de kasten. Voor de dampkap heeft Miele gezegd dat de uitvoering van de afvoerbuizen gebrekkig is en niet het toestel. Op vandaag werd nog geen enkele oplossing voorgesteld. U reageert niet op ons schrijven dd. 02 juni, niet op de memo dd. 07 juni en niet op die van 19 juni. We gaan er dan ook vanuit dat U de keuken niet meer in orde wil of kan brengen. We geven dan ook opdracht aan derden om deze op uw kosten en verantwoordelijkheid in orde te brengen en maken tevens voorbehoud voor alle genotsderving en minwaarde.” Op 19 oktober 2020 schreef [MED] BV, een bemiddelaar aangesteld door de Schuldeiser, de gefailleerde aan. Diezelfde datum reageerde de gefailleerde als volgt (stuk 17 de gefailleerde): “(…) De keuken (sic) is nog steeds niet opgeleverd, laat staan dat hij in orde is gebracht. Augustijns blijft in gebreke actie te ondernemen om deze zaken in orde te brengen. De verkoopsvoorwaarden van Augustijns zijn NIET aanvaard. Voor elke tussenkomst die we dienen te maken omwille van uw onwil om nu alles te herhalen tegen een bemiddelingsdienst, zullen we de prestaties aanrekenen aan ons uurtarief van 125 € per uur.” Bij schrijven van 20 oktober 2020 reageerde [MED] BV als volgt (stuk 11 de Schuldeiser): “(…) U heeft toch ook baat bij een oplossing? Dat deze oplossing reeds veel vroeger had kunnen komen, dat heeft de aannemer u ook al bevestigd, maar we kijken nu vooruit. Door onze tussenkomst kan een oplossing op korte termijn worden bereikt.” en “graag enkele data waarop u zich kan vrijmaken om tot een minnelijke schikking te komen AUB” De gefailleerde legt in het kader van deze procedure een lijst dd. 22 juni 2025 voor, die zij eenzijdig opstelde, met onopgeloste problemen en gebreken (stuk 19 de gefailleerde). 4.11. De rechtbank stelt vast dat de Schuldeiser niet betwist dat er gebreken waren in de uitvoering van de werken (stuk 12 de Schuldeiser). Zij stelt in conclusie dat “begin juni 2020 werden de voorgestelde aanpassingen gedaan”, doch op basis van de stukken van het dossier kan de rechtbank niet vaststellen welke aanpassingen precies werden gedaan. Volgens de gefailleerde werden bepaalde gebreken verholpen in 2020, maar niet allemaal. Volgens haar werden de werken nog steeds niet uitgevoerd in een opleverbare staat. De Schuldeiser stelde vervolgens tweemaal voor om, middels tussenkomst van een derde partij, met name WTCB en [MED] BV, tot een oplossing te komen. De gefailleerde weigerde hierop in te gaan. Nochtans bepalen de algemene voorwaarden inzake geschillen in artikel 10 dat (stuk 25 de gefailleerde): “VERPLICHT 2 BIJEENKOMSTEN MET VERANTW MET HET OOG OP EEN VERZOENING => GN VERZOENING => VRAAG AAN RECHTER MET BIJSTAND V EEN DESKUNDIGE” Over de aangepaste algemene voorwaarden werd reeds bij vonnis van 13 maart 2023 van de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen afdeling Gent beslist dat deze de contractuele rechtsverhouding beheersen (stuk 8 de Schuldeiser). Het opschortingsrecht dient te goeder trouw te worden uitgeoefend (art. 1102 en 1134 OBW). Er moet een evenredigheid bestaan tussen enerzijds de ernst van de tekortkoming van de wederpartij en anderzijds het nadeel dat de wederpartij ondergaat door het inroepen van deze exceptie (Cass. 6 maart 1986, Arr.Cass. 1985-86, 935). Zoals de Schuldeiser terecht opmerkt, is de schorsing van verbintenissen krachtens de exceptie van niet-uitvoering ook niet eeuwigdurend, maar neemt ze een einde wanneer de wederpartij zijn verbintenissen nakomt of aanbiedt deze na te komen (Cass. 7 februari 1979, Arr.Cass. 1978-79, 661 en Cass. 13 mei 2004, Arr.Cass. 2004, 845). Het opschortingsrecht mag niet misbruikt worden. Van rechtsmisbruik is sprake wanneer de houder ervan zijn recht uitoefent op een wijze die kennelijk de grenzen te buiten gaat van hoe een voorzichtig en bedachtzaam persoon dat recht in dezelfde omstandigheden zou uitoefenen. Een dergelijk misbruik wordt gesanctioneerd, niet door het verbeuren van het recht, maar door het recht tot zijn normale uitoefening te herleiden of door het opleggen van het herstel van de schade die door het misbruik is teweeggebracht, weze het dat de herleiding van het recht tot zijn normale uitoefening zover kan gaan dat de rechter aan de houder van het recht de mogelijkheid ontzegt om zich erop te beroepen in de gegeven omstandigheden (vgl. onder meer Cass. 7 september 2020, C.19.0034.N ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200907.3N.3-C.19.0118.N ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200907.3N.3; zie ook artikel 1.10 BW). De rechtbank oordeelt dat de gefailleerde zich onredelijk verzette tegen de pogingen tot verzoening gedaan door de Schuldeiser. Hierdoor schond zij artikel 10 van de algemene voorwaarden, dat met name bepaalt dat bij geschillen er verplicht twee bijeenkomsten met een verantwoordelijke dienen plaats te vinden met het oog op een verzoening. Evenmin konden, door de houding van de gefailleerde, de gebreken tegensprekelijk worden vastgesteld, al dan niet in aanwezigheid van een derde. Indien de gefailleerde was ingegaan op de pogingen tot verzoening van de Schuldeiser, en gezien in het verleden reeds verschillende gebreken werden verholpen, is het volgens de rechtbank aannemelijk dat de alsdan bestaande gebreken tegensprekelijk vastgesteld en verholpen konden worden. De rechtbank stelt vast dat de gefailleerde de keuken, badkamer en dressing in gebruik nam. De gebreken die de gefailleerde opwerpt, verhinderden haar in elk geval niet de ingebruikname volgens het daartoe voorziene gebruik. Door zich enerzijds halsstarrig te verzetten tegen de voorstellen tot verzoening van de Schuldeiser, en anderzijds door de oplevering te weigeren en zich blijvend te beroepen op de exceptio non adimpleti contractus om de facturen niet te betalen, oordeelt de rechtbank dat de gefailleerde haar opschortingsrecht niet te goeder trouw uitoefende. Ook het beroep door de gefailleerde op de afwijkende betalingsmodaliteiten – waarover de Schuldeiser geen standpunt innam in conclusies –, waarbij volgens haar “15% na de voorlopige oplevering en het in orde brengen van eventuele gebreken” verschuldigd is, is eveneens onderhevig aan het verbod op rechtsmisbruik. Gelet op het bovenstaande, oordeelt de rechtbank dat de gefailleerde, minstens vanaf 20 oktober 2020, met name de datum van de laatste e-mail van [MED] BV aan de gefailleerde, haar opschortingsrecht niet uitoefende zoals een normaal en zorgvuldig persoon in dezelfde omstandigheden. Dit des te meer nu het de gefailleerde zelf was die de algemene voorwaarden inzake geschillen wijzigde in die zin dat de partijen eerst de verzoening een kans dienden te geven. Bovendien waren, in de mate dat het merendeel aan gebreken reeds in juni 2020 werden verholpen, de gebreken, zoals die eenzijdig worden omschreven in de lijst van de gefailleerde, niet gebrekkig in die mate dat ze een volledige opschorting van betaling van de facturen 202000875, 202000876, 202000877 en 202000878 rechtvaardigden. In voormelde omstandigheden, daarbij rekening houdende met het tijdsverloop tussen de door de Schuldeiser laatst uitgevoerde werken medio 2020 en datum van huidige procedure, alsook met het tussengekomen faillissement van de gefailleerde, waardoor een expertise, evenzeer gelet op de inzet van het geschil, niet opportuun is, doch waarbij de rechtbank ook rekening houdt dat de door de gefailleerde opgeworpen gebreken niet volledig fictief zijn, gelet op de erkenning ervan in het schrijven dd. 20 oktober 2020 van [MED] BV (stuk 11 de Schuldeiser), acht de rechtbank de volgende veroordeling gepast. De rechtbank oordeelt dat de facturen 202000875, 202000876, 202000877 en 202000878 van de Schuldeiser verschuldigd zijn. Daarnaast oordeelt de rechtbank dat de gefailleerde aanspraak maakt op een schadevergoeding lastens de Schuldeiser wegens een gebrekkige uitvoering van de overeenkomst die de rechtbank ex aequo et bono begroot op 15% van voormelde factuurbedragen, zijnde 1.202,15 EUR. Factuur 201900667 wordt niet betwist door de gefailleerde, zodat die in elk geval verschuldigd is. De rechtbank spreekt de schuldvergelijking op grond van artikel 5.264 BW uit voor de door de gefailleerde en de Schuldeiser wederzijds aan elkaar verschuldigde bedragen. 4.12. De moratoire interesten aan de conventionele interestvoet zijn verschuldigd vanaf de vervaldata van de facturen 202000875, 202000876, 202000877 en 202000878, na aftrek van de schadevergoeding van 15% op de hoofdsom van elke factuur. De nalatigheidsinterest is verschuldigd vanaf de vervaldatum van factuur 201900667. De interest houdt op te lopen vanaf het vonnis van faillietverklaring (zie art. XX.117 WER en randnr. 4.13). . 4.13. De curator heeft het voorrecht van de onbetaalde verkoper van artikel 20, 5° Hyp. W aanvaard en de schuldvordering opgenomen in het bevoorrecht passief. De gefailleerde betwist het bevoorrecht karakter en stelt dat de door de Schuldeiser gevorderde prijs voor een ingebouwde keuken, sanitair en ingebouwde kasten niet is gewaarborgd door het voorrecht van de onbetaalde verkoper daar die zaken onroerend zijn geworden door incorporatie. Facturen 202000876, 202000877 en 202000878 hebben betrekking op de levering en plaatsing van de keuken met elementen en toestellen. Facturen 201900667 en 20200875 hebben betrekking op de levering en plaatsing van de badkamer. Op grond van artikel 20, 5° Hyp. W. is de prijs van niet betaalde roerende goederen bevoorrecht, indien zij zich nog in het bezit van de schuldenaar bevinden, onverschillig of hij ze met of zonder tijdsbepaling gekocht heeft. Het voorrecht houdt op te gelden wanneer die roerende goederen onroerend zijn geworden door bestemming of incorporatie (art. 20, 5°, 3de lid Hyp. W.). Onderdelen en uitrustingsapparatuur die onderdeel zijn van een onroerend goed, kunnen als onroerend worden beschouwd. Artikel 3.47, 2de lid BW bepaalt in dat verband dat “onroerend door incorporatie zijn alle bouwwerken en beplantingen die, doordat zij geïncorporeerd zijn in onroerende goederen uit hun aard, hiervan een inherent bestanddeel vormen”. In casu gaat het om een ingebouwde keuken, een ingebouwde badkamer en een ingebouwde dressing, die zodanig zijn ingebouwd in het onroerend goed waardoor zij niet eenvoudig verplaatsbaar zijn en dus deel uitmaken van het onroerend goed. De goederen waarop voormelde facturen betrekking hebben zijn onroerend zijn geworden door incorporatie. Het voorrecht van artikel 20, 5° Hyp. W. is niet van toepassing. . 4.14. De Schuldeiser vordert de toekenning van een rechtsplegingsvergoeding lastens de gefailleerde. Vermits in onderhavige procedures de vorderingen gedeeltelijk worden toe- of afgewezen acht de rechtbank het billijk iedere partij te veroordelen tot de eigen gedingkosten, dewelke aldus niet te begroten zijn. . V. BESLISSING . De rechtbank doet recht op tegenspraak en op grond van alle bovenstaande redenen, alle verdere en meer uitgebreide of strijdige conclusies verwerpende als zijnde niet-gegrond of niet ter zake dienend. De rechtbank verklaart zich bevoegd tot kennisname van de vorderingen van de BV [ABC] en van BV [AUGUST]. De rechtbank verklaart de vordering van BV [AUGUST] tot aan de rechter-commissaris te verzoeken om verslag uit te brengen aangaande de beslissing van de curator om het geding tegen de Schuldeiser niet verder te zetten, ontvankelijk doch ongegrond. De rechtbank verklaart de vordering van de gefailleerde ontvankelijk en in de hierna bepaalde mate gegrond: - zegt dat de schuldvordering van BV [AUGUST] zal worden opgenomen in het gewoon passief van het faillissement van BV [ABC] voor een bedrag van 8.229,78 EUR in hoofdsom, te vermeerderen met de moratoire interest aan de conventionele interestvoet vanaf de vervaldata van de facturen 201900667, 202000875, 202000876, 202000877 en 202000878 tot 24 december 2024, waarbij de interest wordt toegekend op de bedragen van facturen 202000875, 202000876, 202000877 en 202000878 na aftrek van de schadevergoeding van 15% per factuur, en te vermeerderen met de contractuele forfaitaire schadevergoeding van 822,98 EUR; - wijst het anders- of meergevorderde af als ongegrond. De rechtbank verwijst iedere partij in de eigen gedingkosten. ***** Gewezen op tegenspraak door de Tweede Kamer van de Ondernemingsrechtbank van Gent – Afdeling Gent, samengesteld uit: V. Verlaeckt, rechter en voorzitter van de kamer, P. Van Laere en W. Libaers, rechters in ondernemingszaken, en uitgesproken door de voorzitter van de kamer in buitengewone openbare terechtzitting op 4 maart 2026 in aanwezigheid van A. Vriendt, griffier. A. Vriendt W. Libaers P. Van Laere V. Verlaeckt Gerelateerde publicatie(
  2. s)citeert: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200907.3N.3 ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240125.1N.1 ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20251204.1N.7 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.